Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Nijemirdum – De Hege Bouwen 2A
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1940.BPNIM21HEGEBOUWN2A-VA01
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel De Hege Bouwen 2A in Nijemirdum. Op dit perceel is het bedrijf 'Garant Zaden' gevestigd. Dit is een zaadhandel in landbouw-, groenten- en bloemzaden. Er is geen verkoop aan huis, er is alleen verkoop via postorder en internet. De Initiatiefnemer is voornemens om de planologische mogelijkheden van het perceel aan te passen. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter  verlopen.
 
Concreet betekent dit dat er een bestemmingsplanprocedure gevolgd moet worden om de aanpassing te realiseren. Het voorliggende bestemmingsplan is de juridisch-planologische regeling die de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt.      
         
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied, gelegen aan De Hege Bouwen , bevindt zich ten zuidwesten van het dorp Nijemirdum en ten noordoosten van het dorp Oudemirdum. Het plangebied wordt aan de noord, oost en zuidzijde begrensd door agrarische weidegronden. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door De Hege Bouwen.
  
Het plangebied bestaat uit het kadastraal perceel 939 (gedeeltelijk). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,26 hectare.
     
Ligging plangebied    
 
Begrenzing plangebied
1.3 Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied aan De Hege Bouwen 2A  is de beheersverordening ‘Buitengebied Zuid West 2017’, vastgesteld op 26 september 2017, van toepassing. In het verordeningsgebied zijn de volgende plannen van kracht:
  • Bestemmingsplan Buitengebied 2004 (vastgesteld op 26 april 2005, gedeeltelijk goedgekeurd op 13 december 2005 en gedeeltelijk vernietigd door de Raad van State op 7 februari 2007);
  • Bestemmingsplan Herziening Buitengebied 2004 (vastgesteld 9 februari 2010, gedeeltelijk vernietigd door de Raad van State op 20 juli 2011);
  • Bestemmingsplan Buitengebied 2004, partiële herziening 2011 (vastgesteld op 25 september 2012).
 
Voor het plangebied aan De Hege Bouwen 2A  is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2004' (vastgesteld op 26 april 2005) van kracht. Het plangebied is in het bestemmingsplan bestemd als ‘Bedrijfsdoeleinden’ en 'Agrarisch gebied in een besloten landschap'.
 
De bestemming “Bedrijfsdoeleinden” ligt op de niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. In bijlage 1 en 2 van het bestemmingsplan is een opsomming van bedrijven gegeven die passend en aanvaardbaar worden geacht voor vestiging in het buitengebied. Bij vrijstelling zijn ook bedrijven toegestaan die naar de aard en de invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de in de bijlage genoemde en uitsluitend op die plek toegestane bedrijven, mits het niet gaat om geluidszoneringsplichtige bedrijven of detailhandelsbedrijven.
 
De gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen zal per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan de bestaande gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen. In het bestemmingsplan is een vrijstelling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen per bestemmingsvlak wordt vergroot tot maximaal 110% van de bestaande gezamenlijke oppervlakte.
 
De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch gebied in een besloten landschap' zijn bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering
en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van de gronden. Gebouwen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak en uitsluitend ten behoeve van het agrarisch bedrijf. De oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 2 m² bedragen.
 
Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
  
Toets aan geldend bestemmingsplan
De huidige situatie van het perceel is niet meer in overeenstemming met het bestemmingsplan. Het stuk land waar de kas en dierenweides staan valt binnen de agrarische bestemming. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. Volgens het geldend bestemmingsplan mag de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet meer bedragen dan de bestaande gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen. In de gewenste situatie zal de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen echter met 75 m2 toenemen. Ook dit is in strijd met het bestemmingsplan.
 
Conclusie
Het bestemmingsplan zal gewijzigd moeten worden om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.
1.4 Opzet bestemmingsplan
Het bestemmingsplan "Nijemirdum – De Hege Bouwen 2A" bestaat uit de volgende stukken:
 
  • verbeelding, plan idn. NL.IMRO.1940.BPNIM21HEGEBOUWN2A-VA01 
  • regels;
  • toelichting.
 
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in de plangebieden begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij uitleg van verbeelding en planregels.
1.5 Leeswijzer
De bestaande en toekomstige situatie wordt in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het beleid beschreven dat relevant is voor deze ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven, waarbij aandacht wordt gegeven aan de milieutechnische randvoorwaarden. Daarna wordt in hoofdstuk 5 een toelichting gegeven op de regels en in hoofdstuk 6 op de financiële haalbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 nader ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de procedure.
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie
Op perceel De Hege Bouwen 2A is het bedrijf 'Garant Zaden' gevestigd. Dit is een zaadhandel in landbouw-, groenten- en bloemzaden. In 1913 is het bedrijf in Sneek gesticht als groentewinkel annex zaadhandel. In 1991 is de zaak naar Nijemirdum toe gekomen. Er is geen verkoop aan huis, er is alleen verkoop via postorder en internet.   
 
