| Plan: | Sint Nicolaasga - Kade 5-7 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BWSNC19KADE57-VA01 |
Op de herstructureringslocatie Kade 7 te Sint Nicolaasga stond het bedrijfsgebouw van Jaring de Wolff Beheer B.V. Tot de verhuizing naar de Industrieweg te Sint Nicolaasga van Jaring de Wolff woninginrichting deed het pand dienst als winkelruimte. Iksopar is een tijdelijke huurder geweest. Op de herstructureringslocatie Kade 5 stond het bedrijfspand Van Holiday Ice, dit pand is echter reeds gesloopt. Alle bebouwing in het plangebied is in inmiddels gesloopt.
Hiervoor bestaan plannen om de huidige bedrijfslocatie te transformeren naar een woonlocatie. Hierbij wordt de voormalige bedrijfslocatie vervangen door 32 woningen, bestaande uit:
Naast bovenstaande wooneenheden worden er tevens nog een nader te bepalen aantal garage c.q. opslagboxen/units gerealiseerd.
Omdat de locatie is bestemd voor bedrijven uit milieucategorie 1 en 2, zijn de woningen op basis van het geldende bestemmingsplan niet direct mogelijk.
Binnen de huidige bestemming 'Bedrijventerrein' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming gewijzigd kan worden naar een of meerdere woonbestemmingen. Dit wijzigingsplan geeft hieraan invulling en biedt een planologisch-juridisch toetsingskader voor de beoogde (her)ontwikkeling.
In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. De locatie maakt deel van het bedrijventerrein Slotmolen. Dit deel van het bedrijventerrein ligt midden in de woonstraat de Kade. Op de luchtfoto staat aan de zuidkant van de cirkel nog bebouwing. De bebouwing is recentelijk gesloopt.
Figuur 1. Ligging plangebied (bron: ArcGIS)
Bestemmingsplan Sint Nicolaasga
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Sint Nicolaasga, dat is vastgesteld op 28 juni 2009. In dit plan heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijventerrein' met de aanduiding 'I', waarbinnen bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. De bebouwing dient binnen het aangegeven 'bouwvlak' gebouwd te worden. Hier mogen gebouwen met een maximale hoogte van 10 meter gebouwd worden. Tot slot is de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid' op het plangebied van toepassing. Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 2.
Voor dit wijzigingsplan wordt gebruik gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 5.7 lid b van de bestemming 'Bedrijventerrein'. Hiermee kunnen de gronden die zijn aangewezen als 'wijzigingsgebied' ingeval van herontwikkeling worden gewijzigd ten behoeve van een woonbestemming. Dit wijzigingsplan geeft toepassing aan deze wijzigingsbevoegdheid. In paragraaf 2.4 wordt op de voorwaarden ingegaan.
De wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast omdat:
Nadat het wijzigingsplan wordt vastgesteld worden de bestemmingen 'Wonen - Woongebouw' 'Wonen -1' van toepassing.
Paraplubestemmingsplan parkeernormen
Op 27 juni 2018 is het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling conform de Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren en is tevens van toepassing op het plangebied. Deze regeling is ook in dit wijzigingsplan opgenomen.
Figuur 2. Fragment geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
In het volgende hoofdstuk van dit wijzigingsplan wordt het plan beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de nieuwe situatie. Daarna wordt de nieuwe situatie getoetst aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling is getoetst. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Dit is opgesplitst in maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid. Ten slotte is in hoofdstuk 6 de juridische regeling opgenomen.
Het plangebied ligt in het dorp Sint Nicolaasga. In de omgeving is sprake van een gemengd gebied. Ten westen en ten noorden staan woningen langs de Kade. De woningen volgen allemaal de rooilijn van de weg én bestaan uit één bouwlaag met kap. Er is hierbij sprake van een grote verscheidenheid aan bouwstijlen.
Recentelijk heeft aan de noordzijde van het plangebied nieuwbouw plaatsgevonden. Hier zijn twee twee-onder-een kapwoningen én een appartementencomplex bestaande uit 4 bouwlagen gebouwd. Figuur 6 geeft hiervan een aanzicht.
Ten oosten en zuiden ligt het bedrijventerrein Slotmolen. Hier zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 mogelijk.
De voormalige bebouwing in het plangebied is reeds gesloopt. Hier stonden voorheen voormalige bedrijfsgebouwen. Doordat het gebied al jaren in onbruik is, is een ongewenst verpauperd beeld ontstaan. Er is derhalve een noodzaak tot (her)ontwikkeling van het gebied.
Figuur 3 geeft een overzicht van de voormalige situatie van het plangebied en zijn omgeving. De bebouwing aan de zuidkant van het plangebied is recentelijk gesloopt. Figuren 4 tot en met 6 een vooraanzicht.
Figuur 3. Luchtfoto voormalige situatie plangebied (bron: ArcGIS)
Figuur 4. Vooraanzicht voormalige situatie hoek Kade en Slotweg
Figuur 5. Vooraanzicht voormalige situatie hoek Kade en De Oergong (bron: Google Streetview)
Figuur 6. Recente nieuwbouw Kade/De Oergong (grondgebonden en appartementen)
Het plan bestaat om de locatie te gaan herstructuren ten behoeve van woningbouw. Er worden 12 grondgebonden woningen en een appartementencomplex met daarin 20 appartementen ontwikkeld. In het gebied wordt verder een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd om de appartementen te ontsluiten. Naast bovenstaande eenheden worden er ook nog een nader te bepalen aantal garageboxen gerealiseerd. Deze zullen particulier gebruikt worden.
Een overzicht van de gewenste situatie is weergeven in figuur 7. Een impressie van de beoogde situatie is weergeven in de figuren 8 tot en met 11.
