direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Balk - De Volharding 2017
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPBLK17BALKVOLHARD-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Bijna 10 jaar ligt het terrein van de voormalige Volharding al braak. Daarvoor heeft de voormalige bedrijfsbebouwing jaren leeg gestaan. Oude plannen voor herontwikkeling zijn niet gerealiseerd. In 2003 is een bouwvergunning verleend voor het realiseren van in totaal 42 woningen, verdeeld over verschillende blokken en in verschillende typologieën. Deze vergunning is onherroepelijk en niet ingetrokken. Eind 2015 is de locatie verworven door Van Beek Balk BV met als doel een aantal kavels voor vrijstaande woningen te realiseren. De initiatiefnemer wil de bestaande vergunning niet gebruiken, doch een meer passend plan maken voor dit deel van Balk.
Dit bestemmingsplan heeft ten doel de beoogde woningbouw planologisch mogelijk te maken.

1.2 Begrenzing van het plangebied

In onderstaand kaartbeeld is het plangebied weergegeven. Het wordt ten noordwesten en noordoosten begrensd door het water van de Luts. Ten zuidwesten bestaat de grens uit de bestaande huurwoningen aan de Mr. C.J. Trompstraat en één vrijstaande woning aan de Lytse Side. Aan de zuidoostkant grenst het plangebied aan de Jachthavendyk en de bestaande woning/fysiotherapiepraktijk Jachthavendyk 9.


Toegankelijkheid

De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via twee toegangen, één vanaf de Mr. C.J. Trompstraat en één vanaf de Jachthavendyk. Er worden ligplaatsen voor boten gerealiseerd ten bate van nieuwe bewoners in het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPBLK17BALKVOLHARD-VA01_0001.png"

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Voor het plangebied gelden momenteel de volgende bestemmingsplannen:

  • a. Balk Centrum, vastgesteld op 26 april 2016. De geldende bestemmingen binnen dit deel van het plangebied zijn: wonen, verkeer - verblijf en waarde - beschermd dorpsgezicht. Binnen de bouwvlakken in de bestemming wonen mogen woningen worden opgericht met een maximum bouwhoogte van 10 m. Een gedeelte van het plangebied binnen dit bestemmingsplan heeft een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad'. Gebouwen en bouwwerken die toegestaan zijn binnen de bestemming mogen niet hoger zijn dan 18 meter.
  • b. Balk Zuid, vastgesteld op 14 februari 2006 en goedgekeurd op 17 mei 2006. Dit plan is een analoog plan. Binnen dit deel van het plangebied gelden de bestemmingen: woondoeleinden, doeleinden van verkeer en verblijf, en water (met aanduiding 'aanleggelegenheid toegestaan'). Tevens is een aanduiding aangebracht voor openbare nutsleiding in een tracé dat gedeeltelijk onder de bestemmingen woondoeleinden en doeleinden van verkeer en verblijf door loopt. De bestemming wonen is onderscheiden in twee klasse-aanduidingen: A en B (verschil in maximale goothoogte).


In het onderstaande kaartbeeld is het plangebied op de vigerende bestemmingsplannen gelegd.


afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPBLK17BALKVOLHARD-VA01_0002.png"

1.4 Procedure bestemmingsplan

Het bestemmingsplan Balk - De Volharding is een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en doorloopt de wettelijke procedure conform artikel 3.8 Wro.

1.5 Leeswijzer

Het plangebied wordt in detail beschreven in hoofdstuk 2. Zowel het beoogde plan als de historie van het gebied komen aan bod. In hoofdstuk 3 wordt het plan langs relevant gemeentelijk, Rijks- en provinciaal beleid gelegd. Hoofdstuk 4 gaat in op relevante milieu- en omgevingsaspecten. De juridische aspecten zoals opbouw van het bestemmingsplan en toelichting op de bestemmingen zijn in hoofdstuk 5 opgenomen. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid aangetoond.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Nieuwe ruimtelijke structuur