Op het perceel De Hege Bouwen 2A staat een bedrijfswoning met bedrijfsgebouw, opslagloods, een kas en een dierenverblijf. De bedrijfswoning heeft een oppervlakte van 158 m2, het bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 612 m2, de opslagloods heeft een oppervlakte van 75 m2, de kas heeft een oppervlakte van 70 m2 en de twee dierenverblijven hebben een oppervlakte van respectievelijk 56 m2 en 28 m2. In totaal is er 757 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig op het perceel.
 
Het bedrijfsgebouw is bestemd voor de verpakking van de goederen, de opslagloods wordt gebruikt als los- en opslagruimte, de kas wordt gebruikt voor het plantmateriaal en wordt er in proefsituaties geteeld. Het dierenverblijf behoort bij de bedrijfswoning. 
     
Het perceel heeft een ontsluiting op De Hege Bouwen, het parkeren vindt plaats op eigen terrein.  
           
 
Plangebied met bestaande bebouwing
   
Streetview bedrijfswoning met bedrijfsgebouw
        
2.2 Toekomstige situatie
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficienter verlopen.
                
Nieuwe en grotere los- en opslagruimte
Het huidige los- en opslaggebouw voldoet niet meer aan de gestelde eisen en is dringend aan onderhoud en vervanging toe. Daarmee is het idee opgevat om hiervoor een nieuwe ontvangst / opslagruimte te bouwen die wel voldoet aan de eisen voor goed gebruik.
 
De aanlevering van goederen en verpakkingsmateriaal geschied vaak buiten de normale bedrijfsuren van het bedrijf. De levering van zaden gebeurt in bulk verpakking of in grootverpakking op pallets. De levering dient gelijk in een goede en droge opslagplaats opgeslagen te worden. De huidige opslagruimte is hiervoor ongeschikt. De goederen moeten daarom nu in het bedrijfsgebouw gelost en opgeslagen worden. Het bedrijfsgebouw heeft niet deze capaciteit. Ook het tijdstip waarop de goederen afgeleverd worden en de aanwezigheid van een persoon is altijd noodzakelijk om het pand te ontsluiten en daarna weer af te sluiten.
 
De realisatie van een nieuwe en grotere los- en opslagruimte geeft het bedrijf de mogelijkheden om de bedrijfsvoering efficienter in te richten. De chauffeur kan de goederen zelf lossen en de retourpallets laden in het gebouw. Aanwezigheid van een persoon op het bedrijf is hierdoor niet meer noodzakelijk. Het laden en lossen kan nu buiten de bedrijfstijden plaatsvinden.
 
De huidige oppervlakte van de los- en opslagruimte bedraagt 75 m2. De nieuwe los- en opslagruimte zal een oppervlakte van 150 m2 krijgen en op dezelfde plek gesitueerd worden. De goot en bouwhoogte van het nieuwe gebouw betreft respectievelijk 3 meter en 10 meter.
  
Plangebied met nieuwe opslagloods
    
 
Hoofdstuk 3 Beleidskaders
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt
de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe
Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de
inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruim-
telijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie
gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
 
In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefom-
geving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De com-
binatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische
keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
 
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen.
 
Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken over-
heden. De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken.
Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving.
 
Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch her-
stel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de
beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van
leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit
voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en
de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier
prioriteiten:
 
  1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel
  3. Sterke en gezonde steden en regio's
  4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatre-
gelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
  • combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
   
Toetsing aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In het voorgenomen plan is er sprake van een kleinschalige lokale ontwikkeling waarmee geen rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het rijksbeleid zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.        
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden.
 
In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: 'Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nederlands Natuurnetwerk, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied'. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
 
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
 
Toetsing aan Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die juridisch zijn verankerd in het Barro. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is het bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling borgen van een zorgvuldige ruimtelijke afweging en een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Op 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking doorgevoerd (artikel 3.1.6 lid 2 - 4 Bro). Voorheen bestond de ladder uit drie treden, dat is nu niet meer het geval. Wel moet de behoefte van de ontwikkeling nog worden beschreven indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als de ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet ook gemotiveerd worden waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand gebied kan worden gerealiseerd.
 
Toetsing aan Ladder voor duurzame verstedelijking
Voorliggend plan betreft het planologisch vastleggen van de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel De Hege Bouwen 2A . De bouwmogelijkheden binnen de bedrijfsbestemming wordt iets verruimd om de realisatie van een nieuwe los- en opslagruimte op het perceel mogelijk te maken.
Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het plan is hiermee niet strijdig met de Ladder voor duurzame verstedelijking.    
3.1.4 Conclusie
  • De ontwikkeling raakt geen nationale belangen, om die reden is de Nationale Omgevingsvisie niet van belang.
  • De regels die zijn opgenomen in het Barro zijn niet van toepassing op onderhavig plangebied. Het Barro vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
  • Het plan is ten slotte getoetst aan de Ladder en is niet strijdig met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Concluderend wordt gesteld dat, gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het plan niet in strijd is met het rijksbeleid.
3.2 Provinciaal beleid
                             
3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân
De provinciale Omgevingsvisie, De Romte Diele, is op 23 september 2020 door Provinciale Staten vastgesteld. De Omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. Veel provinciaal beleid, programma’s en projecten raken de Friese leefomgeving waarin mensen wonen, werken, zich verplaatsen, elkaar ontmoeten en recreëren. In de Omgevingsvisie staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. Het is geen blauwdruk voor hoe Fryslân er over 20 à 30 jaar bij ligt. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Samen met verschillende organisaties, inwoners en ondernemers in Fryslân geeft de provincie nu invulling aan deze visie. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels.
 
