direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Sondel - Krúspaed 4
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaren van het woonperceel op de locatie Krúspaed 4 te Sondel willen een nieuwe schuur op hun erf bouwen.

De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende beheersverordening Zuid-West 2017. Om de gewenste situatie planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de kadastrale percelen 1204, 3450, 4306, 4308, 4307 en 4309. Het betreft het bestaande woonerf van de Krúspaed 4 te Sondel inclusief de agrarische gronden direct ten noordwesten hiervan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0001.jpeg"

Figuur 1 Ligging plangebied (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is juridisch-planologisch geregeld in de beheersverordening Zuid-West 2017, dat is vastgesteld op 26 september 2017. Met de beheersverordening zijn de voormalig geldende plannen bekrachtigd. In dit geval het bestemmingsplan Buitengebied, de (partiële) herzieningen daarvan en de wijzigingsplannen. Met uitzondering van regels over nadere eisen, wijzigingsbevoegdheden, strafbepalingen, overgangsrecht en slotbepalingen. Deze zijn niet meer van toepassing. Op basis van dit bestemmingsplan geldt voor het bestaande perceel Krúspaed 4 de bestemming 'Woondoeleinden'. De gronden ter hoogte van het beoogde vrijstaande bijbehorend bouwwerk heeft de bestemming 'Agrarisch gebied in een besloten landschap' zonder bouwmogelijkheden. De gronden mogen alleen gebruikt worden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. De bouw van het bijbehorend bouwwerk ten behoeve van de woonfunctie op het perceel Krúspaed 4 is dan ook niet toegestaan. In figuur 2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan toegevoegd.

Op grond van artikel 3.6 is het mogelijk om de bestemming 'Agrarisch gebied in een besloten landschap' te kunnen wijzigen in de bestemming 'Woondoeleinden' ten behoeve van de begroting van tuinen of erven bij woningen. Zoals eerder aangegeven kan geen toepassing worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid omdat het geldende planologische regime een beheersverordening is. Het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan binnen een beheersverordening. In dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de voorwaarden gesteld aan het mogen toepassen van deze wijzigingsbevoegdheid.

Deze voorwaarden zijn:

  • vergroten van percelen met de bestemming 'Woondoeleinden' mag tot een maximum aaneengesloten erf van 3000 m²;
  • er dient een zodanige afstand te worden aangehouden tot agrarische en andere bedrijven dat deze niet hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  • er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan landschappelijke en natuurlijke waarden.

Aanvullend heeft de gemeente in het principebesluit van 23 december 2020 aangegeven dat aan de schuur medewerking kan worden verleend wanneer het vergroten van de bestemming 'Woondoeleinden' beperkt blijft tot aan de noordelijke perceelgrens en de gronden direct onder de voorgenomen schuur.

Paragraaf 3.3 gaat nader in op de gestelde voorwaarden.

Paraplubestemmingsplan parkeernormen

Op 27 juni 2018 is het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling conform de Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren en is tevens van toepassing op het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0003.png"

Figuur 2 Uitsnede beheersverordening Zuid-West 2017

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de juridische regeling van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt even ten zuidwesten van het dorpslint van de kern Sondel en bevindt zich aan de Krúspaed. De Krúspaed is een zijtak van de gebiedsontsluitingsweg de Beuckenswijkstraat. De Krúspaed is een weg die uitsluitend bedoeld is voor bestemmingsverkeer. Hier bevinden zich voornamelijk woon- en agrarisch functies.

Het perceel waar het bijbehorend bouwwerk, zijnde de schuur, is voorzien grenst direct aan het woonperceel aan de Krúspaed 4.

Op het perceel staat een woning (80 m2) en een daarbij behorend bouwwerk (40 m2). De woning heeft een goothoogte van 3,8 meter en een nokhoogte van 7 meter. Het perceel heeft op basis van de geldende bestemming 'Woondoeleinden' een woonperceeloppervlakte van 645 m2.

De gronden direct ten noordwesten van het perceel, waarop de schuur is voorzien, zijn ook in eigendom van de familie. Deze gronden zijn onbebouwd en hebben in de huidige situatie een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden. Direct ten zuiden van het perceel bevindt zich het woonperceel van de Krúspaed 2.

