direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Rottum - Vogelzangweg 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPROT21VOGEZANGWG2-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Bij het woonperceel Vogelzang 2 te Rottum is een hondenschool gevestigd. De hondenschool is op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. De activiteiten zijn op dit moment middels een omgevingsvergunning toegestaan. De wens is om de hondenschool permanent op het perceel toe te staan. Hiervoor is een nieuw bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de kadastrale percelen sectie E, nummers 3728 en 3836 van de kadastrale gemeente Sint Johannesga.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROT21VOGEZANGWG2-VA01_0001.png"

Figuur 1 Ligging plangebied (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

In figuur 2 is een overzichttekening van de huidige situatie weergeven. In de tekening staan de cijfers 1 tot en met 3. Dit betreffen de gronden rondom de gebouwen en betekenen:

  • 1. Buitenterrein hondenschool (met verlichting)
  • 2. Entree gebouw B,C en D, met aansluitend parkeervoorziening, terras bij theehuis/kantine en toegang tot achterterrein (grijs)
  • 3. Entree woning met parkeervoorziening en achterpad

Daarnaast zijn de gebouwen met letters aangegeven. Hierin vinden verschillende activiteiten plaats.

  • A. Woning
  • B. Hondenschool (ingang noord) en kantine/theehuis (ingang zuid met terras)
  • C. Kantoor en atelier (toegang vanaf achterterrein)
  • D. Werkplaats,
    • 1. met dagbestedingsruimte zorg,
    • 2. werkplaats (geen productie bedrijf)
    • 3. opslag van tuin gereedschap etc.
  • E. Hobby planten kas

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROT21VOGEZANGWG2-VA01_0002.png"

Figuur 2 Huidige situatie

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017, dat is vastgesteld op 28 juni 2017. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderij' en 'Agrarisch'.

De in paragraaf 1.2 beschreven functies zijn, met uitzondering van de hondenschool, op basis van het geldende bestemmingsplan toegestaan. Figuur 3 geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.

Functie   Bestemming   Toegestaan?   Oppervlakte  
Woning   Wonen – voormalige boerderij   Ja, binnen de bestaande woning   de bestaande oppervlakte  
Hondenschool (gebouw)   Wonen – voormalige boerderij   Nee, een hondenschool (buiten) past niet binnen de lijst met toelaatbare beroepen. Is op basis van een huidige vergunning toegestaan.    
Hondenschool (buitenterrein inclusief parkeervoorzieningen)   Agrarisch   Nee, een hondenschool (buiten) past niet binnen de lijst met toelaatbare beroepen. Is op basis van een huidige vergunning toegestaan.    
Theehuis   Wonen – voormalige boerderij   Ja, op basis van artikel 26.5.1 (Toegestaan gebruik)   de bestaande oppervlakte  
Kantoor en atelier   Wonen – voormalige boerderij   Ja, op basis van artikel 26.5.1 (Toegestaan gebruik)   de bestaande oppervlakte  
Functies in de werkplaats   Wonen – voormalige boerderij   Ja, op basis van artikel 26.5.1 (Toegestaan gebruik)   de bestaande oppervlakte  

Paraplubestemmingsplan parkeernormen

Op 27 juni 2018 is het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling conform de Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren en is tevens van toepassing op het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROT21VOGEZANGWG2-VA01_0003.png"

Figuur 3 Fragment geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de juridische regeling van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige en gewenste situatie

Het perceel ligt in het buitengebied van de Fryske Marren even ten noorden van de kern Rottum en ten westen de kern Heerenveen. Het betreft het perceel Vogelzangweg 2. De Vogelzangweg sluit in zuidelijke richting aan op de N924 en in westelijke richting op de Badweg. Het perceel Vogelzangweg 2 is het enige perceel gelegen aan deze weg.

Op het erf was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. De bedrijfsvoering is inmiddels beëindigd. Het erf is nu in gebruik als woonperceel in combinatie met bedrijffuncties (hondenschool, kantoor, dagbesteding, atelier, werkplaats). Zie hiervoor ook paragraaf 1.3.