De grondgebonden woningen worden alle in dezelfde rooilijn gepositioneerd, waarbij de richting van de gebouwen evenwijdig aan de straat staan. Hierdoor wordt bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van de Kade aangesloten. Het te bouwen appartementencomplex vormt daarnaast een afronding van de reeds gerealiseerde hoogbouw ten noordoosten van het plangebied. Met het stedenbouwkundig ontwerp wordt dan ook aangesloten bij het straat- en bebouwingsbeeld van de (directe) omgeving.
De grondgebonden woningen worden uitgevoerd in één bouwlaag met kap. De goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 3,6 en 10 meter. Het appartementencomplex bestaat uit drie bouwlagen met een terugspringende vierde bouwlaag voorzien van een plat dak. De bouwhoogte bedraagt 13 meter. Voor het trappenhuis is een bouwhoogte van 14 meter nodig.
Tot slot wordt achter de woningen een groenblijvende afschermende haag gerealiseerd. In de verkoopvoorwaarden komt te staan dat deze haag moet blijven en in stand moet worden gehouden. Hiermee wordt een goede ruimtelijke kwaliteit beoogt.
Figuur 7. Toekomstige situatie (bron: Werbouw Sint Nicolaasga B.V.)
Figuur 8. Impressie toekomstige situatie vanuit de noordwestzijde (bron: Werbouw Sint Nicolaasga B.V.)
Figuur 9. Impressie toekomstige situatie vanuit de zuidwestzijde (bron: Werbouw Sint Nicolaasga B.V.)
Figuur 10. Impressie toekomstige situatie vanuit de zuidoostzijde (bron: Werbouw Sint Nicolaasga B.V.)
Figuur 11. Impressie toekomstige situatie vanuit de noordoostzijde (bron: Werbouw Sint Nicolaasga B.V.)
De locatie wordt goed ontsloten via de ontsluitingsweg de Kade. De appartementen worden ontsloten door een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg. Ook zijn de achterzijden van de grondgebonden woningen via deze weg te bereiken.
In principe geldt voor parkeren als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost wordt overeenkomstig de gemeentelijke parkeernorm. Hiervoor is in het bestemmingsplan een regeling getroffen die overeenkomt met het in paragraaf 1.3 genoemde Paraplubestemmingsplan parkeernormen. Voor de verschillende woontypen gelden in het plangebied de volgende normen:
Er zijn derhalve 53 parkeerplaatsen nodig (2*2,2) + (10*2) + (20*1,4). In het plan worden ter hoogte van het appartementencomplex 24 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast wordt bij 5 van de 6 hoekwoningen een oprit gerealiseerd. Tot slot bevindt zich langs de voorkant van de grondgebonden woningen een parkeerstrook. Hier kunnen circa 14 auto's geparkeerd worden.
De parkeerbehoefte van de oude situatie (woonwinkel) kan in mindering worden gebracht op de parkeerbehoefte van de toekomstige situatie. De oppervlakte van het gebouw bedraagt circa 2.500 m2. Voor een woonwinkel geldt een parkeernorm van 1,95 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. Er zouden derhalve 49 parkeerplaatsen in de oude situatie benodigd zijn.
In de nieuwe situatie is derhalve sprake van een parkeerbehoefte van 4 parkeerplaatsen. Daar er in de toekomstige situatie extra parkeerplaatsen gerealiseerd worden is er in de toekomst sprake van een goede parkeerbalans.
Voor de gewenste planologische situatie kan gebruik worden gemaakt van artikel 5 lid 5.7 sub b van het bestemmingsplan. Hiermee wordt de bestemming gewijzigd ten behoeve van een woonbestemming. In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan de wijzigingscriteria die hiervoor gelden.
Er mag geen inperking plaatsvinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van de aangrenzende bedrijven.
De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden wordt niet aangetast. Dit wordt verder beschreven in paragraaf 4.2.
De stedenbouwkundige structuur en opzet van de te ontwikkelen locatie moet zoveel mogelijk aansluiten bij de woonomgeving.
Met het ontwerp is aangesloten bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van de woonomgeving. Zie hiervoor paragraaf 2.2.
Het aantal te bouwen woningen moet passen binnen een geaccordeerd Woonplan.
De te bouwen woningen moeten passen in het gemeentelijke en provinciale woningbouwbeleid, zoals dat op het moment van wijziging geldt. In hoofdstuk 3 is beschreven dat de woningen passen in zowel het gemeentelijk- als het provinciaal beleid.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld
In paragraaf 2.2 is beschreven dat bij het ontwerp rekening is gehouden met de stedenbouwkundige structuur in de (directe) omgeving. Hierdoor wordt geen afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld. Daarnaast is voor de ontwikkellocatie een eigen welstandskader in de vorm van welstandsontwikkelcriteria opgesteld. Het uiteindelijke bouwplan van de woningen wordt aan dit welstandskader getoetst. Hiermee wordt gestreefd naar een beeldkwaliteit voor de woningen aan de Kade en de garageboxen aan de Slotweg die aansluit op de beeldkarakteristiek van de bestaande woningen aan de Kade.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de woonsituatie en de milieusituatie.
Het toevoegen van een woonfunctie in een gebied waar de woonfunctie overheerst doet geen afbreuk aan de woonsituatie van de omgeving. Tevens is er voor de toekomstige gebruikers van de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Ook hoofdstuk 4 gaat hier nader op in.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet aangetast. Dit wordt verder beschreven in paragraaf 4.2.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan eventuele archeologisch en ecologische waarden.
Voor het project is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Paragraaf 4.6 gaat hier verder op in. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'archeologie' de ontwikkeling niet in de weg staat.
