1.1 Aanleiding
De gemeente Gooise Meren heeft het perceel Hakkelaarsbrug 3 te Muiderberg aangekocht. Er is gebruik gemaakt van de 'Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding'. Om aan de voorwaarden van deze Uitkoopregeling te kunnen voldoen, zal de bestemming gewijzigd moeten worden en zal de bestaande woning worden gesloopt. De aanwezige bunkers van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zullen behouden blijven en het gebied zal een groene invulling krijgen. Hierbij dienen de woon- en tuinbestemmingen van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied' (2014) gewijzigd te worden.
Om het bovengenoemde mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied bevindt zich ten zuidwesten van de kern Muiderberg ter plaatse van Hakkelaarsbrug 3. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Muiden, sectie G, nummer 636 en 649. Ten noordoosten van het plangebied is het kanaal de Naardertrekvaart gelegen en aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan de Naardervaart. Ten zuiden van de Naardervaart liggen de rijkswegen A1 en A6. Aan de westzijde grenst het plangebied aan een perceel met huis en tuin en ten oosten van het plangebied is een groenstrook met bosschages aanwezig.
Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale planbegrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)
Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd) (bron: Google Earth)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het vigerende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied'. Dit bestemmingsplan is door de raad van de voormalige gemeente Muiden vastgesteld op 19 juni 2014.
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' (2014)
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen' en 'Tuin'. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemmingen 'Leiding - Hoogspanningsverbinding', 'Waarde - Cultuurhistorie' en deels 'Waterstaat - Waterkering'.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het bestaande aantal woningen en beroepen en bedrijven aan huis met een maximum vloeroppervlak van 30 m² met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijn, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, parkeervoorzieningen, tuinen en erven. De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, met bijbehorende bouwwerken geen gebouw zijnde, in- en uitritten, water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
In verband met de toepassing van de 'Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding' dienen de woon- en tuinbestemmingen van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied' (2014) gewijzigd te worden. Hierbij wordt uitgegaan van de bestemming 'Groen', zoals als die ook is toegekend aan de aangrenzende gronden. Om die reden is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens een juridische toelichting. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
2.1 Huidige situatie
Het plangebied aan de Hakkelaarsburg 3 ligt in het buurtschap Hakkelaarsbrug, ten zuidwesten van de kern Muiderberg. In het plangebied zijn enkele bouwwerken aanwezig waaronder een woonhuis, een (opslag) loods en bijgebouwen. Tevens zijn twee grote bunkers en twee kleine bunkers, als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, aanwezig. Daarnaast bevindt zich binnen de grenzen van het plangebied de 380.000 Volt hoogspanningsverbinding Diemen – Lelystad. Verder bestaat het gebied veelal uit opgaande begroeiing waaronder braamstruweel.
Het plangebied heeft een omvang van 1.750 m² en grenst aan de oostzijde aan een gebied dat bestemd is voor 'Groen'. Door de bosschages aan weerzijde van het plangebied is het plangebied vanaf zowel de Naarderstraatweg als de Naardervaart vrijwel volledig afgeschermd.
De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied.
Huidige situatie plangebied vanaf de Naardervaart (bron: Google Maps)
Huidige situatie plangebied: bebouwing, bunkers en begroeiing (bron: RPS, Quickscan Wet Natuurbescherming)
2.2 Toekomstige situatie
De gemeente is voornemens om het aangekochte perceel van Hakkelaarsbrug 3 in Muiderberg te gebruiken voor groen en eventueel extensieve recreatie. De aanwezige woning en bijgebouwen dienen gesloopt te worden. De bunkers die in het gebied aanwezig zijn zullen behouden blijven. Daarnaast zullen enkel de uitheemse bomen/bosschages worden verwijderd.
Het gebied zal in de toekomstige situatie met een groenbestemming aansluiten bij de aangrenzende gronden die eveneens een groenbestemming hebben. Binnen de groenbestemming zal extensieve dagrecreatie zoals bijvoorbeeld wandelen zijn toegestaan. Er zullen verder geen voorzieningen gerealiseerd worden ten behoeve van extensieve dagrecreatie.
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In deze structuurvisie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Planspecifiek
De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In
toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
Planspecifiek
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en valt daarmee binnen het nationale belang 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn:
- Het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem met enkele belangrijke kenmerken.
