direct naar inhoud van Regels
Plan: Recreatieterrein de Oude Molen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1945.BPRecDeOudeMolen-VSG1

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan Recreatieterrein de Oude Molen met identificatienummer NL.IMRO.1945.BPRecDeOudeMolen-VSG1 van de gemeente Berg en Dal.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen.

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 afhankelijke woonruimte:

een bijbehorend bouwwerk, met uitzondering van vrijstaande bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met deze (bedrijfs)woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.6 archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

1.7 archeologische waarden:

waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

1.8 archeologische verwachtingswaarden:

gronden met verwachtingswaarden, die kunnen bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang kunnen zijn en het cultuurhistorisch erfgoed kunnen vertegenwoordigen.

1.9 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.10 bed & breakfast:

logies en ontbijt, het aanbieden van nachtverblijf zonder bijbehorende voorzieningen tot het bereiden van maaltijden.

1.11 bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

1.12 bedrijfsmatig:

in uitoefening van een bedrijf.

1.13 bedrijfsmatige exploitatie

het door middel van één beheer- of verhuurorganisatie beheren of exploiteren van recreatiewoningen en andere bouwwerken voor recreatief nachtverblijf, waarbij voor recreatiewoningen en andere bouwwerken voor recreatief nachtverblijf geldt dat daar permanent wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.

1.14 bedrijfswoning:

een woning in of bij een bedrijf of instelling, bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is; deze woning wordt begrepen onder de bedrijfsgebouwen.

1.15 begane grond:

de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

1.16 beperkt kwetsbaar object:

een object zoals bedoeld in het ‘Besluit externe veiligheid inrichting’ zoals deze is vastgesteld op 27 mei 2004 en bekendgemaakt in de Staatscourant nummer 250 op 10 juni 2004.

1.17 bestaand(e situatie):
  • bij bouwwerken: bestaand, legaal ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp;
  • bij gebruik: bestaand, legaal ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
1.18 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.19 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.20 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.21 binnenopslag:

het inpandig opslaan en opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen.

1.22 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.23 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.24 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.

1.25 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.26 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.27 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.28 bouwwerk voor recreatief nachtverblijf:

een bouwwerk dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief nachtverblijf, met een met de grond verbonden constructie van enige omvang en met een plaatsgebonden karakter, waarbij de gebruikers hun hoofdwoonverblijf elders hebben, zoals een stacaravan, chalet of een recreatiewoning.

1.29 buitenopslag:

het opslaan of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van (bedrijfs)percelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur, en dergelijke.

1.30 camping:

een inrichting gericht op het bieden van gelegenheid tot verblijfsrecreatie in kampeermiddelen en bouwwerken voor recreatief nachtverblijf.

1.31 centrale voorzieningen:

voorzieningen bedoeld voor het recreatief en/of sportief hoofdgebruik (dagrecreatie en/of verblijfsrecreatie) zoals receptie, overdekte sport- en/of speelvoorzieningen, recreatievoorzieningen met de daaraan ondergeschikte functies zoals bijvoorbeeld horeca en/of detailhandel.

1.32 chalets:

een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, dat functioneel overeenkomt met een recreatiewoning of stacaravan, maar dat zich door de (houten) vormgeving, de (eenvoudige) fundering en constructie en de toegestane maatvoering van een recreatiewoning of stacaravan onderscheidt.

1.33 dagrecreatie:

recreatieve activiteit die plaats vindt binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang.

1.34 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.35 eenheden:

verblijfsruimte bedoeld voor recreatief nachtverblijf.

1.36 escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.

1.37 erker:

hoekige of ronde uitbouw aan een gevel, ondergeschikt aan het hoofdgebouw in vorm en uitstraling.

1.38 functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

1.39 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.40 groepsaccommodatie:

logiesverstrekkend bedrijf, waarbij overwegend logies wordt verstrekt aan een groep of groepen van personen, met gezamenlijke faciliteiten voor logies, maaltijdbereiding en dagverblijf.

