Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Buorren 4 Terkaple
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1940.BWTER20BUORREN4-VA01
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doelstelling
Jarenlang vanaf het bouwjaar 1915 is een agrarisch bedrijf gevestigd geweest op het perceel Buorren 4 te Terkaple. Omdat het een prachtige woonlocatie betreft, is voor een andere invulling van het perceel gekozen in die zin dat het gebruik in de nieuwe situatie louter gericht is op wonen. Om wonen mogelijk te maken dient daarvoor de bestemming ‘Agrarisch - bedrijf’ gewijzigd te worden naar de bestemming ‘Wonen 1’. Om de wijziging mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid die opgenomen is in artikel 3, lid 3.7 van het bestemmingsplan Terkaple – Akmarijp. Met deze wijziging is voor het plangebied een passende juridisch-planologische regeling uitgewerkt die recht doet aan de toekomstige gebruikssituatie.
    
         
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied Buorren 4 maakt deel uit van de bebouwde kom van het dorp Terkaple en ligt geheel binnen het kadastrale perceel met nummer 993. De ligging van het plangebied wordt weergegeven via figuur 1.
 
   
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan ‘Terkaple - Akmarijp’ de bestemming 'Agrarisch - bedrijf'. Indien zoals in dit geval het agrarische gebruik stopt, kan op grond van artikel 3, lid 3.7 burgemeester en wethouders de bestemming wijzigen van agrarisch naar wonen. Van deze bevoegdheid mogen burgemeester en wethouders gebruik maken mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Door middel van dit wijzigingsplan zal worden aangetoond dat aan de genoemde voorwaarden voldaan kan worden.
 
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 ingegaan op het planvoornemen. In hoofdstuk 3 is een overzicht gegeven van het geldende en relevante ruimtelijke overheidsbeleid in het plangebied. Een beschrijving van de omgevingsaspecten betreffende de milieu-hygiënische, landschappelijke- en planologische randvoorwaarden volgt daarop in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 betreft de toelichting op de juridische vormgeving van het bestemmingsplan en de hiervoor te volgen procedure. Tot slot is in hoofdstuk 6 ingegaan op de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie
De voormalige boerderij is gelegen op een mooie locatie in het dorp aan open vaarwater. Vanaf de locatie is het Friese Merengebied goed aan te varen. Het is mogelijk om meerdere boten aan te leggen aan de eigen aanlegsteiger van ca. 24 meter. De voormalige boerderij die recent in 2020 is verkocht, verkeert in een matige onderhoudstoestand. Onderstaande foto’s illustreren de huidige situatie.
 
                         
        
2.2 Planopzet en ruimtelijke inpassing
De voormalige boerderij wordt zowel binnen als buiten bouwkundig geheel gerenoveerd waarbij tevens de inrichting en het gebruik van met name het achterste gedeelte van de voormalige boerderij geheel gewijzigd en vernieuwd wordt. Bovendien zal op de plek van de oude schuur een nieuwe schuur geplaatst worden. Onderstaande figuren illustreren de nieuwe situatie.
                 
 
Ruimtelijke en landschappelijke inpassing
Naast de verbouw en renovatie van het pand wordt tevens het perceel zelf opnieuw ingericht. Zo worden er enkele fruitbomen geplant en zal de oude vrijstaande schuur vervangen worden door een nieuw exemplaar. De kwaliteit en uitstraling van het perceel wordt zowel ruimtelijk als landschappelijk verhoogd. Van verrommeling is in de nieuwe situatie geen sprake. Verwezen wordt naar de inrichtingsschets figuur 5.
 
Figuur 5. Inrichtingsschets plangebied. Bron: JOUS architecten.
     
Hoofdstuk 3 Beleidskaders
3.1 Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
Op 13 maart 2012 is de “Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte” (SVIR) van kracht geworden. De SVIR heeft diverse nota’s vervangen, zoals de Nota Ruimte en Nota Mobiliteit. In het SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven.
 
In het SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid, waarbij 13 nationale belangen aan de orde zijn die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio’s. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen. Het rijk is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties dan het rijk. En beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Onderhavig initiatief is zo’n plan dat prima door provincie en gemeente afgedaan kan worden.
 
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen en vormt de normstelling vanuit het rijk. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster en de Stelling van Amsterdam.
 