- Grote openheid
- Groen en overwegend rustig karakter
In de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten regels gesteld. Dit is nader omschreven in
toelichting paragraaf 3.2.2. Hieruit wordt geconcludeerd dat het beoogde plan de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet aantast.
Tevens is het plangebied gelegen in de zone voor hoogspanningsverbindingen en valt daarmee binnen het nationale belang 'Elektriciteitsvoorzieningen'. Hiervoor geldt dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een hoogspanningsverbinding het tracé bevat van die hoogspanningsverbinding en het gebruik daarvan toelaat. Daarnaast wijst het bestemmingsplan geen ander tracé van de hoogspanningsverbinding aan. De Hoogspanningsverbinding zoals deze is opgenomen in het huidige bestemmingsplan wordt overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
Het beoogde plan is in lijn met het Barro.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
- De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
- Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
- Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een 'stedelijke ontwikkeling' verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
Onderhavig plan betreft de sloop van bestaande bebouwing en voorziet niet in nieuwe bebouwing. Er is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dan ook dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.1 Omgevingsvisie NH2050
De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving.
De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities:
Leefomgeving
- Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
- Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
- Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving
- Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.
- Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends.
- Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen.
- Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie
- De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd:
- Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst
- Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging
- Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem
- Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal
- Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie
- Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving.
Planspecifiek
De ontwikkeling sluit met name aan bij 'Noord-Holland in beweging' en 'Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving'. Er wordt met de herontwikkeling van Hakkelaarsbrug 3 naar een natuurgebied bijgedragen aan de volgende ontwikkelprincipes van Noord-Holland in beweging:
- Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap.
- Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief.
Daarnaast geeft de ontwikkeling ook invulling aan een natuurlijk en vitaal landelijke omgeving door een bijdrage te leveren aan fijnmazige groenblauwe verbindingen tussen natuurgebieden. fijnmazige groenblauwe verbindingen verbeteren de veerkracht van het totale natuurnetwerk en kunnen daarmee bijdragen aan de belevingswaarde van het landschap, de versterking van de watersystemen en de verbinding van natuurlijke systemen.
Conclusie
Voorliggend plan is in lijn met de ambities van de Provincie Noord-Holland.
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening
Tegelijk met de toenmalige Structuurvisie Noord-Holland 2040 is op 21 juni 2010 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. De laatste versie van de PRV is op 7 juni 2019 in werking getreden.
De Provinciale Ruimtelijke Verordening stelt regels en voorwaarden waaraan de inhoud van onder ander (gemeentelijke) bestemmingsplannen moet voldoen. Er zijn regels voor het zowel het gehele provinciale grondgebied als het landelijke gebied, de regels voor uitsluitend het bestaand bebouwd gebied en regels voor uitsluitend het landelijk gebied.
Planspecifiek
Bufferzone
Het voorliggende plan gaat uit van de sloop van bestaande bebouwing en het realiseren van groen en natuur. Dit plan past binnen de regels van de bufferzone waarbinnen het plangebied is gelegen. Er wordt met de ontwikkeling geen nieuwe bebouwing gerealiseerd, bestaande bebouwing wordt juist gesloopt. Daarnaast wordt er meer ruimte gecreëerd ten behoeve van groen en natuur.
Nieuwe Hollandse Waterlinie
Daarnaast valt het plangebied ook binnen de grenzen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is erfgoed van uitzonderlijke universele waarden. Vanuit de Provinciale Ruimtelijke Verordening worden de volgende regels gesteld met betrekking tot ontwikkelingen binnen UNESCO-erfgoederen:
- Een bestemmingsplan mag uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 van het PRV voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zoals genoemd in artikel 15 van het PRV en in bijlage 1 van de PRV.
In aanvulling op het gestelde in het eerste lid bevat het bestemmingsplan geen bestemmingen en regels die voorzien in:
- een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject;
- een project dat, of een activiteit die de uitgewerkte Uitzonderlijke Universele waarden van het Unesco-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden “De Beemster”, “De Stelling van Amsterdam” of de “Nieuwe Hollandse Waterlinie”, aantast of doet verdwijnen.