Vier opgaven
De provinciale Omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het Streekplan,
Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en het Verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven:
  • Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden;
  • Energietransitie met kracht voortzetten;
  • Fryslân klimaatadaptief inrichten;
  • Versterken biodiversiteit
             
     
3.2.2 Provinciale Verordening Romte Fryslân 2014
De Provinciale Verordening Romte Fryslân 2014 (PVR) is op 25 juni 2014 vastgesteld. De 1e partiële herziening van de verordening is op 18 februari 2015 gelijktijdig met de Beleidsnotitie ‘Romte foar de Sinne’ vastgesteld. Op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening ‘Verordening Romte Fryslân 2014’ vastgesteld en op 28 maart 2018 in werking getreden. De geconsolideerde versie van de Verordening is op 8 augustus 2018 vastgesteld. Deze laatste versie is opgesteld ter bevordering van de leesbaarheid van de Verordening en heeft geen juridische status.
 
In de PVR is aangegeven welke onderwerpen de provincie van provinciaal belang acht en op welke
wijze de provinciale belangen moeten worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als
daaraan niet wordt voldaan, zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als onvoldoende aan die zienswijze tegemoet wordt gekomen. Het streekplanbeleid
is in het kader van de verordening voorzien van concrete beleidsregels.
 
In de Verordening Romte Fryslân worden regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Deze regels hebben betrekking op diverse onderwerpen, waaronder:
  • hergebruik vrijkomende (niet-) agrarische bebouwing;
  • nieuwe landgoederen;
  • ruimte-voor-ruimte regeling;
  • schaalvergroting agrarische bedrijven;
  • recreatie en toerisme;
  • nevenactiviteiten en aan de landbouw gerelateerde bedrijfsactiviteiten
  • glastuinbouw;
  • ecologische hoofdstructuur;
  • natuur buiten de ecologische hoofdstructuur;
  • reserveringszones voor versterking primaire waterkeringen;
  • windturbines.
        
3.2.3 Structuurvisie Grutsk op 'e Romte
De provincie zet in op het in stand houden en verder ontwikkelen van de belangrijke landschappelijke kwaliteiten en waarden in de provincie. Hiervoor heeft de provincie op 26 maart 2014 de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' vastgesteld.
 
Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied 'Gaasterlân'. Gaasterlân bestaat uit een gebied van klei-op-veen in het westen en, oostelijk hiervan, uit een langgerekt gebied van stuwwallen en een aantal gaasten. Het macroreliëf van dit gebied is uniek in Fryslân, zo ook het contrast hiervan met de erom heen liggende vlakke meren-, laagveen- en kleigebieden en de overgangszones daartussen.
 
Voor Gaasterlân gelden de volgende provinciale belangen:
  1. Het reliëf langs de stuwwal op de lijn Wijckel, Oudemirdum tot Bakhuizen met een bijzondere structuur: de kliffen (zie ook deelgebied IJsselmeer).
  2. Friese es- en gaastdorpen met meer verspreide bebouwing of onregelmatiger linten op bredere ruggen, waaronder de esachtige structuren en essen of gaasten bij Oudemirdum, Sondel, Bakhuizen en Hemelum.
  3. De overgang van de hoge stuwwal naar de lager gelegen veenweidegebieden en meren.
  4. Friese es- en gaastdorpen met lintbebouwing op de smalle ruggen, zoals bij Koudum en Warns.
  5. Het patroon van verschillende typen vaarten, waarvan de houtvaarten hier een specifiek type zijn. Een aantal vaarten, zoals de Luts, is als basis voor de ontginning van het meren- en laagveengebied gebruikt en daarmee van een relatief hoge ouderdom.
  6. De grotere en kleinere boscomplexen en terreinen (voormalige staten en stinzen) met formele, bijzondere aanleg. De boscomplexen die van oudsher behoorden tot een landgoed (waarvan de erbij horende bebouwing soms nog aanwezig is) zijn herkenbaar aan hun karakteristieke onderdelen zoals lanen, zichtassen, paden en watergangen
3.2.4 Conclusie
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte van 150 m2 gerealiseerd kan worden op het perceel. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter  verlopen.
Dit betekent dat de bestaande ruimtelijke opzet van het perceel grotendeels gehandhaafd zal blijven, de opslagloods wordt herbouwd op dezelfde plek. De huidige structuur van het landschap blijft intact. De landschappelijke en cultuurhistorische structuren in de omgeving worden met dit plan niet aangetast. Er worden geen ingrepen gedaan in de waarden/belangen die gelden voor het ‘Gaasterlân’.
  
