direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Jonkmanshof Ooij
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Aan de Kerkdijk 32 te Ooij staat de voormalige boerderij 'Jonkmanshof'. Dit betreft een gemeentelijk monument. De eigenaar van de Jonkmanshof is voornemens om in een schuur bij de voormalige boerderij 10 woningen te realiseren. Hiermee kunnen tevens de financiële middelen gerealiseerd worden om het dorpsmonument in stand te houden.

Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Kerkdijk 32 in het zuiden van de kern Ooij. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0002.png"

Globale ligging plangebied

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Kerkdijk 32 in het zuiden van de kern Ooij. Ten oosten van de kern Ooij stroomt de rivier de Waal. De Kerkdijk is aangelegd, hoog op de flank, aan de rivierzijde van de oeverwal van Wercheren naar Ooij. Vroeger was de Kerkdijk een primaire dijk, de Ooijsche Bandijk. Nu is het een zogenaamde slaperdijk met een secundaire waterkerende functie. De vele kolken en wielen langs de Kerkdijk getuigen van dijkbreuken. In het plangebied ligt aan de binnenkant van de Kerkdijk de voormalige boerenhofstede 'Jonkmanshof'. De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van het gebied waarbinnen de ontwikkeling plaastvindt. Dit gebied is in eigendom van de initiatiefnemer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: PDOK)

De Jonkmanshof is een gemeentelijk monument. De voormalige boerderij is gebouwd in 1936. Het is een gecombineerde boerderij, bestaande uit een dijkboerderij, schuur en veldschuur. waarbij het woonhuis in de stijl van de particuliere woonhuisbouw van haar tijd is gerealiseerd, terwijl de bedrijfsgebouwen zijn vormgegeven volgens het Duffeltse bouwtype met pilastergevels. Parallel aan de achterzijde van de boerderij ligt een nagenoeg identieke schuur en op het perceel bevindt zich ook parallel aan de nokrichting van de schuren een langgerekte droogloods. Deze is opgebouwd uit houten legplanken van vroegere droogrekken. Deze droogloods maakt echter geen onderdeel meer uit van dit plan en is ook niet in eigendom bij de initiatiefnemer. Het hoge achterhuis bestaat uit twee grote voormalige bedrijfshallen/schuren met grote gebogen schuurdeuren in de kopgevels. Ten zuiden van de boerderij ligt een kleine fruitboomgaard. De onderstaande afbeeldingen tonen het zicht op de boerderij vanuit het zuiden en noordwesten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0004.png"

Zicht op de boerderij vanuit het zuiden en noordwesten

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is eigenaar van de voormalige boerderij 'Jonkmanshof' en heeft het voornemen om in de schuur bij de voormalige boerderij 10 woningen te realiseren. In elk schuurdeel worden 5 woningen gebouwd. Hiermee kunnen tevens de financiële middelen gerealiseerd worden om het gemeentelijke monument in stand te houden. Met de kleine woningen wordt gericht op kleine of eenpersoons gezinnen en jongeren of starters.

De voormalige bedrijfswoning blijft behouden en wordt bewoond door de initiatiefnemer. De onderstaande afbeelding geeft de toekomstige situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0005.png"

Toekomstige situatie (bron: DLA+ Landscape Architects)

De fruitboomgaard in het plangebied wordt in stand gehouden en zal natuurvriendelijk beheerd worden. In de boomgaardweide wordt een poel aangelegd ten behoeve van waterberging.

Het plangebied blijft ontsloten via de Kerkdijk. De bestaande oprijlaan aan de zuidwestzijde wordt een stuk verschoven en verbreed. Aan de voorzijde van de oprijlaan komt een houten toegangspoort. Bij de poort wijken de meidoornhagen zodanig dat een vrije zichthoek op het verkeer van de Kerkdijk wordt geboden. Langs de randen van de oprijlaan worden structuurhagen van meidoorn en grasstroken met daarin knotwilgen aangeplant. Er is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren. In het plangebied worden in totaal 16 langsparkeerplaatsen gerealiseerd in de grasbermen tussen de knotwilgen en op halfverharding. De landschappelijke inpassing wordt in de regels van dit plan voorwaardelijk verplicht en is toegevoegd als bijlage 1. Het plan is voorgelegd aan het Gelders Genootschap met als resultaat een positief advies voor het plan (zie bijlage 2).