Per 1 oktober 2012 is het Barro aangevuld met regels ten aanzien van onderwerpen als bijvoorbeeld de Ecologische Hoofdstructuur, veiligheid rond rijksvaarwegen en verstedelijking in het IJsselmeer. De regels waar het Barro op ingaat hebben veelal betrekking op grootschalige landelijke ontwikkelingen. Voorliggend wijzigingsplan is kleinschalig van aard. De regels van het Barro zijn dan ook niet van toepassing.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
De Ladder houdt in dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voordat de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of er wel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
 
Dit wijzigingsplan heeft betrekking op een bestaand bebouwd perceel waar tot voor kort een agrarisch bedrijf was gevestigd en het agrarisch gebruik wordt gewijzigd naar wonen. Het initiatief waarbij sprake is van verbouw, renovatie en herinrichting leidt niet tot een naar aard en omvang substantiële wijziging van het perceel.
Er is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder is daarmee niet van toepassing op het initiatief. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zal in dit wijzigingsplan aangetoond worden dat het initiatief leidt tot een zorgvuldige benutting en kwalitatieve invulling van de ruimte en in die zin in overeenstemming is met de Ladder.
 
Conclusie
Op basis van vorenstaande kan worden aangegeven dat ten aanzien van dit planvoornemen geen nationale belangen in het geding zijn en het planvoornemen passend is in het ruimtelijke beleid van het Rijk.
 
3.2 Provinciaal beleid
Streekplan Fryslân
Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân, vastgesteld op 13 december 2006. De provincie Fryslân zet, meer dan voorheen, in op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bij veranderingen in het gebruik en de inrichting van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit dient zowel voor economische, sociale als culturele belangen en is daarmee voor alle functies in Fryslân essentieel. Met ruimtelijke kwaliteit wordt bedoeld dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering, expliciet de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in stand worden gehouden en verder worden ontwikkeld. In het Streekplan staat Terkaple aangeduid als ‘overig dorp’.
 
Verordening Romte Fryslân 2014
In deze verordening zijn regels gesteld, die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Met de verordening heeft de provincie willen bereiken niet meer te regelen, dan strikt noodzakelijk is. Op grond van de verordening is het toegestaan om vrijkomende agrarische bebouwing bij hergebruik in te zetten voor wonen. Tevens is enige aanvullende nieuwbouw toegestaan, mits deze wat betreft omvang ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. In onderhavig geval wordt aan vorenstaande voldaan.
 
Conclusie
Het initiatief is opgesteld in lijn met het provinciaal beleid.
                        
3.3 Gemeentelijk beleid
Bestemmingsplan Terkaple - Akmarijp
De huidige bestemming is ‘Agrarisch – bedrijf’. Deze bestemming staat niet toe dat er alleen gewoond gaat worden. Om het gebruik sec voor wonen mogelijk te maken, dient de bestemming gewijzigd te worden naar ‘Wonen 1’.
 
De gemeente De Fryske Marren heeft aangegeven een dergelijk initiatief positief te zullen beoordelen.
Voor de wijziging van de bestemming kan gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid zoals deze in het bestemmingsplan opgenomen is. Burgemeester en wethouders zijn gevoegd om het wijzigingsplan vast te stellen.
 
Welstandsnota De Friese Meren
Deze nota is vastgesteld op 22 april 2015. Doel van deze nota is geweest te komen tot een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht. Door middel van de nota kunnen particulieren, opdrachtgevers en architecten zich in een vroeg stadium op de hoogte stellen over de van toepassing zijnde welstandscriteria. De welstandsnota levert een bijdrage aan het behouden en het versterken van de visuele kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bebouwing in de gemeente.
 
Conclusie
Het initiatief is conform de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid opgesteld. Zo wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, heeft het initiatief betrekking op de bestaande karakteristieke bebouwing en is bij het ontwerp van het verbouw- en renovatieplan sprake van het versterken van de visuele kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bebouwing.
 
