Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hogewaldseweg 12, Groesbeek
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1945.TAMHOGEWALDSEWEG12-VGS1

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling voor de herontwikkeling aan de Hogewaldseweg 12 te Groesbeek en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) van het omgevingsplan van de gemeente Berg en Dal. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Berg en Dal. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a’ gelezen worden.
 

1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i,j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan (de bruidsschat) gelden ook voor dit TAM-omgevingsplan. Behalve voor zover de regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk of voor zover in dit TAM-omgevingsplan specifiek van deze regels is afgeweken.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Hogewaldseweg 12 waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1945.TAMHOGEWALDSEWEG12-VGS1 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 TAM-omgevingsplan:
TAM-omgevingsplan Hogewaldseweg 12, Groesbeek 
 
2.2 Omgevingsplan:
Het omgevingsplan van de Gemeente Berg en Dal 
 
2.3 Aan-huis-verbonden bedrijf:
Een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden uitgeoefend;
 
2.4 Aan-huis-verbonden beroep:
Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
 
2.5 Afhankelijke woonruimte:
Een bijbehorend bouwwerk, met uitzondering van vrijstaande bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met deze (bedrijfs) woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;
 
2.6 Andere bouwwerken:
Bouwwerken geen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijnde;
 
2.7 Archeologische verwachtingswaarden:
Gronden met verwachtingswaarden, die kunnen bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang kunnen zijn en het cultuurhistorisch erfgoed kunnen vertegenwoordigen;
 
2.8 Bebouwing:
Één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
2.9 Bed & breakfast:
Logies en ontbijt, het aanbieden van nachtverblijf zonder bijbehorende voorzieningen tot het bereiden van maaltijden;
 
2.10 Bedrijf:
Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;
 
2.11 Bedrijf aan huis
Een bedrijf dat activiteiten uitvoerd tot en met milieucategorie 2, zoals genoemd in bijgevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1), danwel bedrijven die daarmee naar aard en invloed vergelijkbaar zijn.
 
2.12 Begane grond:
De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder;
 
2.13 Bestaand:
Bij bouwwerken: bestaand, legaal ten tijde van de terinzagelegging van het omgevingsplan als ontwerp;
bij gebruik: bestaand, legaal ten tijde van het van kracht worden van het omgevingsplan;
 
2.14 Beroep of dienstverlening aan huis:
Het bij wijze van nevenactiviteit bij het wonen uitoefenen van een beroep of het verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen gebied;
 
2.15 Functiegrens:
De grens van een functievlak;
 
2.16 Functievlak:
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie;
 
2.17 Bevoegd gezag
Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
 
2.18 Bijbehorende bouwwerk:
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
 
2.19 Bouwen:
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
 
2.20 Bouwgrens:
De grens van een bouwvlak;
 
2.21 Bouwlaag:
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd;
 
2.22 Bouwmassa:
Een complex van aaneen gebouwde bouwwerken;
 
2.23 Bouwperceel:
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
2.24 Bouwperceelgrens:
Een grens van een bouwperceel;
 
2.25 Bouwvlak:
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
2.26 Bouwwerk:
Eke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
2.27 Burgerwoning:
Woning, niet zijnde een bedrijfswoning en recreatiewoning;
 
2.28 Cultuurhistorische waarde:
Waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;
 
2.29 Detailhandel:
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
2.30 Dienstverlening:
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel en internetcafé;
 
2.31 Erfbeplanting:
Afschermende (rand)beplanting binnen of direct aansluitend bij het bouwvlak van een agrarisch bedrijf of binnen of direct aansluitend bij een ander bedrijf of een woning;
 
2.32 Erfafscheiding:
Een bouwwerk dat dient ter gehele of gedeeltelijke omheining van een bouwperceel, bouwvlak of ander stuk grond;
 
2.33 Escortbedrijf:
De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;
 
2.34 Functie:
Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;
 
2.35 Gebouw:
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
2.36 Herbouw:
Gehele of gedeeltelijke reconstructie, wederopbouw, opnieuw bouwen;
 
2.37 Hoofdfunctie:
Een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt;
 
2.38 Hoofdgebouw:
Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;
 
2.38 Horeca:
Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, waaronder bed & breakfast, discotheek, feestzaal;
 
2.40 Kantoor:
Één of meerdere ruimtes in) een gebouw waar bedrijfsmatig diensten worden verleend waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;
 
2.41 Kelder:
Ruimte die voor meer dan 50% ondergronds is gelegen, waarbinnen geen verblijfsruimtes zijn toegestaan. De inhoud van de kelder telt niet mee bij de inhoud van de woning;
 
