| Plan: | Tjerkgaast - Gaestdyk 51 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPTJE22GAESTDYK51-VA02 |
Op het adres van Gaestdyk 51 te Tjerkgaast is in de huidige situatie een agrarische bestemming van toepassing. De eigenaren van het perceel hebben de wens om hier te gaan wonen in combinatie met het aanbieden van kleinschalige recreatieve activiteiten. Op grond van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017 (vastgesteld 28-06-2017)' van de gemeente De Fryske Marren is het niet mogelijk om Gaestdyk 51 alleen voor een reguliere woonfunctie te gebruiken. De bestemming 'wonen - voormalig boerderij' sluit beter aan op de feitelijke toekomstige situatie. De initiatiefnemers zijn niet van plan het agrarisch bedrijf voort te zetten. Uit de bestemmingsomschrijving van de bestemming agrarisch wordt duidelijk dat wonen is toegestaan, maar dan als ondergeschikte functie van het agrarisch bedrijf. Voor de toekomstige verkoop als woning zou een woonbestemming ook geschikter zijn. De gemeente werkt ook graag mee aan het wegnemen van een agrarische bestemming met als reden dat de (potentiële) milieukundige situatie er dan beter op wordt.
Op 20 september 2023 heeft de raad van de gemeente De Fryske Marren het bestemmingsplan 'Tjerkgaast - Gaestdyk 51' vastgesteld. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op 27 augustus 2025 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan, waarin zij het beroep gegrond verklaart en enkele planregels vernietigt. Deze planregels zien op het toestaan van een kleinschalig kampeerterrein binnen de bestemming 'Wonen - Voormalig boerderij'.
De gemeenteraad heeft naar aanleiding van deze uitspraak de planregels en de plantoelichting aangepast. In paragraaf 6.2 wordt op deze aanpassing verder ingegaan.
Op Figuur 1 is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Deze omgrenzing komt overeen met het agrarisch bouwvlak van het voormalige agrarisch bedrijf aan de Gaestdyk 51. Tevens maakt het plangebied onderdeel uit van het kadastrale perceel 1218 en gedeeltelijk van het kadastrale perceel 1219. Het plangebied betreft het erf van een voormalige boerderij bestaande uit het voorhuis en een schuur. Direct achter de schuur is nog een stal gebouwd. Ook bevindt het plangebied zich tussen twee woningen in.
Figuur 1: ligging plangebied
Bestemmingsplan Buitengebied Noord 2017
Het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017' (vastgesteld 28 juni 2017) van de gemeente De Fryske Marren is op het plangebied van toepassing. Figuur 2 laat de huidige bestemming van het plangebied en de bestemmingen van de omliggende omgeving zien. Er is te zien dat het gehele plangebied een agrarische bestemming omvat. Hiermee zijn deze gronden bestemd voor agrarische cultuurgrond en grondgebonden agrarische bedrijven. Hiernaast valt een groot deel van het plangebied binnen een bouwvlak. Dit bouwvlak geeft aan op welke plek gebouwen mogen worden opgericht.
Figuur 2: uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan (Buitengebied Noord - 2017)
Strijdigheid met het bestemmingsplan Buitengebied Noord 2017
Uit de bestemmingsomschrijving van de bestemming agrarisch wordt duidelijk dat wonen is toegestaan, maar als ondergeschikte functie van het agrarisch bedrijf. De huidige eigenaren zijn niet van plan het agrarisch bedrijf voort te zetten. Het gebruiken van de gronden voor een reguliere woonfunctie met daaraan gekoppelde kleinschalige recreatieve activiteiten is binnen de huidige agrarische bestemming daarom niet toegestaan. Volgens de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.8.9. van het bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017 kan de agrarische bestemming gewijzigd worden naar de bestemming 'Wonen - Voormalig boerderij'. Deze wijzigingsbevoegdheid mist toepassing, omdat het plangebied ruimer is dan enkel de 'bestemming van gebouwen van (voormalige) agrarische bedrijven en de bijbehorende erven'. Erf is in het bestemmingsplan gedefinieerd als 'al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover het bestemmingsplan deze die inrichting niet verbiedt'. Een deel van het plangebied maakt onderdeel uit van een groter perceel wat in gebruik is als grasland (het kadastrale perceel met nummer 1219). Dit deel is niet ingericht ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw en hiervoor kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Daarom is ervoor gekozen om de woonbestemming en de verwijdering van het agrarisch bouwperceel te realiseren met toepassing van de bestemmingsplanprocedure. De wijzigingsvoorwaarden worden wel als toetsingskader gebruikt.
Hoofdstuk 4 gaat nader in op de wijzigingsvoorwaarden.
Paraplubestemmingsplan parkeernormen
Het paraplubestemmingsplan parkeernormen (vastgesteld, 27-06-2018) voegt een parkeerregeling toe aan een groot aandeel bestemmingsplannen binnen de gemeente De Fryske Marren. In de periode voor 2014 stonden de parkeereisen voor bouwplannen in de bouwverordening. Op 1 juli 2018 is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan moeten parkeereisen nu in het bestemmingsplan worden opgenomen. De parkeerregeling uit het parapluplan is daarom in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
Na dit inleidende deel van het bestemmingsplan volgt hoofdstuk 2, waarin verder wordt ingegaan op het planvoornemen. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het relevante beleid op de schaal van het Rijk, de provincie en de gemeente. Hierna volgt een beschrijving van de wijzigingsvoorwaarden en de omgevingsaspecten wat de planologische- en milieukundige randvoorwaarden betreft. Vervolgens licht hoofdstuk 5 de juridische vormgeving van het bestemmingsplan en de hiervoor te volgen procedure toe. Tenslotte beschrijft hoofdstuk 6 zowel de maatschappelijke als economische uitvoerbaarheid van het plan. Verder bezit de toelichting van dit bestemmingsplan verschillende bijlagen.
In de bestaande situatie heeft het pand op de Gaestdyk 51 het karakter van een stelpboerderij. De bebouwing op het perceel bestaat uit een voorhuis met daarachter een schuur. Tevens is achter de schuur een stal gebouwd. Tot slot is er een bijgebouw in de vorm van een kleine schuur aanwezig aan de oostelijke zijde van het plangebied (Figuur 2). Deze karakteristieken dragen onder andere bij aan de agrarische uitstraling van het plangebied. Het erf heeft enerzijds een relatief groen karakter en bestaat anderzijds voor een deel uit terreinverharding. Deze verharding is met name achter de schuur aanwezig. Daarnaast bestaan de omliggende percelen aan de zuidkant van het plangebied (Figuur 1) uit open agrarische gebieden. De boerderij ligt aan het lint van Tjerkgaast, tussen woonfuncties in (Figuur 2).
Figuur 3: vooraanzicht woning Gaestdyk 51 (bron: Google streetview, augustus 2021)
Figuur 4: voor/zijaanzicht woning Gaestdyk 51 (bron: Google streetview, augustus 2021)
Figuur 5: zijaanzicht pand Gaestdyk 51 (bron: Google streetview, augustus 2021)
Woonhuis
In de nieuwe situatie is de agrarische bestemming vervangen door de bestemming Wonen - Voormalig boerderij. Het perceel is dan ingericht als woonperceel. Het voorhuis van de stelpboerderij zal hierbij fungeren als privégedeelte voor de eigenaren. Op de overige delen van het woonperceel vinden in de toekomstige situatie ondergeschikte nevenactiviteiten plaats die in de navolgende alinea's afzonderlijk worden behandeld. Hierbij kan worden opgemerkt dat deze ondergeschikte nevenactiviteiten in de geldende bestemming 'Agrarisch' reeds bij recht zijn toegestaan.