Een luchtfoto van de actuele situatie in en rondom het perceel is weergegeven in figuur 3 en 4. Een vooraanzicht van het perceel is weergeven in figuur 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0004.jpeg"

Figuur 3 Situatie plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0005.png"

Figuur 4 Overzicht plangebied en omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0006.png"

Figuur 5 Overzicht plangebied en omgeving

2.2 Toekomstige situatie

Het gewenste initiatief betreft het bouwen van een bij de woning bijbehorend bouwwerk in de vorm van een schuur ten noordwesten van en direct grenzend aan het perceel Krúspaed 4.

Het bijbehorend bouwwerk is ondergeschikt aan de woning. Dit uit zich in het feit dat het gebouw achter de naar de weg gekeerde gevel van de woning staat gepositioneerd en de goot- en nokhoogte lager zijn dan de woning. Het initiatief voorziet in een perceelsgebonden ontwikkeling. Voor de landschappelijke inpassing is aansluiting gezocht bij de bestaande verkavelingstructuur. Deze blijft ongewijzigd. Daarnaast wordt de schuur op korte afstand van de bestaande bebouwing gepositioneerd. Hiermee blijft er sprake van een concentratie van gebouwen.

De oppervlakte van het gewenste woonperceel bedraagt 1.760 m2. Dit Figuur 6 geeft een overzicht van de gewenste situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPSON21KRUSPAED4-VA01_0008.png"

Figuur 6 Voorgestelde inrichting

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Dit houdt in dat de toelichting op een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het project die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er ook gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De bouw van een schuur wordt, vanwege de relatieve kleinschaligheid, niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (Raad van State, 27 augustus 2014, 201311233/1/R4, r.o. 3.3). Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.

Conclusie

De kleinschalige ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is niet aangewezen als één van de 14 nationale belangen en raakt daarom geen beleid en regels uit de SVIR en het Barro.

3.2 Provinciaal beleid

De belangrijkste uitgangspunten van het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in ruimtelijke plannen rekening mee gehouden moet worden.

Verordening Romte Fryslân

In de verordening Romte Fryslân is het provinciaal beleid, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.

Volgens de kaarten van de Verordening Romte 2014 ligt het plan in het landelijk gebied. In dit geval is de woonfunctie op basis van de geldende planologische regeling al toegestaan. Er is dan ook geen sprake van het toevoegen van extra woningen in het landelijk gebied. De provinciale verordening geeft aan dat de maximale oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 300 m2. Aan de oppervlakte eis wordt in de toekomstige situatie voldaan. Het beleid geeft verder geen beperkingen voor de maximale oppervlaktemaat van een woonperceel. Het provinciaal beleid staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

3.3 Gemeentelijk beleid

Visie de Friese Meren (gemeente)

In de 'Visie De Fryske Marren' beschrijft de gemeente hoe de gemeente eruit ziet en wat haar ambities zijn. In het beleidsdocument worden een aantal richtinggevende uitspraken gedaan.

Beukenswijkstraat

Voor de gemeente is het belangrijk dat het plattelandskarakter behouden blijft. Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. Van oudsher kent het gebied een sterke agrarische sector die voor werkgelegenheid en inkomsten zorgt, en als samenbindend maatschappelijk element fungeert. De gemeente staat hierbij open voor nieuwe ontwikkelingen. Deze moeten in balans zijn met de huidige waarden in het gebied. Met het voornemen blijft het plattelandskarakter van de gemeente behouden.

Buitengebied Zuid West 2017

Voor het plangebied is de beheersverordening Buitengebied Zuid West 2017 van toepassing. Hierin is vastgelegd dat (onder meer) de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan Herziening Bestemmingsplan Buitengebied 2004 van toepassing is. Op basis van dit bestemmingsplan geldt voor het bestaande woonperceel Krúspaed 4 de bestemming 'Woondoeleinden'. De gronden ter hoogte van het beoogde bijbehorend bouwwerk kennen de bestemming 'Agrarisch gebied in een besloten landschap' zonder bouwmogelijkheden. De gronden mogen alleen gebruikt worden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. De bouw het bijbehorend bouwwerk is dan ook niet toegestaan.

 

In paragraaf 1.3 zijn de gemeentelijke voorwaarden benoemd waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet voldoen.

  • vergroten van het perceel met de bestemming 'Woondoeleinden' mag tot een maximum aaneengesloten erf van 3000 m², op voorwaarde dat de ligging beperkt blijft tot aan de noordelijke perceelgrens en de gronden direct onder de voorgenomen schuur;

Aan de voorwaarde kan worden voldaan. Het woonperceel krijgt een oppervlakte van 1.760 m2.