Het terrein is in de huidige situatie onder andere ingericht ten behoeve van een hondenschool. Voor de activiteiten van de hondenschool is in 2019 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend.

Voor op het erf staat de woning en daarachter staan enkele gebouwen. Hierin vinden enkele aan-huis-verbonden beroepen / kleinschalige bedrijfsmatige activiteit plaats inclusief de activiteiten van de hondenschool. Aan de oost -en zuidkant van het perceel enige opgaande beplanting in de vorm van bomen en hagen. Daarnaast zijn onlangs enkele landschappelijke elementen aangebracht om het perceel op een verantwoorde manier in het landschap in te passen. Zie hiervoor ook de terreininrichting in figuur 2.

De hondenschool heeft een overdekt deel (gebouw B) en een buiten oefenterrein direct ten westen van dit gebouw. Daarnaast is een parkeervoorziening aan de zuidwestkant gesitueerd.

Een luchtfoto van de huidige situatie is weergegeven in figuur 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROT21VOGEZANGWG2-VA01_0004.png"

Figuur 4 Situatie plangebied (bron: ruimtelijke plannen)

2.2 Toekomstige situatie

Het voornemen is om de bestaande activiteiten van de hondenschool permanent mogelijk te maken en daarmee het bestaande woonerf, planologisch gezien, uit te breiden. Er vinden geen nieuwe ingrepen in het plangebied plaats. De inpandige actviteiten vinden in de bestaande bebouwing plaats en het buiten terrein blijft ook ongewijzigd. De rest van de (bedrijfs)functies blijven in de gewenste situatie ook bestaan.

2.3 Landschappelijke inpassing

Van belang is dat nieuwe functies en bebouwing op een goede manier worden ingepast bij de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied. De inrichting van het perceel blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd en zijn onlangs ingericht ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing . De huidige ruimtelijke kwaliteit wordt hiermee versterkt.

2.4 Verkeer en parkeren

De Vogelzangweg sluit in zuidelijke richting aan op de N924 en in westelijke richting op de Badweg. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de hondenschool bedraagt circa 40 per dag. Deze weg heeft ruim voldoende capaciteit voor de gewenste functies op het perceel. Er wordt gebruik gemaakt van een nieuwe, reeds vergunde aansluiting op deze weg. Aan deze weg worden geen aanpassingen voorgesteld. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid.

Op het erf bevinden zich voldoende parkeermogelijkheden om aan de parkeervraag te kunnen voldoen. Hierdoor wordt voorkomen dat er langs de openbare weg wordt geparkeerd. Het aantal parkeerplekken is voldoende om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte van de (bedrijfs) functies in het plangebied. Bij de eigen woning is tevens voldoende parkeergelegenheid om te voorzien in de parkeerbehoefte ten behoeve van de woonfunctie.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Groningen is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.

Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

  • 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;
  • 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Realiseren opgaven

In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:

  • 1. De Omgevingsagenda.
    Voor Noord-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Friesland onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
  • 2. De NOVI-gebieden.
    Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

Conclusie

Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.

Duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Dit houdt in dat bij de toelichting bij ruimtelijke plannen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het project die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er ook gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het in gebruik nemen van bestaande bebouwing ten behoeve van reguliere bewoning in combinatie met bedrijfsfuncties wordt, vanwege de relatieve kleinschaligheid, niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (Raad van State, 27 augustus 2014, 201311233/1/R4, r.o. 3.3). Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

De belangrijkste uitgangspunten van het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in ruimtelijke plannen rekening mee gehouden moet worden.

Verordening Romte Fryslân

In de verordening Romte Fryslân is het provinciaal beleid, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.

In artikel 1.2 van de verordening worden regels gegeven gericht op het hergebruiken van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Wonen en zorg is toegestaan in de voormalige bedrijfswoning en in aanwezige karakteristieke gebouwen. Tevens dienen bestaande karakteristieke en monumentale gebouwen behouden te blijven en mogen geen beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving.