2.3 Duurzaamheid

In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen.

Bouwbesluit

Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen.

Kansen

Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 1 juli 2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd.

Bij de inrichting van de buitenruimte is het belangrijk dat de eigenaar maatregelen neemt tegen water- en hittestress om extreem weer in de toekomst het hoofd te kunnen bieden. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied.

Planspecifiek

Met voorliggend plan is sprake van zuinig ruimtegebruik, omdat er 10 woningen worden gerealiseerd in de schuur van een voormalige boerderij in de kern Ooij (inbreidingslocatie). Aangezien de voormalige boerderij een gemeentelijk monument betreft moet worden voldaan aan de gestelde eisen van de monumentencommissie en gelden de eisen uit het Bouwbesluit voor bestaande bouw. Hierbinnen streeft de initiatiefnemer naar een optimale energiezuinigheid en duurzaamheid. Het geheel wordt landschappelijk ingepast en optimaal groen ingericht met aanvullende boombeplanting en toepassing van halfverharding. Dit draagt bij aan het voorkomen van hittestress en een te hoog oplopende binnentemperatuur. Tevens biedt het terrein zo meer mogelijkheden voor opvang van regenwater. Het afstromend hemelwater van daken en het terrein wordt via een open kanaaltje naar een bassin met helofytenfilter geleid en daar gezuiverd. Vervolgens stroomt het water uit naar het laagste punt in de boomgaardweide waar een kleine poel met infiltratierand wordt aangelegd. Op deze manier wordt duurzaam omgegaan met hemelwater.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

Ladder duurzame verstedelijking

Voorliggend initiatief betreft de realisatie van 10 appartementen. Uit jurisprudentie blijkt dat er pas vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.

Voorliggend plan past binnen het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Algemeen

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Planspecifiek

Met voorliggend initiatief worden 10 woningen gerealiseerd in de schuur van een voormalige boerderij in de kern Ooij. De boerderij is een gemeentelijk monument. De woningen worden daarom ontwikkeld volgens de eisen en voorwaarden voor bestaande bouw uit het huidige Bouwbesluit. Het plangebied blijft optimaal groen ingericht. Dit groen heeft een functie voor de opvang van regenwater en het voorkomen van hittestress. Het plan draagt bij aan een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat weet te anticiperen op ontwikkelingen, zoals omschreven in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

Het initiatief is passend binnen het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengewoon Ubbergen

Op 6 oktober 2011 heeft de gemeenteraad van Ubbergen de Structuurvisie Buitengewoon Ubbergen 2020 vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de gemeente haar visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor het gehele gemeentelijk grondgebied voor de periode tot 2020, met een doorkijk naar 2025. De ambities van de (voormalige) gemeente Ubbergen rondom functies als wonen, welzijn, zorg, mobiliteit, natuur en water, landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit zijn hierin in samenhang gebracht voor zover deze betrekking hebben op de ruimtelijke structuur van de dorpen, buurtschappen en het buitengebied. De visie biedt hiermee een actueel ruimtelijk kader voor de verschillende beleidsterreinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0006.png"

Structuurvisie Buitengewoon Ubbergen ingezoomd op de kern Ooij

Kern Ooij

In de Structuurvisie (2011) wordt beschreven dat Ooij de afgelopen jaren sterk is gegroeid vooral als gevolg van de beperkte bebouwingsmogelijkheden in Beek en de gunstige ligging ten opzichte van Nijmegen. Desondanks was Ooij, na Beek, het meest vergrijsde dorp in de gemeente. Momenteel tellen naast Ooij de kernen Berg en Dal, Beek en Heilig Landstichting relatief veel ouderen (65-plussers). Maar ook De Horst, Erlecom, Kekerdom en Millingen aan de Rijn hebben meer (jonge) ouderen tussen 45 en 65 jaar. Bij de vergelijking met het gemeentelijke beeld (huur en koop gezamenlijk) is te zien dat dat in de kernen Beek, Berg en Dal, Groesbeek en Ooij per saldo mensen zich de afgelopen jaren vestigden. In de andere kernen

was het aantal vestigers gelijk aan het aantal vertrekkers, of was er zelfs sprake van een vertrekoverschot (woningmarktonderzoek actualisatie 2019-2029).