  • Er dient een zodanige afstand aangehouden te worden tot agrarische en andere bedrijven, dat deze niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Aan de voorwaarde wordt voldaan. Paragraaf 4.1 gaat hier nader op in. Agrarische bedrijven bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Daarnaast bevindt zich tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf, aan de Beuckenswijkstraat 48, reeds woningen. De bedrijfsvoering wordt derhalve niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

  • Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan landschappelijke en natuurlijke waarden.

De ontwikkeling betreft een perceelsgebonden ontwikkeling. Er wordt dan ook geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke waarden. Het betreft daarnaast ook geen beschermd natuurgebied. Een beoordeling hiervan is opgenomen in paragraaf 4.8.

Geconcludeerd wordt dat een de voorwaarden voor het vergroten van het woonperceel voldaan kan worden.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.


Het initiatief zorgt er niet voor dat bedrijven in de omgeving in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Bedrijven bevinden zich namelijk op grote afstand van het plangebied en tussen het plangebied en de bedrijven in bevinden zich reeds gevoelige functies in de vorm van woningen. Deze bedrijven worden daarom door deze woningen al (eventueel) in hun bedrijfsvorming beperkt.

4.2 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Dit geldt ook voor spoorwegen. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies (zoals woningen) enerzijds en niet-geluidgevoelige functies anderzijds.

Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Het bestemmingsplan stelt geen nieuwe geluidgevoelige functies voor. Op basis van de feitelijk en vergunde situatie is de woonfunctie namelijk al toegestaan.

Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.3 Verkeer en parkeren

De Krúspaed heeft een aansluiting op de Beuckenswijkstraat. Deze weg sluit vervolgens aan op de N359. Deze weg heeft ruim voldoende capaciteit voor de woonfunctie van het perceel. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande aansluiting op deze weg. Aan deze weg worden geen aanpassingen voorgesteld. De bouw van een schuur heeft geen invloed op de verkeerintensiteit van de bestaande (woon) functie van het perceel. Er is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid.

Volgens de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning. Voor parkeren geldt als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost wordt overeenkomstig de gemeentelijke parkeernorm. In het plangebied is voldoende ruimte om aan de benodigde parkeerplaatsen te kunnen voldoen. De toevoeging van een schuur zorgt niet voor extra parkeerbehoefte.

4.4 Water

Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied valt in het werkgebied van Wetterskip Fryslân.

Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20210122-2-25359). In bijlage 1 is de watertoets toegevoegd. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt heeft geen invloed op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets.

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk.

In een situatie waarin een terrein niet is verhard kan hemelwater infiltreren in de ondergrond. Wanneer een gebied (deels) wordt verhard dan stroomt hemelwater versneld af naar het oppervlaktewater. Om overlast te voorkomen, moet deze versnelde afstroom gecompenseerd worden om overlast te voorkomen. Wetterskip Fryslân hanteert een compensatienorm van 5 % bij plannen die vrij voor de boezem liggen. Voor bebouwd gebied is de ondergrens van 200 m² van toepassing, in het buitengebied geldt een ondergrens van 1.500 m². Met dit plan is geen sprake van een toename aan verharding groter dan 200 m2. Derhalve zijn compenserende maatregelen niet aan de orde.

Ruimtelijke adaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.

Procedure

Via www.dewatertoets.nl heeft het waterschap de watertoets als een melding ontvangen. Zij archiveren deze melding. De watertoets is hiermee voor Wetterskip Fryslân afgerond. Dit betekent dat er verder geen contact opgenomen hoeft te worden met Wetterskip Fryslân.

4.5 Bodem

Het uitgangspunt wat betreft de bodem is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de gewenste functie. De ontwikkeling vindt plaats op gronden waar op basis van het geldende bestemmingsplan de woonfunctie reeds is toegestaan.

De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf. Ten aanzien van de bouw van de paardenschuur is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Er is namelijk geen sprake van een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (meer dan 2 uur per (werk)dag) mensen verblijven. Daarnaast is gezien het huidige gebruik van de gronden als agrarisch cultuurgrond geen sprake van een verdachte locatie. Het uitvoeren van bodemonderzoek is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig.

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.6 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

Voor de gemeente wordt gebruik gemaakt van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De kaart is opgemaakt voor twee perioden: de ijzertijd-middeleeuwen en de steentijd-bronstijd.