2.42 Landschappelijke inpassing:
Het zodanig inpassen van gebouwen en/of activiteiten in de omgeving dat de landschappelijke waarden behouden blijven;
 
2.43 Landschapswaarden/landschappelijke waarden:
Bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang;
 
2.44 Mantelzorg:
Het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
 
2.45 Nutsvoorzieningen:
Gebouwde voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van water, elektriciteit, gas e.d.;
 
2.46 Omgevingsvergunning:
Een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, op grond van de Omgevingswet;
 
2.47 Overkapping:
Een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal één zijde begrensd door de gevels van belendende gebouwen en welke constructie zelf niet wordt aangemerkt als een gebouw;
 
2.48 Seksinrichting:
Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
2.49 Souterrain:
Ruimte onder de woning, waarvan minimaal 50% van de inhoud boven het aansluitende maaiveld is gelegen en waarbinnen verblijfsruimtes zijn toegestaan. De inhoud van het souterrain telt mee bij de inhoud van de woning. Onder het souterrain is geen kelder toegestaan;
 
2.50 Teeltondersteunende voorzieningen:
uitgespreid afdekmateriaal, afdekmateriaal met ondersteunende constructie (lage, niet menstoegankelijke tunnels en tijdelijke menstoegankelijke tunnels) en een boogconstructie zonder afdekmateriaal en vrijstaande overkappingen en voorzieningen in de vorm van palen en/of stellingen, bestemd voor vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen- en boomteelt en wijnbouw.
 
2.51 tijdelijke overkappingen:
teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, doch maximaal 6 maanden per kalenderjaar. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten en dergelijke.
 
2.52 tunnelkas:
een kasconstructie danwel platglasconstructie, met een maximale hoogte van 2 meter bestaande uit lichtdoorlatend en transparant materiaal en dienend tot het kweken of trekken van vruchten, bloemen of planten.
 
2.53 Voorgevel:
De naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw;
 
2.54 Voorgevellijn:
De lijn waarin de voorgevel van een gebouw is gelegen alsmede het verlengde daarvan (tot aan de zijdelingse perceelsgrens);
 
2.55 Waterhuishoudkundige voorzieningen:
Voorzieningen, die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop;
 
2.56 Woning:
Een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden;
 
2.57 Zijdelingse perceelsgrens:
De grens tussen twee bouwpercelen, die voor-en achterzijde van een bouwperceel verbindt.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

 

3.1 Algemeen

afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
 
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de buitenwerks gemeten oppervlakte van het op een bouwperceel staande c.q. op te richten bouwwerken, gemeten op zowel boven als onder maaiveld.
 
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
tussen de buitenzijden van de gevels en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
 
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, inclusief hieronder gelegen souterrain, exclusief kelder.
 
goothoogte:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat:
  • de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste zijde van de kap;
  • de goothoogte van een dakvlak met een dakopbouw wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de dakopbouw;
  • bij een kap die bestaat uit één of meerdere hellende dakvlakken waarbij de bovenzijde van de hellende dakvlakken grenzen aan een plat dak, deze daken worden ook wel afgetopte of afgesnoten daken genoemd, de goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel aan de laagste zijde van het hellende dakvlak.
 
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenzijden van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
peil:
Bovenzijde van de afgewerkte vloer van de laagst gelegen verblijfsruimte. 

3.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, dakkapellen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Functie Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden

4.1 Functieomschrijving

Binnen  het voor ‘Agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden’ aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:
  1. agrarisch grondgebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
  2. een wandelpad, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - wandelpad';
  3. extensief recreatief medegebruik;
  4. paden, wegen en parkeervoorzieningen op eigen terrein;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. groenvoorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen.

4.2 Specifieke functieregels

 
4.2.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt verstaan:
  1. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak ten behoeve van opslag.

4.3 Beoordelingsregels bouwen

Binnen de functie is niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen met dien verstande dat:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 1,0 m;
  2. De afrastering een open karakter dient te hebben.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden op of in de bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
 