Planspecifiek

Met voorliggend plan worden 10 kleine appartementen gerealiseerd in de schuur van een voormalige boerderij in de kern Ooij. Het plan levert daarmee een bijdrage aan de behoefte naar betaalbare woningen (voor jongeren en starters) in Ooij. Het initiatief sluit aan bij de Structuurvisie Buitengewoon Ubbergen.

3.3.2 Cultuurhistorie en Erfgoed

In de Erfgoedvisie 2017 wordt achtergrondinformatie gegeven over het erfgoed binnen de gemeente Berg en Dal. Tevens worden de doelen van het gemeentelijk erfgoedbeleid op een rijtje gezet. Het document biedt een raamwerk voor het toekomstig beleid inzake het gemeenschappelijke erfgoed. Dit raamwerk is nadrukkelijk niet statisch: het erfgoed is dit immers ook niet. De gemeente Berg en Dal wil nadrukkelijk het accent leggen op de waarde van erfgoed voor de samenleving en voor toekomstige generaties. Erfgoed is niet alleen belangrijk voor de identiteit van onze gemeente, maar bevordert ook de verbinding tussen de afzonderlijke kernen. Het is bovendien onlosmakelijk verbonden met toerisme en economie. Berg en Dal streeft daarom naar een beleid waarin de volgende doelen gewaarborgd zijn:

  • 1. Bewaren en versterken van de aantrekkelijkheid van de gehele gemeente en het gemeentelijke erfgoed in het bijzonder.
  • 2. Zichtbaar en toegankelijk maken van het verleden
  • 3. Bevorderen van (herinnerings-)toerisme en economie
  • 4. Stimuleren van gezamenlijke gemeente-brede (meerjarige) projecten op voordracht van en in samenspraak met de erfgoedorganisaties en met burgers
  • 5. Inpassen van erfgoedbeleid in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals het faciliteren van eventuele functieverandering van religieus, industrieel en agrarisch erfgoed om herbestemming mogelijk te maken.

In de Erfgoedverordening Groesbeek 2015 worden de aanwijzing en het vergunningtraject van

gemeentelijke monumenten geregeld. In de Erfgoedverordening staat onder andere dat een eigenaar van een monument zijn of haar pand niet mag afbreken én niet mag wijzigen, tenzij er een vergunning voor is verleend.

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden 10 woningen gerealiseerd in de schuur van de voormalige boerderij 'Jonkmanshof'. Dit betreft een gemeentelijk monument. Met het initiatief krijgt het monument een nieuwe functie en kunnen tevens de financiële middelen gerealiseerd worden om het monument in stand te houden. Hiermee past het plan binnen het gemeentelijk beleid rondom Cultuurhistorie en Erfgoed.

3.3.3 Woonagenda Berg en Dal 2017-2025

Op 28 september 2017 heeft de gemeenteraad van Berg en Dal de woonagenda Berg en Dal 2017 - 2025 vastgesteld. In de woonagenda legt de gemeente haar visie vast op het gebied van het wonen en op welke manier zij richting geeft aan de verschillende opgaven.

In principe dient elke inwoner in staat te zijn om binnen de gemeente passende woonruimte te vinden. Om voor alle inwoners een passende woning aan te bieden wenst de gemeente een gedifferentieerd woningbouwprogramma. Wat betreft de kwalitatieve woningbehoefte is er in de gemeente Berg en Dal in ieder scenario behoefte aan appartementen in de huursector. In de periode 2015 - 2024 wil de gemeente minimaal 45 meergezinswoningen (appartementen) toevoegen in de huursector. De gemeente wil daarmee tevens inzetten op woningen voor starters en jonge gezinnen, en dan vooral in de categorie betaalbaar (tot €628,- per maand, prijspeil 2016). De groep starters heeft moeite om toe te treden tot de woningmarkt. Aanbod in de koop en of huursector is onvoldoende passend of het is voor de doelgroep lastig om de financiering rond te krijgen. Aandachtspunt is hier de betaalbaarheid. Daarnaast is er een aanhoudende toename van éénpersoonshuishoudens. De gemeente richt zich daarom op passende woonruimte voor starters en het behouden van jonge gezinnen in de gemeente door het realiseren van betaalbare (starters)woningen in de koop- en huursector.