1.41 herbouw:

gehele of gedeeltelijke reconstructie, wederopbouw, opnieuw bouwen.

1.42 hoofdfunctie:

een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag/mogen worden gebruikt.

1.43 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.44 horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, waaronder bed & breakfast, discotheek, feestzaal.

1.45 kampeerkavel:

een aaneengesloten stuk grond, behorende bij een ingevolge de regels toegelaten bouwwerk voor recreatief nachtverblijf in de vorm van een stacaravan, chalet of recreatiewoning.

1.46 kampeermiddel:
  • een tent, tentwagen, kampeerauto of een caravan;
  • enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is;

een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

1.47 kampeerplaats:

standplaats ten behoeve van één kampeermiddel.

1.48 kelder:

ruimte die voor meer dan 50% ondergronds is gelegen, waarbinnen geen verblijfsruimtes zijn toegestaan. De inhoud van de kelder telt niet mee bij de inhoud van de (bedrijfs)woning.

1.49 kwetsbaar object:

een object als bedoeld in het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ zoals deze is vastgesteld op 27 mei 2004 en bekendgemaakt in de Staatscourant nummer 250 op 10 juni 2004.

1.50 logiesverstrekkend bedrijf

een bedrijf waar, tegen vergoeding, logies worden verstrekt, waarbij de logieseenheden enkel zijn ingericht voor nachtverblijf; naast het verstrekken van logies worden accommodaties aangeboden voor dagverblijf en het bereiden en/of nuttigen van drank en etenswaren. Onder een logiesverstrekkend bedrijf worden niet begrepen een camping of (een complex van) recreatieappartementen of -woningen.

1.51 mantelzorg:

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal medisch adviseur kan worden aangetoond.

1.52 nevenactiviteit:

een activiteit met een zodanige beperkte omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm als hoofdfunctie herkenbaar blijft.

1.53 omgevingsvergunning:

een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.54 omgevingsvergunning voor het afwijken:

omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking, op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c jo. artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van de Wabo.

1.55 omgevingsvergunning voor het bouwen:

omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo.

1.56 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van een werkzaamheid (voorheen aanlegvergunning):

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid, op grond van artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wabo.

1.57 onderkomen:

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark, caravan, voorzover deze/dit niet als een bouwwerk is aan te merken.

1.58 overkapping:

een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal één zijde begrensd door de gevels van belendende gebouwen en welke constructie zelf niet wordt aangemerkt als een gebouw.

1.59 permanente bewoning:

bewoning van een ruimte als hoofdwoonverblijf.

1.60 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.

1.61 raamprostitutie:

een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen.

1.62 recreatieve functies:

alle activiteiten die in de vrije tijd plaatsvinden en ontspanning als doel hebben.

1.63 recreatiewoning:

een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, dat functioneel overeenkomt met een chalet of stacaravan, maar dat zich door de (stenen) vormgeving, de (conventionele) fundering en constructie en de toegestane maatvoering van een chalet of stacaravan onderscheidt.

1.64 ruimtelijke eenheid:

complex van bij elkaar behorende bouwwerken.

1.65 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.66 souterrain:

ruimte onder de (bedrijfs)woning, waarvan minimaal 50% van de inhoud boven het aansluitende maaiveld is gelegen en waarbinnen verblijfsruimtes zijn toegestaan. De inhoud van het souterrain telt mee bij de inhoud van de (bedrijfs)woning. Onder het souterrain is geen kelder toegestaan.

1.67 stacaravan:

caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

1.68 straatprostitutie:

het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken.

1.69 verblijfsrecreatie:

het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten het hoofdwoonverblijf, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen. Hieronder worden onder andere verstaan een camping, groepsaccommodatie, etc.

1.70 voorgevel:

de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw.

1.71 voorgevellijn:

de lijn waarin de voorgevel van een gebouw is gelegen alsmede het verlengde daarvan (tot aan de zijdelingse perceelsgrens).