  1. Algemeen: 
    1. het ontginnen, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 0,50 m wordt gewijzigd; 
    2. het veranderen en/of verwijderen van verkavelingvorm en/of perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in beplanting, waterlopen en steilranden. 
    3. het doen van ingrepen die een verandering van de waterhuishouding tot gevolg hebben, waaronder het graven en dempen van sloten en oppervlaktewateren; 
    4. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²; 
    5. het aanbrengen van ondergrondse leidingen; 
    6. het verwijderen van bos-, natuur- en landschapselementen; 
  2. en tevens ter plaatse van de aanduiding ‘erosiedal: 
    1. het omzetten van grasland in bouwland ten behoeve van de teelt van veevoedergewassen, akkerbouw, vollegrondsgroente-, siergewassen- of bloembollenteelt, tenzij gebruik wordt gemaakt van niet kerende grondbewerking (mulchen) en het aanplanten langs hoogtelijnen; 
  3. en tevens ter plaatse van de aanduiding ‘landschapselement’: 
    1. het afgraven, egaliseren en ophogen van gronden; 
    2. het verwijderen van houtopstanden; 
    3. het graven en dempen van sloten en oppervlaktewateren; 
    4. het aanbrengen van verhardingen; 
    5. agrarisch gebruik; 
    6. de aanleg van ondergrondse leidingen. 
  4. en tevens ter plaatse van de aanduiding ‘openheid’: 
    1. bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken van bomen, struiken en heesters, behoudens ter vervanging van bestaande boomgaarden. 
  5. en tevens ter plaatse van de aanduiding ‘steilrand’: 
    1. het ontginnen, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden, waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd. 
  6. en tevens ter plaatse van de aanduiding ‘recreatieweg’: 
    1. het verharden of verwijderen van wegen.
4.4.2 Uitzonderingen
Het in lid 4.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. binnen het bouwvlak plaatsvinden;
  3. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
4.4.3 Toelaatbaarheid
De omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend indien aan de volgende criteria wordt voldaan:
  1. Door de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke en ecologische waarden en de recreatieve betekenis alsmede de ontwikkelingspotenties voor landschap en natuur, worden niet onevenredig aangetast.
  2. Voor de in lid 4.4.1 sub a.5 genoemde werken en werkzaamheden geldt ook als criterium dat er sprake dient te zijn van noodzaak tot het aanbrengen van leidingen op die locatie.
  3. Voor de in lid 4.4.1 sub d genoemde werken en werkzaamheden geldt ook als criterium dat de ingrepen een verbetering van de ecologische omstandigheden dient in te houden.

4.5 Teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.3 voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. Deze voorzieningen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘openheid’, ‘erosiedal’, ‘steilrand’ en ‘landschapselement’, tenzij er sprake is van voorzieningen in de vorm van palen en/of stellingen voor de wijnbouw en fruitteelt.
  2. Tijdelijke overkappingen voor boomgaarden zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    1. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, waarbij de stellingen ten behoeve van de tijdelijke overkappingen permanent zijn toegestaan.
    2. In uitzondering op het bepaalde in lid b.1 mag de bouwhoogte van tijdelijke overkappingen ten behoeve van boomgaarden met hoogstamfruitbomen niet meer bedragen dan 8 m, waarbij de stellingen ten behoeve van de tijdelijke overkappingen permanent zijn toegestaan en er geen sprake is van onevenredige aantasting van de landschappelijke kenmerken.
    3. De overkappingen dienen noodzakelijk te zijn in verband met het tegengaan van wind- en hagelschade.
  3. Overige teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde tunnelkassen, zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    1. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 m.
    2. De totale oppervlakte per bedrijf mag niet meer bedragen dan 2 ha.
    3. Er is geen sprake van onevenredige aantasting van de landschappelijke kenmerken.

Artikel 5 Functie Wonen

5.1 Functieomschrijving

Binnen het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:
  1. Burgerwoningen;
  2. Beroep of dienstverlening aan huis;
  3. Een agrarisch nevenactiviteit ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit;
  4. Bed & breakfast;
  5. Paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  6. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. Groenvoorzieningen;
  8. Nutsvoorzieningen.
 

5.2 Specifieke functieregels

 
5.2.1 Bewoning
Bewoning is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende regels:
  1. per bouwperceel is slechts één woning toegestaan;
  2. het is niet toegestaan vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken als woonruimte; en
  3. het is niet toegestaan bijbehorende bouwwerken te gebruiken als zelfstandige woningen.
5.2.2 Bed & breakfast
Binnen deze functie is een Bed&Breakfast voorziening bij woningen toegestaan, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. De woonfunctie als hoofdfunctie blijft behouden.
  2.  Bed&Breakfast voorzieningen zijn toegestaan binnen de bestaande woning en bijbehorende bouwwerken.
  3.  Het aantal logeereenheden mag niet meer bedragen dan 2 per woning.
  4.  De totale oppervlakte aan logeereenheden mag niet meer bedragen dan 70 m².
  5.  De voorziening dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.
  6.  Het betreft geen zodanige verkeersaantrekkende activiteit, die kan leiden tot nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer.
  7.  Het parkeren vindt plaats op eigen terrein.
5.2.3 Tuinen en erven
  1. De functie van het bij een woonruimte behorend erf volgt het gebruik van de woonruimte, waarbij geldt dat het erf mag worden ingericht en gebruikt op een wijze die als een normale inrichting en gebruik van het eigen erf wordt beschouwd;
  2. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval begrepen: parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en verhardingen tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.
  3. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt tevens begrepen: het hobbymatig houden van vee en een paardenbak voor eigen gebruik overeenkomstig het bepaalde in lid 5.3.
  4. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval niet begrepen het gebruik als stand- of ligplaats voor kampeermiddelen.  