Er is geen sprake van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, de bestemming 'Bedrijf' wordt in overeenstemming gebracht met het feitelijk gebruik van het perceel. Er wordt 75 m2 aan bebouwingsoppervlak toegevoegd op het perceel. Hiermee wordt een duurzaam toekomstperspectief geboden aan het bedrijf 'Garant Zaden'.  Onderhavig bestemmingsplan raakt geen provinciale belangen wat betreft de ruimtelijke kwaliteit.
 
Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan past binnen de Omgevingsvisie Fryslân, de Provinciale Verordening Romte Fryslân 2014 en de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie De Fryske Marren (ontwerp)
De ontwerp- Omgevingsvisie lag voor eenieder van 5 oktober 2018 tot en met 15 november 2018 ter inzage. De gemeente vindt het van belang om een samenvattende visie voor het hele grondgebied te maken. Het opstellen van zo’n visie is bovendien verplicht als de Omgevingswet rond 2022 van kracht wordt. De Omgevingsvisie geeft in hoofdlijnen aan hoe de gemeenteraad in samenspraak met de Mienskip de toekomst van de gemeente ziet. Daarbij gaat het om de fysieke leefomgeving; de mogelijkheden om te wonen, werken, recreëren en ondernemen, nu en in de toekomst, in een gezond en plezierig leefklimaat. In het beleidsdocument wordt een aantal richtinggevende uitspraken gedaan.
 
Voor de gemeente is het belangrijk dat het plattelandskarakter behouden blijft. Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. De gemeente staat hierbij open voor kansen. Initiatieven worden gefaciliteerd met maatwerk naar aard en schaal van de woonomgeving.
   
3.3.2 Conclusie
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.
 
De bestemming 'Bedrijf' wordt in overeenstemming gebracht met het feitelijk gebruik van het perceel, er wordt 75 m2 aan bebouwingsoppervlak toegevoegd op het perceel. Hiermee wordt een duurzaam toekomstperspectief geboden aan het bedrijf 'Garant Zaden'. Dit betekent dat de bestaande ruimtelijke opzet van het perceel De Hege Bouwen 2A nagenoeg intact zal blijven. Er worden geen ingrepen gedaan in de waarden/belangen die gelden voor het landschap. Tevens ontstaan er geen beperkingen voor de omgeving (in hoofdstuk 4 wordt hier specifiek op ingegaan).
 
Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan past binnen het gemeentelijk beleid.
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie De Fryske Marren (ontwerp).
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
4.1 Milieuzonering
 
4.1.1 Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen milieugevoelige functies en milieubelastende functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van milieugevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies onderling kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden. Deze uitgave bevat een lijst waarin per bedrijfssoort richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Deze lijst beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie.
 
Richtafstanden
De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet (zullen) worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
 
Omgevingstype
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is onder meer afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
 
Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied (m)
Richtafstand tot omgevingstype gemengd
gebied (m)
1100
23010
3.15030
3.210050
4.1200100
4.2300200
 
Het uitgangspunt van de VNG handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is
een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient
zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een
bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast,
zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat.
4.1.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.
Op het perceel De Hege Bouwen 2A is het bedrijf 'Garant Zaden' gevestigd. Dit is een zaadhandel in landbouw-, groenten- en bloemzaden. Er is geen verkoop aan huis, er is alleen verkoop via postorder en internet. Conform de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" geldt een milieucategorie 3.1 voor dit bedrijf (SBI-code 47915) met een bijbehorende richtafstand van 50 meter, het aspect geluid is hier maatgevend. De dichtsbijzijnde woning ligt op een afstand van circa 43 meter van het plangebied (grens bestemming), aan de richtafstand van 50 meter wordt niet voldaan. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In dit gebied is echter sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied' en kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In voorliggend situatie zal de richtafstand van het bedrijf dan 30 meter bedragen. We kunnen stellen dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor de omgeving en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
  
Op het perceel staat een (bedrijfs) woning. De eigenaar van het perceel woont in deze (bedrijfs) woning en is dus direct betrokken bij de bedrijfsvoering van de inrichting op het perceel. Een bedrijfswoning die bij de eigen inrichting hoort, is voor de beoordeling van de eigen inrichting geen gevoelig gebouw, behoeft daarmee in het kader van bedrijven en milieuzonering niet beschermd te worden. Los daarvan zijn de activiteiten zodanig, dat in die eigen woning de kwaliteit van wonen voldoende gegarandeerd blijft.
 
4.1.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering, nader onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering is daarom ook niet nodig.
4.2 Geluid
4.2.1 Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan waarbij een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt toegevoegd een akoestisch onderzoek te worden ingesteld.
 
Wegverkeerslawaai: Geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen
Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo’n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.
Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:
 
  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur
 
De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.
 
In binnen stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
  • wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;
  • wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.
 
Voor een weg buiten de bebouwde kom én voor een auto(snel)weg:
 
  • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter
  • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 meter
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 meter
Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 53dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh. 
4.2.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.  
Er wordt geen geluidsgevoelig object of bestemming toegevoegd, nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk
4.2.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid, nader onderzoek op het gebied van geluid is daarom ook niet nodig.
4.3 Bodem
 
4.3.1 Algemeen
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.
Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn. Uitzondering hierop zijn plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.
 