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
4.1 Milieuhinder van bedrijven
Beleidskader
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, als uitgangspunt van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen hinder veroorzakende functies, zoals bedrijven en voorzieningen, en hindergevoelige functies, zoals woningen, noodzakelijk. Bij de ruimtelijk-functionele afstemming hiervan kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De grootst aangegeven afstand is bepalend. Als aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan, is op die punten sprake van een goede ruimtelijke ordening. De genoemde maten zijn evenwel richtinggevend en met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
 
Afweging
 
Een woning is een milieugevoelige functie. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen moet nagegaan worden of er sprake is van hinder die wordt veroorzaakt door nabijgelegen bedrijvigheid of andere functies. In de omgeving van het plangebied is op perceel Fjildwei 28 Akmarijp een bedrijf gevestigd waarop de bestemming ‘Bedrijf – jachtwerf’ van toepassing is. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan een richtafstand van 100 meter van toepassing zijn. De feitelijke afstand tussen inrichting en plangebied Buorren 4 bedraagt 310 meter. Op een perceel aan de Fjildwei, nummer onbekend, is een bedrijvenbestemming van toepassing waar bedrijven in de categorie 1 en 2 toegestaan zijn. Voor dit perceel is een richtafstand van 30 meter van toepassing. De feitelijke afstand met het plangebied bedraagt circa 155 meter. Op het perceel Reidlansdyk 6 Terkaple is een loon-, drainage- en kunststofverwerkend bedrijf gevestigd. Voor dergelijke bedrijven is een richtafstand van 50 meter van toepassing. De feitelijke afstand met het plangebied bedraagt 220 meter. Het dorpshuis is gevestigd op het perceel Buorren 34 Terkaple. De richtafstand bedraagt 30 meter, de feitelijke afstand tussen het dorpshuis en het plangebied bedraagt 145 meter.
 
Conclusie
Aan de richtafstanden van Bedrijven en milieuzonering wordt (ruimschoots) voldaan. Van milieuhinder van nabijgelegen bedrijven en overige functies zal geen sprake zijn. De woonfunctie van Buorren 4 levert ook geen beperkingen op voor bedrijven in de omgeving. Bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
                
4.2 Bodemkwaliteit
Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen bij ruimtelijke plannen en projecten in het kader van de Wet bodembescherming te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening.
Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Daaruit is onder meer gebleken dat er zintuiglijk geen indicaties van bodemverontreiniging zijn waargenomen. Ten aanzien van de uitkomsten van de metingen, de gehalten en concentraties, mogen deze als van nature voorkomende diffuus verhoogde achtergrondwaarden worden beschouwd. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is geen bodemverontreiniging aangetoond, die een belemmering zou kunnen vormen voor de wijziging van de bestemming en de voorgenomen verbouwwerkzaamheden.
Voor wat betreft de eventueel vrijkomende grond, de grond is bij afvoer niet vrij toepasbaar. Bij hergebruik elders zullen de relevante gemeentelijke voorwaarden in acht genomen moeten worden.
 
Conclusie
Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan niet in de weg. De toelichting van het verkennend bodemonderzoek inclusief enkele tekeningen is toegevoegd als bijlage 1.
4.3 Ecologie
Beleid
Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden. Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordeningen waardevolle natuurgebieden. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijn gebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Om inzicht te krijgen in wat onderhavig initiatief betekent in het kader van de ecologie, is een Quick scan (bureau- en veldonderzoek) uitgevoerd inclusief een nader onderzoek naar de huismus .
 
Soortenbescherming
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De bomen vlak buiten het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten. Deze zijn echter niet aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden is op voorhand uitgesloten. Op basis van de afwezigheid van geschikte in- en uitvliegopeningen, evenals sporen in de vorm van uitwerpselen en braakballen binnen de boerderij, kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van kerkuilen binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Er zijn geen nestlocaties van de huismus in het plangebied vastgesteld. Dit betekent dat voor huismussen geen ontheffing aangevraagd behoeft te worden en ook geen mitigerende en compenserende maatregelen.
Vlak onder de nok van de boerderij is een nest van een spreeuw vastgesteld. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen tevens andere vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedseizoen.
Voor wat betreft de mogelijke verblijfplaats van vleermuizen in de boerderij zijn bij nader aanvullend onderzoek geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen worden ook uitgesloten.
 
Alhoewel uit de omgeving van het plangebied veel waarnemingen van otters en waterspitsmuizen bekend zijn, kan op basis van het ontbreken van geschikte habitateigenschappen de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Dit laatste gaat ook op ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde reptielen en amfibieën. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan ook op voorhand worden uitgesloten.
 
Gebiedsbescherming
Tijdens het onderzoek zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder het NatuurNetwerk Nederland (NNN) of Natura 2000 en is niet aangewezen als weidevogelkansgebied of ganzenfoerageergebied.
 