- Artikel 5a, artikel 5c en artikel 15 van het PRV zijn van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan een bestemmingsplan hierin wel voorzien indien:
- er sprake is van een groot openbaar belang;
- er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op het behoud of de versterking van de uitgewerkte kernkwaliteiten te mitigeren of te compenseren;
- het bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 5a of artikel 5c van de PRV;
- het bestemmingsplan in overeenstemming is met de kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 15 van de PRV en;
- er geen reële andere mogelijkheden zijn.
- Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid plaatsheeft.
Met de beoogde ontwikkeling om bestaande bebouwing te slopen en groen en natuur te realiseren, worden kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie behouden en versterkt. Door de sloop van de bebouwing wordt er meer openheid gecreëerd. Er is hiermee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarbij blijven de bunkers in het gebied, die onderdeel uitmaken van het complex Betonnen Werken Muiderberg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, behouden. De Nieuwe Hollandse Waterlinie wordt met het beoogde plan niet aangetast. Doordat de huidige bebouwing gesloopt wordt ontstaat er meer openheid en meer aandacht voor de karakteristieken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (zoals de bunkers). Het nieuwe bestemmingsplan sluit qua regels en bestemmingen aan bij de kwaliteitseisen. Het gebied wordt beschermd middels de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'.
Regionale waterkering - Blauwe ruimte
Het plangebied valt gedeeltelijk binnen de regionale waterkering. Net als in het huidige bestemmingsplan wordt er in het gewijzigde bestemmingsplan een dubbelbestemming: 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Op deze manier blijft de waterkering gewaarborgd.
Duurzame energie
Het plangebied valt binnen het gebied dat is aangewezen voor duurzame energie. De beoogde bestemmingsplanwijziging vormt geen belemmering ten opzichte van oplossingen voor kleinschalige oplossingen voor duurzame energie.
Ten aanzien van de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn er geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van Hakkelaarsbrug 3 te Muiderberg. Er dient gesteld te worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.
3.3.1 Samen Sneller Duurzaam Gooise Meren
De gemeente Gooise Meren streeft naar een toekomstbestendige en duurzame gemeente. De basis voor het bereiken van een toekomstbestendig Gooise Meren is samenwerken. Daarom heeft de gemeente op 31 mei en 1 juni 2017 het werkatelier Samen Sneller Duurzaam Gooise Meren georganiseerd. In twee dagen tijd is met inwoners, ondernemers, verenigingen, maatschappelijke organisaties, politici en ambtenaren de basis gelegd voor het actieplan Samen Sneller Duurzaam Gooise Meren. Het actieplan laat de uitdagingen zien: het creëren van een breed duurzaam bewustzijn bij iedereen die in Gooise Meren woont of werkt. Hierin zijn acht duurzaamheidsopgaven uitgewerkt:
- Alle gebouwen en woningen aangesloten op niet-fossiele energie
- Slimmere en groenere mobiliteit
- Een afvalloze samenleving
- Gezond lokaal voedsel
- Biodiversiteit als maat der dingen
- Een waarderende economie
- Duurzaam onderwijs
- Samen duurzaam voor(t)leven
Planspecifiek
De gemeente Gooise Meren streeft naar duurzame ontwikkelingen. De nadere uitwerking hiervan vindt buiten het kader van de ruimtelijke procedure plaats. Wel kan er worden gesteld dat met de realisatie van meer groen en natuur de biodiversiteit ten opzichte van de bestaande situatie mogelijk verbeterd. Tevens krijgt flora en fauna meer ruimte doordat de tijdelijke bezetting van het gebied door bewoners komt te vervallen.
3.3.2 Welstandsnota Gooise Meren 2016
Het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bussum, Muiden en Naarden is samengevoegd en waar nodig geactualiseerd. In de Welstandsnota 2016 zijn de beoordelingskaders opgenomen voor gebieden en objecten, die hun grondslag vinden in de samenhang van het bebouwingsbeeld en de historisch gegroeide structuren. Het doel van het welstandsbeleid is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling valt onder het welstandsgebied 'Veenweidegebied'. Rond Muiden en Naarden ligt een open veenweidelandschap met gevarieerde bebouwing, zoals boerderijen en bedrijfsgebouwen. De bebouwing staat langs de hoofdontsluitingswegen en ligt meestal op ruime kavels, iets teruggelegen van de weg of dijk.