Ook worden de ecologische waarden niet geschaad. paragraaf 4.8 beschrijft dit nader. Tot slot is sprake van een goede waterhuishouding. Dit is beschreven in paragraaf 4.4.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Het artikel is op 12 mei 2017 gewijzigd. Deze wijziging is op 1 juli 2017 in werking getreden. Deze regeling houdt in dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het ruimtelijk plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Dit plan maakt een herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied mogelijk, waarbij een voormalige bedrijfslocatie gesaneerd wordt en vervangen wordt door woningen. In paragraaf 3.3 is omschreven hoe ook de ontwikkelingen van de woningen passen binnen de woningbehoefte die binnen de gemeente De Fryske Marren geldt. Hiermee is aangetoond dat er behoefte is aan deze woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Er is daarmee sprake van duurzame verstedelijking.
De herstructurering vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. De locatie voorziet in een functiewijziging van een voormalige bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Daarbij is de voormalige verouderde bebouwing gesloopt. Hierdoor is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en is het niet noodzakelijk om nieuwe uitbreidingslocaties uit te geven.
Verordening Romte Fryslân
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.
In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Indien dit niet mogelijk is, kan aansluitend op bestaand stedelijk gebied een uitbreidingslocatie worden toegestaan. Volgens de verordening valt de locatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Hier kunnen stedelijke functies, zoals wonen, toegevoegd worden.
In artikel 3 is bepaald dat een ruimtelijk plan voor woningbouw in overeenstemming moet zijn met een woonplan, dat de schriftelijk instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Hiervan mag afgeweken worden indien het woningbouwproject niet meer dan 11 woningen bevat en gelegen is binnen bestaand stedelijk gebied. In onderhavige situatie is sprake van 32 woningen. In de volgende paragraaf wordt beschreven dat het plan binnen het woonplan van de gemeente past.
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân 2014.
Visie de Friese Meren
In de 'Visie de Friese Meren' beschrijft de gemeente hoe de gemeente eruit ziet en wat haar ambities zijn. In het beleidsdocument wordt een aantal richtinggevende uitspraken gedaan.
Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. Ruimtelijke concentratie is hierbij van belang. Inbreiding gaat dan ook voor uitbreiding.
In dit wijzigingsplan is sprake van een herstructureringslocatie binnen een bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de bestaande stedenbouwkundige structuur. Zie hiervoor paragraaf 2.2.
Woonvisie 2019-2023
In de woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2019-2023. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.
De gemeente wil vooral daar bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. In de kernen Joure, Lemmer en Balk vertoont zich een grotere vraag dan in de andere kernen, dus zal een groter deel van het uitvoeringsprogramma in deze drie kernen voorzien zijn. In de andere kernen wil de gemeente bouwen bij aantoonbare vraag. In sommige kernen, zal op termijn door de demografische transitie zich ook een extra ontwikkelopgave voordoen. Hierbij valt te denken aan het herschikken van bepaalde voorzieningen, mogelijk in combinatie met een transformatieopgave in de woningbouw. Initiatieven vanuit de dorpen beoordeelt de gemeente per locatie en als maatwerk.
De gemeente verwacht dat de woningvoorraad nog met circa 1.000 woningen zal groeien tussen 2016 en 2026. Deze 'netto bouwruimte' voor de periode 1 januari 2016 tot 1 januari 2026 ligt vast en is gebaseerd op de bevolking- en huishoudensprognose van de provincie Fryslân. De bouwruimte is tot stand gekomen in samenspraak met de provincie Fryslân en de gemeente Súdwest-Fryslân als partner in de woningmarktregio Zuidwest Friesland. Het aantal van 1.000 nieuw te bouwen woningen ligt grotendeels al vast in de huidige projecten die zijn opgenomen in ons uitvoeringsprogramma woningbouw. Nieuwe initiatieven en kansen worden om die redenen zorgvuldig en in het lange termijn perspectief beoordeeld. De bouw van 32 woningen op een herstructureringslocatie past binnen de woonvisie van de gemeente De Fryske Marren.
Strategisch Afwegingskader Woningbouw De Fryske Marren 2016-2026 en Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2016 tot 2026
Op 1 maart 2017 is door de gemeenteraad het Strategisch Afwegingskader Woningbouw De Fryske Marren 2016-2026 vastgesteld, tezamen met het geactualiseerde Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2016 tot 2026. Dit is de opvolger van het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2013 -2020 en vormt een aanvulling op de Woonvisie De Fryske Marren 2014 - 2018.
In het strategisch afwegingskader is beoordeeld welke woningbouwplekken nodig zijn, op welke plekken vraag is en onder welke voorwaarden kan worden gebouwd. Met de provincie Fryslân zijn hier afspraken over gemaakt. Het project Kade 5-7 is niet opgenomen in het Uitvoeringsprogramma 2016 tot 2016. De gemeente heeft van de provincie Fryslân extra ruimte gekregen voor woningbouw via het zogenaamde verhoogde plafond voor binnenstedelijke plannen. De gemeente heeft de provincie Fryslân met de brief van 28 maart 2018 meegedeeld dat de gemeente een deel van dit verhoogde plafond willen inzetten voor het project Kade 5-7. De ontwikkeling is daarmee alsnog passend binnen het woningbouwprogramma.
Welstandnota De Friese Meren 2014
De gemeenteraad De Fryske Marren heeft op 22 april 2015 de Welstandsnota De Friese Meren 2014 gewijzigd vastgesteld. De welstand toetst of een bouwplan aan de minimale beeld- en kwaliteitseisen voldoet en past in de omgeving. De gebieds- en objectgerichte aanpak beoogt de belangrijkste karakteristieken van de bebouwing te beschermen en te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen daarop voortbouwen. Zo ook voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied.