Met de onderhavige functiewijziging is sprake van hergebruik van vrijkomende niet-agrarische bebouwing. De functies vinden in de bestaande bebouwing plaats. Tevens ontstaan er geen beperkingen voor de ontwikkelingen van agrarische bedrijven in de omgeving. Hier wordt in paragraaf 4.1 specifiek op ingegaan. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân 2014.

3.3 Gemeentelijk beleid

Woonvisie 2014-2018 en Uitvoeringsprogramma 2016-2026

In de woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2014-2018. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.

In het Uitvoeringsprogramma 2016-2026 van de gemeente is ruimte opgenomen voor particuliere initiatieven op diverse locaties. In dit geval is al sprake van een woning. Dit bestemmingsplan laat niet meer woningen toe, anders dan op basis van eht geldende bestemmingsplan al is toegestaan. Het project is passend binnen het woningbouwprogramma.

Duurzaamheidsvisie 2013-2030

Op 31 oktober 2012 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie De Friese Meren vastgesteld. In de visie worden de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals energievoorziening, watersysteem, grondstoffen en groen en natuur. In 2030 wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele energiebronnen. Voor de kortere termijn (2020) is met betrekking tot wonen als doel gesteld dat 20% van alle gebouwen energieneutraal is. Daarnaast wordt ingezet op het groen inrichten van de omgeving van de gebouwen die uitnodigt tot natuurlijk spelen. Er wordt ingezet op samenwerking voor bewustwording van inheemse flora en fauna. Wat betreft water, wordt ingezet op 100% afkoppeling van hemelwater en maximaal hergebruik van regenwater. Het gebruik van leidingwater wordt teruggedrongen waarbij ook ingezet wordt op gedrag.

Voor aanvragen vanaf 1 juli 2018 geldt bovendien dat er gasloos gebouwd moet worden. Dit betekent voor dit bestemmingsplan dat bij eventuele herbouw van de woning niet aangesloten kan worden op gas en dus via duurzame energieopwekking verwarmd moeten worden. De exacte uitwerking is voor het bestemmingsplan niet relevant, mits deze oplossingen binnen de regels gerealiseerd kunnen worden. Overigens worden alle verwarmde bedrijfsgebouwen gasloos verwarmd, is een eigen rioolwaterzuivering (hoogste kwaliteit) gerealiseerd en wordt volledig van groene stroom gebruik gemaakt.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn indicatief voor een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat van die richtafstanden, mits zorgvuldig onderbouwd, kan worden afgeweken


Het plangebied is solitair gelegen. In de omgeving van deze locatie is voornamelijk sprake agrarische gronden. Bedrijven bevinden zich op een afstand van 750 meter of meer. De bedrijven worden met de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maken dan ook niet in hun bedrijfsvoering beperkt.

Wel dient de bedrijfsmatige functie van de hondenschool niet voor belemmeringen te zorgen richting de woonfunctie in de woning in het plangebied. De activiteiten van de hondenschool vinden hoofdzakelijk inpandig plaats. De activiteiten met betrekking tot de hondentrainingen bestaan uit workshops en trainingsdagen en -avonden. Een hondenschool schaart zich niet onder één van de activiteitein die zijn genoemd in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Voor de activiteiten die buiten plaatsvinden past nog het beste bij de milieucategorie 'Hondendressuurterreinen'. Op basis van de VNG-brochure betreft dit een bedrijf uit milieucategorie 3.1. Dit vanwege het blaffen van honden in de buitenlucht en impact qua geluid op de omgeving. Hierbij hoort een richtafstand van 50 meter, waarbij geluid het maatgevend aspect is. Aan de richtafstand van 50 meter wordt voldaan. De dichtsbijzijnde woningen bevinden zich op meer dan 300 meter. Omdat het bedrijf op voldoende afstand ligt, zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen in de omgeving.