Logies
In het deel van de schuur van de stelpboerderij worden inpandig tot drie logiesruimtes ingericht ten behoeve van Bêd & Brochje (bed and breakfast). Een logiesruimte biedt ruimte tot vier logies. Tevens zal het bestaande bijbehorende gebouw naast de singel als receptie worden gebruikt. De realisatie hiervan sluit op grond van de bestemming Wonen - Voormalig boerderij aan op de mogelijkheden voor Bêd en Brochje vanuit de bestemmingsregels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017'. Hierin is het gebruik van bestaande bebouwing voor het bieden van overnachtingsmogelijkheden in de vorm van bêd & brochje toegestaan, mits:
Ad 1. De woonfunctie blijft behouden (in het voorhuis)
Ad 2. De logiesruimten worden in het hoofdgebouw gerealiseerd.
Ad 3. Er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het realiseren van drie logiesruimtes ten behoeve van Bêd & Brochje.
Ad 4. De totale oppervlakte van de ruimte die voor Bêd en Brochje wordt gebruikt is maximaal 75 m2.
Ad 5. Het aantal verkeersbewegingen zal beperkt toenemen. Er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking (zie paragraaf 4.2.9).
Ad 6. Parkeren kan op eigen erf worden ingepast (zie paragraaf 4.2.9)
Theetuin en rustpunt
In de nieuwe situatie wordt een deel van het achtererf gebruikt ten behoeve van een theetuin en een rustpunt. De theetuin zal bestaan uit een terras. Bij het rustpunt zal de focus liggen op fietsers en wandelaars. Zij kunnen een pitstop maken om het rustpunt te gebruiken. Het creëren van deze theetuin en het rustpunt sluit aan op de bestemmingsregels van de bestemming Wonen - Voormalig boerderij vanuit het bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017. Deze bestemmingsregels bieden de mogelijkheid voor een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Een theetuin valt hier op basis van lid k. uit de 'lijst met toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid van het wonen', onder.
Kleinschalig kampeerterrein
Ook wordt het plangebied in de nieuwe situatie voor een deel gebruikt als (camper)kampeerterrein. Het deel dat hiervoor wordt gebruikt ligt op het achtererf, binnen het voormalige agrarische bouwvlak en is ruim 5.000 m2 (>5.000 m2 is ook de eis om dit te kunnen doen).
2.3 Landschappelijke inpassing
Om de nieuwe functies goed in te passen is een voorstel tot landschappelijke inpassing gemaakt. Het inpassingsplan is als Bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Ook is het voorstel tot landschappelijke inpassing geborgd in de regels.
Met dit ontwerp zal worden aangesloten op de huidige karakteristieken van de omgeving en het landschap. De landschappelijke inpassing biedt mogelijkheden om de leefbaarheid van het landschap te vergroten.
Figuur 6: landschappelijke inpassing (BügelHajema adviseurs, 2021)
Uitgangspunten schetsontwerp
De landschappelijke inpassing is zorgvuldig afgestemd op de karakteristieken van de omgeving/het landschap. Om dit te bereiken zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Erfinrichting
Het erf wordt opgedeeld in twee delen. De zonering is terug te zien in de erfinrichting. Representatief deel voor, meer functioneel/ landschappelijk deel achter het perceel.
De voorzijde krijgt een natuurlijke uitstraling met als functie wonen. Langs de oprit worden de huidige coniferen eruit gehaald. Langs de kavelgrens zal aan de voorzijde de bestaande haag aangevuld worden met een nieuwe (inheemse) haag. De watergang blijft verder behouden. Met deze groene middelen wordt er een representatief voorerf gecreëerd zonder aanwezige functies.
De achterzijde krijgt een functionele-, en landschappelijke uitstraling. Hier wordt het programma gesitueerd. Tussen de oprit en de singel is weinig ruimte vanwege het aflopende talud. Hierdoor worden langs de oprit twee ruime langsparkeerplaatsen gerealiseerd. Het bestaande gebouw (het koetshuis) langs de oprit krijgt een nieuwe passende invulling en wordt waarschijnlijk in gebruik genomen als receptie voor de camping.
Op het erf worden nog zes parkeerplaatsen ingepast achter het receptiegebouw. De parkeerplaatsen op het achtererf worden uitgevoerd met halfverharding en ingepast naast de singel. Hierdoor worden ze uit het zicht ontnomen.
De zuidwestzijde naast de stelpboerderij krijgt een landschappelijke uitstraling. Het veldje voor de bêd & brochje-ruimtes in de stelpboerderij en de theetuin wordt ingezaaid met een bloem- en kruidenmengsel. De theetuin bevindt zich naast de bêd en brochje-ruimtes en wordt gescheiden door middel van takkenrillen.
Achter de schuur wordt fietsparkeren gerealiseerd voor bezoekers/ (fiets) recreanten. Hierdoor krijgt het een passende plek naast de theethuin. De (tijdelijke) sanitair unit wordt geplaatst in het verlengde van de parkeerplaats. Hierdoor krijgt het een geschikte plek naast de camping.
De beplantingssingel rondom het erf wordt behouden en/of versterkt. De singel aan de noordoostzijde wordt verlengd tot aan de achterste grens van de camping. De singel aan de zuidwestzijde wordt ook deels verlengd. Hier wordt de singel meer onderbroken door open ruimten, waardoor ook doorzichten ontstaan naar het open landschap. Daarnaast word op deze manier de campers/tenten uit het zicht ontnomen vanuit het landschap en creëer je beschutting voor de kampeerplekken. Hierdoor wordt het contrast tussen het besloten erf en het open laagveengebied versterkt.
Aan de zuidoostkant blijft de camping open en wordt deze ingepast met een kruidenrijke akkerrand. Op deze manier wordt de campinggrens gemarkeerd en blijft het open veenweidegebied beleefbaar.
Conclusie
In dit ontwerp wordt een duidelijke zonering/programmering voorgesteld, wordt samenhang in het plangebied gecreëerd, en wordt een aantrekkelijke omgeving gerealiseerd waarin de natuurbeleving en de natuurwaarden worden versterkt.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voorliggen. Verscheidene trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Groeiende en veranderende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen maar een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt daarnaast om zorgvuldige keuzes. De ruimte is zowel boven-, als ondergronds, een schaars goed.
Het combineren van al die opgaven vraagt om een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar van onderop, in goede samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, bedrijven maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat mogelijk is. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid grotendeels bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes vaak het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI een visie op lange termijn in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven.
Die belangen komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen in sommige gevallen kunnen botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt per gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners, zonder dat toekomstige generaties hier negatieve gevolgen door ondervinden. De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst. De NOVI is nog niet in werking getreden en vormt daarmee nog geen formeel toetsingskader voor het voorliggend planvoornemen. De algemene denklijn van de NOVI is echter wel in de planvorming betrokken.
Op 13 maart 2012 is de “Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte” (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland:
Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en hanteert een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit plan hindert geen van de 14 belangen.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, dit dient te worden opgenomen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, vastgesteld 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan, nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een motiveringseis die in de SVIR is geïntroduceerd. In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat bij ruimtelijke projecten voorzien moet worden in duurzame verstedelijking. In geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en wanneer deze plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Er is in de wetgeving geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. In een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking uiteengezet (overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking, gepubliceerd op 28 juni 2017).
Hieruit wordt duidelijk dat de Ladder voor duurzame verstedelijking alleen geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit de overzichtsuitspraak wordt duidelijk dat een bestemmingsplan dat voorziet in minder dan 11 woningen niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals deze op basis van het Bro is gedefinieerd. Het planvoornemen voorziet feitelijk in de toevoeging van een woonbestemming waarin één woning mogelijk is. Naar aanleiding daarvan kan geconcludeerd worden dat het voorliggende bestemmingsplan niet binnen de kaders van de ladder van duurzame verstedelijking ten behoeve van een stedelijke ontwikkeling valt. Nu er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hoeft de Laddertoets niet te worden doorlopen. In het kader van de uitvoerbaarheid van het plan, moet er wel worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 4 gaat hier nader op in.