5.3 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.
    
5.3.1 Woningen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende voorwaarden: 
  1. Per bouwvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan één.
  2. De woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bestaande woning, met dien verstande dat indien een bouwvlak is opgenomen, de woning uitsluitend binnen dat bouwvlak gebouwd mag worden.
  3. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 750 m³. Indien de bestaande inhoud reeds meer bedraagt, geldt deze bestaande inhoud als de maximum toegestane inhoud.
  4. De bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 11 m.
  5. De dakhelling van een woning mag niet minder bedragen dan 25º ;
  6. Kelders en souterrains zijn toegestaan onder de woning en bijbehorende bouwwerken, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. De kelder mag niet dienen als verblijfruimte.
    2. De kelder en het souterrain mogen maximaal één bouwlaag diep zijn.
  7. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 3 m.
  
5.3.2 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende voorwaarden:
  1. Bijbehorende bouwwerken mogen niet worden opgericht voor de voorgevellijn van de woning.
  2. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 80 m².
  3. De goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,3 m.
  4. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6,5 m.
 
5.3.3 Gebouw ten behoeve van Agrarische nevenactiviteiten
Voor het bouwen ten behoeve van de agrarische nevenactiviteiten geleden de volgende voorwaarden: 
  1. Het gebouw mag uitstluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit' opgericht worden.
  2. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 400 m² worden.
  3. De goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4,5 m.
  4. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6,5 m.
     
5.3.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen, gelden de volgende voorwaarden:
  1. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevellijn van de woning niet meer mag bedragen dan 1 m.
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan 6 m.

Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachtingswaarden

  

6.1 Functieomschrijving

Binnen het voor de 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarden' aangewezen gebied mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

6.2 Uitvoeren van een werk of werkzaamheden

6.2.1 Bouwregels
  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m², een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
  2. Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
    2. De verplichting tot het doen van opgravingen.
    3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
6.2.2 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.2.1 sub a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
6.2.3 Aanwijzing vergunningplicht
Het is binnen deze functie verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m en met een oppervlakte groter dan 100 m² onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
  2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels.
6.2.4 Uitzonderingen vergunningplicht
Het in lid 6.2.3 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2.  reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
6.2.5 Toelaatbaarheid
  1. De in lid 6.2.2 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
  2.  Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  3.  Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Overschrijding bouwgrenzen

  1. In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand tot enige aanduiding van bouwwerken, die krachtens het bepaalde in de Omgevingswet tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze planregels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
  2. In die gevallen dat een bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Omgevingswet tot stand is gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze planregels zijn voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
 

8.2 Ondergronds bouwen

Kelders en parkeergarages zijn, voor zover geheel gesitueerd onder het maaiveld, overal toegestaan waar gebouwen zijn toegestaan.
 

8.3 Teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen niet zijnde een bouwwerk, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. Deze voorzieningen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘openheid’, ‘erosiedal’, ‘steilrand’ en ‘landschapselement’.
  2. De totale oppervlakte per bedrijf mag niet meer bedragen dan 2 ha.
  3. Er is geen sprake van onevenredige aantasting van de landschappelijke kenmerken.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden de in dit TAM-omgevingsplan bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven functie. 
De uitoefening van een beroep of dienstverlening aan huis is toegestaan als nevenactiviteit bij de woning, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
 
  1. De voor het perceel geldende regels met betrekking tot de maximale oppervlakte, de maatvoering en de situering van de bebouwing ingevolge het bepaalde in hoofdstuk 2 blijven van kracht.
  2. De oppervlakte ten behoeve van activiteit mag maximaal 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing van de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken bedragen tot een maximum van 50 m².
  3. Het onbebouwde gedeelte van het perceel mag niet ten behoeve van beroepsmatige activiteiten c.q. ten behoeve van de genoemde diensten worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld voor buitenopslag.
  4. Cumulatie van beroepsuitoefening/dienstverlening mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu.
  5. De bestaande parkeervoorzieningen mogen door het uitoefenen van een beroep c.q. door het verlenen van diensten niet onevenredig worden gebruikt en de parkeerdruk in de omgeving mag niet onevenredig toenemen.