De woning is in dit geval gekoppeld aan de bedrijfsvoering van de hondenschool en kunnen niet los van elkaar worden gezien. Feitelijk gezien maakt de woning daarmee deel uit van inrichting van de hondenschool. Een toetsing van de eigen woning is derhalve niet aan de orde.

4.2 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Dit geldt ook voor spoorwegen. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies (zoals woningen) enerzijds en niet-geluidgevoelige functies anderzijds.

Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Het bestemmingsplan stelt geen nieuwe geluidgevoelige functies voor. Op basis van de feitelijk en vergunde situatie is de woonfunctie namelijk al toegestaan.

Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.3 Water

Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied valt in het werkgebied van Wetterskip Fryslân.

Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20210430-2-26318. In bijlage 1 is de watertoets toegevoegd. De functiewijziging die dit bestemmingsplan mogelijk maakt heeft geen invloed op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de procedure geen waterschapsbelang worden gevolgd voor de watertoets.

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Met het project is geen sprake van een toename aan verharding. Watercompensatie is dan ook niet nodig.

Indien er in de toekomst sprake is van een toename aan verharding dient in het kader van de keur van Wetterskip Fryslân gecompenseerd te worden. In de keur van Wetterskip Fryslân is opgenomen dat het verboden is zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Indien hier in de toekomst sprake van is zal met bovengenoemde rekening gehouden worden in de vorm van compenserende maatregelen. Indien extra oppervlaktewater niet mogelijk is dan, dan dient gekeken te worden naar alternatieve maatregelen. Dit zal in nauw overleg met het Wetterskip tot stand komen.

Klimaatadaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.

Procedure

Via www.dewatertoets.nl heeft het waterschap de watertoets als een melding ontvangen. Zij archiveren deze melding. De watertoets is hiermee voor Wetterskip Fryslân afgerond. Dit betekent dat er verder geen contact opgenomen hoeft te worden met Wetterskip Fryslân.

4.4 Bodem

Het uitgangspunt wat betreft de bodem is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de gewenste functie. De ontwikkeling vindt plaats op gronden waar op basis van het geldende bestemmingsplan de woonfunctie in combinatie met bedrijfsfuncties reeds zijn toegestaan.

De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf. Het is niet aannemelijk dat deze gronden door het huidige gebruik verontreinigd zijn. Ook zijn er geen verdachte activiteiten uit het verleden bekend. Er is dus geen sprake van een verdachte locatie. Het uitvoeren van bodemonderzoek is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig.

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.5 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

Voor de gemeente wordt gebruik gemaakt van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De kaart is opgemaakt voor twee perioden: de ijzertijd-middeleeuwen en de steentijd-bronstijd.

Op basis van de kaart voor de ijzertijd-middeleeuwen is het plangebied aangemerkt als 'geen onderzoek noodzakelijk'. In deze gebieden is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Op basis van de kaart steentijd-bronstijd is het plangebied aangemerkt als 'karterend onderzoek 1'. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 500 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren.

Met dit bestemmingsplan worden geen bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt die de drempelwaarde overschrijden. Het omgevingsaspect archeologie vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat.

4.6 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

Voor dit aspect is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) van de provincie gebruikt. Hieruit blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Dit bestemmingsplan voorziet slecht in het hergebruiken van de bestaande bebouwing. Grootschalige ruimtelijke ingrepen zijn niet aan de orde. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.

4.7 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europese regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.


Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

In de omgeving van het plangebied is geen sprake van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 5,6 kilometer afstand, namelijk het Sneekermeergebied. Op circa 800 meter ten oosten van het plangebied ligt het NNN-gebied Nannewiid. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling in het plangebied treden geen nadelige effecten op voor het Natura-2000 gebied en het NNN-gebied.

Stikstof

Woningbouwplannen of vergelijkbare projecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen naar en grondverzet op de bouwplaats). Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen.

Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals woningbouwplannen, gemengde stedelijke functies of solitaire bedrijven met een beperkte milieubelasting geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie te verwachten is, aangezien er vanaf nu gasloos gebouwd moet worden. Effecten van stikstof vanwege wegverkeer hebben een beperkt bereik. Dergelijke bronnen zijn namelijk dicht bij de grond geplaatst, waardoor de stikstof snel neerslaat. De potentiële effecten van kleine woningbouwlocaties zijn uitsluitend het gevolg van verkeer en tijdelijke werkzaamheden in de aanlegfase. Vanwege de aard van de emissie hiervan (beperkt in hoeveelheid en laag bij de grond) en op basis van honderden uitgevoerde AERIUSberekeningen wordt ingeschat dat een toename van de stikstofdepositie niet zal optreden op een afstand meer dan 5 kilometer. Het gaat dan om stedelijke (gasloze) ontwikkelingen met een beperkte omvang, tot maximaal 100 woningen. Er hoeft in die gevallen geen vergunning op grond van de Wnb aangevraagd te worden. De emissie van stikstof vanuit het materieel dat wordt gebruikt in de realisatiefase is vergelijkbaar met dat van wegverkeer, dat tot op afstand van maximaal 5 kilometer relevant kan zijn. Ook deze emissie vindt vlak aan de grond plaats en wordt niet mechanisch hoog de lucht in geblazen.

Het plangebied ligt op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. Stedelijke ontwikkelingen met een beperkte omvang, tot maximaal 100 woningen, zorgen niet voor een toename van de stikstofdepositie op een afstand meer dan 5 kilometer van het Natura-2000 gebied. Het verkeer gaat vrijwel direct op in het heersende verkeersbeeld. Gelet op de beperkte omvang en de aard van het project alsmede de afstand tot de relevante gebieden kan geconcludeerd worden dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden en dat het daarom op voorhand duidelijk is dat deze in redelijkheid, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Ofwel: het is op voorhand voldoende duidelijk dat de toename van stikstofdepositie op gebieden waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden ten hoogste 0,00 mol/hectare/jaar is.

De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.

Soortenbescherming

De gewenste situatie die de initiatiefnemers voor ogen hebben voorziet niet in het kappen van bomen, het dempen van sloten, en/of het slopen van gebouwen. Aantasting van beschermde soorten en strijdigheid met de Wet natuurbescherming wordt daardoor uitgesloten.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten. Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de professionele risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROT21VOGEZANGWG2-VA01_0005.png"

Figuur 5 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied paars gemarkeerd

Buisleidingen

Op enige afstand ten noorden van het perceel ligt een aardgastransportleiding, met een diameter van 8 inch en werkdruk van 40 bar. De plaatsgebonden risicocontour van deze leiding ligt niet buiten de leiding. Ook hoeft geen rekening gehouden te worden met het groepsrisico. Het plangebied ligt namelijk buiten het invloedsgebied, van 95 meter, van de transportleiding.

Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg

In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Op de A7: Knp. Joure - Knp. Heerenveen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt op ongeveer 2 kilometer afstand vanaf deze weg. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van 880 meter van deze weg.

Inrichtingen

Het plangebied ligt in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Bosma Transport en Opslag B.V. en BASF Nederland B.V. De risicovolle inrichting Bosma Transport en Opslag B.V. bevindt zich aan de Energielaan 8 met een invloedsgebied van 3.975 meter. Het maatgevende scenario is toxisch. In de professionele risicokaart is een QRA weergegeven van de inrichting. Hieruit blijkt dat het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde is gelegen. De risicovolle inrichting BASF Nederland B.V. is gelegen aan de Innovatielaan 1 waar overige organische basischemicaliën worden vervaardigd.