Op 21 oktober 2020 is de omgevingsvisie Fryslân vastgesteld. In deze visie wordt het beleid beschreven dat laat zien hoe de provincie dit voor ogen ziet als de Omgevingswet in 2022 in werking treedt. De provincie heeft vier doelstellingen die ze als speerpunt wil hanteren. Een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Dat zijn de ambities van de provincie voor de Friese leefomgeving. Met de leefomgeving wordt volgens de provincie bedoeld: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Fryslân is van alle mensen die er werken, wonen of te gast zijn.
Gelet op de nieuwe bestemming gaat het in dit plan primair om een woonfunctie, met daarbij ondergeschikte verblijfsrecreatieve activiteiten. Daarom is de doelstelling 'Samenhangend netwerk van steden en dorpen' van belang. Het gaat er bij die doelstelling voornamelijk om dat mensen 'plezierig wonen in een verscheidenheid aan woonbuurten, waarbij het woningaanbod aansluit op de vraag van inwoners en van mensen die zich in Fryslân willen vestigen.' Het plan maakt het mogelijk dat een agrarische bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming. De functiewijziging van de boerderij naar een woonfunctie met ondergeschikte verblijfsrecreatieve activiteiten maakt dat het woonaanbod breder en aantrekkelijker wordt binnen het dorp.
Met oog op het voorliggend bestemmingsplan is, gelet op de ondergeschikte verblijfsrecreatieve activiteiten, ook de doelstelling 'Slimme groei van gastvrijheidseconomie' uit de omgevingsvisie van belang. De Provincie Fryslân zet in op slimme groei van de gastvrijheidseconomie. Dit betekent dat er ingezet wordt op (cultuur)toeristen die geïnteresseerd zijn in de kwaliteit en identiteit van de Provincie. Het doel hierbij is om meer jaarrond bezoek te creëren in plaats van pieken en om meer bezoek in Friesland als geheel te creëren. Voor het Fries merengebied ligt het accent met name op het verbreden van watersportproduct met nieuwe innovatieve combinaties tussen land- en waterrecreatie en nieuwe vormen van waterrecreatie. Dit bestemmingsplan draagt bij aan de groei van de gastvrijheidseconomie. De kleinschalige recreatieve activiteiten die door het plan mogelijk worden gemaakt zorgen ervoor dat (cultuur)toeristen die geïnteresseerd zijn in de gastvrijheidseconomie gebruik kunnen maken van recreatieve voorzieningen die passend zijn bij de kwaliteit en identiteit van een deel van de Provincie. Het bestemmingsplan voorziet tevens in de mogelijkheid voor innovatieve vormen van landrecreatie, wat aansluit op de accenten die de Provincie op het Fries merengebied legt in de omgevingsvisie.
Op 25 juni is de Verordening Romte Fryslân door de Provinciale staten vastgesteld. Deze verordening betreft een aanpassing van de op 15 juni vastgestelde verordening en is op 16 augustus in werking getreden. In de verordening is het beleid dat in het Streekplan verwoord is, vertaald naar regels voor bestemmingsplannen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het landelijk en stedelijk gebied.
Uit de kaart 'Begrenzing bestaand stedelijk gebied' blijkt dat het plangebied voor een groot deel binnen de contouren van het bestaand stedelijk gebied valt. Hierdoor mogen stedelijke functies, zoals wonen, worden toegevoegd. Op grond van de verordening is het tevens toegestaan om vrijkomende agrarische bebouwing bij hergebruik in te zetten voor wonen. Aan hergebruik/verbouw of vervanging worden echter regels gesteld: bestaande karakteristieke en monumentale gebouwen moeten behouden blijven. Daarnaast moet de plaatsing, omvang, vorm en het gebruik van de gebouwen bij de karakteristieken van de omgeving passen en mogen er geen beperkingen ontstaan voor het ontwikkelen van omliggende agrarische bedrijven in de omgeving.
Kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie
In de verordening Romte Fryslân 2014 is ook een subhoofdstuk toegewijd aan kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie. Deze paragrafen zijn relevant voor het planvoornemen. Zo geeft de verordening aan dat in afwijking van de artikelen 5.1.2, 5.2.2 en 5.3.2 er in ruimtelijke plannen buiten een recreatiekern een aantal recreatieve voorzieningen worden toegestaan. De verordening geeft aan dat een kleinschalig kampeerterrein van maximaal 15 standplaatsen op of aansluitend aan het erf van een agrarisch bedrijf, woning of bedrijf is toegestaan.
Weidevogelkansgebied
Verder is het plangebied in een Weidevogelkansgebied gelegen (artikel 7.2.2). Van belang is dat sprake is van voldoende rust en openheid voor het Weidevogelkansgebied. Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of er extra verstoring optreedt. In dit geval blijft de openheid onveranderd. Met dit bestemmingsplan worden minder bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt, anders dan al op basis van het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Er is slechts sprake van een functiewijziging, waarbij de omvang van het perceel in planologisch zin verkleind wordt en er met een woonfunctie sprake is van een minder intensieve functie dan de huidige agrarische mogelijkheden. Het opnemen van een regeling die voorziet in voldoende openheid en rust acht de gemeente dan ook niet noodzakelijk.
Op 26 maart 2014 hebben de Provinciale Staten het document 'Grutsk op 'e Romte' vastgesteld als thematische structuurvisie over landschap en cultuurhistorie. In deze structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren die van provinciaal belang zijn in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is het behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van inspireren, adviseren en informeren. 'Grutsk op 'e romte' is als vereiste in het proces opgenomen in de provinciale ruimtelijke verordening, zodat bij het opstellen van een ruimtelijk plan een analyse dient te worden gemaakt van de aanwezige waarden in het plangebied. Op deze manier verwacht de provincie Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, provincie en rijk te behouden.
Vanuit de structuurvisie Grutsk op 'e Romte zijn kernkwaliteiten uitgewerkt en ambities onderbouwd. De volgende kwaliteiten zijn van toepassing op het plangebied:
Bij de landschappelijke inpassing wordt verder ingegaan op de kernkwaliteiten en uitgangspunten in relatie tot de inpassing.
De gemeente hecht sterk belang aan een samenvattende visie voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Hierom is er een (ontwerp) Omgevingsvisie De Fryske Marren opgesteld. De Omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeenteraad in samenspraak met inwoners en ondernemers de toekomst van de gemeente ziet. Daarbij gaat het om de fysieke leefomgeving: de mogelijkheid om te werken, wonen, ondernemen en recreëren, nu en in de toekomst, in een plezierig en gezond leefklimaat.
Cultuurhistorie, landschappelijke diversiteit en de identiteit van de kernen vormen een belangrijk uitgangspunt en inspiratiebron voor de afweging van plannen. Dit vertrekpunt is relevant voor de desbetreffende functiewijziging uit dit plan. Een voorbeeld van een belangrijke waarde die in de Omgevingsvisie wordt genoemd zijn de karakteristieke dorpen door hun charme, fraaie aanzichten uitstraling en hun relaties met omliggend land/water en groen.
Het voorliggende plan draagt bij aan deze waarde. De functiewijziging en Landschappelijke inpassing zorgen ervoor dat het perceel een fraai aanzicht krijgt en past binnen de relaties met het omliggende land, groen en/of water. Tevens wordt de uitstraling van het perceel verbeterd. Het planvoornemen draagt hierdoor bij aan de principes van de Omgevingsvisie.
In de woonvisie beschrijft de gemeente de Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2019 tot 2023. Deze woonvisie creëert de basis voor woningbouw in de gemeente en voor samenwerkingsafspraken op het gebied van wonen. Voorbeelden hiervan zijn prestatieafspraken met woningcorporaties en huurdersorganisaties.