Op basis van de kaart voor de ijzertijd-middeleeuwen is het plangebied aangemerkt als 'karterend onderzoek 3'. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een historisch en karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren.

Op basis van de kaart steentijd-bronstijd is het plangebied aangemerkt als 'quickscan'. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren.

Met dit bestemmingsplan worden geen bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt die de drempelwaarde overschrijden. Het omgevingsaspect archeologie vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat.

4.7 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

Voor dit aspect is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) van de provincie gebruikt. Hieruit blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.

4.8 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europese regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.


Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Tenslotte zijn in de provinciale verordening weidevogelgebieden aangegeven.

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als de Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Rondom het plangebied is overigens wel sprake van een NNN-gebied. Gezien de relatieve kleinschaligheid van het project, de bouw van een kleine schuur, kan worden aangenomen dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed op het Natura 2000-gebied en Natuur Netwerk Nederland heeft.

Soortenbescherming

De gewenste situatie die de initiatiefnemers voor ogen hebben voorziet niet in het kappen van bomen, het dempen van sloten, en/of het slopen van gebouwen. Aantasting van beschermde soorten en strijdigheid met de Wet natuurbescherming wordt daardoor uitgesloten.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten. Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.

Voor dit project is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen sprake is van risicovolle inrichtingen, transportroutes waarmee rekening hoeft te worden gehouden.

De brandweer heeft voor de bestemmingsplanwijziging een advies gegeven. Dit advies is opgenomen als bijlage 2 bij de toelichting. De brandweer heeft geen bezwaar voor de bestemmingswijziging, maar constateren dat er wel knel-/ aandachtspunten zijn voor het bluswater en de zelfredzaamheid. Hiervoor wordt een brandkraan aangelegd tussen Gaestdykje 2 en Kruspaed 4 om zo tot een passende bluswateroplossing te komen.

Conclusie

Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

In dit geval is slechts sprake van het vergroten van een bestaand woonerf en draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.11 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.


In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten kabels, leidingen en zoneringen de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding is de woonbestemming en in de regels (per bestemming) zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden vastgelegd.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf wordt de woonbestemming zoals deze op de verbeelding en in de regels is opgenomen, beschreven. Daarbij wordt aangesloten op de systematiek van het recent door de gemeente opgestelde handboek. De regels zijn daarbij vergeleken met de woonbestemming, zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. De regels uit het handboek bieden de ruimte die deze woonbestemming eveneens inhoudt. Tevens is de regeling uit het Paraplubestemmingsplan parkeernormen overgenomen.

Wonen

Het aantal woningen bedraagt niet meer dan één woning binnen het bestaande woonhuis. De oppervlakte van een woonhuis, inclusief bijbehorende bouwwerken, bedraagt niet meer dan 300 m². Indien de bestaande oppervlakte meer is, dan is deze toegestaan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg en inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. De Brandweer Fryslân, Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân hebben hierop gereageerd. De brandweer Fryslân (zie bijlage 2) heeft geen inhoudelijke opmerkingen op het voorontwerp bestemmingsplan. Het voorontwerp is niet voor inspraak ter inzage gelegd. De overlegreacties van de provincie en het waterschap hebben enkel geleid tot enkele wijzigingen in de toelichting.

Zienswijze

Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen binnen gekomen.

Vaststelling

Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële uitvoerbaarheid

Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. In dit geval is er geen sprake van uitvoeringskosten. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

Grondexploitatie 

In het voorliggende plan is er op basis van artikel 6.2.1 Bro geen sprake van een bouwplan. De grondexploitatieregeling is daarom niet van toepassing. Om deze reden wordt door de gemeente van het opstellen van een grondexploitatieplan afgezien. Tevens is bepaald dat bij exploitatiebedragen minder dan €10.000 er sprake is van een 'uitzonderingsgeval' waarbij het opstellen van een exploitatieplan niet verplicht is. In dit geval kan met leges worden volstaan aangezien er geen sprake is van fysieke kosten voor de gemeente en de gemeentelijke kosten minder bedragen dan € 10.000,-. De procedurekosten worden via leges verhaald op de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht.

Ook wordt er geen anterieure overeenkomsten afgesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Voor het overige wordt het initiatief volledig door de initiatiefnemer bekostigd. Gemeente en initiatiefnemer sluiten een planschadeverhaalsovereenkomst.