De toekomstige woningen liggen in het welstandsgebied 'Reguliere bedrijventerreinen'. De woonstraat waarin het plangebied ligt, ligt gedeeltelijk binnen het welstandsgebied 'Lintbebouwing' en 'Buurten met een individuele opzet'. Een uitsnede van de welstandskaart is weergeven in figuur 12.
Daar de ontwikkeling niet passend is binnen de welstandskaders die gelden voor het welstandsgebied 'Reguliere bedrijventerreinen' heeft de gemeente een welstandsontwikkelingskader opgesteld. Het uiteindelijke bouwplan van de woningen wordt aan dit welstandskader getoetst. Hiermee wordt gestreefd naar een beeldkwaliteit voor de woningen aan de Kade en de garageboxen aan de Slotweg die aansluit op de beeldkarakteristiek van de bestaande woningen aan de Kade.
Figuur 12. Uitsnede welstandskaart
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het wijzigingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of m.e.r. - beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
In onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (onderdeel C en D), projectmer-plichtig (onderdeel C) of mer-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.
In onderdeel D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. De totale ontwikkeling maakt slechts 32 woningen mogelijk en is daarmee niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.
Sinds 7 juli j.l. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een vormvrije m.e.r. - beoordeling. Deze is als bijlage 1 toegevoegd. Het college van B&W moet op deze m.e.r. - beoordeling een besluit nemen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.
In de omgeving van het plangebied is sprake van een gemengd gebied. Er komen diverse functies als wonen, bedrijvigheid en voorzieningen in de omgeving voor. De woningen aan de westkant van de Kade hebben dan ook de bestemming 'Gemengd'. Hier zijn zowel bedrijven uit milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Ten oosten en zuiden is daarnaast het bedrijventerrein Slotmolen gevestigd.
Het plangebied ligt binnen de richtafstanden van een tweetal bedrijven die op het bedrijventerrein Slotmolen gevestigd zijn. Het betreft het bedrijf DTV (bedrijf uit categorie 3.1), gevestigd aan de Industrieweg 1, en Holiday Ice (bedrijf uit categorie 3.2), gevestigd aan de Slotweg 17. Teneinde na te gaan of het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is na realisatie van het plan, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2).
In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de activiteiten van Holiday Ice en van DTV. Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting vanwege Holiday Ice en DTV op de geprojecteerde woningen voldoet aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Voor deze bedrijven resteert geluidsruimte voor eventuele toekomstige ontwikkeling.
Door het nieuwbouwplan worden de bedrijven niet gehinderd in hun bedrijfsuitoefening. Daarnaast is onderzocht wat de cumulatieve geluidsbelasting is bij de woningen. In de huidige situatie bedraagt deze maximaal 48 dB(A). Na volledige invulling van de geluidsruimte van beide bedrijven bedraagt de cumulatieve geluidsbelasting vanwege industrielawaai ten hoogste 52 dB(A). De cumulatieve geluidsbelasting met wegverkeerslawaai bedraagt maximaal 56 dB(A) waarbij het wegverkeerslawaai maatgevend is.
Gezien de hoogte van de maatgevende geluidsbelasting van ten hoogste 56 dB(A) na representatieve invulling van de beschikbare geluidsruimte van beide bedrijven, het wegverkeerslawaai en de invulling in een gemengd gebied kan het bevoegd gezag deze gecumuleerde geluidsbelasting als aanvaardbaar achten. Daarnaast moet ook een binnenwaarde van 33 dB worden gegarandeerd bij de omgevingsvergunning aanvraag voor de woningen. Doordat de toekomstige woningen voldoen aan de minimale eisen ten aanzien van geluid vanuit het bouwbesluit, zal sprake zijn van een goed binnenwaardeniveau.
Uit het akoestisch onderzoek van DGMR blijkt dat de richtwaarde van piekgeluid van 70 dB(A) op de gevel van de meest zuidelijk geprojecteerde woning wordt overschreden. Daarbij gaat het om piekgeluiden in de dagperiode. Piekgeluiden in de dagperiode zijn minder storend omdat slaapverstoring vaak minder belangrijk is in de dagperiode en omdat schrikreacties minder spelen in de dagperiode vanwege maskerende geluiden en de afleidende werkzaamheden van de blootgestelden.
Niettemin hebben wij in het wijzigingsplan een regeling opgenomen op grond waarvan de zuidgevel van de meest zuidelijke woning als dove gevel moet worden uitgevoerd. Daarbij is ook opgenomen dat ten zuiden van deze gevel en het verlengde daarvan geen bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd met geluidgevoelige ruimten.
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.
In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen geluidgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien een geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt en binnen de zone van een weg, spoorweg of een industriegebied ligt, moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. In dit geval is alleen het aspect wegverkeerslawaai relevant.
De wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn aangewezen als 30-km/uur zone. Voor ontwikkelingen binnen dergelijke zones is geen toetsing aan de Wet geluidhinder noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter wel aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De wegen rondom het plangebied hebben een functie als verblijfsgebied. Op de wegen in dergelijke gebieden is sprake van een relatief lage verkeersintensiteit en er wordt over het algemeen langzaam gereden. Ten aanzien van wegverkeersgeluid worden er daarom geen belemmeringen verwacht.
Daarnaast moet ook een binnenwaarde van 33 dB worden gegarandeerd bij de omgevingsvergunning aanvraag voor de woningen. Doordat de toekomstige woningen voldoen aan de minimale eisen ten aanzien van geluid vanuit het bouwbesluit, zal sprake zijn van een goed binnenwaardeniveau.