 
4.3.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.  
 
Er wordt geen nieuwe bestemming mogelijk gemaakt met dit bestemmingsplan. Op het perceel zullen bodemwerkzaamheden worden verricht bij de realisatie van de nieuwe los- en opslagruimte. In deze ruimte zullen niet voortdurend mensen verblijven. Een bodemonderzoek is niet verplicht als het geen verblijfsruimte is (persoon is gemiddeld minder dan 2 uur per dag in de ruimte). Nader onderzoek op het gebied van de bodemkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.  
4.3.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bodem, nader onderzoek op het gebied van bodem is daarom ook niet nodig
4.4 Luchtkwaliteit
4.4.1 Algemeen
Op 15 november 2010 is de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) in werking getreden. De overheid wil een verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen en ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de 'Wet luchtkwaliteit' bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen voor plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Op grond van artikel 5.16 Wm moeten bestuursorganen nagaan of besluiten op grond van de Wro gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit.
 
Besluit NIBM
 
In de Algemene maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele projecten zijn:
 
  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
 
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
 
Naast het besluit en regeling NIBM dient getoetst te worden aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
4.4.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen. 
De verkeersaantrekkende werking op het perceel zal niet toenemen met deze bestemmingsplanwijziging. Er is zodoende ook geen bijdrage aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
  
         
4.4.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig
4.5 Externe veiligheid
4.5.1 Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als lpg-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
 
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
 
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
 
Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
 
 
Inrichtingen
Het externe veiligheidsbeleid voor inrichtingen heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Op grond van deze benadering worden in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) grenzen gesteld aan de risico's, waarbij gelet wordt op de kwetsbaarheid van functies in de omgeving. De risico's worden daarbij in twee maten gemeten: een plaatsgebonden risico (voor individuen) en een groepsrisico (voor groepen mensen).
 
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)
Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu vastgelegd in het Basisnet (Bevt). Het doel van het Basisnet is het creëren van een duurzaam evenwicht tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid.
 
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
 
4.5.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.  
In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies en er is geen sprake van de toevoeging van een kwetsbaar object. De risicokaart geeft aan dat er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig die van invloed kunnen zijn op het plangebied. In het plangebied is daarom sprake van een verantwoord groepsrisico.
    
 
4.5.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid, nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid is daarom ook niet nodig.
4.6 Water
4.6.1 Beleidskader
Wettelijk kader
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'.
 
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlakte waterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlakte wateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Op Rijksniveau is het Nationaal Waterplan het voornaamste beleidsplan. In december 2009 is dit plan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. 
 
Uitgangspunten ruimtelijke ontwikkeling
Vasthouden - bergen - afvoeren
Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
 
Grondwaterneutraal bouwen
Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken /draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
 
 
4.6.2 Watertoets
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.  
 
De buitenruimte van het perceel zal nauwelijks veranderen. In het plangebied is er een minimale toename, van 75 m2, aan verharding.
    
Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 
 
Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) van het Wetterskip Fryslân is een eerste scan uitgevoerd. De normale procedure is van toepassing,  de gemeente zal het plan voorleggen bij Wetterskip Fryslân. De reactie van  Wetterskip Fryslân wordt verwerkt in het plan.
          
4.6.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.
4.7 Ecologie
4.7.1 Algemeen
Wettelijk kader
De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna.
 
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming biedt de grondslag voor de aanwijzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Deze gebieden worden tezamen Natura2000-gebieden genoemd. Ter bescherming van deze Natura2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura2000-gebied kunnen aantasten.
 
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen, geldt de volgende vrijstellingsregeling:
  • een algemene vrijstelling voor algemene soorten;
  • - een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode.
 
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen.
 
4.7.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.  
In april 2023 is er voor de voorgenomen ontwikkeling een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie bijlage 1 van deze toelichting). Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op 18 april 2023. Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele
aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten.
 
Soortenbescherming
  • Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig;
  • Er zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten aangetroffen in het plangebied;
  • De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in bebouwing en/of boomholten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan derhalve op voorhand worden uitgesloten;
  • Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige
    beschermde soorten zoogdieren. De aanwezigheid van andere beschermde zoogdiersoorten, zoals bever en grote bosmuis binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van otters, boommarters, dassen, waterspitsmuizen en hazelmuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten;
  • In de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen van boommarters bekend
    In de bomen binnen en vlak buiten het plangebied zijn echter geen voor boommarters geschikte boomholten aangetroffen. De aanwezigheid van boommarters kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
  • De aanwezigheid van leefgebied van beschermde reptielen binnen en vlak buiten het
    plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
  • Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van beschermde amfibieën, vissen en ongewervelden. Ook deze kunnen op voorhand worden uitgesloten.
 
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd natuurgebied en ook zijn er geen beschermde natuurgebieden in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied gesitueerd. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is het Ijsselmeergebied dat op een afstand van meer dan 2 km afstand is gesitueerd. Gezien de aard van de werkzaamheden, de bestemmingswijziging en de afstand tot het Natura2000 gebied wordt geen significante verstoring verwacht.
 