1.72 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen, die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop.

1.73 werk:

een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.

1.74 woning:

een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden.

1.75 zijdelingse perceelsgrens:

de grens tussen twee bouwpercelen, die voor- en achterzijde van een bouwperceel verbindt.

 

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Algemeen
2.1.1 afstand tussen bouwwerken:

de kortste afstand tussen enig punt van de desbetreffende bouwwerken.

2.1.2 bebouwde oppervlakte:

de gezamenlijke oppervlakte van alle bestaande en/of op te richten bouwwerken ter plaatse van een bestemmingsvlak, een aanduiding dan wel een kampeerkavel.

2.1.3 bebouwingspercentage:

de bebouwde oppervlakte welke ten hoogste gebouwd mag worden, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van de desbetreffende aanduiding(en).

2.1.4 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwdelen.

2.1.5 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, inclusief hieronder gelegen souterrain, exclusief kelder.

2.1.6 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat:

  • a. de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste zijde van de kap;
  • b. de goothoogte van een dakvlak met een dakopbouw wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de dakopbouw;
  • c. bij een kap die bestaat uit één of meerdere hellende dakvlakken waarbij de bovenzijde van de hellende dakvlakken grenzen aan een plat dak, deze daken worden ook wel afgetopte of afgesnoten daken genoemd, de goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel aan de laagste zijde van het hellende dakvlak.
2.1.7 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenzijden van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op de gemiddelde hoogte van het bestaande afgewerkte terrein (maaiveld) ter plaatse van het bouwwerk.

2.1.8 peil:
  • a. voor gebouwen en bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte terrein (maaiveld);
  • b. voor drijvende bouwwerken: de waterlijn.
2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, dakkapellen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor de aanleg, instandhouding en het herstel van afschermende groenvoorzieningen.

3.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

3.2.1 Gebouwen

Er mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

uitsluitend zijn toegestaan erf- en terreinafscheidingen;

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter.

3.3 Specifieke gebruiksregels
  • a. Het groen bestaat uit een aaneengesloten en robuuste haag of heg van struiken en/of bomen met een hoogte van ten minste 2,5 m.
  • b. Het groen bestaat uit een afwisselende beplanting van bestaand aanwezige laurierkers en de volgende inheemse en jaarrond bladhoudende soorten: haagbeuk, kardinaalsmuts, kornoelje, liguster, vlier, gelderse roos, hondsroos, hulst.

Artikel 4 Recreatie - 2

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Recreatie - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een camping met bijbehorende kampeerplaatsen en kampeerkavels;
  • b. centrale voorzieningen en groepsaccommodatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen';
  • c. sanitaire voorzieningen en overige dienstruimten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - sanitaire voorzieningen';
  • d. binnenopslag ter plaatse van de aanduiding 'opslag';
  • e. een inpandige bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen;
  • f. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • g. uitsluitend recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
  • h. sport- en speelvoorzieningen;
  • i. paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. groenvoorzieningen;
  • l. nutsvoorzieningen;
  • m. uitsluitend voor wegen en paden ter plaatse van de aanduiding 'verkeer'.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende voorwaarden:

  • a. Bedrijfsgebouwen ten behoeve van centrale voorzieningen, sanitaire voorzieningen en binnenopslag, bedrijfswoningen en recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
  • b. Gebouwen in de vorm van een recreatiewoning, chalet of stacaravan en overige bouwwerken mogen tevens worden gebouwd buiten de aanduiding 'bouwvlak', met dien verstande dat recreatiewoningen niet zijn toegestaan binnen de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie uitgesloten - recreatiewoning'.
  • c. Bedrijfsgebouwen, bouwwerken voor recreatief nachtverblijf en overige bouwwerken dienen te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen:

