1.1 plan:
het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herziening Vossenbergsesteeg ong. en 5” van degemeente Meierijstad;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestandNL.IMRO.1948.BGS000BP0032023P-VG01 met de bijbehorende regels (en eventuelebijlagen);
1.4 aan huis verbonden bedrijf:
een bedrijf, gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten en zorg of het uitoefenenvan (ambachtelijke) bedrijvigheid door middel van handwerk, die door zijn beperkteomvang, door de gebruiker van een woning in die woning of bij die woning kan wordenuitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat eenruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie overeenkomt (inclusiefkinderopvang voor maximaal 6 niet-eigen kinderen);
1.5 aan huis verbonden beroep:
het uitoefenen van een beroep dan wel het beroepsmatig verlenen van diensten opadministratief-, juridisch-, medisch-, therapeutisch-, kunstzinnig-, vastgesteldtechnisch- ofuiterlijke verzorgingsgebied, c.q. een naar de aard en de invloed op de omgevingdaarmee gelijk te stellen activiteit, dat door zijn beperkte omvang in of vanuit eenwoning, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;
1.6 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waaringevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of hetbebouwen van deze gronden;
1.7 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.8 aardkundige waarde:
gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem dieeen bepaalde mate van bescherming genieten;
1.9 archeologische waarden:
cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief metsporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig hetcultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigd;
1.10 ander bouwwerk:
bouwwerk, geen gebouw zijnde;
1.11 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken;
1.12 bed & breakfast:
een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid toteen toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt;
1.13 bedrijf:
een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief de daarbij behorende voorzieningenten behoeve van opslag- en administratie;
1.14 bedrijfsactiviteiten:
handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van eenbedrijf;
1.15 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
1.16 bestaand:
t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van deterinzagelegging van het vastgesteldplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens eenvoor dat tijdstip verleende vergunning;
t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstipdat het plan rechtskracht heeft verkregen;
1.17 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.18 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.19 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van eenaanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleendeomgevingsvergunning;
1.20 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceelbevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, ofander bouwwerk, met een dak;
aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheelvormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig,(constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering,kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met hethoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt;
aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerkeen geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm inbouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging,maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbindingstaat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt;
vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie),architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm,dakhelling) ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van éénbouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm inbouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging,maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbindingstaat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt.
1.21 bouwen:
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van eenbouwwerk;
1.22 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.23 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijkehoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, niet zijnde de ruimte onder de kap;
1.24 bouwmassa:
een complex van aaneengebouwde bouwwerken
1.25 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaarbehorende bebouwing is toegelaten;
1.26 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
1.27 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deregels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten;
1.28 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzijdirect hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in ofop de grond;
1.29 cultuurhistorische waarden en kenmerken:
waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend methet bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden,het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;
1.30 dagrecreatie:
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbijovernachting niet is toegestaan; huifkarren worden hier mede onder begrepen;
1.31 ecologische waarden:
aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor hetgebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologischeprocessen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de matevan stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde;
1.32 extensief agrarisch grondgebruik:
een vorm van grondgebonden landbouw, zoals beweiding in lage veebezetting en deverbouw van akkerbouwproducten, in hoofdzaak gericht op de instandhouding en/ofvergroting van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
1.33 extensief recreatief medegebruik:
die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- enlandschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichterecreatie zoals vogelobservatie;
1.34 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk metwanden omsloten ruimte vormt;
1.35 hoofdgebouw:
een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van degeldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op hetperceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.36 huishouden:
een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishoudingvoert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het eenleefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en eenonderlinge verbondenheid.
Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn:
- voor onbepaalde tijd samenleven;
- een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken;
- eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer;
- personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats.
Bedrijfsmatige kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'.