In de kleinere kernen is de koers voornamelijk gericht op het behoud van een goede woonkwaliteit en leefbaarheid en het voorkomen van leegstand onder woningen. De gemeente streeft bij de nieuwbouw van woningen in de kleine kernen een kwaliteitsimpuls na. Dit stelt eisen aan het niveau van uitrusting van woningen, waarin het meer ingericht is op de toekomst en voor alle levensfasen. Bij dit geheel wordt ook ingezet op een energietransitie en duurzaam wonen. De gemeente zet zich in voor aardgasvrije woningen. De stelpboerderij in het plangebied wordt met het planvoornemen van een agrarische bestemming omgezet naar de bestemming Wonen - Voormalig boerderij. Hierdoor wordt leegstand voorkomen. Dit voorziet in een oplossing voor mogelijke leegstand en verpaupering van oude agrarische bebouwing en het agrarisch bouwperceel/erf. Het plan is hierdoor niet in strijd met de woonvisie 2019-2023.
Aan de hand van het paraplubestemmingsplan parkeernormen wordt een parkeerregeling toegevoegd aan een groot aantal andere bestemmingsplannen. Het plangebied hiervan omvat vrijwel het gehele grondgebied van de gemeente de Fryske Marren. Voor 2014 stonden parkeereisen voor bouwplannen in de bouwverordening. Per 1 juli 2018 is deze regeling vervallen. Parkeereisen moeten nu worden opgenomen in het bestemmingsplan.
Naar aanleiding hiervan is de parkeerregeling uit het paraplubestemmingsplan parkeernormen in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen. Bij omgevingsvergunning wordt aan de hand van de parkeernormen in de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren
In de nota Beleidsregels parkeren zijn normen opgenomen met betrekking tot parkeren binnen de gemeente De Fryske Marren. In deze nota is onder meer vastgelegd dat bij nieuwe ontwikkelingen het parkeren op eigen erf moet worden geregeld. Daarbij zijn ook normen voor het aantal parkeerplaatsen bepaald waarmee in dat geval rekening moet worden gehouden.
Figuur 6: parkeernormen (bron: Nota parkeernormen)
In Figuur 6 zijn de parkeernormen weergegeven. De voormalige boerderijwoning op het perceel valt onder de cateogorie 'koop, vrijstaand'. Hiervoor geldt binnen de bebouwde kom een parkeernorm van 2,3 parkeerplekken per wooneenheid. Naar boven afgerond komt het uiteindelijke aantal minimaal benodigde parkeerplaatsen hierdoor uit op 3 parkeerplaatsen.
In de bestaande planologische situatie is de boerderijwoning reeds als bedrijfswoning aanwezig. De voorgenomen wijziging naar wonen wijzigt hiermee niets wat betreft de parkeerbehoefte. Op eigen terrein is voldoende gelegenheid om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen.
Initiatiefnemers zijn voornemens om uitwerking te geven aan (nu al) bij recht toegestane nevenactiviteiten. Eén van de voorwaarden voor het toegestane gebruik van een Bed&brochje is het voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Vanuit de Nota parkeernormen zijn normen voor de logiesruimten van toepassing. Voor de bed en breakfastkamers moeten er per kamer 0,68 parkeerplekken aanwezig zijn. In de toekomstige situatie zijn er drie logiesruimten aanwezig. Er moeten daardoor 2 parkeerplaatsen worden aangelegd ten behoeve van de logiesruimten.
Voor het toegestane gebruik van een mini-camping geldt geen voorwaarde voor het voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In principe kunnen bezoekers op het kampeerterrein zelf hun auto parkeren. De eigenaren van het adres hebben echter zelf de wens om voldoende parkeeroppervlak aan te leggen op het perceel. Op de landschappelijke inpassingsschets uit paragraaf 2.3 is terug te zien dat er rekening is gehouden met in totaal 8 parkeerplaatsen op het erf. Hiervan zijn circa 4 plaatsen beschikbaar voor de mini-camping.
Conclusie
Het beleid op rijksniveau, provinciaal en gemeentelijk niveau vormt geen belemmering ten aanzien van het planvoornemen.
Het college van burgemeester en wethouders kan de bestemming van gebouwen waarin voormalig agrarische bedrijven zaten, met de bijbehorende erven wijzigen in de bestemming 'Wonen - Voormalig boerderij'. In het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017' zijn hiervoor wijzigingsvoorwaarden opgenomen onder artikel 3.8.9 (hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing). Een deel van het plangebied is niet ingericht ten dienst van het gebruik van het hoofdgebouw. Dit deel maakt onderdeel uit van een groter perceel dat in gebruik is als grasland en kan niet met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid gewijzigd worden. Met die reden is gekozen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen waarin wel de gestelde kaders voor de wijziging worden betrokken.
3.8.9 Hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing
Het college van burgemeester en wethouders kan de bestemming van gebouwen van agrarische bedrijven met de bijbehorende erven wijzigen in de bestemming Bedrijf, Cultuur en ontspanning, Dienstverlening, Horeca, Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie, Wonen of Wonen - Voormalig boerderij en de volgende functies toestaan:
a. woningen en woonvormen die verband houden met zorgverlening slechts zijn toegestaan in de voormalige bedrijfswoning en in aanwezige karakteristieke bijgebouwen;
b. er maximaal twee woningen zijn toegestaan, in overeenstemming met het woonplan;
mits:
Hieronder staat beschreven hoe aan deze voorwaarden wordt voldaan.
Ad a.
Met het planvoornemen zijn geen externe aanpassingen aan de stolpboerderij beoogd. De huidige karakteristieke bebouwing blijft hierdoor behouden.
Ad b.
Met het planvoornemen zijn geen sloopwerkzaamheden beoogd, hierdoor is deze voorwaarde niet van toepassing op dit wijzigingsplan.
Ad c.
Het perceel wordt landschappelijk ingepast. Dit is opgenomen in paragraaf 2.3 van deze toelichting. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de inpasbaarheid van de bebouwing op het erf, ook in verband met andere bebouwing.
Ad d.
De landschappelijke inpassing is in paragraaf 2.3 van de toelichting beschreven. In de bestemmingsregels is opgenomen dat de nieuwe functie slechts is toegestaan als de inpassing zoals deze op de situatietekening staat aangegeven, is uitgevoerd en in stand blijft.
Ad e.
De aard en omvang van de nieuwe functie biedt een passende invulling voor deze plek. Ten opzichte van de bestaande situatie creëert de nieuwe functie een verbeterd woon- en leefklimaat. Daarnaast zorgt het voor extra (kleinschalige) recreatieve voorzieningen en daarmee voor meer toeristische aantrekking.
Ad f.
Dit plan zorgt niet voor de realisatie van nieuwe woningen. De agrarische bestemming van het perceel wordt slechts omgezet naar een woonbestemming (Wonen - Voormalig boerderij). Aangezien er in deze situatie geen toevoeging van nieuwe woningen van sprake is, hoeft niet getoetst te worden aan een door de provincie geaccordeerd woonplan.
Ad g.
De woonfunctie wordt binnen de bestaande stolpboerderij uitgeoefend. De recreatieve activiteiten vinden deels in het gebouw plaats in de vorm van bêd & brochjekamers en daarnaast voor een deel op het perceel zelf in de vorm van kampeerplaatsen en een theetuin. De wijzigingsbevoegdheid staat toe dat deze activiteiten buiten de woning om plaatsvinden, waardoor er aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Ad h.
Het planvoornemen betreft geen wijziging naar een recreatieve functie. Dit punt is daarom irrelevant voor het onderhavige plan.
Ad i.
