| Plan: | Sondel - Beuckenswijkstraat 19 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPSON21BEUCKENSW19-VA01 |
Aanleiding tot het onderhavige bestemmingsplan is de lang gekoesterde wens van de eigenaren/ bewoners van het perceel Beuckenswijkstraat 19 te Sondel dit perceel uit te breiden met circa 330 m2 van het ten noord- en zuidoosten van het bouwperceel gelegen aangrenzende perceel weidegrond. Het vigerende bestemmingsplan staat een gebruik ten behoeve van de bestemming “Woondoeleinden” niet toe.
De gemeente heeft eerder kenbaar gemaakt medewerking te willen verlenen aan het voornemen. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie noodzakelijk.
Het plangebied bevat het ten noordoosten van en grenzend aan het perceel Beuckenswijkstraat 19 te Sondel gelegen deel van de als “Agrarisch gebied in een besloten landschap” bestemde grond. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente De Fryske Marren. In figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied is afgestemd op het kadastrale perceel nummer 1250, sectie N van de kadastrale gemeente Balk. De begrenzing van het plangebied is weergeven in figuur 1.2.
Figuur 1.1: Ligging plangebied
Figuur 1.2: Begrenzing plangebied met in rood kader het huidige perceel en blauw gearceerd de toe te voegen gronden.
Van toepassing is de beheersverordening “Buitengebied Zuid West 2017”, welke is vastgesteld op 26 september 2017. Voor wat de van toepassing zijnde planregels en plankaart betreft wordt hierin de regelgeving van het bestemmingsplan “Buitengebied 2004” van toepassing verklaard.
De gronden waarop dit plan betrekking heeft zijn hierin bestemd voor “Agrarisch gebied in een besloten landschap” (artikel 5). Een gebruik ten behoeve van de functie wonen is hierbinnen niet toegestaan.
Artikel 5 lid I onder 13 van voornoemd bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om de bestemming "Agrarisch gebied in een besloten landschap" te wijzigen in de bestemming "Woondoeleinden", onder voorwaarde dat de bepalingen van artikel 8 van dat plan hierop van overeenkomstige toepassing zijn.
Als wijzigingsvoorwaarden gelden de in artikel 3, lid 3 sub 3.6 genoemde voorwaarden, te weten:
Wat betreft de hiervoor weergegeven wijzigingsvoorwaarden geldt het navolgende:
Ad 1. de oppervlakte van het erf Beuckenswijkstraat 19 te Sondel zal, na toepassing van de wijziging, maximaal 1.640 m2 bedragen.
Ad 2. het naast aan het perceel 19 grenzende perceel i.c. Beuckenswijkstraat 21 is bestemd voor “Woondoeleinden”. Overigens betreft het verzoek een wijziging van de gronden aan de oostzijde van dit perceel in een niet milieuhinderveroorzakende functie (erf bij een bestaande woning), wat impliceert dat de bestemming “Woondoeleinden” ten opzichte van voornoemd perceel niet wordt verkleind. De naast grenzende agrarische bedrijven en andere milieuhinderlijke bedrijven bevinden zich op een veel grotere afstand dan 50 meter. Ook daarvoor geldt dat de gewijzigde functie geen milieuhinder veroorzaakt en evenmin milieuhindergevoelig is.
Ad 3. De ontwikkeling betreft een perceelsgebonden ontwikkeling. Er wordt dan ook geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke waarden. Het betreft daarnaast ook geen beschermd natuurgebied. Uit een globale inventarisatie blijkt dat binnen de gronden waarop voorliggend verzoek betrekking heeft geen dieren of planten aanwezig zijn met een (hoge) natuurlijke waarde. Het betreft hier grond welke intensief agrarisch worden gebruikt. Bovendien grenzen deze gronden direct aan het erf van het perceel Beuckenswijkstraat 19, waardoor de kans op de aanwezigheid van vogels en andersoortige dieren vanwege de hiervan afkomstige verstoring, zeer gering is.
Conclusie is dat aan de hiervoor genoemde wijzigingsvoorwaarden wordt voldaan.
Het is evenwel niet mogelijk aan deze wijzigingsbevoegdheid toepassing te geven, aangezien deze binnen de geldende beheersverordening is vervallen. Om de verzochte ontwikkeling niettemin mogelijk te maken, dient een bestemmingsplan opgesteld te worden.
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Hoofdstuk 4 bevat de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de juridische regeling van het plan aan de orde gesteld. De maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan zijn beschreven in hoofdstuk 6.