Er liggen geen risicocontouren van risicovolle inrichtingen binnen het plangebied. Het aspect externe veiligheid van inrichtingen is daarmee niet aan de orde. Het invloedsgebied is 3.037 meter en het maatgevende scenario betreft tankverlading Styreen. Ook voor deze inrichting is een QRA uitgevoerd. Het groepsrisico is ruim onder de oriëntatiewaarde gelegen. Het plangebied ligt op circa 2,3 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting. Bij een incident kan er een toxische wolk richting het plangebied trekken. Met de beoogde ontwikkeling worden de bestaande activiteiten van de hondenschool permanent mogelijk gemaakt. Hiermee wordt er niet een groot aantal personen toegevoegd. Tevens is een groot deel van Heerenveen en Oudehaske in het invloedsgebied van beide inrichtingen gelegen, waardoor de beoogde ontwikkeling geen significante invloed heeft op het groepsrisico welke momenteel voor beide inrichtingen ruim onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Hierdoor kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording.

In het kader van het vooroverleg is de brandweer om een advies gevraagd. Dit advies is als bijlage 2 opgenomen. Het advies is gebruikt bij het opstellen van de beknopte verantwoording van het groepsrisico.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Vogelzangweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Rottum. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. De streefwaarde voor een beroepskorps is 1,0 minuut en voor een vrijwillige organisatie circa 3,5 minuten. De aanrijdtijd betreft de zuivere rijtijd. Het is de verwachting dat het plangebied zich binnen de normtijd bevindt op grond van artikel 3.2.1. Besluit veiligheidregio's dat voorschrijft dat een basisbrandweereenheid een opkomsttijd heeft van 8 minuten voor gebouwen met een woonfunctie anders bedoeld dan onder a en b en 10 minuten voor gebouwen met een overige gebruiksfunctie.

Naast de brandweer is ook de omgevingsdienst Fryslân (FUMO) een relevante actor aangezien zij toezicht houden bij bedrijven en handhaven waar nodig. Zij zien er derhalve onder andere op toe dat de risicovolle inrichting niet meer gevaarlijke stoffen opslaan dan vergund is.

Zelfredzaamheid

In het plangebied bevinden zich een woning, hondenschool, theehuis, kantoor, atelier en functies in de werkplaats. Tevens is er ook een dagbesteding zorg gevestigd en staat het bestemmingsplan mantelzorg toe. Slechts de hondenschool is momenteel niet toegestaan in het vigerende bestemmingsplan. Hierdoor kunnen verminderd zelfredzame mensen in het plangebied bevinden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden bij een incident. Als gevolg van een incident met toxische stoffen bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Van belang is dat personen in de gelegenheid zijn om zich tijdig in veiligheid te brengen indien zich een incident voordoet. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Advies risico's en brandweerzorg

Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een advies risico's en brandweerzorg te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Hierbij valt te denken aan onder meer de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van bluswater. Aangezien de ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft op de basisbrandweerzorg en er in de huidige situatie geen knelpunten zijn op basis van de bovengenoemde aspecten, ziet Brandweer Fryslân af van de mogelijkheid tot het geven van een repressief advies.

Conclusie

Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Bosma Transport en Opslag B.V. en BASF Nederland B.V. Door de grote afstand, het grote invloedsgebied van de risicovolle inrichtingen en doordat met het bestemmingsplan alleen de hondenschool gelegaliseerd wordt, is de verwachting niet dat er sprake is van een grote toename aan personen. Hierdoor is er geen significante invloed op het groepsrisico. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

In dit geval is sprake van een kleine functie toevoeging bovenop de bestaande situatie. Deze draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.10 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.


In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten kabels, leidingen en zoneringen de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding is de woonbestemming en in de regels (per bestemming) zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden vastgelegd.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Daarbij wordt aangesloten op de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017. De bestemming is toegespitst op de situatie aan de Vogelzangweg 2 en de regels zijn opgesteld met inachtname van huidige wet- en regelgeving. Tevens is de regeling uit het Paraplubestemmingsplan parkeernormen overgenomen.

Agrarisch

De gronden met bestemming Agrarisch zijn bedoeld voor de uitoefening van agrarische activiteiten. Daarnaast is het extensief gebruik van een hondenschool toegestaan.