Het aantal verkeersbewegingen zal beperkt toenemen. Dit aangezien het planvoornemen ervoor zorgt dat het adres Gaestdyk 51 recreatief aantrekkelijker wordt. Hierdoor zullen meer mensen het adres gaan bezoeken, waardoor er ook meer verkeersbewegingen ontstaan. Aangezien de nieuwe recreatieve activiteiten op het perceel kleinschalig van aard zijn, zal dit niet een dusdanige invloed hebben op de bestaande verkeersstructuur.
Ad j.
Parkeren zal ook na de functiewijziging op het erf plaatsvinden. Dit is in het landschappelijk inpassingsplan ingepast.
Ad k.
Agrarische bedrijven worden door de functiewijziging en toevoeging van kleinschalige recreatieve activiteiten niet gehinderd.
Ad. l
Na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn de regels van artikel 26 van toepassing.
Specifieke gebruiksregels voor de beoogde functies
Aan huis verbonden beroep of bedrijf
Het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, zoals genoemd in Bijlage 5 Lijst met toelaatbare beroepen en bedrijvigheid, is toegestaan, mits:
Stalling van boten en caravans
Het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de stalling van boten en caravans is toegestaan, mits:
Bed & brochje (bed en breakfast)
Het gebruik van bestaande bebouwing voor het bieden van overnachtingsmogelijkheden in de vorm van bêd & brochje is toegestaan, mits:
Kleinschalig kamperen
Het gebruik van de gronden voor kleinschalig kamperen ter plaatse is toegestaan, mits:
Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen voor de exploitatie van bedrijven verplicht om te voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit. Hierbij dient onder andere rekening te worden gehouden met de omliggende woonbebouwing. Dit geldt tenzij anders is bepaald in bijlage l van het Besluit omgevingsrecht of wanneer bedrijven zijn aangewezen als vergunningplichtige inrichting volgens deze bijlage.
Vanuit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gebruikt. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten stof, geluid, geur en gevaar de minimale afstanden weergegeven die in de meeste gevallen kunnen worden gehanteerd tussen een bedrijf of voorziening en hindergevoelige objecten, zoals woningen. Dit om schade en hinder aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij dit geheel is de grootste afstand bepalend. De in de publicatie genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede onderbouwing kan en mag ervan worden afgeweken. Er dient aan te worden getoond dat het plan geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies.
Onderzoek
Er moet worden aangetoond dat het plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Daarnaast dient te worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies.
In de directe nabijheid van het perceel van Gaestdyk 51 bevindt zich aan de noordzijde een landbouwmechanisatiebedrijf genaamd 'Tjitte de Wolff landbouwmechanisatie'. In het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017' is hier de bestemming 'Bedrijf' van toepassing. Dit perceel is volgens dat bestemmingsplan bestemd voor bedrijven uit milieucategorie 1 en 2. Uitgaande hiervan, is het toegestaan om een milieucategorie 1 of 2 bedrijf te vestigen op het bedrijfspand. Het landbouwmechanisatiebedrijf valt hieronder. Er is voorheen al onderzoek gedaan dat heeft aangetoond dat bedrijven hier mogen staan onder deze milieucategoriën. Volgens de VNG brochure mag bij een milieucategorie 2 bedrijf als grootst een richtafstand van 30 meter worden gehanteerd. De bestemmingsgrens van het bedrijf ligt op een afstand van circa 35 meter tot aan de voorgevel van de woning die op het adres van Gaestdyk 51 gesitueerd staat. Aan de te hanteren richtafstand wordt hiermee voldaan. Er mag worden aangenomen dat het bedrijf geen beperkingen oplevert voor de te realiseren woonfunctie. Hiernaast worden bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt als gevolg van het planvoornemen.
Figuur 7: weergave afstand vanaf bestemmingsgrens van het landbouwmechanisatiebedrijf tot aan de voorgevel van de woning op Gaestdyk 51 (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie
Het planvoornemen mag wat het aspect bedrijvenhinder betreft, als uitvoerbaar worden geacht.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat er in de toelichting inzicht moet worden verkregen over de uitvoerbaarheid van het plan. Een belangrijk onderdeel hiervan is het inzicht in noodzakelijke financiële investering van een (potentieel noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is hierdoor in feite een onderdeel van de onderzoeksverplichting vanuit het college van B en W en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan.
Een belangrijke opmerking bij dit onderdeel is dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen.
Een specifieke mate van bodemverontreiniging betekent in veel gevallen niet meteen dat er een probleem aanwezig is. In veel gevallen zal historisch onderzoek in relatie tot de betreffende verdachte locatie kunnen aantonen of er genoeg aanleiding is om bodemonderzoek te laten uitvoeren. Aan de hand van een oriënterend en/of nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of- en in welke mate en omgeving er sprake is van bodemverontreiniging. Op basis van nader onderzoek kan de provincie beslissen of het noodzakelijk is om de locatie gedeeltelijk of geheel te saneren en of er een noodzaak is tot beveiligingsmaatregelen. Tevens zal de huidige en/of toekomstige bestemming daarbij een rol spelen bij de keuze in saneringsvarianten.
Onderzoek
Voor de bodemkwaliteit ter plaatse is het Bodemloket geraadpleegd. Het Bodemloket geeft voor het perceel geen bodeminformatie weer. Dit houdt in dat zowel geen historische activiteiten als verontreinigingen bekend zijn. Op het perceel heeft wel in het verleden een bodemonderzoek plaatsgevonden naar een dieseltank. Dit onderzoek heeft niet tot bijzonderheden geleid.
Dit bestemmingsplan betreft een functiewijziging van de agrarische bestemming naar de functie wonen - voormalig boerderij. Met dit planvoornemen wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt. De woning bij de boerderij is in de huidige situatie bewoond en blijft dat ook in de toekomstige situatie. Er zijn tevens geen nieuwe bodemingrepen beoogd, zoals bouw en/of graafwerkzaamheden.
De voorgenomen ondergeschikte nevenactiviteiten op het achterste gedeelte van het perceel zijn binnen de geldende bestemming 'Agrarisch' bij recht toegestaan. De bestemmingswijziging naar Wonen - Voormalig boerderij' wijzigt daar niets aan.
Een (voormalig) boerderijerf wordt vanwege het deccenialange gebruik en waarbij het erf vaak op verschillende momenten is verhard met puin van onbekende kwaliteit, beschouwd als verdacht locatie. Oftewel verdacht op het aanwezig zijn van bodemverontreinigende stoffen in gehalten die hoger zijn dan de achtergrondwaarden. Voor een juiste beoordeling en verantwoording van de bodemkwaliteit in het kader van een planologische wijziging is bodemonderzoek nodig. Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd.
Gezien de bestaande bewoning van de boerderij en het ontbreken van bodemingrepen, vormt het aspect bodem geen risico of belemmering voor het planvoornemen.
Conclusie
Wat betreft het aspect bodem mag het plan uitvoerbaar worden geacht.
In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het belangrijk om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De (mogelijke) effecten die plannen kunnen hebben op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soorten- en gebiedsbescherming. Dit is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte, de Wet natuurbescherming en de Provinciale Ruimtelijke Verordening.
Onderzoek
SOORTENBESCHERMING
Gezien de aard van het plan (functieverandering met behoud van bestaande bebouwing) wordt een veldonderzoek in het kader van het in beeld brengen van de natuurwaarden niet noodzakelijk geacht.
GEBIEDSBESCHERMING
Ten aanzien van gebiedsbescherming is gekeken naar de afstanden tot beschermde gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000 gebieden) en de verordening Romte Fryslân (NNN).
Natura 2000
Het plangebied ligt op ruim 5 kilometer ten noordoosten van het dichtstbijzijnde, in kader van de Wnb beschermde, Natura 2000-gebied 'IJsselmeer'. Het dichtsbijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000 gebied is Rottige Meenthe & Brandemeer op ruim 12 kilometer afstand van het plangebied.
Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan het Natura 2000-gebied IJsselmeer. Hierdoor zijn in potentie effecten alleen mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.