Voor wat betreft de stikstofgevoeligheid is vastgesteld dat het plangebied hemelsbreed op circa 1,2 km, 5,8 km, 6,3 km, 11,8 km, 12,6 km en 14,9 km afstand ligt van respectievelijk de Natura-2000 gebieden Sneekermeergebied, Witte en Zwarte Brekken, de Deelen, Oudegaasterbrekken, Fluessen en Omgeving, Van Oordt’s Mersken en Alde Feanen. Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden (verbouw- en herstelwerkzaamheden) komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van vrachtvervoer. Vanwege de aard van de werkzaamheden evenals de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden, kunnen negatieve effecten op Natura-2000 gebieden als gevolg van extra stikstofuitstoot op voorhand worden uitgesloten.
 
Conclusie
Op basis van de quick scan en het nader onderzoek inzake de huismus, dient rekening gehouden te worden met het feit dat voor wat betreft de bescherming van de broedvogels de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) plaats dienen te vinden. Voor zover dat niet mogelijk is, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck plaats te vinden. Nu uit nader onderzoek geen beschermde nesten van gierzwaluwen en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, zijn vervolgstappen niet nodig.
 
Voor wat betreft de licht beschermde- en vrijgestelde soorten dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Indien met vorenstaande voorwaarden rekening wordt gehouden, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor uitvoering van onderhavig wijzigingsplan. Een exemplaar van de Quick scan inclusief het nader onderzoek huismus is als bijlage 2 toegevoegd.
                      
4.4 Erfgoed
De Erfgoedwet bundelt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische restanten rekening wordt gehouden.
 
Archeologie
De archeologische kaart FAMKE geeft aan dat bij bodemingrepen van meer dan 5000 m² een karterend bodemonderzoek uitgevoerd moet worden. Dit geldt zowel voor de ijzertijd-middeleeuwen als voor de steentijd-bronstijd. Voor zover er mogelijk sprake zal zijn van roeren van de grond, dan beperkt zich dat tot een klein oppervlak en bedraagt dat zeker geen 5000 m² of meer.
 
Cultuurhistorie
De twee kernen Terkaple en Akmarijp liggen in het noordwestelijke deel van de gemeente De Fryske Marren, in het merengebied. Beide dorpen bestaan uit lintbebouwing langs de oude doorgaande weg en deels langs de nieuwe doorgaande route van Joure naar Terherne. De twee dorpen zijn van oorsprong afzonderlijk van elkaar ontstaan.
 
Het dorp Terkaple is ontstaan vanuit bebouwing die rond de kerk (net ten noorden van de bebouwde kom van Terkaple) was geconcentreerd. In de loop der jaren is ook het gebied tussen de twee dorpen bebouwd, waardoor de twee dorpen aan elkaar vastgegroeid zijn. In dit gebied zijn meer voorzieningen en bedrijven aanwezig dan in de twee oorspronkelijke dorpskernen, die vooral uit woningen bestaan.
Van oudsher lagen de beide dorpen dus aan de doorgaande route tussen Joure en Terherne. De huidige doorgaande weg is inmiddels verlegd en loopt nu deels over een nieuw tracé. Rondom en in de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende cultuurhistorisch waardevolle elementen. Oude paden nieuwe wegen, vaarwegen, boerderijplaatsen, een rijksmonument, een wederopbouwwijk, stinzen en staten en jongere bouwkunst plus karakteristieke bouwwerken.
 
Het was of is allemaal nog aanwezig in Terkaple. Het plangebied zelf ligt aan de rand van een gebied gekenmerkt als stinzen en staten, maar is zelf niet aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol element.
 
Conclusie
Met het initiatief wordt op een verantwoorde wijze rekening gehouden met de archeologische- en cultuurhistorische waarden. De bestaande structuren blijven in stand en met de verbouw, renovatie en herinrichting van het erf wordt het aanzien versterkt. Het erfgoed is geen belemmering voor de uitvoering van het wijzigingsplan.
      