Woningmarktonderzoek 2019 - 2029

De gemeente Berg en Dal heeft samen met woningcorporaties Oosterpoort en Waardwonen een woningmarktonderzoek laten uitvoeren. Hierbij is naar de actuele en toekomstige behoefte aan woningen gekeken en naar het type woningen. In totaal zijn er in de periode 2019 – 2029 ruim 1000 extra woningen nodig, zowel koopwoningen als huurwoningen. Dit is een stijging van 300 woningen ten opzichte van een in 2016 uitgevoerd onderzoek. Voor een deel wordt dit veroorzaakt door het grote woningtekort in de regio Nijmegen, waar Berg en Dal onderdeel van is. Er is een grotere behoefte aan:

  • Kleinere en levensloopbestendige woningen en appartementen. Dit komt onder andere door de vergrijzing en doordat er ook meer kleine huishoudens zijn;
  • Betaalbare koop- en huurwoningen voor starters en mensen met lage en middeninkomens;
  • Vrijstaande koopwoningen.

Planspecifiek

Onderhavig initiatief betreft de realisatie van 10 betaalbare huurwoningen in Ooij. Met de huurwoningen wordt gericht op kleine of eenpersoons gezinnen en jongeren of starters. Het plan levert hiermee een bijdrage aan de behoefte naar appartementen in de huursector en betaalbare woningen in de gemeente Berg en Dal en richt zich op de gewenste doelgroepen. Het initiatief sluit daarmee aan bij de Woonagenda Berg en Dal 2017 - 2025 en het woningmarktonderzoek 2019 - 2029. De locatie Jonkmanshof is daarom opgenomen in het woningbouwprogramma van de gemeente Berg en Dal voor de kern Ooij.

3.3.4 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Kern Ooij", vastgesteld op 22 oktober 2015 door de gemeente Groesbeek. Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Ter plaatse van de bestaande woning op de locatie geldt de enkelbestemming 'Wonen - 2'. Het noordelijke deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en het zuidelijke deel heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Een klein deel van het plangebied langs de dijk heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0007.png"

Uitsnede geldende bestemmingsplan

Het plangebied heeft een recreatiebestemming, waardoor de voorgenomen realisatie van 10 appartementen strijdig is met het geldende bestemmingsplan.

De westelijk gelegen kadastrale percelen F nummers 565 en een deel van 567 krijgen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap 2' conform het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2013" van de voormalige gemeente Ubbergen.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Met voorliggend initiatief vinden geen bodemingrepen plaats. Het betreft enkel de interne verbouwing van een schuur naar 10 woningen. Onderhavig plangebied heeft in de huidige situatie een recreatiebestemming en een woonbestemming. Er is geen sprake van een nieuw bodemkwaliteitsgevoelig object ten opzichte van de huidige situatie. Tevens zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van bodemverontreiniging. De gegevens over de bodemkwaliteit zullen ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen worden aangeleverd.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15565539 (aan de Thornsestraat ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2017 (µg/m3)   18,9 µg/m3   18,7 µg/m3   11,8 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 10 appartementen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Voor voorliggend plan geldt dat industrielawaai en spoorweglawaai niet aan de orde zijn. Wel is het van belang om te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Het plangebied ligt aan de Kerkdijk. Op deze weg is een maximum snelheid van 50 km/uur toegestaan. Circa 150 meter ten zuiden van het plangebied ligt de Sint Hubertusweg. Om de gevolgen van wegverkeerslawaai op de te realiseren appartementen te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. Hieruit blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Kerkdijk ten hoogste 56 dB na aftrek bedraagt op de hoogst geluidbelaste gevel van de woningen. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden door wegverkeer op de Sint Hubertusweg. Maatregelen aan de bron en overdracht ten behoeve van het verlagen van de geluidbelasting door wegverkeer op de Kerkdijk zijn niet mogelijk of niet wenselijk. Daarom worden er hogere grenswaarden aangevraagd, gelijktijdig met de procedure van dit bestemmingsplan.