1.37 insteek van de watergang:
het begin van het sloottalud;
1.38 kleinschalig kamperen:
kleinschalig recreatief nachtverblijf op gronden met een andere hoofdfunctie, waarbij hetaantal toegestane kampeermiddelen is beperkt tot het in de regels genoemde maximum;
1.39 landschapselementen:
ecologische en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen,poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha en zonder een agrarischeproductiefunctie;7
1.40 landschappelijke waarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van hetaardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van delevende en niet-levende natuur;
1.41 mantelzorg:
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroepwordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid ofparticipatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie,die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoeftemet een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeenteaangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
1.42 natuurwaarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische,bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlingesamenhang;
1.43 nevenactiviteiten:
het ontplooien van activiteiten bij een agrarisch bedrijf, die niet rechtstreeks deuitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen;
1.44 omgevingsvergunning:
vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingenomgevingsrecht;
1.45 overkapping/ carport:
een (dak)constructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijdenbegrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als eengebouw;
1.46 paardenbak:
een onoverdekt al dan niet omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag isvervangen door zand of een ander waterdoorlatend materiaal ten behoeve van hetafrichten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van depaardensport;
1.47 paardenhouderij:
een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette houderij voor paarden die uitsluitend of inhoofdzaak is gericht op het fokken, trainen, africhten en verhandelen van paarden,waarbij tevens als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan het geven van instructieaan ruiter en paard; hierbij zijn publieks- en/of verkeersaantrekkende activiteiten niettoegestaan;
1.48 recreatief medegebruik:
die vormen van openluchtrecreatie, die plaats hebben in een omgeving met een nietrecreatieve hoofdfunctie, waarbij het medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctieen het hoofdgebruik;
1.49 recreatiewoning:
een gebouw dat dient als recreatiewoonverblijf voor gebruikers die hun hoofdverblijfelders hebben;
1.50 recreatiewoningencomplex:
een terrein voor het plaatsen en geplaatst houden van recreatiewoningen;
1.51 routegebonden horeca:
horeca, ondergeschikt aan de ter plaatse positief bestemde hoofdfunctie, in de vorm vankleinschalige rustpunten met bijvoorbeeld een terras waar koffie, thee, frisdranken,zwak-alcoholische dranken en kleine versnaperingen verkrijgbaar zijn;
1.52 seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvangalsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen vanerotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk gevalverstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam)prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet incombinatie met elkaar;
1.53 statische (binnen)opslag:
(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemdzijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarischbedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers endergelijke, niet zijnde opslag in brandgevaarlijke goederen;
1.54 verhard:
een verharding, bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmeevergelijkbare vaste/gesloten materialen;
1.55 vloeroppervlak(te):
de totale bebouwde oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordtgebruikt;
1.56 voorgevel
de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw, indien een gebouw met meerderegevels naar de weg is toegekeerd wordt de naar architectuur, indeling en/of uitstralingmeest gezichtsbepalende gevel van een gebouw aangemerkt als voorgevel.
1.57 voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op eenafstand van de weg die:
- gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg op het betreffende bouwperceel;
- gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand;
1.58 voorzieningen van openbaar nut:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening,het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
1.59 water:
alle water dat zichtbaar (oppervlaktewater) aanwezig is in bijvoorbeeld waterlopen,poelen, vijvers, meren en zeeën, of onzichtbaar (grondwater) aanwezig is zoals freatischgrondwater direct beneden het maaiveld;
1.60 waterhuishoudkundige doeleinden:
doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen,waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer enonderhoud van een watergang e.d. en waterhuishoudkundige voorzieningen;
1.61 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer,waterafvoer, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals infiltratiekratten,wadi's, infiltratiegreppels, doorlatende bestrating en infiltratie- en transportriolen, dijken,dammen, grondwallen, duikers, stuwen, gemalen en inlaten;
1.62 watergang:
een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde waterloop;
1.63 werk:
een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde;
1.64 woning/ wooneenheid:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijkhuishouden;
1.65 zorgvuldige landschappelijke inpassing:
het aanbrengen van gebiedseigen beplanting, het gebruik van gebiedseigen natuurlijkematerialen op grond van een goedgekeurd landschapsinrichtingsplan en waarbij bij desituering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen,perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing om de bebouwing minder nadrukkelijkin het landschap te plaatsen.
1.66 zijdelingse perceelsgrens:
de perceelsgrenzen van een bouwperceel, niet zijnde de begrenzing van het perceel aande achter- of voorzijde.