Het oorspronkelijke ontginningspatroon met de gevarieerde bebouwing is de drager van het landschap. Dit is in de loop der tijd door de verschillende soorten infrastructuur versnipperd geraakt. Het veenweidegebied is een gebied met een bijzonder welstandsniveau. De schootsvelden en Noordpolder zijn deel van het UNESCO werelderfgoed Stelling van Amsterdam. Het veenweidegebied maakt daarnaast deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, die is voorgedragen als UNESCO werelderfgoed.
De aanwezige bunkers, die een onderdeel vormen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, worden gehandhaafd. Gezien er met de voorgenomen ontwikkeling geen bebouwing wordt toegevoegd zijn de welstandscriteria voor bouwplannen niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan. De Welstandsnota vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.3.3 Parkeernormen
In 2018 heeft de gemeente de 'Richtlijnen voor parkeernormen' vastgesteld. In deze beleidsregel zijn parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente Gooise Meren wil de vraag naar parkeergelegenheid op zodanige wijze faciliteren dat de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft. Als aan een ruimtelijke ontwikkeling geen voorwaarden kunnen worden gesteld, dan wordt de parkeerbehoefte afgewenteld op het openbaar gebied. Omdat dit gebied hier vaak niet in kan voorzien, kan dit leiden tot overlast bij de bestaande gebruikers van de openbare ruimte. Door het stellen van parkeernormen wordt enerzijds voorkomen dat door nieuwe ontwikkelingen overlast ontstaat en anderzijds wordt de bereikbaarheid van de nieuwe functies gewaarborgd.
Planspecifiek
In het voorliggende bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting voor het parkeren opgenomen. Daarmee is veiliggesteld dat voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en dat deze in stand worden gehouden.
4 Randvoorwaarden omgevingsaspecten
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
- het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
- de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
- Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
- Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
- De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid d. Het betreffende plan wordt namelijk niet genoemd in het Besluit m.e.r., er geldt dus geen m.e.r. (beoordelings)plicht.
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2.1 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Planspecifiek
Met de wijziging van de huidige woonbestemming naar een groenbestemming is er geen sprake van een wijziging naar een 'strenger bodemgebruik'. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve geen bodemonderzoek noodzakelijk.
4.2.2 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
- verzorgingstehuizen;
- psychiatrische inrichtingen;
- medisch centra;
- poliklinieken;
- medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een geluidsgevoelig object. Onderzoek naar geluidsbelasting is derhalve niet noodzakelijk.
4.2.3 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 μg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkelingen worden er geen functies toegevoegd aan het plangebied. De bestaande woonfunctie wordt verwijderd uit het plangebied en zorgt daarmee voor afname van luchtvervuiling door afname van verkeersbewegingen nabij het plangebied. Binnen de beoogde groenbestemming is extensieve dagrecreatie mogelijk, dit veroorzaakt echter geen verkeersaantrekkende werking.
Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Desalniettemin is met behulp NSL-monitoring gekeken naar de luchtkwaliteit nabij het plangebied. Over 2016 zijn de volgende concentratie gemeten ter plaatse van rekenpunt 184638: 24,4 μg/ m³ NO2, 18,5 µg/ m³ PM10 en 11,1 µg/ m³ PM2,5. Deze waarden voldoen ruim aan de gestelde norm.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.4 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
De beoogde bestemming voor groen wordt niet aangemerkt als een gevoelige functie. Het is dan ook niet noodzakelijk om de afstand van het plangebied tot de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving te toetsen aan richtafstanden. Tevens betreft de toekomstige bestemming geen bedrijf of inrichting met nadelige gevolgen voor de omgeving met betrekking tot milieuzonering.
Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen bestaan voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling in het kader van milieuzonering.
4.2.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Planspecifiek
De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart externe veiligheid:
Uitsnede risicokaart externe veiligheid (plangebied zwart omcirkeld)
De in het plangebied aanwezige hoogspanningsverbinding vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan. Een woonbestemming wordt verwijderd, gebruik makend van de 'Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding'. Voorts gaat het om het toekennen van een groenbestemming, met slechts beperkt extensief recreatief medegebruik, zoals dat ook in de aanliggende gronden plaats heeft.