  Soort bebouwing   Maatvoeringseisen  

 
  a   b   c   d   e   f   g  
1.   bedrijfsgebouwen voor centrale voorzieningen en groepsaccommodatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen', met inbegrip van een inpandige bedrijfswoning         50%   7 m   4 m    
2.   bedrijfsgebouwen voor sanitaire voorzieningen en overige dienstruimten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - sanitaire voorzieningen'         40%   5 m   3 m    
3.   bedrijfsgebouwen voor binnenopslag ter plaatse van de aanduiding 'opslag'         50%   6,5 m   4,5 m    
4.   bouwwerken voor recreatief nachtverblijf in de vorm van een recreatiewoning, al dan niet ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'   30   75 m²   300 m³     7 m   3 m   5 m  
5.   bouwwerken voor recreatief nachtverblijf in de vorm van een chalet   40   75 m2       5 m   3 m   3 m  
6.   bouwwerken voor recreatief nachtverblijf in de vorm van een stacaravan   50   55 m²       3 m     3 m  
7.   overige bouwwerken
- per bouwwerk
- totaal  
 
25 m2 200 m2  
    4 m      

a) Maximum aantal per ha

b) Maximum bebouwde oppervlakte

c) Maximum inhoud

d) Maximum bebouwingspercentage

e) Maximum bouwhoogte

f) Maximum goothoogte

g) Minimum afstand tussen bouwwerken voor recreatief nachtverblijf

  • d. In afwijking van het bepaalde onder b. dient de minimum afstand tussen een stacaravan of een chalet en het belendende bouwwerk voor recreatief nachtverblijf 5 meter te bedragen, indien dat bouwwerk een recreatiewoning is.
  • e. Dakkapellen op recreatiewoningen zijn niet toegestaan op minder dan 15 meter van aangrenzende woonbestemmingen, dit geldt alleen voor het naar de woonbestemming gerichte dakvlak .
  • f. De oppervlakte van het kampeerkavel mag niet minder bedragen dan driemaal de bebouwde oppervlakte van het bouwwerk voor recreatief nachtverblijf ter plaatse van die kavel.
  • g. Kelders en souterrains zijn toegestaan onder bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen en mogen maximaal één bouwlaag diep zijn.

4.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. Zowel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen' als ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mag het aantal bedrijfswoningen niet meer bedragen dan één.
  • b. De inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3.
  • c. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m.
  • d. In afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen' niet meer bedragen dan de in artikel 4.2.1 onder b opgenomen maximum bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen'.
  • e. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 25º.

4.2.3 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. De gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 100 m².
  • b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6,5 m.

4.2.4 Bouwwerken bij bouwwerken voor recreatief nachtverblijf

Voor het bouwen van bouwwerken bij recreatiewoningen, chalets en stacaravans gelden de volgende voorwaarden:

  • a. De gezamenlijke oppervlakte van een recreatiewoning, chalet of een stacaravan en aan een recreatiewoning, chalet of een stacaravan gebouwde bouwwerken mag niet meer bedragen dan de in artikel 4.2.1 onder b genoemde maximum bebouwde oppervlakte van een recreatiewoning, chalet of een stacaravan;
  • b. De bouwhoogte van aan een recreatiewoning, chalet of een stacaravan gebouwde bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. Bij een recreatiewoning, chalet of een stacaravan zijn geen vrijstaande bijgebouwen en overkappingen als bergingen, schuren, garages, carports en terrasoverkappingen toegestaan;
  • d. In afwijking van het bepaalde onder c zijn uitsluitend de vrijstaande bijgebouwen en overkappingen toegestaan, die aanwezig zijn op het tijdstip van terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp, met dien verstande dat:
    • 1. De bouwwerken gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de situering en de omvang als aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp niet wijzigen, tenzij de omvang wordt verkleind;
    • 2. De bouwwerken niet mogen worden herbouwd.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
  • b. De bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m.
  • c. De bouwhoogte van sport- en spelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • d. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.
4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 onder b ten behoeve van het verhogen van de genoemde goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen voor centrale voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen' tot niet meer dan 9 meter, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