Stikstofdepositie
De aanlegfase is op grond van de wet Stikstofreductie en natuurherstel vrijgesteld. In de gebruiksfase kan wel sprake zijn stikstofuitstoot door verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen dat gepaard gaat met de woonbestemming van het plangebied bedraagt 9 (paragraaf 3.3.3). De voorgenomen ondergschikte nevenactiviteiten zijn in de geldende planologisch-juridische siuatie bij recht toegestaan. Deze activiteiten hebben dan ook geen extra verkeersbewegingen tot gevolg. De geringe aantal verkeersbewegingen vanwege het wonen veroorzaakt een dusdanig lage emissie dat negatieve effecten op Natura 2000 niet te verwachten zijn. Hierbij kan worden opgemerkt dat binnen de geldende agrarische bestemming reeds een bedrijfswoning is toegestaan. Zware verkeersbewegingen van het voormalig agrarisch bedrijf vervallen overigens met de bestemmingswijziging, waardoor gesteld kan worden dat als gevolg van het voorliggende plan er per saldo een afname van stikstofuitstoot door verkeersbewegingen te verwachten is.
Met het planvoornemen worden geen negatieve effecten op stikstofgevoelige natuurgebieden verwacht.
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
De afstand tussen het plangebied en het noordwestelijke Slotermeer bedraagt 2 kilometer (Figuur 8). Hiernaast ligt er tussen het plangebied en de NNN gebieden aan het zuidelijke deel ten opzichte van het plangebied, ruim één kilometer afstand. Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet nodig. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân.
Figuur 8: overzicht ligging plangebied ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebieden
Conclusie
Het planvoornemen heeft geen gevolgen voor beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming, gezien de aard van het planvoornemen.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet (1988) vervallen. Delen van deze wet zijn op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat de besluitvorming in de fysieke leefomgeving betreft gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in juli 2022 in werking treedt. Voordat de Omgevingswet in werking gaat, zijn artikelen met betrekking tot de wet in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet te vinden. Hierin blijven ze ongewijzigd van toepassing totdat de Omgevingswet van kracht is.
De erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het gebied van cultureel erfgoed. Het belangrijkste onderdeel van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ).
Indien dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en ergens anders bewaard (ex situ). Daarnaast moet elk ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden in relatie tot het plangebied bevatten. In welke mate er in een plangebied sprake is van erfgoed, dient aan de hand van het voorgaande aangegeven te worden op welke manier met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
ARCHEOLOGIE
Om uitspraken te kunnen doen over de archeologische verwachtingswaarde en de bodemgesteldheid van het plangebied, is de Friese Archeologische Monumentenkaart (FAMKE) geraadpleegd. Op de FAMKE zijn voor het gemeentelijk grondgebied bekende en te verwachten archeologische waarden aangegeven. Ook worden hierbij onderzoeksperiodes aangegeven: de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen.
Voor de periode steentijd-bronstijd adviseert de Provincie Fryslân voor een klein deel van het plangebied om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een quickscan te verrichten. Van dit deel van het plangebied wordt vermoed dat eventueel aanwezige archeologische resten ernstig verstoord zijn, dit is echter niet met zekerheid te zeggen. Voor het resterende deel van het plangebied beveelt de provincie aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten uit de steentijd vlak onder de oppervlakte bevinden. Deze zijn afgedekt door een dun veen- of kleidek. De conservering van deze potentieel aanwezige resten is nu nog goed, maar de archeologische resten zijn zeer kwetsbaar.
Voor de periode ijzertijd-middeleeuwen adviseert de provincie om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een historisch en karterend onderzoek te verrichten. Hierbij moet speciale aandacht worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of middeleeuwse ontginningen. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden. Het gaat dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Ook kan het zo zijn dat er zich huisterpen uit deze tijd in het plangebied bevinden. Daarnaast kunnen oudere boerderijen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de omliggende veengronden al wel afgegraven zijn.
Met dit bestemmingsplan zijn geen bodemingrepen beoogd. De agrarische functie in het plangebied wijzigt naar een woonfunctie. Voor dat deel van het plangebied dat wel een agrarische bestemming houdt, komt het bouwvlak te vervallen waardoor nieuwe bebouwing is uitgesloten.
Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie Fryslân zijn de hiervoor genoemde adviezen vanuit de FAMKE vertaald in twee archeologische dubbelbestemmingen. Hiermee zijn de eventueel aanwezige archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen beschermd.
Het planvoornemen maakt een minimale toename van de feitelijke verharding mogelijk. Toename van verharding wordt verwacht ter plaatse van de sanitaire unit en de parkeerplaatsen (zie de inrichtingstekening in paragraaf 2.3). De parkeerplaatsen worden voorzien van halfverharding waar geen grote bodemingrepen voor nodig zijn. Het recreatieterrein wordt niet voorzien van verharding. Ten behoeve van de sanitaire unit wordt lichte fundering aangebracht. De toename aan verharding bedraagt +/- 150 m2 (100 m2 voor het parkeren en 45 m2 voor het sanitairgebouw) en blijft daarmee ruimschoots onder de onderzoeksgrenzen.
De landschappelijke inpassing van het recreatieterrein beperkt zich tot het realiseren van een houtsingel, kruidenrijk akkerrand en enkele nieuw aan te planten bomen. De bodemingrepen behorende bij deze landschappelijke inpassing blijven beperkt en reiken niet dieper dan de huidige bodemverstoring die vanwege het voormalig agrarisch gebruik hier reeds heeft plaatsgevonden.
Het is naar aanleiding hiervan niet nodig om historisch en/of karterend onderzoek uit te voeren, of om een quickscan te verrichten.
CULTUURHISTORIE
Voor het aspect cultuurhistorie is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geraadpleegd om de aanwezigheid van belangwekkende cultuurhistorische elementen en objecten aan te kunnen tonen. Binnen het plangebied bevinden zich geen specifieke cultuurhistorische objecten. De bebouwing is niet aangemerkt als Rijks- of gemeentelijk monument.
De stolpboerderij die als woning zal worden gebruikt ligt wel in een door de Provincie aangewezen boerderijplaats. De stolpboerderij valt in de huidige staat ook onder 'karakteristieke bouwwerken (niet-woningen)'. Er wordt in de bestaande situatie al in de stolpboerderij gewoond. Hiernaast wordt er verder niets aangepast aan de woning. Het karakteristieke uiterlijk van de stolpboerderij wordt niet aangetast en blijft met het planvoornemen behouden.
Conclusie
Het planvoornemen is, wat het aspect erfgoed betreft, uitvoerbaar.
Wettelijk kader
De overheid heeft in voorgaande jaren veiligheidsnormen vastgesteld die moeten worden genomen en waarmee op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat afwegingen ten aanzien van risico's op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moet worden gemaakt en niet impliciet blijven plaatsvinden. Het gaat hierbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen in dit geheel onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (bijvoorbeeld lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, waterwegen, spoorwegen) en leidingen (onder andere vloeibare brandstof, elektriciteit en aardgas).
Onderzoek
In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is er een zogeheten risicokaart gecreëerd. Op deze kaart staan verschillende risico-ontvangers en risicobronnen weergegeven. Voor dit bestemmingsplan is de risicokaart gehanteerd om te kijken of er aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn.
Op basis van de risicokaart blijkt dat er zich in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen bevinden. Het plangebied bevindt zich dan ook buiten het invloedsgebied van risicobronnen. Daarnaast leidt de bestemmingswijziging waarmee het perceel een woonbestemming krijgt, niet tot de totstandkoming van een risicobron.
Conclusie
De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt niet beperkt door een extern veiligheidsrisico.