Houtopstanden 
Er worden geen beschermde houtopstanden gekapt en er geld hiervoor (coniferen) geen herplantplicht.
 
Het project kan doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbeveling:
 
Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden komen waarschijnlijk vogels tot broeden
waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. We adviseren om de
werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het
algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en
klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden
komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is
deze altijd beschermd. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal met de aanbevelingen rekening gehouden worden.
       
4.7.3 Conclusie
 
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect ecologie, nader onderzoek op het gebied van ecologie is daarom ook niet nodig.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1 Algemeen
Archeologie
Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische resten in de bodem kunnen aantasten moeten rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
 
Erfgoedwet
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
 
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie kan worden gedefinieerd als 'sporen, objecten en patronen/structuren die zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie en ontwikkeling'. Cultuurhistorische waarden zijn daarom verbonden aan landschappelijke kwaliteiten, archeologie en bouwwerken, al dan niet met een status als monument. Bepaalde landschappelijke elementen als houtwallen, bosjes, bomen, waterlopen etc., kunnen een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen in verband met de ontstaans-, bewonings- en ontginningsgeschiedenis van de streek. In het bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen om deze geschiedenis te behouden cq. de waarden te beschermen.
 
4.8.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.    
Archeologie
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1.500 n Chr.). De provincie beveelt in het plangebied aan om bij ingrepen van meer 500 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de periode ijzertijd-middeleeuwen, alsmede een karterend onderzoek voor de periode steentijd-bronstijd.
 
De oppervlakte van de nieuw te bouwen loods is veel geringer dan voornoemde 500 m2. Er is dan ook geen noodzaak tot een archeologisch onderzoek. Ingeval bij eventuele graafwerkzaamheden er toch archeologische resten worden aangetroffen dan geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag (zie ook bijlage 2 van deze toelichting, advies Steunpunt Monumentenzorg Fryslân).
 
Op basis van FAMKE is het gebied aangemerkt als een archeologisch waardevol gebied, waar het streven is gericht op het behoud van de aanwezige waarden. Om die reden is in het voorliggend bestemmingsplan een dubbelbestemming aan de gronden toegekend die moet voorkomen dat er grondbewerkingen plaatsvinden, zonder dat daar eerst archeologisch onderzoek aan vooraf is gegaan. In de bestemming is aangegeven onder welke condities archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd en wat er met eventueel aanwezige archeologische waarden moet gebeuren. 
 
Cultuurhistorie
Om na te gaan of sprake is van cultuurhistorische waarden in het plangebied, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Het plangebied is gelegen in 'Aardkundig waardevol gebied Gaasterland'. Dit zijn de gebieden waar de bodem een bijzondere waarde vertegenwoordigt. Ten zuiden van het plangebied liggen diverse oude boerderijplaatsen (rood) en Stins. De ontwikkeling van het perceel De Hege Bouwen 2A vindt plaats binnen de bestaande structuren van het landschap, er wordt geen afbreuk gedaan aan de beschreven cultuurhistorische waarden van de omgeving en de bodem wordt minimaal geroerd. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.
 
Uitsnede cultuurhistorische kaart Fryslân
            
     
4.8.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie, nader onderzoek op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is daarom ook niet nodig.
4.9 Verkeer en parkeren
4.9.1 Algemeen
Voor het bepalen van de parkeernorm en om de effecten van het plan op de verkeerssituatie te beoordelen wordt gebruik gemaakt van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 317, oktober 2012)' van het CROW. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie.
4.9.2 Beoordeling
In het voorliggend plan worden de planologische mogelijkheden van het perceel De Hege Bouwen 2A aangepast. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat:
  1. De bestemming 'Bedrijf' in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke inrichting en gebruik van het perceel. Hierdoor zal ook het stuk land waar de kas en dierenweides op staan binnen de bedrijfsbestemming komen te liggen;
  2. Er een nieuwe en grotere los- en opslagruimte gerealiseerd kan worden op het perceel van 150 m2. De oude opslagloods van 75 m2 wordt daarbij gesloopt. Het bedrijfsproces voor het laden en lossen kan hierdoor efficiënter verlopen.    
 
Verkeer
Ontsluiting van het perceel wordt niet gewijzigd, deze blijft gesitueerd op bestaande locatie.
De Hege Bouwen , waarop het plangebied direct wordt ontsloten, heeft voldoende capaciteit om het verkeer op te vangen.   
 
Parkeren
Binnen het plangebied zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen. 
4.9.3 Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren, nader onderzoek op het gebied van verkeer en parkeren is daarom ook niet nodig.
4.10 Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Algemeen
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.
 
Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.
 
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
 
  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
 
Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet:
 
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld.
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
4.10.2 Beoordeling
Het plan maakt geen activiteiten mogelijk die zijn genoemd in de D-lijst. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is daarom niet noodzakelijk.
4.10.3 Conclusie
 
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect milieu, nader onderzoek op het gebied van milieu is daarom ook niet nodig.
4.11 Kabels en leidingen
 
4.11.1 Algemeen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.11.2 Beoordeling
Aardgastransportleidingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen.
 
Hoogspanningsleidingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.
 
Rioolleidingen
De riolering leidt voor dit plan dit niet tot enige belemmering.
 
Watertransportleidingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.
 
Straalverbindingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen
 
Kabels en niet-planologisch relevante leidingen
Indien er in de toekomst grondwerkzaamheden plaatsvinden op het perceel zal bij de aanvraag van de omgevingsvergunning de wettelijk verplichte KLIC-melding moeten worden uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
 
4.11.3 Conclusie
In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet
5.1 Opzet van het plan
5.1.1 Inleiding
In de andere hoofdstukken van deze toelichting is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
 
In de volgende paragraaf wordt de systematiek van planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.
5.1.2 Planmethodiek
Algemeen
 
In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
 
De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De benaming van de bestemmingen en de volgorde van de regels, evenals de weergave van de bestemmingen in het plan komen overeen met de SVBP 2012.
 
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. Inhoudelijk is voor wat betreft de regels waar mogelijk aangesloten bij het Handboek Bestemmingsplannen van Gemeente De Fryske Marren en Bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017 van Gemeente De Fryske Marren.
 
De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: 
  1. Inleidende regels;
  2. Bestemmingsregels;
  3. Algemene regels;
  4. Overgangs- en slotregels.
Inleidende regels
Begrippen (Artikel 1):
In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels.
 
Wijze van meten (Artikel 2):
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakte- en inhoudsmaten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven van hoe de betreffende eisen voor wat betreft maatvoering begrepen moeten worden.
 
Bestemmingsregels
 
In dit hoofdstuk zijn de regels voor wat betreft de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
  • Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
  • Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, is hier vastgelegd;
  • Afwijken van de bouwregels: hierin worden afwijkingsmogelijkheden opgenomen welke specifiek gelden voor de betreffende bestemming;
  • Afwijken van de gebruiksregels: hierin worden afwijkingsmogelijkheden opgenomen welke specifiek gelden voor het gebruik bij de betreffende bestemming;
  • Voorwaardelijke verplichting: in de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat de woningen van het type twee onder één kap landschappelijk moeten worden ingepast.
 
In paragraaf 5.1.3 worden de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen nader toegelicht.
 
Algemene regels
 
De op het plan van toepassing zijnde algemene regels worden beschreven in hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
 
  • Anti-dubbeltelregel: Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van een bouwplan en op die wijze meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd.
  • Algemene bouwregel: In dit artikel is de regeling omtrent afwijkende maten opgenomen.
  • Algemene gebruiksregels: In deze regel is aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
  • Algemene aanduidingsregels:
  • Algemene afwijkingsregels: In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Algemene procedureregels:
  • Overige regels: In deze regel is bepaald dat moet worden voldaan aan de parkeernormen.
  
Overgangs- en slotregels
 
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het plan bekend staat.
                      
5.1.3 Toelichting op de bestemmingen
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.
 
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
   
Bedrijf
In het geldend bestemmingsplan hebben de niet-agrarische bedrijven in het buitengebied de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” gekregen. Deze regeling geldt voor bedrijven die zijn genoemd in de bijlagen 1 en 2 van de voorschriften. In het voorliggend plan wordt aangesloten bij de landelijke standaard SVBP, het plangebied krijgt de bestemming "Bedrijf". Omdat het gaat om een type bedrijf dat niet algemeen toelaatbaar is in het buitengebied, wordt het perceel voorzien van een specifieke aanduiding. Dit is vergelijkbaar met de regeling in het geldende bestemmingsplan.
 
De bouwmogelijkheden worden vastgelegd door middel van een bouwvlak. De gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag ten hoogste 832 m² bedragen. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. In die zin dat dat de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen kan worden vergroot tot maximaal 25% van de oppervlakte van het bouwperceel.
 
De locatie van de bedrijfswoning is vastgelegd door middel van een specifieke aanduiding. De oppervlakte van de bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte. Ook zijn een maximale goot- en bouwhoogte en regels voor bijgebouwen opgenomen. Met deze regels wordt aangesloten bij de gebruikelijke maatvoering in het buitengebied.
       
Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om - onder voorwaarden - de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' en er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om - onder voorwaarden - de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Maatschappelijk'.  
 
Waarde - Archeologie
Op basis van FAMKE is een gebied aangemerkt als een archeologisch waardevol gebied, waar het streven is gericht op het behoud van de aanwezige waarden. Om die reden is een dubbelbestemming aan de gronden toegekend die moet voorkomen dat er grondbewerkingen plaatsvinden, zonder dat daar eerst archeologisch onderzoek aan vooraf is gegaan. In de bestemming is aangegeven onder welke condities archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd en wat er met eventueel aanwezige archeologische waarden moet gebeuren.
        