De geluidbelaste woningen grenzend aan de oostgevel hebben een geluidluwe westgevel. Deze woningen hebben een geluidluwe kleine slaapkamer aan de westzijde. Om ook in de grote slaapkamer aan de oostzijde een acceptabel binnenklimaat te behalen, worden ook hier geluidwerende voorzieningen gerealiseerd. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

geurgevoelig object gelegen in:   maximaal toegestane geurbelasting
(odour units per m3 lucht)  
concentratiegebied binnen bebouwde kom   3,0 ouE/m3   
concentratiegebied buiten bebouwde kom   14,0 ouE/m³  
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom   2,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom   8,0 ouE/m3  

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

De gemeente Berg en Dal heeft met betrekking tot het aspect geur de “Verordening geurhinder en veehouderij 2017” vastgesteld. Voor zowel de beoordeling op de mogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven alsmede het leefklimaat ter plaatse, dient van deze Verordening gebruik gemaakt te worden.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in de bebouwde kom (landelijk) van de kern Ooij. Met de realisatie van 10 appartementen worden geurgevoelige objecten toegvoegd. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf in de omgeving van het plangebied betreft een melkveehouderij in het buitengebied aan de Leuthsestraat 5. Dit bedrijf ligt op circa 400 meter afstand en zuiden van het plangebied. De onderstaande afbeeldingen geven uitsnedes weer van de kaart met gebiedsindeling, gebiedsnormen en afstanden en de kaart met achtergrondbelasting uit de verordening geurhinder van de gemeente Berg en Dal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0010.png"

Kaart Geurverordening Achtergrondbelasting

Conform de gemeentelijke geurverordening bedraagt de aan te houden afstand 50 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Aangezien de afstand tussen het bedrijf en het plangebied circa 400 meter bedraagt, wordt aan de geëiste afstand voldaan. Tevens is er in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat met een achtergrondbelasting van 3-8 ouE/m³. Daarnaast leidt de realisatie van 10 appartementen niet tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf, omdat er woningen op kortere afstand liggen die in dat geval maatgevend zijn.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in een gemengd gebied in het zuiden van de kern Ooij. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende functies, zoals wonen, maatschappelijk, horeca en gemengd. Aangezien er sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG met 1 stap/categorie worden verkleind. De dichtstbijzijnde andere functie betreft een kerk aan de Kerkdijk 26. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van minimaal 10 meter voor het aspect geluid. De kerk ligt op circa 90 meter afstand van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Overige milieubelastende functies liggen op nog grotere afstand, waarmee ook hierbij wordt voldaan aan de richtafstanden. Met voorliggend plan is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de 10 toe te voegen appartementen. Tevens worden met de ontwikkeling geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0011.png"

Uitsnede risicokaart met plangebied rood omcirkeld

Uit de risicokaart is op te maken dat ten oosten van het plangebied de rivier de Waal stroomt op ruim 1 kilometer afstand. Bij transport over water is er geen GR-plafond. De plaatsgebonden risicocontour van deze transportroute voor gevaarlijke stoffen reikt tot aan de oevers van de Waal. Volgens het Bevt moeten langs relevante vaarwegen vrijwaringszones worden aangehouden. Deze vrijwaringszone is aangegeven in art. 2.1.2. van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Langs de Waal heeft de zone een breedte van :

- 25 m aan weerszijden van de begrenzingslijn van de rijksvaarweg;

- 50 m aan weerszijden van de begrenzingslijn binnen een afstand van 300 m van een vaarwegsplitsing of havenuitvaart.

Met een afstand van 700 meter wordt aan deze afstand voldaan. Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied van deze transportroute over water.