Op het perceel Beuckenswijkstraat 19 bevindt zich een woonhuis met een bijgebouw. Het bij de woning behorende perceel, inclusief de oppervlakte van de bebouwing, bedraagt 1310 m2. Aan de oost- en de noordzijde wordt het perceel begrensd door agrarische grond welk nog als zodanig wordt gebruikt en beheerd. Deze gronden zijn bestemd voor “Agrarisch gebied in een besloten landschap”.
Reeds gedurende een aantal jaren zijn de eigenaren van het perceel Beuckenswijkstraat 19 in onderhandeling geweest met de eigenaar van de grond waarop dit plan betrekking heeft om, ten behoeve van de vergroting van hun erf, een beperkt gedeelte van de ten noord- en zuidoosten van dit perceel gelegen grond aan te kopen. Recentelijk heeft de overdracht hiervan plaatsgevonden.
De wijziging van de agrarisch bestemde grond, over een breedte van 5 meter langs de noord- en zuidoost kant van het perceel Beuckenswijkstraat 19, in de bestemming “Woondoeleinden”, biedt de mogelijkheid om de woning ruimtelijk beter te situeren, in die zin dat de tuin rondom de woning aan de noord- en zuidoostzijde verbreed wordt met 5 meter, waardoor een gelijkmatiger verdeling van de om de woning gelegen tuin mogelijk is. Ook kan hierdoor de toegankelijkheid van de achter de woning gelegen schuur verbeterd worden voor o.a. de auto en de tractor. Bovendien kan het huidige toegangspad in oostelijke richting worden verlegd, waardoor dit niet meer direct grenst aan de woning.
De wijziging waarop dit plan betrekking heeft zal niet dan wel slechts in beperkte mate invloed hebben op het ter plaatse aanwezige bebouwingsbeeld. Door de verbreding van het erf/ tuin aan de noordoostzijde van de woning zal de ruimtelijke uitstraling in positieve zin worden beïnvloed.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid heeft onder meer de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de Structuurvisie Randstad 2040 vervangen. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het voorliggend bestemmingsplan raakt geen van de 14 belangen.
Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Hierbij dient gedacht te worden aan:
Bij de opgaven wordt altijd rekening gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Het Novi heeft geen betrekking op het voorliggend plangebied.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking.
In dit bestemmingsplan, betreffende de vergroting van een erf bij een woning, wordt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Toepassing van de ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.
De belangrijkste uitgangspunten van het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in ruimtelijke plannen rekening mee gehouden moet worden.
In de Verordening Romte Fryslân stelt de provincie regels aan de provinciale belangen. Het perceel betreft een gedeelte van een agrarisch perceel, waarvan de functie wordt gewijzigd naar wonen.
In de verordening is geregeld dat in het landelijk gebied in principe geen bouwmogelijkheden voor stedelijke functies, zoals het wonen, geboden mogen worden (artikel 1.1.1). Uit de kaarten bij de verordening blijkt dat het plangebied in het landelijk gebied ligt. In dit geval is de woonfunctie op basis van de geldende planologische regeling al toegestaan. Het voorliggend bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid voor (nieuw)bouw ten behoeve van wonen. Er is dan ook geen sprake van het toevoegen van extra woningen in het landelijk gebied.
De provinciale verordening geeft aan dat de maximale oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 300 m2. Aan de oppervlakte eis wordt in de huidige situatie al voldaan en voorliggend bestemmingsplan maakt geen extra bouwmogelijkheden mogelijk. Het beleid geeft verder geen beperkingen voor de maximale oppervlaktemaat van een woonperceel. Het provinciaal beleid staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
In maart 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is het behoud en de verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen.
Het voornemen (uitbreiding erf bij een bestaande woning) betreft een ontwikkeling die binnen de bestaande landschappelijke contouren plaatsvindt. De landschappelijke en cultuurhistorische structuren in de omgeving worden met dit plan niet aangetast.
In de 'Visie de Fryske Marren' beschrijft de gemeente hoe de gemeente eruit ziet en wat haar ambities zijn. In het beleidsdocument wordt een aantal richtinggevende uitspraken gedaan. Voor de gemeente is het belangrijk dat het plattelandskarakter behouden blijft. Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. De gemeente staat hierbij open voor nieuwe ontwikkelingen. Initiatieven worden gefaciliteerd met maatwerk naar aard en schaal van de woonomgeving. Met het voornemen blijft de waarde van het landschap en daarmee het plattelandskarakter van de gemeente behouden.
In de woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2014-2018. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.
In het Uitvoeringsprogramma 2016-2026 van de gemeente is ruimte opgenomen voor particuliere initiatieven op diverse locaties. In dit geval is er uitsluitend sprake van de vergroting van een erf bij een bestaande woning. Het plan is niet strijdig met het woningbouwprogramma.