9.2 Strijdig gebruik

Als gebruik in strijd met de functie wordt in dit TAM-omgevingsplan in ieder geval aangemerkt:
  1. Het gebruik of laten gebruiken van gronden en opstallen als of ten behoeve van een seksinrichting dan wel ten behoeve van (raam)prostitutie;
  2. Het gebruik of laten gebruiken van opstallen ten behoeve van coffeeshops;
  3. Het gebruik van onbebouwde gronden:
    1. Als stand- of ligplaats van onderkomens;
    2. Als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten;
    3. Een en ander tenzij dit gebruik verband houdt met het op de functie gerichte gebruik van de gronden.
 

9.3 Specifieke gebruiksregels

9.3.1 Voorwaardelijke verplichting
  1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting' mogen de woningen uitsluitend in gebruik worden genomen indien de voormalige agrarische bouwwerken zijn gesloopt en de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden.

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

10.1 Algemene aanduidingsregels bij de functie

10.1.1 Aanduidingsomschrijving
De uitoefening van een beroep of dienstverlening aan huis is toegestaan als nevenactiviteit bij de woning, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. De voor het perceel geldende regels met betrekking tot de maximale oppervlakte, de maatvoering en de situering van de bebouwing ingevolge het bepaalde in hoofdstuk 2 blijven van kracht;
  2. De oppervlakte ten behoeve van activiteit mag maximaal 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing van de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken bedragen tot een maximum van 50 m²;
  3. Het onbebouwde gedeelte van het perceel mag niet ten behoeve van beroepsmatige activiteiten c.q. ten behoeve van de genoemde diensten worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld voor buitenopslag;
  4. Cumulatie van beroepsuitoefening/dienstverlening mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu;
  5. De bestaande parkeervoorzieningen mogen door het uitoefenen van een beroep c.q. door het verlenen van diensten niet onevenredig worden gebruikt en de parkeerdruk in de omgeving mag niet onevenredig toenemen;
  6. Parkeren dient plaats te vinden binnen het functievlak van ‘Wonen'.
10.1.2 Verbodsregel
Het is verboden om de woningen anders te gebruiken dan in overeenstemming met de in artikel 10.1.1 bepaalde aanduiding.
  

Artikel 11 Algemene aanvullende beoordelingsregels bouwen - met beoordelingsruimte

11.1 Aanvullende beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning wordt in afwijking van de beoordelingsregels bouwen ook verleend voor het bouwen voor de in a t/m f genoemde gevallen indien wordt voldaan aan de regels onder 1 t/m 4:
  1. Het afwijken van maten met ten hoogste 10%;
  2. Overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  3. Het afwijken van de gestelde maximale goot- en bouwhoogte van een gebouw en de gestelde minimale/maximale dakhelling van een gebouw;
  

11.2 Uitzondering aanvullende beoordelingsregel

De aanvullende beoordelingsregel in artikel 12.1 geldt niet voor bouwactiviteiten waarvoor binnen één van de aangewezen functies al een aanvullende beoordelingsregels voor bouwen - met beoordelingsruimte is toegepast.
 

Artikel 12 Overige algemene regels

12.1 Parkeren (voorwaardelijke verplichting)

12.1.1 Algemeen
  1. De gronden zoals aangewezen in de verschillende functies mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
  2. Bij omgevingsvergunning voor bouwen wordt aan de hand van de PARKEERNOTA BERG EN DAL of het op dat moment geldend parkeerbeleid bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid. 
Bij de loods ten behoeve van de agrarische nevenactiviteit dienen op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat afhankelijk aan de functie van de loods, voldaan wordt aan de minimaal benodigd aantal parkeerplaatsen zoals omschreven in de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (CROW-publicatie 381). Indien deze publicatie gedurende de planperiode wijzigt, moet rekening worden gehouden met deze wijzigingen.
12.1.2 Aanvullende beoordelingsregel bouwen - met beoordelingsruimte
Bij een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden afgeweken van het bepaalde artikel 12.1.1 indien:
  1. Het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  2. Op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
 

12.2 Waterberging (voorwaardelijke verplichting)

Het gebruik van gronden en gebouwen ter plaatse van de woonfunctie is uitsluitend toegestaan indien binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan is voorzien in een waterbergingsvoorziening van voldoende omvang en deze voorziening in stand wordt gehouden. De capaciteit van de waterbergingsvoorziening wordt als volgt berekend: minimaal 60 mm per m² toename bebouwd/verhard oppervlak.
 

4 Overgangsregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken geldt het volgende overgangsrecht:
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag verleent eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  

13.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik geldt het volgende overgangsrecht:
  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.