Het aspect water is afgewogen door middel van een watertoets. De watertoets is het proces van informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is het waarborgen en het expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing nemen van alle waterhuishoudkundige doelstellingen. Door middel van de watertoets kunnen de initiatiefnemer en waterbeheerder, al tijdens de planontwikkeling, overeenstemming bereiken over water in het ruimtelijk plan. In de watertoets worden de waterhuishoudkundige consequenties van het ruimtelijk plan beoordeeld en geconcretiseerd in termen van "vasthouden, bergen en afvoeren" en "voorkomen, scheiden en zuiveren".
De watertoets resulteert in een waterparagraaf waarin is aangegeven met welke randvoorwaarden en uitgangspunten ten aanzien van water rekening dient te worden gehouden bij de verdere uitwerking van het plan. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de afwegingen ten aanzien van water transparant.
Wetterskip Fryslân beschikt over de Leidraad Watertoets. Doel van de Leidraad Watertoets is dat in ruimtelijke plannen alle wateraspecten worden meegenomen, waarmee wordt voldaan aan de beleidsdoelstellingen van de thema's veilig, voldoende en schoon. Daarnaast zorgt de Leidraad Watertoets voor draagvlak van het wateradvies bij de gemeenten en voor een betere samenwerking tussen gemeenten en Wetterskip Fryslân tijdens het watertoetsproces. De leidraad geeft duidelijkheid over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van de onderwerpen die vanuit het oogpunt van water van belang zijn bij ruimtelijke plannen.
Watertoets
De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Het project is via www.dewatertoets.nl aangemeld bij Wetterskip Fryslân (20181217-2-19445). Hierop heeft het Wetterskip een uitgangspunten notitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage 3 bij de toelichting toegevoegd. De uitkomst van de watertoets is dat een normale procedure moet worden doorlopen. Bij de uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap.
Watertoets en Wateradvies
Meerlaagse veiligheid
Het klimaat verandert en wordt steeds grilliger. Langere perioden van droogte, afgewisseld met korte periodes met intensieve buien, zeespiegelstijging en zwaardere stormen. Naast de verdedigingswerken moet worden ingezet op aanpassingen in de ruimtelijke ordening en calamiteitenbeheersing. Er is in dit verband sprake van meerlaagse veiligheid, dit staat voor Veiligheid in drie lagen. In het kader van ruimtelijke ordening is vooral laag 2 van belang. Het gaat er dan om dat de ruimte op een duurzame manier wordt ingericht. Bijvoorbeeld door geen gevoelige functies te realiseren op plekken die kunnen overstromen.
De maaiveldhoogte in het plangebied varieert en ligt naar schatting tussen de +0,70 m NAP en de +0,20 m NAP. Om grondwateroverlast te voorkomen is naast de droogleggingsnorm daarom ook de ontwateringsdiepte van belang. Bij het bepalen van de aanleghoogte naast de drooglegging wordt ook rekening gehouden met voldoende ontwateringsdiepte.
Klimaatadaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.
Bij de inrichting van het plangebied kan hier op geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.
Bij de uitwerking van de uiteindelijke bouwplannen worden zoveel mogelijk maatregelen genomen ten behoeve van een klimaat bestendige inrichting.
Toename verhard oppervlak
De bebouwing in het plangebied is reeds gesloopt. Per saldo zal door de realisatie van de woningen het verhard oppervlak niet toenemen. Watercompensatie is derhalve niet aan de orde.
Met betrekking tot hemelwater en afvalwater wordt een gescheiden systeem toegepast.
Waterkwaliteit
Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase worden geen uitlogende materialen gebruikt.
Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd.
Verkennend bodemonderzoek voor de Kade 5
Om de bodemkwaliteit te beoordelen is in 2019 een verkennend bodemonderzoek voor de Kade 5 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste resultaten en conclusies besproken.
Op basis van de onderzoeksresultaten van het bodemonderzoek kan worden gesteld, dat de onderzoekslocatie niet geheel vrij is van verontreinigingen in de bodem. Met betrekking tot de chemische parameters zijn in de bovengrond en het grondwater enkele parameters licht verhoogd vastgesteld, met betrekking tot asbest is gebleken dat er ter plaatse van de gaten 02 en 16 asbesthoudend materiaal is aangetroffen, waarbij de Interventiewaarde (100 mg/kg ds) wordt overschreden.
Resumerend kan worden gesteld dat er beperkingen bestaan voor de nieuwbouw op de locatie daar er ter plaatse van de gaten 02 en 16 asbesthoudend materiaal in de grond aanwezig is. Voor het bepalen van de omvang van deze verontreiniging is een nader asbestbodemonderzoek uitgevoerd. Hier gaat het kopje Nader asbestonderzoek voor de Kade 5 nader op in.
Nader asbestonderzoek voor de Kade 5
Voor de Kade 5 is een nader asbest onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd. Uit het nader asbestbodemonderzoek is gebleken dat er op twee locaties asbesthoudend materiaal in de grond aanwezig is waarbij de Interventiewaarde wordt overschreden. De verontreiniging is zeer waarschijnlijk veroorzaakt bij de bouw van de loodsen op de locatie begin jaren ’70 van de vorige eeuw en het betreft dus een historische verontreiniging.
De verontreinigde gronden zijn reeds gesaneerd. Voorafgaand aan deze werkzaamheden is een BUS-melding verricht bij de provincie Fryslân (FUMO). De provincie heeft de melding goedgekeurd en de werkzaamheden zijn uitgevoerd door een daarvoor gecertificeerde aannemer (BRL7000) en onder milieukundige begeleiding van een erkende Milieukundig begeleider (BRL6000).