Ten oosten van het plangebied ligt tevens een gasleiding op circa 700 meter afstand. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 ligt op de leiding zelf. Het invloedsgebied van de leiding bedraagt 140 meter (bestemmingsplan "Kern Ooij", 2015). Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze leiding. Verder bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen, buisleidingen of andere transportroutes die in het kader van externe veiligheid relevant zijn.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Beleid Waterschap Rivierenland

Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen.

Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.

Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Onderhavig plan betreft het realiseren van 10 appartementen in een bestaande voormalige boerderijschuur. Er vindt slechts een beperkte toename plaats ven verharding door de realisering van bergingen naast de schuur, het verbreden van de oprijlaan in halfverharding en het aanleggen van parkeren in grasbermen. Dit is onder de vrijstellingsgrens van 500 m2 voor stedelijk gebied die het waterschap hanteert.

In de huidige situatie wordt het regenwater al afgekoppeld en geïnfiltreerd op eigen terrein. Hier verandert in de nieuwe situatie niets aan. Wateroverlast is tot nu toe niet voor gekomen in het plangebied. Voor de bergingscapaciteit is er een voormalige gierkelder aanwezig waar nu ook al gebruik van wordt gemaakt met een overloop op het terrein. Het afstromend hemelwater van daken en het terrein wordt via een open "kanaaltje" zichtbaar naar een bassin met helofytenfilter geleid en daar gezuiverd. Vervolgens stroomt het water uit naar het laagste punt in de boomgaardweide waar een kleine poel met infiltratierand wordt aangelegd, waar sowieso meer dan voldoende ruimte is.

Het afvalwater wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering c.q. een daartoe adequate voorziening. De toename van de hoeveelheid afvalwater vormt verder geen probleem voor de bestaande riolering en AWZI (Afvalwaterzuiveringsinstallatie).

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit gebied ligt op circa 50 meter afstand van het plangebied. De huidige bestemming van het plangebied betreft 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', waarbinnen 18 appartementen toegestaan zijn. Met voorliggend plan worden 10 woonappartementen binnen de voormalige schuur mogelijk gemaakt, waarmee een verbetering ontstaat ten opzichte van de huidige situatie. Door de geringe omvang en aard van de ontwikkeling (interne verbouwing) is het aannemelijk dat significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Soortenbescherming

Het plan betreft een interne verbouwing van een voormalige schuur tot 10 appartementen. Het dak van de schuur wordt van binnenuit geïsoleerd. Er worden geen poelen gedempt, opgaande beplanting verwijderd of bomen gekapt. Het is niet aannemelijk dat het plan een effect heeft op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten binnen of in de directe omgeving van het plangebied.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.

Het plangebied blijft ontsloten via de Kerkdijk. De bestaande oprijlaan aan de zuidwestzijde wordt een stuk verschoven en verbreed. Aan de voorzijde van de oprijlaan komt een houten toegangspoort. Bij de poort wordt een vrije zichthoek op het verkeer van de Kerkdijk wordt geboden. In de huidige situatie heeft het plangebied de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', waarbinnen maximaal 18 appartementen zijn toegestaan. Met voorliggend plan worden op de locatie 10 appartementen gerealiseerd.

In de huidige situatie is de maximale verkeersgeneratie 41,4 verkeersbewegingen per dag (max. 2,3 verkeersbewegingen per dag per appartement * max. 18 appartementen). Hierbij is uitgegaan van een vakantiehuisje (bungalowpark), rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied. In de nieuwe situatie is de maximale verkeersgeneratie 45 verkeersbewegingen per dag (max. 4,5 verkeersbewegingen per dag per appartement * 10 appartementen). Hierbij is uitgegaan van midden/goedkope huurappartementen, rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied. Met onderhavig initiatief neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied daarmee toe met maximaal 3,6 verkeersbewegingen per dag. De Kerkdijk en de omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om deze zeer beperkte verkeerstoename op te vangen.