In de Duurzaamheidsvisie De Friese Meren zijn de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid opgenomen. Deze hebben betrekking op energievoorziening, watersysteem, grondstoffen en groen en natuur. In 2030 wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele energiebronnen. De ambities hebben betrekking op de realisering van bebouwing waaronder wonen. Aangezien het voorliggend plan geen betrekking heeft op de bouw van een woning, maar uitsluitend op de uitbreiding van een bij een bestaande woning behorend erf, hebben de in deze visie opgenomen ambities geen betrekking op dit plangebied.
De gemeenteraad van De Fryske Marren heeft op 22 april 2015 de Welstandsnota De Fryske Marren 2014 gewijzigd vastgesteld. Met de nieuwe welstandsnota is ook het welstandsbeleid aangepast. Welstandstoetsing impliceert of een bouwplan aan de minimale beeld- en kwaliteitseisen voldoet en past in de omgeving. De gebieds- en objectgerichte aanpak beoogt de belangrijkste karakteristieken van de bebouwing te beschermen en te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen daarop voortbouwen. Zo ook voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied.
Aangezien het voorliggend bestemmingsplan geen betrekking heeft op bebouwing, doch uitsluitend op een erfvergroting is de Welstandsnota voor dit plan niet relevant.
Normstelling en beleid
De Monumentenwet 1988 is per 01-07-2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting medio 2022) in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1.500 n Chr.). De provincie beveelt in het plangebied aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de periode ijzertijd-middeleeuwen, alsmede een karterend onderzoek voor de periode steentijd-bronstijd.
Met dit plan worden geen bodemingrepen voorgesteld. Bovendien is het plangebied veel geringer dan voornoemde 5.000 m2. Er is dan ook geen noodzaak tot een archeologisch onderzoek. Ingeval bij eventuele graafwerkzaamheden er toch archeologische resten worden aangetroffen dan geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag. Vanwege de potentiële archeologische waarden is, met het oog op eventuele toekomstige ingrepen, de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" toegevoegd.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Om na te gaan of sprake is van cultuurhistorische waarden in het plangebied, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Een fragment van deze kaart is weergegeven in figuur 4.1. Hieruit blijkt dat het bebouwingslint een rijke cultuurhistorie heeft. In het lint liggen diverse oude boerderijplaatsen (rood) en andere historische relevante terreinen. De Beuckenswijkstraat is aangewezen als historische route. Deze routes hebben een bijzondere positie in de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Verder is de onregelmatige en esachtige, opstrekkende verkaveling cultuurhistorisch waardevol.
Figuur 4.1: Fragment CHK Fryslan
Daarnaast zijn de gronden direct ten oosten van het perceel aangeduid als Stins. Als omschrijving staat aangegeven:
Noomen: "Eén wier lag ten zuiden van de Gaast, ten noorden van de afsplitsing van het Krûspaed van de Hereweg. De kadasterkaart van 1828 geeft hier een klein, onbehuisd perceel aan, mogelijk herinnerend aan de plaats van de wier (kad. Balk C 168). Een tweede wier lag ten zuiden van de Hereweg, direct ten westen van de meest westelijke boerderij (Balk D 147); zowel deze boerderij als de wier lagen ten westen van de door Eekhoff aangegeven dorpsgrens tussen Nijemirdum en Sondel. Beide wieren worden in 1850 niet meer aangegeven."
Met de uitbreiding van het erf Beuckenswijkstraat 19 binnen de bestaande structuren van het landschap en lint wordt geen afbreuk gedaan aan de beschreven cultuurhistorische waarden van de omgeving. De kwaliteiten en beleefbaarheid van het landschap worden hierdoor niet aangetast. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.
Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn.
De gronden waarop dit plan betrekking heeft zijn in gebruik als agrarische grond i.c. als weiland. De gronden maken deel uit van een groter aaneengesloten agrarisch perceel welk reeds sinds jaren uitsluitend als weiland is gebruikt. Op historische gronden bestaat er geen vermoeden van enige vorm van verontreiniging. Gezien het huidige gebruik van de gronden als agrarisch cultuurgrond is er geen sprake van een verdachte locatie.
Bovendien betreft het hier de beoogde uitbreiding van een erf en niet de mogelijkheid voor de realisering van milieugevoelige bebouwing.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van gebieden en de bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb).
Gebiedsbescherming
De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wnb. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), thans genoemd Natuurnetwerk Nederland.