Sinds 1979 is de Wet geluidhinder van kracht (Wgh). De Wgh richt zich op de preventie van geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, wegverkeerslawaai en industrielawaai. De wet bepaald daarnaast ook dat de 'geluidbelasting op gevels van woningen en andere geluidgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet aangewezen norm. In veel gevallen is de norm 48 decibel. Deze wordt dan vaak als voorkeursgrenswaarde aangeduid. Akoestisch onderzoek kan achterwege blijven indien er bij wegen een maximale snelheid van 30 km/uur geldt of als het plan geen geluidsgevoelig gebouw realiseert. Naast de kaders van de Wgh, moet er bij een ruimtelijk plan sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit zodat de garantie op een goed woon- en leefklimaat kan worden behouden.
Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling betreft een geluidgevoelige functie. Daarom moet getoetst worden op de Wet geluidhinder. Op het deel van de Gaestdyk buiten de bebouwde kom is een maximale snelheid van 60 km/uur toegestaan. Deze snelheid is bij binnenkomst van de bebouwde kom van Tjerkgaast verlaagd naar 30 km/uur. Hiernaast is voor de Aldedyk, de weg die aan de westelijke kant langs het plangebied loopt, ook een maximale snelheid van 60 km/uur toegestaan. De Gaestdyk ligt daarom binnen de invloedssfeer van zowel de Gaestdyk als de Aldedyk. Dit betekent dat deze wegen deel uitmaken van een geluidszone op basis van de Wgh.
De kleinste afstand van de voorgevel van de woning tot aan de Gaestdyk is circa 20 meter. De afstand tot aan de Aldedyk bedraagt daarnaast circa 12 meter. Het plan betreft slechts een functiewijziging en maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk. Bovendien wordt er in de huidige situatie al in de woning gewoond. Met het oog op de bestaande woning kan worden gesteld dat geluidhinder geen dusdanig invloed heeft op het planvoornemen en dat een akoestisch onderzoek voor deze ontwikkeling dan ook niet is vereist.
Conclusie
Op het gebied van geluidhinder worden geen belemmeringen verwacht. Het planvoornemen kan, wat dit aspect betreft, uitvoerbaar worden geacht.
De Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit zijn door Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit te worden getoetst. De criteria die beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn in de AMvB-nibm vastgelegd.
Onderzoek
Het plan betreft een functiewijziging van de bestemming 'Agrarisch' naar 'Wonen - Voormalig boerderij'. De huidige situatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf met bedrijfswoning, waar reeds in wordt gewoond. De nieuwe situatie maakt ook kleinschalige recreatieve activiteiten mogelijk. Er is per saldo geen significante toename van verkeer te verwachten aan de hand van deze functiewijziging met bijbehorende activiteiten. Het plan kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd.
Conclusie
Het plan kan voor het aspect luchtkwaliteit als uitvoerbaar worden beschouwd.
Op grond van de Bro (artikel 3.1.6) dient een waterparagraaf te worden opgenomen in de toelichting van ruimtelijke plannen. Hierin wordt beschreven op welke manier rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishoudkundige situatie. Dit betreft zowel het grondwater als het oppervlaktewater. Het is een schriftelijke weergave van de zogenoemde watertoets. De watertoets heeft als doel om de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en evenwichtig in beschouwing te nemen bij alle waterhuishoudkundig relevante besluiten en ruimtelijke plannen. Het voorliggend plangebied valt binnen het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.
Onderzoek
Op 4 november 2021 is de digitale watertoets voor het plangebied uitgevoerd. Het overzicht van deze watertoets is als bijlage bij de toelichting raadpleegbaar (Bijlage 1 Digitale watertoets). Uit de watertoets blijkt dat de korte watertoetsprocedure van toepassing is op het plangebied. Dit geeft aan dat de aanwezige wateraspecten mogelijk invloed kunnen hebben op het plan en dat het waterschap een aanvullend wateradvies uitbrengt. Bij de uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met de algemene uitgangspunten die Wetterskip Fryslân hanteert. Hieronder staat beschreven wat Wetterskip Fryslân naar aanleiding hiervan voor het plangebied adviseert.
Toename verharding
Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid van verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren, om zo de waterberging in stand te kunnen houden. Dit geldt tevens voor het toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond meer dan vijf jaar braak ligt en waarvoor in het verleden niet is gecompenseerd.
Het is verboden om zonder watervergunning neerslag versneld te laten afvoeren indien hierbij meer dan 200 m2 onverharde grond in het stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt verhard of bebouwd. Indien er wordt voldaan aan de compensatieregels die genoemd zijn in dit wateradvies, geldt er een vrijstelling van de vergunningsplicht. De meest voorkomende wijze van compensatie is het graven van additioneel oppervlaktewater.
Het planvoornemen maakt een minimale toename van de feitelijke verharding mogelijk. Toename van verharding wordt verwacht ter plaatse van de sanitaire unit en de parkeerplaatsen. Deze worden voorzien van halfverharding. Zie hiervoor ook de landschappelijke inpassing. De toename aan verharding bedraagt +/- 150 m2 (100 m2 voor het parkeren en 45 m2 voor het sanitairgebouw).
Compensatie is voor deze toename aan verharding niet nodig.
Conclusie
Voor het aspect water worden geen belemmeringen verwacht voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Verkeersgeneratie
Op grond van de kencijfers van het CROW is een verwachting van het extra aantal verkeersritten gedaan. Met het planvoornemen blijft de bewoning van de boerderij mogelijk. Een voormalige boerderijwoning kan het beste vergeleken worden met de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Op basis van het Centraal Bureau Statistiek (CBS) valt Gaestdyk 51 onder de stedelijkheidsgraad: 'weinig stedelijk'. Tevens valt het plangebied onder de gebiedscategorie 'Rest bebouwde kom'. Op basis van de kencijfers van het CROW hoort hier een minimaal aantal verkeersbewegingen van 8 en een maximaal aantal verkeersbewegingen van 9 bij. Opgemerkt kan worden dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een bedrijfswoning. Van een toename is dan ook niet echt sprake. Daarnaast wordt met het planvoornemen een agrarische bestemming gewijzigd naar wonen. Eventuele verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf komen daarmee te vervallen. De ondergeschikte nevenactiviteiten worden niet meegenomen in de verkeersgeneratie omdat deze in de bestaande planologische situatie bij recht zijn toegestaan.
Door de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen vormt het planvoornemen geen belemmering voor de verkeerssituatie.
Parkeren
De vereisten afkomstig van het parkeerbeleid staan beschreven in 3.3.3. Vanuit de parkeerbehoefte gezien is er op eigen erf genoeg ruimte om te parkeren en zijn voldoende parkeerplekken ingepast.
Conclusie
Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de verkeerssituatie. Tevens kan aan de parkeerbehoefte worden voldaan.
Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Het aantal situaties waarvoor nu een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht moet worden uitgevoerd, is afgenomen. Er zijn in de huidige staat meer situaties waarin eerst moet worden beoordeeld of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Voor elk besluit of plan dat in verband staat met activiteiten die op de D-lijst van het Besluit staan en beneden de drempelwaarden vallen, moet een toets worden uitgevoerd waarbij na wordt gegaan of er belangrijke milieugevolgen zijn. Deze toets, die een nieuw element in de m.e.r.-regelgeving betreft, wordt met de term vormvrije m.e.r.-beoordeling aangeduid.
Aan de hand van dit bestemmingsplan wordt een agrarische bestemming gewijzigd naar een 'Wonen - Voormalige boerderij' bestemming. Dit kan leiden tot een m.e.r. (beoordelings)-plicht. Om vast te stellen of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient te worden bepaald of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt.
Uit jurisprudentie blijkt dat op het moment dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met beperkte bebouwing op het perceel, er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Hiernaast overschrijdt het planvoornemen geen van de drempelwaarden die in lijst C en D van het Besluit m.e.r. beschreven zijn.
Conclusie
Er treden geen mogelijke negatieve milieueffecten ten gevolge van het planvoornemen. Een plan MER of m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde.