De planlocatie ligt tevens nabij de rijkswegen A1 en A6 en er bevindt zich een spoorlijn op een afstand van circa 80 m. Er is met de voorgenomen ontwikkeling echter geen sprake van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Derhalve is het niet noodzakelijk op risicovolle inrichtingen te toetsen aan de richtafstand. De aanwezige risicovolle inrichtingen nabij het plangebied vormen dan ook geen belemmering.
Externe veiligheid vormt derhalve geen risico voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied.
4.3 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veiligstellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.
Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verhard oppervlak in stedelijk gebied 10 % daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg.
Planspecifiek
Watercompensatie
Als een toename van verhard oppervlak van meer dan 1.000 m² aan de orde is, is watercompensatie noodzakelijk. Met de voorgenomen ontwikkeling worden er gebouwen gesloopt, daarmee zal het verhard oppervlak in het plangebied afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Watercompensatie wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Hemel- en afvalwater
Met de wijziging van wonen naar groen en het verwijderen van de woonbebouwing, zal er voldoende oppervlakte zijn waar hemelwater in de bodem kan infiltreren. Er is in de nieuwe situatie geen sprake meer van huishoudelijk afvalwater.
Waterkering
Ten behoeve van de waterkering wordt in het nieuwe bestemmingsplan, net als in het huidige bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen.
Gesteld wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde wijziging.
4.4 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen en kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
De gemeente Gooise Meren heeft op 28 juni 2017 de geharmoniseerde parkeerregeling vastgesteld. De noodzaak van het vaststellen van de richtlijnen voor parkeernormen ligt onder andere bij het verlopen van het overgangsrecht van bestemmingsplannen. In 'Richtlijnen voor parkeernormen' heeft de gemeente parkeernormen opgenomen om te voorkomen dat nieuwe functies leiden tot parkeertekorten of parkeeroverlast in bestaande centrum- en woongebieden. Met haar parkeernormen heeft de gemeente aangesloten bij parkeercijfers van CROW (publicatie 317).
Met het voorgenomen plan is echter geen sprake van extra verkeersgeneratie. Gezien de sloop van de huidige woning en bijgebouwen en het feit dat er geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd of andere activiteiten plaats zullen vinden ter plaatse van het plangebied, is het aannemelijk dat het aantal verkeersbewegingen in en om het plangebied afneemt in plaats van toeneemt. Tevens zijn er voor de beoogde bestemming 'Groen' geen parkeerplaatsen nodig.
De aspecten 'verkeer' en 'parkeren' vormen geen belemmering met betrekking tot de beoogde wijziging.
4.5 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is er een quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd door RPS advies- en ingenieursbureau bv. (d.d. 4 september 2018, zie
bijlagen bij toelichting). Het doel van de quickscan is inzicht te krijgen in de beschermde planten- en diersoorten die voorkomen of kunnen voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden en wat de effecten zijn van de ingreep op deze soorten.
Uit de quickscan komt het volgende naar voren:
- Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied, of waarvan het voorkomen niet zonder meer is uitgesloten, zijn algemene grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats, broedvogels, ringslang en algemene amfibieën.
- Beschermde vaatplanten, vissen en ongewervelde diersoorten zijn niet aanwezig en worden niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop.
- Er hoeven voor het onderhavige project geen aanvullende mitigerende maatregelen genomen te worden en/of een ontheffing te worden aangevraagd.
- Voor kleine marterachtigen en vleermuizen dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden.
- Het opvolgen van voorzorgsmaatregelen (zie onder 'Te treffen maatregelen') zijn van belang tijdens de uitvoering.
- Op de lange termijn zijn geen negatieve effecten aan de orde doordat voldoende alternatieve leefgebieden in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn en dat de natuurwaarden in het plangebied verbeterd kunnen worden.
Op basis van de uitgevoerde quickscan kan geen duidelijkheid gegeven worden over het voorkomen van kleine marterachtigen en eventuele verblijfsplaatsen. Tevens kan er geen duidelijkheid gegeven worden over eventuele aanvliegroutes en aanwezige verblijfsplaatsen van vleermuizen in de gebouwen en bomen.