Conform de ‘Integrale mobiliteitsvisie gemeente Berg en Dal 2016-2026’, dient voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de parkeervraag bepaald te worden aan de hand van de richtlijnen en kencijfers uit de publicatie 'toekomstbestendig parkeren' van het CROW. Voor een midden/goedkoop huurappartement in de rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied hanteert het CROW een gemiddelde parkeernorm van 1,4 parkeerplaats per appartement. Dit levert voor 10 appartementen een totale gemiddelde parkeerbehoefte op van 14 parkeerplaatsen. In het plangebied worden 16 langsparkeerplaatsen gerealiseerd in de grasbermen langs de oprijlaan en op halfverharding. Hiermee wordt aan de parkeernorm voldaan.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet 2016. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de initiatiefnemer, totdat het gebied wordt vrijgegeven voor ontwikkelingen door het bevoegd gezag archeologie. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Deze melding moet worden gedaan bij de minister van OCW en het bevoegd gezag archeologie van de gemeente.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de voormalige gemeente Ubbergen. Hierop is de voormalige boerderij aangeduid als gemeentelijk monument. Het boerderijcomplex ‘Jonkmanshof’ bestaat uit een dijkboerderij, schuur en veldschuur. De boerderij is gebouwd als opvolger van de op die locatie afgebrande boerderij (1936). Het complex heeft een samengestelde plattegrond. Het bestaat uit een langgerekt hoofdvolume met woonhuis en aaneengebouwde stal en de parallel hierlangs gelegen schuur. Schuur en stal zijn van elkaar gescheiden door een smal pad (goot) waar aan woonhuiszijde een tussenbouw is geplaatst. Het woonhuis is opgetrokken in Vlaams verband, de stal en schuur in kruisverband machinale baksteen en gedekt met forse zadeldaken belegd met rode verbeterde Hollandse pannen. Aan de dakvoet voornamelijk zinken goten in beugels. Het muurwerk vertoont op diverse plaatsen nog beschadigingen uit WOII. De daken van woonhuis en bedrijfsgedeelte verspringen ten opzichte van elkaar.

Onderhavig initiatief betreft een interne verbouwing van de schuur bij de boerderij. De karakteristieke woning en schuur en de bijbehorende cultuurhistorische waarden blijven behouden. De uitstraling en karakteristiek van de locatie wordt daarnaast behouden door het landschapsplan (bijlage 1). Hierin zijn de beeldbepalende groenelementen voorwaardelijk verplicht. Hiermee worden de cultuurhistorische waarden van het plangebied gewaarborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpJonkmanshofOoij-VSG2_0012.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart

Archeologie

Onderhavig plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld. Voorliggend plan betreft enkel een interne verbouwing. Hierbij vinden geen bodemingrepen plaats. Ook is er een verbreding van de toegangsweg en een verharding van het grondoppervlak opgenomen in de werkzaamheden. Als deze werkzaamheden dieper dan 0,3 meter onder maaiveld gaan, is er een archeologisch onderzoek noodzakelijk. In de vergunningsfase kunnen hier eisen aan gesteld worden door het bevoegd gezag archeologie.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan. De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • Enkelbestemming 'Wonen - 2'; ten behoeve van de realisatie van de appartementen. Het maximum aantal toegestane woningen is aangegeven op de verbeelding.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'; ten behoeve van de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarde.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'; ten behoeve van de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarde.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'; ten behoeve van de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarde.

In het plan is de landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Hiervan is afgezien omdat de ontwikkeling een interne verbouwing betreft van de schuren ten behoeve van een woonfunctie. Op basis van de huidige recreatieve bestemming mogen in deze schuren nu 18 vakantieappartementen worden gerealiseerd. Het initiatief heeft ook geen gevolgen voor de nationale en de provinciale belangen. Ook past dit initiatief binnen de regels die het waterschap stelt.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

De initiatiefnemer heeft de buurt over het plan geïnformeerd. Het buurtverslag met daarin de reacties van de initiatiefnemer op de opmerkingen van de buurt is als bijlage 4 bij de toelichting toegevoegd.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 9 maart 2021 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Een verslag van de zienswijzen is opgenomen in bijlage 5 Nota van beantwoording zienswijzen. Hier zijn de zienswijzen samengevat en per onderdeel van een antwoord voorzien. Tevens is aangegeven op welke wijze dit geeft geleid tot aanpassing van het plan.