4.5 Externe veiligheid
In het externe veiligheidsbeleid staat de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk met gevaarlijke stoffen centraal. Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
 
Het plaatsgebonden risico (PR) van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. De grenswaarde voor het PR is 10–6. Deze grenswaarde is plaatsgebonden en op een kaart aan te geven. Met een norm voor het plaatsgebonden risico wordt voorkomen dat er te dicht bij woonwijken, of andere plaatsen waar veel mensen aanwezig zijn, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.
Naast het plaatsgebonden risico bestaat het begrip “groepsrisico”. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De normstelling voor het groepsrisico heeft niet de status van een grenswaarde maar van een oriënterende waarde.
 
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen functies aanwezig die op grond van het Bevi als gevaar zettende functies kunnen worden aangemerkt. Ook het loon-, drainage- en kunststofverwerkend bedrijf gevestigd op het perceel Reidlansdyk 6 valt niet onder het Bevi . De milieuaspecten zijn geregeld in de milieuvergunning voor het bedrijf. De milieuvergunning is afgeven in 1998, de huidige activiteiten verschillen niet of nauwelijks ten opzichte van wat in deze vergunning is vastgelegd. De huidige situatie, waarbij zowel de mogelijkheden vanuit de milieuvergunning als de fysieke omvang van het bedrijf als uitgangspunt zijn genomen, is in het bestemmingsplan Terkaple - Akmarijp vastgelegd. Voor wat betreft mogelijke andere risico’s, op basis van de risicokaart wordt de kans klein geacht dat het plangebied met een overstroming geconfronteerd wordt.
 
Conclusie
Externe veiligheid levert geen beperkingen op voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.
 
4.6 Water
De watertoets procedure is een vast onderdeel en is het instrument dat zorgt dat de waterbelangen in de planvorming voldoende aandacht krijgen. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In onderhavig geval is sprake van een functiewijziging in die zin dat het agrarisch gebruik gewijzigd wordt naar wonen. Bovendien neemt het aantal m² verharding af. Wetterskip Fryslân heeft d.d. 27 mei 2020 laten weten dat er geen belangen van het waterschap aan de orde zijn. Een exemplaar van de watertoets is als bijlage 3 toegevoegd.
 
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig wijzigingsplan.
 
4.7 Geluidhinder
Wettelijk kader
In de Wet geluidhinder is bepaald dat elke weg een zone heeft, waarbinnen onderzoek plaats moet vinden naar de geluidbelasting aan de gevels van nieuw te bouwen woningen en gebouwen ten behoeve van andere geluidgevoelige functies. Een uitzondering geldt voor:
  1. wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  2. wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur.
 
Het plangebied is gelegen aan een weg waarop een zone van 30 kilometer per uur van toepassing is.
 
Afweging
Het plangebied Buorren 4 is gelegen aan een weg waarop een zone van 30 km/uur van toepassing is. Bovendien voert de doorgaande route tussen Joure en Terherne over een ander weggedeelte, zodat alleen de dorpsbewoners en overig bestemmingsverkeer van de weg langs het plangebied gebruik maakt. De verkeersintensiteit is derhalve laag. Aangezien het pand bouwtechnisch wordt vernieuwd waarbij voldaan moet worden aan de eisen van het Bouwbesluit, is het te rechtvaardigen om vast te stellen dat voldaan zal worden aan de geluidsnormen.
 
Conclusie
Het wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
  
4.8 Verkeer, parkeren en luchtkwaliteit
Verkeersveiligheid
Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid. De ontsluiting van en naar de weg blijft ongewijzigd. Het erf is goed bereikbaar voor hulpdiensten zoals de brandweer en ambulance. Bovendien liggen het aantal verkeersbewegingen bij een agrarisch bedrijf hoger dan bij een burger woning.
 
Parkeren
Gelet op de grootte van het perceel en de inrichting van het erf, kan op het eigen terrein in voldoende mate worden voorzien in het parkeren. Van parkeerproblemen zal geen sprake zijn.
 
Luchtkwaliteit
Beleid
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit aangepakt moeten worden. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
Ook projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
 
Afweging
Een project draagt pas in betekende mate bij wanneer er een toename van het aantal verkeersbewegingen is met ruim 1.270 per dag, waarvan 2% vrachtverkeer (weekdaggemiddelde). Het plan heeft betrekking op het wijzigen van de agrarische functie in wonen. Ten opzichte van de agrarische situatie zal het aantal verkeersbewegingen eerder af- dan toenemen. Mocht al sprake zijn van extra verkeersbewegingen, dan zal het aantal extra verkeersbewegingen ruim onder het genoemde aantal van 1.270 blijven. Het initiatief blijft daarmee onder de nibm-grens en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.
 