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang. Het plangebied ligt niet in of nabij beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied 'Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving' ligt op circa 7 kilometer van het plangebied. Vanwege de relatief grote afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggend gebied en de beperkte aard en omvang van de ingreep, kan worden geconcludeerd dat deze Natura 2000-gebieden en de voor deze gebieden aangewezen natuurwaarden buiten de invloedssfeer van de beoogde ingreep liggen. Om deze redenen veroorzaken de plannen geen conflict met de Wet natuurbescherming.
Stikstof
Het onderhavige plan heeft geen betrekking op bouwactiviteiten maar enkel op een functiewijzing van agrarische gronden naar tuin. Dientengevolge zal dit niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000 gebied.
Soortenbescherming
Voor de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden voor het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.
De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt in beginsel een te onderzoeken aspect, omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming.
De gronden waarop het plan betrekking heeft grenzen direct aan het erf van de woning Beuckenswijkstraat 19 en impliceert een verbreding van circa 5 meter over een lengte van circa 47 meter en 3 meter aan de achterzijde van het perceel. De gewenste situatie die de initiatiefnemers voor ogen hebben voorziet niet in het kappen van bomen, het dempen van sloten, en/of het slopen van gebouwen. Aantasting van beschermde soorten en strijdigheid met de Wet natuurbescherming wordt daardoor uitgesloten. Uit visuele waarneming blijkt dat zich binnen deze gronden geen (beschermde) diersoorten bevinden. Een quickscan flora & fauna is dan ook niet noodzakelijk.
Ten slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het plan heeft geen betrekking op de mogelijkheid tot vergroting van de risico's waarop het aspect externe veiligheid betrekking heeft. Overigens blijkt uit de provinciale risicokaart dat nabij het plangebied geen inrichtingen, transportroutes en buisleidingen aanwezig zijn met consequenties voor de externe veiligheid.
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Maatgevende stoffen in Nederland zijn hiervoor stikstofdioxide en fijn stof.
In dit geval is slechts sprake van het vergroten van een bestaand woonerf en draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Bij het bepalen van de milieuruimte van bedrijven voor het bestemmingplan wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering” (2009). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor bedrijfsactiviteiten ten opzichte van een rustige woonwijk (voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar). Ten opzichte van een gemengd gebied gelden kleinere richtafstanden.
In de omgeving van het perceel Beuckenswijkstraat 19 bevinden zich enige woningen.
Het plan heeft ten doel de beperkte uitbreiding van een erf bij een bestaande woning. Het naast aan het perceel 19, grenzende perceel i.c. Beuckenswijkstraat 21 is bestemd voor “Woondoeleinden”. Het verzoek betreft een wijziging van de gronden aan de oostzijde van voornoemd perceel, hetgeen impliceert dat de afstand ten opzichte van voornoemd perceel niet wordt verkleind. De naast aan het perceel Beuckenswijkstraat 19 grenzende agrarische bedrijven en andere milieuhinderlijke bedrijven bevinden zich op een veel grotere afstand dan 50 meter.
Deze uitbreiding heeft geen (negatief) effect op de in de omgeving van dit perceel gesitueerde woningen Evenmin beperkt dit de gebruiksmogelijkheden van bedrijven.
De toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te bevatten inhoudende de wijze waarop rekening is/ wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In de zogenaamde waterparagraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding,
Het plan biedt uitsluitend de mogelijkheid voor de uitbreiding van een bestaand erf, welk geen dan wel slechts zeer beperkt extra bouw-/verhardingsmogelijkheden biedt. Het plan heeft dientengevolge geen gevolgen voor het grond- en oppervlaktewater.
Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân. In Bijlage 1 is de watertoets toegevoegd. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt heeft geen invloed op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets.
Toename verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk.
In een situatie waarin een terrein niet is verhard kan hemelwater infiltreren in de ondergrond. Wanneer een gebied (deels) wordt verhard dan stroomt hemelwater versneld af naar het oppervlaktewater. Om overlast te voorkomen, moet deze versnelde afstroom gecompenseerd worden om overlast te voorkomen. Wetterskip Fryslân hanteert een compensatienorm van 5 % bij plannen die vrij voor de boezem liggen. Voor bebouwd gebied is de ondergrens van 200 m² van toepassing, in het buitengebied geldt een ondergrens van 1.500 m². Met dit plan is geen sprake van een toename aan verharding groter dan 1.500 m2. Derhalve zijn compenserende maatregelen niet aan de orde.
Ruimtelijke adaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.
Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.
Procedure
Via www.dewatertoets.nl heeft het waterschap de watertoets als een melding ontvangen. Zij archiveren deze melding. De watertoets is hiermee voor Wetterskip Fryslân afgerond. Dit betekent dat er verder geen contact opgenomen hoeft te worden met Wetterskip Fryslân.