Verkennend bodemonderzoek voor de Kade 7
Om de bodemkwaliteit te beoordelen is in 2014 een verkennend bodemonderzoek voor de Kade 7 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste resultaten en conclusies besproken.
Resultaten
De gemeten overschrijdingen zijn dusdanig dat aanvullende maatregelen en/of analyses niet noodzakelijk worden geacht.
Conclusie en aanbevelingen
Op basis van de onderzoeksresultaten en de reeds uitgevoerde sanering bestaan er op milieuhygiënische gronden geen beperkingen tegen de herontwikkeling van de locatie. Het omgevingsaspect bodem vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit wijzigingsplan centraal staat.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). De provincie beveelt in het plangebied aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de steentijd-bronstijd. Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen adviseert de provincie een archeologisch onderzoek bij ingrepen groter dan 5.000 m².
Met dit wijzigingsplan zijn ingrepen mogelijk die de drempelwaarde van 5.000 m2 kunnen overschrijden. Derhalve is een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 7 toegevoegd. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats opgeleverd. Vervolg onderzoek is niet noodzakelijk. Het valt echter niet uit te sluiten dat binnen het plangebied nog archeologische resten aanwezig zijn die met booronderzoek niet zijn op te sporen. Wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, moet hiervan direct melding gemaakt worden bij de bevoegde overheid (gemeente De Fryske Marren).
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.
In het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. De te bouwen woningen zijn afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur. Zie hiervoor paragraaf 2.2. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS). Binnen deze gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied De Oudegaasterbrekken Fluessen en omgeving bedraagt 7,9 km. Dit Natura 2000-gebied bevat echter geen stikstofgevoelige habitatten.
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied de Oudegaasterbrekken Fluessen en omgeving is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Significante negatieve effecten op verder gelegen beschermde gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Om negatieve effecten op verder gelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten is een stikstofonderzoek uitgevoerd (bijlage 8). De realisatie van de woningen met bijbehorende verkeersgeneratie zou namelijk kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebieden. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Negatieve effecten door dit plan in de vorm van vermesting en verzuring zijn dus uitgesloten
Soortenbescherming
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
In het plangebied komen geen gebouwen, watergangen en/of bomen voor. Er is derhalve geen sprake van het kappen van bomen, slopen van bebouwing of dempen van watergangen. Ecologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Er is wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de professionele risicokaart. Uit deze kaart blijkt dat nabij het plangebied een risicovolle inrichting aanwezig is. Daarnaast zijn 3 hogedruk aardgasleidingen in de omgeving aanwezig. In figuur 13 zijn de risicobronnen ten opzichte van het plangebied weergegeven. Verder vindt in of nabij het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, water en weg
In dit kader is de FUMO en de brandweer voor advies gevraagd. De adviezen zijn als bijlage 9 en 10 toegevoegd en waar nodig in onderstaande paragraaf verwerkt.
Figuur 13. Ligging plangebied ten opzichte van risicobronnen omgeving. Bron: professionele risicokaart
Risicovolle Inrichtingen
Het plangebied bevindt zich nabij een gasdrukmeet- en regelstation aan de Slotweg 7 en Holiday Ice aan de Slotweg 17. Voor beide risicobronnen zijn geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar en invloedsgebied van het groepsrisico opgenomen op de risicokaart. Uit onderzoeken (zie ook het advies van de FUMO) ten behoeve van het vigerend bestemmingsplan blijkt dat de maximale hoeveelheid ammoniak binnen de inrichting op basis van het BEVI geen invloed heeft op het groepsrisico ter plaatse.
Buisleidingen
Zoals hiervoor beschreven zijn ten oosten van het plangebied drie hogedruk aardgasleidingen van de Gasunie aanwezig (N-501-34, N-501-41 en N-501-26). De leidingen bevinden zich op een afstand van respectievelijk circa 45, 70 en 75 meter ten oosten van het plangebied. Uit zowel het rekenprogramma CAROLA als uit de professionele Risicokaart is gebleken dat er geen sprake is van een PR 10-6 contour. Geconcludeerd kan worden dat het plaatsgebonden risico van de hogedruk aardgastransportleidingen geen belemmering vormen voor onderhavig plan.
Het invloedsgebied van het groepsrisico van buisleidingen N-501-34 en N-501-41 bedraagt 45 meter en het invloedsgebied van N-501-26 bedraagt 95 meter. Het plangebied bevindt zich deels in het invloedsgebied van leiding N-501-26.
1% en 100% letaliteitszone (invloedsgebied)
Binnen de 100% letaliteitszone zullen alle aanwezige personen komen te overlijden ingeval van een incident. Daarbij maakt het niet uit of men zich binnen- of buitenshuis bevindt. De 1% letaliteitszone is dat deel van het invloedsgebied waarin de letaliteit afneemt van 100% (de rand van de 100% letaliteitszone) tot 1% (de rand van het invloedsgebied). In dit gebied wordt aangenomen dat personen binnenshuis voldoende bescherming hebben van het gebouw waarin zij zich bevinden. De slachtoffers vallen daarom met name buitenshuis.
Het invloedsgebied van aardgastransportleiding N-501-41 valt niet over het plangebied. Deze is om deze reden dan ook niet meegenomen in de berekeningen van de FUMO. Dit betekent dat transportleidingen N-501-26 en N-501-34 van belang zijn voor het beoordelen van onderhavig plan.
Wanneer een plan in het gebied tussen de 100% en 1% letaliteitszone ligt dient een beperkte verantwoording van het GR plaats te vinden. Bij een beperkte verantwoording dienen de volgende elementen betrokken te worden: de personendichtheid binnen het invloedsgebied, de hoogte van het GR, de bestrijdbaarheid/beperking van de omvang van een incident en de zelfredzaamheid.