Wonen - Voormalig boerderij

Het huidige bestemmingsvlak 'Wonen - Voormalig boerderij' wordt in dit bestemmingsplan weer overgenomen. Boven op de bestaande regeling is de specifieke aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hondenschool' toegevoegd. Binnen deze aanduiding is de hondenschool, zoals beschreven in paragraaf 2.2, toegestaan.

Naast het wonen in de bestaande woning zijn aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in Bijlage 1 Lijst met toelaatbare beroepen en bedrijvigheid toegestaan, alsmede ondergeschikte agrarische activiteiten en stalling van boten en caravans. Alle alle bedrijfsactiviteiten mogen plaatsvinden binnen de huidige oppervlakte aan gebouwen op het perceel. Dit met uitzondering van de hondenschool. Deze activiteiten mogen alleen plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hondenschool'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg en inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. De provincie, brandweer en Tennet hebben in dit kader gereageerd. De overlegreacties zijn als bijlage 2, 3 en 4 bij de toelichting toegevoegd.

Tennet heeft aangegeven dat binnen de grenzen van het plangebied er geen bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer zijn van Tennet. Tennet heeft dan ook geen opmerkingen op het bestemmingsplan.

De brandweer heeft een advies gegeven. Dit advies is verwerkt in paragraaf 4.8.

De provincie adviseert om voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op te nemen. Dit advies is overgenomen. In dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.

Verder  geeft de provincie aan dat het plangebied binnen 100 meter van een Weidevogelkansgebied is gelegen. Van belang is dat sprake is van voldoende rust en openheid voor het Weidevogelkansgebied.  Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of er extra verstoring optreedt. In dit geval blijft de openheid onveranderd. Met dit bestemmingsplan worden niet meer bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt, anders dan al op basis van het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Er is slechts sprake van een functietoevoeging, waarbij de omvang van het perceel niet veranderd. Ook is geen sprake van een intensivering van activiteiten, anders dan op basis van het geldende bestemmingsplan is toegestaan of dan wel reeds vergunt. De activiteiten van de hondenschool zijn op dit moment  namelijk al middels een omgevingsvergunning toegestaan. Overigens bedraagt de afstand van de activiteiten van de hondenschool tot aan de grens van het weidevogelgebied ruim 90  meter.  De verstoringsbron van de hondenschool rijkt niet zo ver. Alle honden op het terrein komen met de auto. Vanaf de parkeerplaats (op eigen terrein)  gaan ze aangelijnd naar de oefenzaal (overdekt) of buitenoefenterrein (apart omheind). De kans dat een loslopende hond in de buurt van het vogelweide kans gebied komt is daarmee nihiel. Qua geluid (geblaf) kan worden opgemerkt dat het merendeel van de activiteiten plaatsvindt in kleine groepen, (meestal ca 4-6 honden gelijktijdig) in aanwezigheid van de baas,  gedurende een korte periode (ca 1 uur).  Het is dus nadrukkelijk geen hondenpension waar honden 24 uur om hun baasje roepen (blaffen) Het opnemen van een regeling die voorziet in voldoende openheid en rust acht de gemeente dan ook niet noodzakelijk.

Het voorontwerp is niet voor inspraak ter inzage gelegd.

Zienswijze

Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Van deze gelegenheid is door de provincie gebruikt gemaakt. De zienswijze is in een aparte zienswijzennota samengevat en beantwoord, deze is als Bijlage 6 Zienswijzennota opgenomen.

De zienswijze zelf is als Bijlage 5 Zienswijze provincie toegevoegd. De zienswijze heeft geleid tot een aanpassing van de verbeelding en de regels.

Vaststelling

Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële uitvoerbaarheid

Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. In dit geval is er geen sprake van uitvoeringskosten. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

Grondexploitatie 

In het voorliggende plan is er op basis van artikel 6.2.1 Bro geen sprake van een bouwplan. De grondexploitatieregeling is daarom niet van toepassing. Om deze reden wordt door de gemeente van het opstellen van een grondexploitatieplan afgezien.