  • a. de verhoging van de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen voor centrale voorzieningen tot niet meer dan 9 meter is toegestaan over een oppervlakte van maximaal 25 m2;
  • b. de verhoging is noodzakelijk ten behoeve van het inpandig realiseren van een glijbaan, behorende bij het zwembad;
  • c. de verhoging dient stedenbouwkundig en landschappelijk inpasbaar te zijn;
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Strijdig gebruik

Onder met de bestemming strijdig gebruik wordt naast het bepaalde in artikel 7.1 in ieder geval verstaan:

  • a. het permanent bewonen of laten bewonen van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf.
  • b. het gebruiken van gronden ten behoeve van buitenopslag.
  • c. het niet-bedrijfsmatig exploiteren van de voorzieningen voor recreatief nachtverblijf als bedoeld onder 4.1 onder sub a, b en g,

4.4.2 Bedrijfsmatige exploitatie

Alle recreatieve voorzieningen binnen de recreatiebestemming dienen (recreatief) bedrijfsmatig geëxploiteerd te worden door één beheer- en verhuurorganisatie.

4.4.3 Verhard oppervlak

Binnen het bestemmingsvlak mag, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'bouwvlak', 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen', 'specifieke vorm van recreatie - sanitaire voorzieningen', 'bedrijfswoning' en 'opslag', de gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken en verhardingen per ha niet meer bedragen dan 0,65 ha.

4.4.4 Parkeren

Ten behoeve van de verblijfsrecreatieve voorzieningen als bedoeld in artikel 4.1 onder sub a, b en g en bedrijfswoningen dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

  • a. Het parkeren dient plaats te vinden binnen het bestemmingsvlak, met dien verstande dat het gebruiken van gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – verkeer' voor parkeren niet is toegestaan.
  • b. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid worden de volgende normen gehanteerd
      • groepsaccommodatie: 0,8 parkeerplaats per kamer;
      • kampeermiddelen: 1,65 parkeerplaats per kampeerplaats;
      • bij het toevoegen of vervangende nieuwbouw van bouwwerken voor recreatief nachtverblijf: 1,65 parkeerplaats per bouwwerk;
      • bedrijfswoningen: 1,85 parkeerplaats.
  • c. Ter plaatse van een kampeerplaats of een kampeerkavel wordt in minimaal één parkeerplaats voorzien, met uitzondering van bestaande kampeerkavels ter plaatse waarvan geen parkeerplaats aanwezig is.

4.4.5 Terrassen

Binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie uitgesloten - terrassen' mogen geen terrassen ten behoeve van een recreatiewoning, chalet of stacaravan worden aangelegd, tenzij het terras zich aan de van de omliggende woning(en) afgekeerde zijde van het recreatieobject bevinden.

4.4.6 Verbod versterkt afspelen van muziek

Het is verboden om buiten een recreatiewoning, chalet, stacaravan of kampeermiddel elektronisch versterkte muziek af te spelen.

4.4.7 Voorwaardelijke verplichting afschermend groen

Het gebruiken en doen (en/of laten) gebruiken van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.2.1 is, met uitzondering van bestaande bouwwerken op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, uitsluitend toegestaan, indien binnen 1 jaar na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan ter plaatse van de bestemming 'Groen' afschermend groen is aangelegd en dit groen in stand wordt gehouden, met dien verstande dat:

  • a. Het groen bestaat uit een aaneengesloten en robuuste haag of heg van struiken en/of bomen met een hoogte van ten minste 2,5 m.
  • b. Het groen bestaat uit een afwisselende beplanting van bestaand aanwezige laurierkers en de volgende inheemse en jaarrond bladhoudende soorten: haagbeuk, kardinaalsmuts, kornoelje, liguster, vlier, gelderse roos, hondsroos, hulst.