Als een plangebied binnen de 100% letaliteitszone valt, dan dient een volledige verantwoording van het GR plaats te vinden. Dit houdt in dat, naast bovengenoemde aspecten, ook gekeken wordt naar de maatregelen ter beperking van het GR, andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het GR in de nabije toekomst.
Het plangebied ligt niet binnen de 100% letaliteitszone. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het GR. Buiten het plangebied, maar binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen, bevinden zich objecten waar mensen verblijven. Hierbij gaat het om woonfuncties en bedrijfsfuncties. Omdat binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen een verandering gaat plaatsvinden waarbij met het plan kwetsbare objecten worden toegestaan (de toekomstige bebouwing), kan dit gevolgen hebben voor het GR. Daarom is door de FUMO een risicoanalyse gemaakt, waarmee onder andere het GR is berekend. Met behulp van het rekenprogramma CAROLA kan worden bepaald of voldaan wordt aan de risiconormen voor de externe veiligheid, zoals die zijn vastgelegd in het Bevb. Het resultaat van een berekening bestaat uit PR-contouren en een fN-curve voor het GR.
Uit de berekening blijkt dat de planontwikkeling nagenoeg geen gevolgen heeft voor de hoogte van het GR. Dit heeft te maken met het feit dat geen personen in de 100% letaliteitszone worden geplaatst en relatief weinig mensen in de 1% letaliteitszone van de aardgastransportleiding worden toegevoegd. In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming van Bedrijventerrein. In de nieuwe situatie zal de bestemming worden omgezet naar een woonfunctie, waar woningbouw mogelijk is. De situatie verandert van een bedrijventerrein naar een woonfunctie waar zowel overdag als 's nachts personen aanwezig zullen zijn in het invloedsgebied van aardgastransportleiding N-501-26. Dit is een verslechtering van de externe veiligheidssituatie.
Het plangebied ligt deels in de 1% letaliteitszone van leiding N-501-26. Omdat in de nieuwe situatie sprake is van een kwetsbaar object, is de zelfredzaamheid van personen een punt van aandacht. De zelfredzaamheid heeft betrekking op de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (of in veiligheid gebracht te worden). Niet zelfredzame personen binnen een invloedsgebied van een risicobron zijn vanuit hulpverleningsperspectief onwenselijk.
Vanuit externe veiligheidsoogpunt wordt geadviseerd geen woningen in de 100% letaliteitszone te realiseren. Bij voorkeur wordt ook voor de woningen binnen de 1% letaliteitszone een andere locatie gekozen.
In dit geval wordt een gedeelte van het appartementencomplex binnen de 1% letaliteitszone gebouwd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid van hulpdiensten en dienen er voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig te zijn. Daarbij moet vluchten van de risicobron af mogelijk zijn. De 1% letaliteitszone is dat deel van het invloedsgebied waarin de letaliteit afneemt van 100% (de rand van de 100% letaliteitszone) tot 1% (de rand van het invloedsgebied). In dit gebied wordt aangenomen dat personen binnenshuis voldoende bescherming hebben van het gebouw waarin zij zich bevinden. De slachtoffers vallen daarom met name buitenshuis.
Verantwoording groepsrisico
Vanwege de ligging in het invloedsgebied van een gasleiding is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Voor deze verantwoording is aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio en de FUMO. Dit advies is hieronder verwerkt.
Opkomsttijden
Ten aanzien van de opkomsttijd van de brandweer worden geen knelpunten verwacht. De kazerne ligt nabij het plangebied waardoor de verwachting is dat aan de gestelde opkomsttijden kan worden voldaan ten tijden van een calamiteit. Wel benadrukt Brandweer Fryslân dat bij bepaalde scenario's de brandweer geen repressieve inzet kan plegen in het brongebied vanwege een te hoge warmtestraling. De brandweer zal hierdoor genoodzaakt zijn zich te beperken tot het blussen van secundaire branden en dergelijke.
Bereikbaarheid
In de nieuwe situatie sluit de vanaf De Oergong aan te leggen weg aan op de Slotweg. Die situatie zal qua bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de adressen aan de De Oergong, de Kade, de Slotweg en de nieuw aan te leggen weg geen knelpunten opleveren.
Aangetekend moet worden dat, mocht besloten worden om de nieuw aan te leggen weg als doodlopende straat uit te voeren dit niet ten gunste komt van de bereikbaarheid van de adressen aan deze weg. Ten aanzien van de bereikbaarheid adviseert Brandweer Fryslân om deze weg volledig open te houden zodat deze ten tijden van een calamiteit van beide zijden gebruikt kan worden om de adressen aan de Oergong, de Kade, de Slotweg en de nieuw aan te leggen weg te kunnen bereiken.
Bluswatervoorziening
De brandweer aan de Kade beschikt over enkele brandkranen. Deze kranen liggen echter op geruime afstand van de voorgestelde ontwikkelingen op de percelen 5-7. Dit betekent dat de brandweer een langere opbouwtijd heeft bij een incident op deze adressen. Het is voor de brandweer dan ook gewenst dat er een extra brandkraan wordt geplaatst. Hier wordt bij de uitvoering van de plannen rekening mee gehouden.
Brandweer Fryslân gaat er van uit dat aan de noordzijde van het nog te bouwen appartementencomplex een entree aanwezig is welke eveneens door de brandweer mag worden gebruikt bij een calamiteit. De brandkraan bij de oprit aan De Oergong kan dan worden gebruikt. Het is belangrijk dat wanneer het appartementencomplex niet via de noordzijde kan worden betreden, in de nabijheid van de andere entree een brandkraan aanwezig is. Brandweer Fryslân heeft geen specifieke opmerkingen ten aanzien van de secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen.
