Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Omdat er sloop plaatsvindt en een nieuwe inrichting van het plangebied wordt beoogd kan dit effect hebben op de flora en fauna in het plangebied. Dergelijke effecten zijn onderzocht met een quickscan Wet natuurbescherming: zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 5.
Gebiedsbescherming
Uit deze quickscan blijkt dat de planlocatie geen deel uitmaakt van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Zo ligt het plangebied op een afstand van 500m tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Naardermeer' en het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie ligt tevens op een afstand van circa 30 m tot een Bijzonder Provinciaal Landschap. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot het Natura 2000-gebied per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Bijzonder Provinciale Landschappen geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Stikstofdepositie
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Hiertoe zijn door Buro SRO op 7 maart 2023 berekeningen uitgevoerd voor de bouwfase en de gebruiksfase (zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Er is bij de berekeningen intern gesaldeerd met de voertuigbewegingen en het gasverbruik in de huidige situatie.
Uit de Aeriusberekeningen blijkt dat er zowel voor de bouwfase, als voor de gebruiksfase, geen verschillen hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
Houtopstanden
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Soortenbescherming
De bebouwing vertoont op verschillende plekken open stootvoegen en kierende daklijsten. Via deze openingen kunnen vleermuizen potentieel een geschikte verblijfplaats bereiken. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de planlocatie voor gebouwbewonende vleermuizen.
De planlocatie is voorts mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (zie hieronder).
Aanvullend onderzoek
In de quickscan is aangegeven dat aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de functie van de planlocatie voor gebouwbewonende vleermuizen. Hiertoe is door MIECON sporenonderzoek gedaan (zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Hierbij is het gehele gebouw onderzocht op sporen van vleermuizen en andere soorten. Gelet wordt op veegsporen, aanwezigheid van vleermuiskeutels, levende exemplaren en juist sporen die wijzen op afwezigheid van soorten. Bij het aantreffen van vleermuiskeutels, worden deze verzameld om later te kunnen laten analyseren in een gespecialiseerd laboratorium. Met behulp van de analyse is exact bekend om welke vleermuissoort het gaat.
De gevels zijn geïnspecteerd op sporen die wijzen op aanwezigheid van vleermuizen. Hierbij zijn alle openingen van dichtbij en nauwgezet onderzocht. Daaruit blijkt dat het schoolgebouw beperkt geschikt is voor vleermuizen. Er is met zekerheid een vaste verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen vastgesteld. Het gaat hier om een kleine verblijfplaats die vermoedelijk als zomerverblijfplaats wordt gebruikt. Door het nemen van voldoende mitigerende maatregelen is het mogelijk om schade aan beschermde soorten te voorkomen. Voor het wegnemen, vernietigen of aantasten van een verblijfplaats van vleermuizen is een ontheffing op de Wet Natuurbescherming nodig. Een ontheffing Wnb is aangevraagd. Hiervoor is in het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Het verdient aanbeveling om vooruitlopend op het vervolgtraject 4 vleermuiskasten op te hangen aan bebouwing die behouden blijft en die binnen een straal van maximaal 200 meter van de verblijfplaats ligt. Het bevoegd gezag eist namelijk dat de kasten al gedurende een zogenaamde gewenningsperiode moeten hangen. Er is geen ontheffing nodig om vleermuiskasten op te hangen. Tevens is het aan te raden de verzamelde keutels te laten analyseren zodat exact bekend is welke soort vleermuis gebruik maakt van het schoolgebouw.
Tevens is tijdens het sporenonderzoek gelet op aanwezigheid van sporen die wijzen op gebruik door andere soorten zoals nestmateriaal van vogels, prooiresten en latrines van steenmarter en andere aanwijzingen. In het gehele pand zijn geen nesten gevonden die wijzen op gebruik door vogels. De platte daken hebben een bitumineuze bekleding en grind ontbreekt. Hier zijn ook geen nesten gevonden.
Overige te treffen maatregelen
- Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
- Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
- Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
- De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
- Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
- De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.