4.4.8 Voorwaardelijke verplichting waterberging

Het gebruiken en doen (en/of laten) gebruiken van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.2.1 en gronden als bedoeld in artikel 4.1 voor wegen, paden of andere oppervlakteverhardingen is, met uitzondering van bestaande bouwwerken en verhardingen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, uitsluitend toegestaan, indien voorafgaand aan of gelijktijdig met het bouwen en het aanleggen daarvan voldoende waterberging is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden, met dien verstande dat:

  • a. De waterbergende voorzieningen binnen het bestemmingsvlak getroffen dienen te worden.
  • b. Bij het bepalen van de benodigde waterberging de volgende eisen gelden:
    • 1. 0,0436 m3 waterberging per m2 verharde en/of bebouwde oppervlakte bij waterberging in open water of ondergrondse bergingskratten;
    • 2. 0,0664 m3 waterberging per m2 verharde en/of bebouwde oppervlakte bij overige bergingsvormen, zoals grindkoffers, zandbakken, groene infiltratiezones of wadi's.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 2

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Archeologisch rapport

Het bevoegde gezag kan in geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bouwen van een bouwwerk of bouwwerken, met een oppervlakte groter dan 100 m2 en waarbij benodigde graafwerkzaamheden dieper zijn dan 0,3 m onder maaiveld, die worden gebouwd op en/of in de gronden als bedoeld in artikel 4.1, verlangen dat alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend door de aanvrager een rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

5.2.2 Koppelen voorwaarden

Indien uit het in het vorige lid genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegde gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1 indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) op en in de gronden als bedoeld in artikel 5.1 over een oppervlakte groter dan 100 m² de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden.
  • b. het bodem verlagen of afgraven van gronden.
  • c. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en grondbewerkingen dieper dan 0,30 m onder maaiveld.
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplanting.
  • e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen, die in bodemingreep dieper dan 0,3 m tot gevolg hebben.
  • f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
  • g. het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,3 m onder maaiveld.

5.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 5.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. in het kader van archeologisch onderzoek en/of het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • c. indien op basis van door een deskundige uitgevoerd bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  • d. die noodzakelijk zijn met het oog op het realiseren van een bouwwerk, waarvoor een bouwvergunning danwel omgevingsvergunning is verleend;
  • e. waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
  • f. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of ontgrondingvergunning.

5.4.3 Toepassingsvoorwaarden

De in artikel 5.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in dit artikel bedoelde gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

5.4.4 Koppelen voorwaarden

Indien blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels

7.1 Maatvoering

In die gevallen dat van bestaande bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enig ander bestaand bouwwerk op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan ingevolge de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

7.2 Bebouwingspercentage en dichtheid

In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage of aantal per ha, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedraagt dan ingevolge de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt dat bebouwingspercentage of aantal per ha in afwijking daarvan voor bestaande bouwwerken als maximaal toegestaan.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruiken van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  • b. het gebruiken en laten gebruiken van bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning als zelfstandige woning.
8.2 Mantelzorg

Het tijdelijk gebruik van een deel van de (bedrijfs)woning als afhankelijke woonruimte is toegestaan bij de woonfunctie, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

  • a. Een dergelijke tijdelijke bewoning is noodzakelijk vanuit het oogpunt van mantelzorg.
  • b. De inhoud van de (bedrijfs)woning mag als gevolg van het realiseren van de afhankelijke woonruimte niet meer bedragen dan 750 m³.
  • c. De oppervlakte van de afhankelijke woonruimte mag niet meer bedragen dan 80 m².
  • d. De afhankelijke woonruimte is enkel toegestaan op de begane grond en in bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van vrijstaande bijgebouwen.
  • e. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven.
  • f. Indien de afhankelijke woonruimte uit oogpunt van mantelzorg niet meer noodzakelijk is dient de voorziening te worden verwijderd.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1 Algemene afwijkingen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  • a. de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • b. de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² zal bedragen;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m zal bedragen;
  • c. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    • 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
    • 2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
  • d. de onder a tot en met c genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de milieusituatie; en
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 10 Overige regels

10.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen

Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Recreatieterrein de Oude Molen’.