Ten aanzien van geluidshinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidshinder in de toekomst op geluidsgevoelige functies.
Het gebied waarop dit plan betrekking heeft betreft uitsluitend de uitbreiding van een bestaand erf, welk geen geluidsgevoelige functie betreft. De functiewijziging maakt geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk. Op basis van de feitelijk en vergunde situatie is de woonfunctie namelijk al toegestaan.
Het plan is dan ook niet strijdig met de Wet geluidhinder.
Voorliggend plan heeft geen betrekking op de bouw van een woning, maar ziet uitsluitend op de uitbreiding van een bij een bestaande woning behorend erf. De ontsluiting van het perceel vindt plaats op de Beuckenswijkstraat. Deze ontsluiting wijzigt niet tengevolge van de uitbreiding van het erf. De functiewijziging heeft geen invloed op de verkeerintensiteit van de bestaande (woon) functie van het perceel. Er is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid.
Volgens de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning. Voor parkeren geldt als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost wordt overeenkomstig de gemeentelijke parkeernorm. In de huidige situatie vindt parkeren al plaats op eigen erf en de functiewijziging zorgt niet voor een extra parkeerbehoefte.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteits- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die een planologische zone hebben.
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen.
Dit bestemmingsplan heeft geen betrekking op de realisering van woningen dan wel andere bebouwing. Het is dientengevolge niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.
Daarnaast wordt de ontwikkeling, gelet op de aard en de omvang, ook niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. De beoordeling of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In dit geval verandert het gebruik van een deel van het perceel van agrarisch naar wonen. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.
Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de toevoeging hiervan bij een bestaand erf. Dit impliceert evenwel niet dat deze functiewijziging moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er vindt geen wijziging plaats van de wijze van ontsluiting. Ook wordt de parkeerbehoefte tengevolge van deze gebruiksverandering niet gewijzigd. Evenmin is er sprake van een wijziging van de verkeersaantrekking.
Op basis van voorgaande wordt de beoogde ontwikkeling niet gekwalificeerd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Er behoeft dan ook geen besluit te worden genomen over de noodzaak van een MER.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding is de woonbestemming en in de regels (per bestemming) zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden vastgelegd.
In deze paragraaf wordt de afzonderlijke bestemming zoals deze op de verbeelding en in de regels is opgenomen, beschreven. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017.
Wonen
Het plangebied is bestemd voor 'Wonen'. Het plan biedt mogelijkheden voor het wonen, in combinatie met ondergeschikte functies zoals een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Aan het uitvoeren van deze activiteiten zijn voorwaarden verbonden die ervoor zorgen dat het wonen de hoofdfunctie blijft met de daarbij behorende ruimtelijke uitstraling. Voor wat betreft de regeling hiervan is aangesloten bij de regeling uit de bestemming Wonen. Deze regeling biedt de initiatiefnemer ruimte voor aan-huis-verbonden beroepen ten behoeve van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die hier uitgevoerd worden.
Het plangebied biedt geen bouwvlak. Binnen de bestemming Wonen geldt een maximum van 300 m2 aan gebouwen (woning + bijbehorende bouwwerken). Indien de bestaande oppervlakte meer is, dan is deze toegestaan.
Waarde - Archeologie
Op basis van FAMKE is een gebied aangemerkt als een archeologisch waardevol gebied, waar het streven is gericht op het behoud van de aanwezige waarden. Om die reden is een dubbelbestemming aan de gronden toegekend die moet voorkomen dat er grondbewerkingen plaatsvinden, zonder dat daar eerst archeologisch onderzoek aan vooraf is gegaan. In de bestemming is aangegeven onder welke condities archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd en wat er met eventueel aanwezige archeologische waarden moet gebeuren.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Bij een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) in de plantoelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut.
Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. Aan de ontwikkeling waarop dit plan van toepassing is zijn geen kosten verbonden voor de gemeente. Met de initiatiefnemer is een planschaderisico overeenkomst gesloten waarmee het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid door initiatiefnemer is voorts voldoende aangetoond.
Over het voorontwerpbestemmingsplan heeft overleg plaats gevonden. De provincie Fryslan heeft, met het oog op eventuele toekomstige ingrepen geadviseerd, de potentiële archeologische waarden te beschermen door middel van toevoeging van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie". Het plan is hierop aangepast. De overlegreactie is als Bijlage 2 bijgevoegd.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 8 oktober 2021 voor zes weken ter inzage gelegen. Er is geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend.
Op 26 januari 2022 heeft de gemeenteraad van de Fryske Marren het bestemmingsplan vastgesteld. Het getekende raadsbesluit is als Bijlage 3 bijgevoegd.