Middels een aanvullend onderzoek met behulp van sporenbuizen en cameravallen dient duidelijkheid verkregen te worden over het werkelijke gebruik en de functie van het plangebied. Een vleermuisonderzoek conform het Vleermuisprotocol (versie 2017) zal duidelijkheid moeten verschaffen over het werkelijke gebruik van de functie van het plangebied als verblijfsplaats en de vliegroute voor vleermuizen.
Te treffen maatregelen
- Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt de zorgplicht waarbij eenieder zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
- Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedende vogels. Wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn, dient de aanwezige (grassige-/oever-) vegetatie gemaaid te worden (<10 cm). Het maaisel dient afgevoerd te worden tot buiten het werkgebied. Hiermee wordt de beschutting voor vogels en reptielen weggenomen.
- Indien broedende vogels aanwezig zijn, zal in overleg met een ter zake kundige ecoloog worden bepaald welke afstand tot de broedlocatie aangehouden moet worden. Wanneer verstoring niet voorkomen kan worden, zal het werk uitgesteld moeten worden tot de jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer in gebruik is.
- Om de aanwezige foeragerende en passerende vleermuizen niet te verstoren en indirect schade toe te brengen aan kraamkolonies, mag in de periode april tot en met november bij werkzaamheden geen gebruik gemaakt worden van bouwverlichting tussen zonsondergang en -opkomst.
4.6 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Planspecifiek
Gezien er met de beoogde wijziging geen bouwwerken gerealiseerd zullen worden en de grond niet geroerd zal worden kan worden afgezien van archeologisch onderzoek. Tevens hebben de gronden geen dubbelbestemming voor waarde archeologie. Archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek
In het plangebied bevinden zich bunkers, waarvan er twee zijn aangewezen als Rijksmonument. Het gaat hierbij om groepsschuilplaatsen type P, als onderdeel van het complex Betonnen Werken Muiderberg van de Nieuwe Hollandse waterlinie. Deze groepsschuilplaatsen zijn (vooral) in de jaren 1939-1940 op meerdere plaatsen in Nederland gebouwd.
De betreffende bunkers worden gehandhaafd en ingepast in de nieuwe situatie. Hierbij wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' gehandhaafd op het voorliggende perceel. Daarmee wordt recht gedaan aan de monumentale/cultuurhistorische waarden in het plangebied.
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
- Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Voor de planregels is zo veel mogelijk aangesloten op de standaard welke binnen de gemeente Gooise Meren gangbaar is, in het bijzonder bij het onlangs vastgestelde bestemmingsplan 'Stedelijk gebied' (2017). Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemmingen 'Groen'.
Bestemming 'Groen'
De gronden met de bestemming 'Groen' zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, rietkragen, bermen en beplanting, behouden, versterken en benutten van de waarde van de omgeving. Gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van de bestaande bunkers. Binnen deze groenbestemming is extensieve dagrecreatie toegestaan.
In de Overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het eventuele benodigde parkeren. Er zijn ook bepalingen voor laden en lossen opgenomen. Hierbij is aangesloten bij de regeling uit het (ontwerp-)bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan parkeernormen Gooise Meren.
Dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'
De gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - hoogspanningsverbinding', het beheer en onderhoud van de verbinding en de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'
De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de cultuurhistorische waarden.
Dubbelbestemming 'Waarde - Waterkering'
De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Waterkering' zijn, behalve voor de aldaar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de aanleg, het behoud en het herstel van de waterkering met bijbehorende bouwwerken zoals duikers, keerwanden en merktekens. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
De gemeente heeft het betreffende perceel aangekocht op basis van de 'Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding'. Met deze regeling krijgen gemeenten 100% vergoeding van de kosten van uitkoop van woningeigenaren of het verplaatsen van woningen.
De aankoopkosten, sloopkosten en bestemmingsplankosten zijn voor rekening van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De voorbereidingskosten, inrichtingskosten en de kosten voor beheer en onderhoud zijn voorrekening van de gemeente.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.2 Participatie
Op 19 maart 2019 heeft er een bewonersavond plaatsgevonden. Tijdens deze avond is het beoogde plan toegelicht voor de buurt/omwonenden. Tevens was er gelegenheid voor vragen, het kenbaar maken van zorgen en wensen.