Conclusie
Uit een oogpunt van verkeer en luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de haalbaarheid van onderhavig initiatief.
  
4.9 MER - beoordeling
Kader
De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-verantwoording houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben en die van een zodanige omvang kunnen zijn dat er aanleiding bestaat om de (uitgebreide) m.e.r.-procedure te doorlopen. De grondslag hiervoor is vastgelegd in het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage). De drempelwaarden waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.).
 
Afweging
Het initiatief is gericht op het wijzigen van de agrarische functie inwonen en het verbouwen en renoveren van de bestaande boerderij. Deze activiteit komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling zoals het Besluit dat bedoelt, is niet aan de orde.
 
Conclusie
Uit de verrichte milieuonderzoeken als opgenomen in dit hoofdstuk, blijkt dat het initiatief geen belangrijke effecten op de omgeving heeft. Ook op grond hiervan is een verdere beoordeling in het kader van een m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
 
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet
5.1 Algemeen
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit wijzigingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het plan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het wijzigingsplan bestaat uit:
  1. een verbeelding van het bestemmingsplangebied zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen;
  2. de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd;
  3. een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn en wat het resultaat is van de overleggen.
 
Daarmee voldoet het wijzigingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan.
 
Het initiatief zoals dat hier aan de orde is, daar kan normaliter medewerking aan verleend worden. Omdat het initiatief gericht is op wonen en is gesitueerd op gronden met een agrarische bestemming, is er strijd met het geldende bestemmingsplan. Door de bestemming agrarisch te wijzigen in een bestemming wonen, wordt het initiatief planologisch mogelijk gemaakt.
 
5.2 Bestemmingsregels
Hier wordt de opbouw van de bestemmingsregels toegelicht, waarbij is aangesloten op het bestemmingsplan ‘Terkaple - Akmarijp’. De opbouw ziet er als volgt uit:
Inleidende regels;
Bestemmingsregels;
Algemene regels;
Overgangs- en slotregels.
 
5.2.1 Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. De begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'wijzigingsplan'.
 
5.2.2 Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bestaat uit een tweetal bestemmingsregels: artikel 3 Wonen en artikel 4 Tuin. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en aan huis verbonden werkactiviteiten. Van deze bestemming maken ook deel uit de bij de hoofdbestemming behorende tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, water en watergangen, straten en paden. De bestemming 'Tuin ' is gericht op de inrichting van het naar de openbare weg gekeerde deel van het erf.
5.2.3 Algemene regels
De algemene regels bestaan uit een vijftal regels: Artikel 5: Anti-dubbeltelregel. Artikel 6: Algemene bouwregels. 7: Algemene gebruiksregels. Artikel 8: Algemene afwijkingsregels. Artikel 9: Algemene wijzigingsregels.
5.2.4 Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit wijzigingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. In de 'Slotregel' is aangegeven hoe het wijzigingsplan kan worden aangehaald
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan
Wettelijk bestaat er de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een plan. In dat verband wordt er een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke- en de economische uitvoerbaarheid.
6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
De initiatiefnemer heeft ten aanzien van dit initiatief een principeverzoek neergelegd bij de gemeente De Fryske Marren en is in overleg getreden over de te volgen procedure. De gemeente heeft aangegeven positief tegenover het voornemen te staan en medewerking te willen verlenen aan een wijzigingsprocedure. Dit betekent dat het concept van het ontwerp wijzigingsplan voor vooroverleg naar relevante overlegpartners zoals de provincie en het waterschap gestuurd zal worden. Uitkomsten van het vooroverleg zullen in deze paragraaf worden verwerkt.
 
Ontwerp
Het wijzigingsplan heeft als ontwerp zes weken ter inzage gelegen. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het wijzigingsplan is dan ook vastgesteld door burgemeester en wethouders.
 
6.2 Economische uitvoerbaarheid
Het betreft een particulier initiatief. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsplan komen voor rekening van initiatiefnemer. Voor wat betreft mogelijke planschade zal de gemeente initiatiefnemer een overeenkomst doen toekomen, op grond waarvan de gemeente eventuele planschade op initiatiefnemer kan verhalen. De vaststelling van een exploitatieplan is in dit geval niet nodig.