Dit bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om ruimtelijke plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe ruimtelijke plannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
De hoofdstukindeling van de regels is op een standaardwijze opgesteld, namelijk:
Hoofdstuk 1 van de regels betreffen de inleidende regels.
Artikel 1: Begrippen
In artikel 1 van de regels zijn waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Een deel van deze begrippen is voorgeschreven in de SVBP2012.
Artikel 2: Wijze van meten
De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2.
In hoofdstuk 2 van de regels zijn de bestemmingsregels die betrekking hebben op de in het bestemmingsplan gehanteerde bestemmingen en artikelsgewijs in de regels zijn opgenomen. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen:
Artikel 3: Agrarisch
Een deel van het kadastrale perceel 1219 behoudt de bestemming 'Agrarisch' (uit het moederplan). Het bouwvlak uit het moederplan is verwijderd. Onder voorwaarden is ondergeschikte bebouwing in de vorm van schuilstallen wel toegestaan.
Artikel 4: Wonen - Voormalig boerderij
Het bestaande kadastrale perceel 1218 krijgt de bestemming 'Wonen - Voormalig boerderij' (uit het moederplan). Deze bestemming maakt de volgende functies/activiteiten mogelijk:
met daaraan ondergeschikte functies/activiteiten.
In de specifieke gebruiksregels wordt het toegestaan gebruik verder gespecificeerd, zoals de mogelijkheden die er zijn voor Bêd & Brochje. Er zijn voorwaarden verbonden aan de uitvoering van deze activiteiten die ervoor zorgen dat wonen de hoofdfunctie blijft, met de daarbij passende ruimtelijke uitstraling.
Bebouwingsregels:
Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvatten de algemene regels. De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen.
Artikel 4: Anti-dubbeltelregel
De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.
Artikel 5: Algemene bouwregels
In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen ten aanzien van bestaande maatvoeringen, de overschrijding van bouwgrenzen en plaatselijke verhogingen.
Artikel 6: Algemene gebruiksregels
In de algemene gebruiksregels is geregeld welk gebruik in ieder geval tot strijdig gebruik met de in het plan opgenomen bestemmingen wordt gerekend.
Artikel 7: Algemene afwijkingsregels
De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren.
Artikel 8: Overige regels
Overige regels zien er op toe dat er een juiste afstemming aanwezig is tussen het bestemmingsplan en wettelijke regelingen zoals die bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan van kracht zijn. In geval van voorliggend bestemmingsplan is in dit artikel de borging van voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het plangebied vastgelegd.
In hoofdstuk 4 zijn de afsluitende regels van het bestemmingsplan neergelegd. Het gaat hierbij om:
Artikelen 9 en 10 Overgangsrecht en slotregel
Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.
De kosten voor de verrichting van de noodzakelijke onderzoeken ten dienste van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Dit geldt tevens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding.
Door het opstellen van dit bestemmingsplan voor de betreffende gronden is de kans aanwezig dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade ondervinden aan de hand van de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt.
Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, wordt gedragen door de initiatiefnemer. Op grond van deze overweging kan het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht. Er is geen noodzaak tot een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet, omdat tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst wordt gesloten. Dit betekent dat het bestemmingsplan niet wordt belemmerd door onvoldoende economische uitvoerbaarheid.
Overleg omwonenden
De initiatiefnemer heeft met de directe buren gesproken en heeft aan hen de plannen voorgelegd. Het gesprek verliep goed en men was over het algemeen positief over het voornemen. Een kanttekening die de buren plaatsten was dat zij privacy willen houden op hun erf en dat ze bezorgd zijn over geluidsoverlast van gasten. Zij zouden graag zien dat het kleinschalig kampeerterrein op meer afstand van de perceelsgrens, meer naar het zuidwesten, wordt geplaatst.
Bij de landschappelijke inpassing is voldoende rekening gehouden met de door de buren genoemde aspecten, door het plaatsen van een robuuste houtsingel langs de betreffende perceelsgrens. Het uitoefenen van een kleinschalig kampeerterrein op het achterliggende deel van het erf is overigens een bestaand planologisch recht (ook binnen de bestemming agrarisch toegestaan). De initiatiefnemers houden bij de verdere uitwerking en inrichting van het kleinschalig kampeerterrein rekening met de door de buren genoemde aandachtspunten.
Overleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. Het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg voorgelegd aan de betrokken overleginstanties.
Overlegreacties
Op het planvoornemen zijn vier reacties ingekomen, te weten van TenneT, Brandweer Fryslân, de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân. Alle reacties zijn in Bijlage 2 opgenomen. De reactie van TenneT kan ter kennisgeving worden aangenomen. Op de reacties van Brandweer Fryslân, de provincie Fryslân en het Wetterskip wordt hieronder kort ingegaan.
1. Brandweer Fryslân
Brandweer Fryslân heeft geen bezwaar tegen het voorontwerp bestemmingsplan. Wel voorzien zij in het plangebied mogelijk een knel-/ aandachtspunt met betrekking tot de bereikbaarheid.
In overeenstemming met de punten die genoemd zijn in deze bijlage adviseert Brandweer Fryslân daarom om:
Reactie gemeente: In het plan kan worden voldaan aan de minimale eisen betreffende de vrije breedte en hoogte voor de bereikbaarheid van een blusvoertuig. Op de smalste delen van de weg is de vrije breedte 4,60 meter. De minimumeis is een breedte van 4,50 meter. Het plan wordt op dit punt uitvoerbaar geacht.
2. Provincie Fryslân
De provincie Fryslân heeft in een advies vooroverleg enkele opmerkingen gemaakt en adviseert met betrekking tot de volgende onderdelen:
Reactie gemeente: Naar aanleiding van de overlegreactie zijn wijzigingen in voorliggend plan doorgevoerd:
3. Wetterskip Frsylân
In haar reactie vermeld het Wetterskip een tegenstrijdigheid tussen de aanvraagde watertoets en het toelichting van het bestemmingsplan. Het Wetterskip vraagt om een verduidelijking over de toename aan verhard oppervlak waarop zij een definitief kan geven.
Reactie gemeente: naar aanleiding van de ingekomen reactie heeft afstemming plaatsgevonden tussen gemeente en Wetterskip. In het bestemmingsplan was een foutieve vermelding van de toename aan verharding opgenomen. Deze verschrijving is aangepast in paragraaf 4.2.8. Het Wetterskip heeft daarop aangegeven dat geen verdere compensatie noodzakelijk is.
Tervisielegging ontwerp
Het ontwerpbestemmingsplan is met ingang van 9 juni 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Met het ter visie leggen van het bestemmingsplan heeft de gemeente iedereen de mogelijkheid geboden om kennis te kunnen nemen van het plan en eventueel te reageren op de inhoud ervan. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het plan is ongewijzigd vastgesteld.
Vaststelling
Het bestemmingsplan is op 20 september 2023 ongewijzigd vastgesteld.
Aanvulling op het plan (herstel n.a.v. uitspraak ABRvS)
In de uitspraak van 27 augustus 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep tegen het op 20 september 2023 vastgestelde plan, gegrond verklaart. De uitspraak is als Bijlage 3 bijgevoegd. Zij heeft het besluit tot vaststelling van het plan vernietigt voor zover het de volgende planregels betreft:
De raad van de gemeente De Fryske Marren is opgedragen om binnen vier weken na verzending van de uitspraak ervoor zorg te dragen dat de vernietiging van de hiervoor bedoelde planregels in het elektronisch vastgestelde plan, te raadplegen op de landelijke voorziening, wordt verwerkt.
Op basis van deze uitspraak zijn de hiervoor bedoelde planregels uit de planregels verwijderd. Ook is Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving hierop aangepast. Hiermee geeft de gemeenteraad uitvoering aan de opdracht uit de uitspraak.