De genoemde zorgen hebben betrekking op de kap van bomen, angst voor schade door trilling/verzakking door veengrond tijdens de sloopwerkzaamheden, en de afsluiting van het terrein met betrekking tot krakers/diefstal. De gemeente heeft aangegeven in gesprek te gaan met de aannemer over mogelijke schadelijke gevolgen voor de omgeving vanwege sloopwerkzaamheden. Daarnaast zullen gemeentelijke boa's vaker gaan controleren. De gemeente heeft aangegeven de overige zorgen serieus te nemen.
6.2.3 Overleg
Ter voldoening van het bepaalde in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-bestemmingsplan in december 2018 toegezonden aan de volgende instanties: Provincie Noord-Holland, Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek, PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, Waternet, Liander, TenneT, Veiligheidsregio, Brandweer Gooi en Vechtstreek, Gasunie Transport Services, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Rijkswaterstaat, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Rijksvastgoedbedrijf.
Provincie Noord-Holland en Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek hebben te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben op het concept-ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast zijn reacties binnen gekomen van TenneT en Gasunie; die komen hieronder nader aan bod. Er zijn verder geen reacties gekomen van de vooroverlegpartners.
Gasunie Transport Services Gasunie heeft het bestemmingsplan getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Op grond van deze toetsing is geconcludeerd dat het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens van de dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Deze reactie geeft geen aanleiding tot aanpassingen.
Hieronder is de reactie van TenneT weergegeven, met in cursief de gemeentelijke reactie:
| Reactie TenneT | Reactie gemeente |
| TenneT adviseert om voor de geplande werkzaamheden veiligheidsvoorwaarden aan te vragen bij TenneT, omdat de aanwezige bebouwing zich binnen de belemmerende strook van de hoogspanningsverbinding bevindt. Daarnaast wordt verzocht om voor de inrichting van het plangebied contact op te nemen met TenneT over de mogelijkheden en eventueel aanvullende voorwaarden. | Bij de verdere planvormingen zal rekening worden gehouden met de opmerkingen van TenneT |
| TenneT acht het niet correct dat in artikel 4.1 onder a staat aangegeven dat de dubbelbestemming alleen geldt ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding-hoogspanningsverbinding'. | De aanduiding van de hartlijn betreft de hoogspanningsverbinding zelf, maar de betreffende dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' geldt voor een zone van 50 meter ter weerszijden van de hoogspanningsverbinding en daarmee voor het gehele plangebied. |
Omdat voor het hele gebied de bestemming 'Groen' geldt, dient een bepaling te worden opgenomen dat de dubbelbestemming, vanwege nationaal belang, voorrang heeft op de onderliggende bestemmingen. | De dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de onderliggende belangen. daarmee is het belang van de hoogspanningsverbinding afdoende veiliggesteld. |
Daarnaast verzoekt TenneT om in artikel 4.2.3 onder b. de hoogte te wijzigen van 3 naar 2 meter, omdat ook rekening moet worden gehouden met een persoon boven op een bouwwerk. | De betreffende maat is aangepast. |
| Verder wordt verzocht om in artikel 4.4.1. onder d. de tekst aan te vullen met 'het aanbrengen en/of rooien etc', omdat tijdens het verwijderen van bomen of hoogopgaande beplanting gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. | Het betreffende artikel is aangevuld met 'en/of rooien'. |
| In artikel 4.3 en 4.4.2 kunnen de teksten aangevuld worden met 'hieromtrent positief schriftelijk advies...etc'. | De betreffende artikelen zijn aangevuld met 'positief schriftelijk'. |
| Tot slot verzoekt TenneT om artikel 4.4.3 Weigering op te nemen zoals artikel 3.3.2., waarbij 'aan waarde van de omgeving' gewijzigd dient te worden in 'aan de veiligheid en leveringszekerheid van de verbinding'. | In de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' is reeds opgenomen dat een advies van de leidingbeheerder vereist is. De door TenneT bedoelde bepaling voegt daar niets aan toe. |
De opmerkingen van TenneT hebben geleid tot enkele aanpassingen van de regels. Verder zal bij zal bij de verdere planvorming en uitvoering rekening gehouden worden met de belangen van TenneT.
6.2.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 5 september 2019, voor een periode van zes weken, tot en met 16 oktober 2019 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn gedurende deze periode geen zienswijzen ingediend.