Zelfredzaamheid
De beoogde ontwikkeling betreft woningbouw. Aanwezigen zullen daarom over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.
Conclusie
Het plangebied bevindt zich deels in het invloedsgebied van een gasleiding. Omdat slecht een klein deel van het plangebied in het invloedsgebied ligt en de ontwikkeling qua aard en omvang beperkt is, zal het groepsrisico niet relevant toenemen. Daarnaast blijkt uit de verantwoording dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid als voldoende worden beschouwd. Met de uitvoering van de plannen wordt rekening gehouden met het advies van de brandweer in die zin dat een extra brandkraan gerealiseerd wordt en er rekening wordt gehouden met de bereikbaarheid van hulpdiensten en er voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig zullen zijn. en Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.
Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.
Er worden slechts 32 woningen mogelijk gemaakt. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.
Met onderhavige ontwikkeling wordt hoogbouw mogelijk gemaakt. Er is daarom een bezonningsanalyse uitgevoerd (zie bijlage 11). Om het schaduweffect van de nieuwe appartementen aan de zuidzijde van de Oergong op de bestaande appartementen aan de noordzijde te kunnen beoordelen is een vergelijkingsstudie uitgevoerd. Voor deze vergelijkingsstudie is een 3D-model opgesteld voor een bouwvolume overeenkomstig het nieuwe appartementengebouw en voor een bouwvolume conform de bouwmogelijkheid op basis van het vigerende bestemmingsplan. Op beide modellen is een virtuele bezonning uitgevoerd. Dit rapport bevat beelden van de schaduw van beide bouwvolumes op de volgende dagen en tijdstippen:
De beelden zijn vervolgens getoetst aan de lichte en de strenge TNO-Norm. Bij de lichte TNO norm gaat het erom dat er gedurende de periode van 19 januari tot 21 oktober tenminste 2 bezonningsuren in de appartementen aan de noordzijde aanwezig zijn. Uit de beelden van beide bouwvolumes mag blijken dat dit het geval is. De lichte norm is algemeen gangbaar in Nederland. Bij de strenge TNO norm dienen er in de periode van 21 januari tot 22 november 2 bezonningsuren aanwezig zijn. Hieraan wordt ook voldaan.
Het plan voor de bouw van een appartementengebouw aan de zuidzijde van de Oergong voldoet aan de normen ten aanzien van de bezonning op het bestaande appartementengebouw aan de noordzijde van de Oergang.
Zienswijze
Het wijzigingsplan is voor zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is aan een ieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Er zijn vijf zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn beantwoord in de 'Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen wijzigingsplan Sint Nicolaasga - Kade 5'. De nota is als bijlage 12 toegevoegd. De zienswijzen hebben geleid tot wijzigingen in de toelichting en de regels. Ook heeft een ambtshalve wijziging geleid tot een wijziging van de verbeelding.
Beroep
Het wijzigingsplan is vervolgens vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten voor de uitvoering van dit plan worden gedragen door de aanvrager. Deze beschikt over voldoende financiële middelen om het voornemen te bekostigen. Hiermee is aan de financiële haalbaarheid van dit wijzigingsplan aangetoond.
Grondexploitatie
Doel van de grondexploitatieregeling is het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal door de gemeente. De gemeente heeft hierdoor meer sturingsmogelijkheden. Daarnaast kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.
In dit wijzigingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen is de grondexploitatieregeling van toepassing, tenzij het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. Hiervoor is tussen de gemeente en de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten. Hierin is onder andere het verhaal van eventuele planschade geregeld. De overige kosten worden via een anterieure overeenkomst verhaald. Hiermee is het voor het plan relevante kostenverhaal anderszins verzekerd. Bij de vaststelling van het wijzigingsplan wordt daarom besloten geen grondexploitatieplan vast te stellen.
Verbeelding
Het wijzigingsplan 'Sint Nicolaasga - Kade 5-7' gaat vergezeld van een verbeelding. Na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan 'Sint Nicolaasga' van de gemeente De Fryske Marren.
Regels
Het wijzigingsplan bevat eigen regels die grotendeels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan 'Sint Nicolaasga' en zijn afgestemd op Handboek Bestemmingsplannen De Fryske Marren.
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven.
Wonen - Woongebouw
Het appartementengebouw krijgt de bestemming 'Wonen - Woongebouw' waarin gestapelde woningen in de vorm van appartementen zijn toegestaan. Het appartementengebouw dient binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd te worden. De maximale bouwhoogte bedraagt 13 meter voor het overgrote deel van het gebouw en 14 meter voor het trappenhuis. Dit is op de verbeelding aangegeven. De garageboxen dienen daarnaast binnen de aanduiding 'garagebox' gebouwd te worden.
Tot slot zijn binnen de woonbestemming wegen en straten toegestaan. Dit ten behoeve van de nieuwe ontsluitingsweg die in het plangebied gerealiseerd wordt.
Wonen - 1
De grondgebonden woningen krijgen conform het handboek de bestemming 'Wonen - 1'. Vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen zijn binnen deze bestemmingen standaard toegestaan. Door middel van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' is bepaald hoeveel woningen aaneen gebouwd mogen worden. In dit geval zijn dat naast de twee-onder-een-kap woningen twee rijen van vijf woningen. Ook het maximaal te bouwen woningen is vastgelegd door middel van een aanduiding.
In de bestemming is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen (woonhuizen) en bijbehorende bouwwerken. De hoofdgebouwen moeten in de bouwvlakken gebouwd worden. De goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,5 en 11 meter (één bouwlaag met kap).