5.1.4 Verbeelding
De regels moeten worden gelezen in samenhang met de verbeelding. De verbeelding geeft op een zodanige wijze informatie dat hierop kan worden afgelezen waar en hoe er gebouwd kan worden. In de regels wordt deze informatie nader toegelicht, uitgewerkt en juridisch vastgelegd. Het laatste betekent dat de regels uiteindelijk bepalen op welke wijze de informatie op de verbeelding moet worden geïnterpreteerd. Het is dus altijd van belang om de regels te bekijken in samenhang met de verbeelding, als er daadwerkelijk gebouwd gaat worden, of als andere ontwikkelingen worden gepland. Bij het voorliggend bestemmingsplan hoort ook een verbeelding. Op deze verbeelding is het plangebied weergegeven.
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid
6.1 Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de overheid budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid 2 kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan.
 
De gemeente sluit een anterieure overeenkomst af met initiatiefnemer van dit perceel. In deze anterieure overeenkomst worden onder andere de plankosten verhaald en wordt vastgelegd dat eventuele planschadevergoedingen worden verhaald op initiatiefnemer. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is een exploitatieplan niet noodzakelijk.
 
of planschade overeenkomst PM
6.2 Financiële haalbaarheid
Het plan wordt uitgevoerd en bekostigd door initiatiefnemer. De gemeente heeft geen kosten voor de realisatie van dit plan. Initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
Hoofdstuk 7 Procedure
7.1 Vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Doordat voorliggend plan geen betrekking heeft op omliggende gemeenten, is overleg met omliggende gemeenten achterwege gebleven.
7.1.1 Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.1.2 Provincie Fryslân
Op 28 november 2022 heeft de provincie een schriftelijke zienswijze gegeven op het ontwerp bestemmingsplan Nijemirdum - De Hege Bouwen 2a. De zienswijze heeft betrekking op de volgende onderdelen:
 
  1. Uitbreiden bestemmingsperceel
     
Het perceel De Hege Bouwen 2a Nijemirdum ligt in het landelijk gebied. Artikel 4.3.1 van
de Verordening Romte is van toepassing. Zoals aangegeven, mag een bestemmingsvlak
van een bestaand bedrijf met maximaal 50% worden uitgebreid. Dit percentage wordt hier
overschreden. Ik vraag u het plan zodanig aan te passen dat niet meer dan 50% aan het
bestaande bedrijfsperceel wordt toegevoegd.
  1. Archeologie
De paragraaf archeologie is niet juist opgesteld en ook de dubbelbestemming is niet juist.In de toelichting staat dat voor de kaart steentijd - bronstijd geldt dat onderzoek pas nodig is bij ingrepen vanaf 5000 m2 of meer. Dit is niet juist. Onderzoek is nodig bij ingrepen vanaf 500 m2. Verder is in de toelichting alleen gekeken naar de feitelijke ingreep (bouw loods) die plaatsvindt. Dit is niet correct. Op grond van de FAMKE had u uit moeten gaan van de oppervlakte aan bedrijfsperceel dat wordt toegevoegd. Hoe veel groter het perceel precies wordt is niet aangegeven in de toelichting maar dit ligt op ongeveer 5000 m2. Omdat sprake is van een onderzoeksplicht bij ingrepen vanaf 500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. U kunt hier dus niet volstaan met het opnemen van een dubbelbestemming.
  1. Quickscan flora en fauna
Ik kan uw redenering dat hier geen sprake is van een ingrijpende verandering op het
perceel wel volgen. Echter, wanneer de sloop van bebouwing (hier is sprake van de sloop
van de oude loods van 75 m2) aan de orde is, dan moet in principe een quickscan worden
verricht. Een quickscan kan alleen achterwege blijven als u nader kunt motiveren waarom
de te slopen bebouwing niet geschikt is voor beschermde soorten. Deze afweging
ontbreekt nog in de toelichting. Ik adviseer u de toelichting op dit punt aan te passen.
 
Beantwoording zienswijze
  1. Het bestemmingsvlak is dusdanig aangepast dat niet meer dan 50% aan het bestaande bedrijfsperceel wordt toegevoegd.
  2. In paragraaf 4.8 van de toelichting en in artikel 4 van de regels is de oppervlakte aangepast van 5000 m2 naar 500 m2. Er is aan Steunpunt Monumentenzorg Fryslân gevraagd om een advies uit te brengen als reactie op de zienswijze van de provincie (zie bijlage 2 van deze toelichting). Er wordt geadviseerd om in het wijzigingsplan voor het huidige perceel een dubbelbestemming van 500 m2 op te nemen. Dit in overeenstemming met provinciaal beleid. De aanleg van de loods kan worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Verder archeologisch vooronderzoek voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden is derhalve niet noodzakelijk. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister (in de praktijk de gemeente als Bevoegd Gezag). Eventuele vondsten dienen gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek. Het avies van Steunpunt Monumentenzorg Fryslân wordt overgenomen.
  3. In april 2023 is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie bijlage 1 van deze toelichting). Het project kan doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming.
                 
      
7.1.3 Waterschap
PM
7.2 Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.
 
Gezien de geringe wijziging die met dit plan wordt bewerkstelligd  wordt dit bestemmingsplan niet als voorontwerp ter inzage gelegd. Er wordt geen mogelijkheid geboden voor het indienen van inspraakreacties. Wel doorloopt het plan de wettelijke procedure voor het vooroverleg met de relevante overlegpartners.
      
7.3 Zienswijzeprocedure
Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
7.4 Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.