Het braakliggende terrein wordt in de nieuwe situatie ingericht als woongebied voor louter vrijstaande woningen. Het nieuwe plan biedt ruimte aan acht kavels voor vrijstaande woningen in het hogere koopsegment. De locatie is met name aantrekkelijk voor wonen, omdat een groot deel van het plangebied aan het water van de Luts en de insteekhaven grenst. Vier grotere kavels liggen aan dit water. Deze vier, plus een vijfde kavel worden via een hof in het plan ontsloten. Vanuit de hof loopt er een pad door naar de insteekhaven waar zich de ligplaatsen voor boten van de nieuwe bewoners bevinden. Het plan wordt via twee relatief smalle stroken grond ontsloten. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt (vanuit de bebouwingsstructuur van de bestaande kern) is de ontsluiting aan de Mr. C.J. Trompstraat de hoofdontsluiting. Een tweede aansluiting komt uit op de Jachthavendijk. Deze tweede ontsluiting zal naar verwachting door bestemmingsverkeer het meest gebruikt worden. Langs de ontsluiting naar de Jachthavendijk liggen drie smallere kavels met de achterzijde tegen de (huur)woningen langs de Mr. C.J. Trompstraat. Het plan beoogt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden voor de kavels te regelen; de woningen worden onder particulier opdrachtgeverschap gerealiseerd.


Hieronder is het stedenbouwkundig plan opgenomen.


afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPBLK17BALKVOLHARD-VA01_0003.png"

2.2 Openbare ruimte

De openbare ruimte in de nieuwe invulling van het gebied heeft twee gezichten. Enerzijds het woonerf waarmee de woningen worden ontsloten op de openbare weg. In het midden van het plangebied een pleintje met gelegenheid voor bezoekersparkeren of sociale activiteiten. Het pleintje biedt twee ontsluitingen, één op de Mr. C.J. Trompstraat en één op de Jachthavendyk.

Anderzijds is er de steiger met de aanlegplekken. Deze is bereikbaar vanaf het pleintje. De steiger en het pad ernaar toe vormen de ontsluiting naar het water en worden particulier (gedeeld) eigendom. In de bestrating komt dit genuanceerd tot uiting.


Elke woning heeft twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Bij de kleine kavels zijn de opritten zes meter breed ter plaatse van de woning. Bij de grote kavels zijn ze vijf meter breed omdat daar geen belemmeringen naast zijn. Op de openbare weg bevindt zich minimaal één parkeerplaats per woning op de aanstrating. Hier is de ruimte aanwezig, maar worden geen vakken getekend. De aanstrating wordt in gebakken materiaal uitgevoerd. De straten en het pleintje worden bestraat met betonsteen dikformaat. De beukenhagen bevinden zich tegen de kavelgrenzen op privéterrein.

2.3 Huidige situatie plangebied

Het plangebied maakt deel uit van een groter gebied waarin van oudsher bedrijfsfuncties een plek hadden. Daar is nu niks meer van over. Alle (resterende) bedrijfsgebouwen op het terrein zijn in 2009 geamoveerd en in 2010 is de bodem gesaneerd. Periodiek is de locatie geklepeld om wildgroei van planten en struiken tegen te gaan. Alleen een berg puin herinnert aan het eens zo trots langs de Luts gesitueerde pakhuis van olieslagerij De Volharding.

2.4 Beschermd stadsgezicht

Het plangebied is gedeeltelijk onderdeel van het in november 1988 aangewezen beschermd stadsgezicht. Het aangewezen gedeelte valt onder het regime van het bestemmingsplan Balk - Centrum (2016).

2.5 Historische schets

Vanuit het verleden kent het gebied een dynamische ontwikkeling. In de 18e eeuw kende Gaasterland vier 'Koornmolens' - twee stonden er in Balk waarvan een rogmolen in het plangebied. Wanneer de molen in onbruik raakt, wordt de locatie ingenomen door een olieslagerij onder de naam De Volharding. Rond 1920 wordt de hele fabriek vernieuwd en ontstaat de cooperatieve veevoederfabriek De Volharding. Het bedrijfsgebouw kenmerkte zich in het beeld langs de Luts als een rijzig, bakstenen opslaggebouw van vijf verdiepingen met een zolder, afgedekt met een kap. Tijdens de tweede wereldoorlog werd de zolder gebruikt voor dansles en dansfeesten. Het gebouw heeft de tand des tijds doorstaan tot 2007 toen het werd gesloopt. De toenmalige directiewoning bestaat nog - het is de woning gelegen aan Lytse Side 13 die nu particulier bewoond wordt.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijks- en provinciaal beleid

In deze paragraaf wordt in kort bestek een overzicht gegeven van relevant rijks- en provinciaal beleid.


Rijk

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte door het kabinet vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt de nota Ruimte.
In de visie heeft het Rijk drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven.

De belangen van het nationale ruimtelijke beleid worden geborgd in de AMvB Ruimte, een juridische vertaling van het rijksbeleid. De nationale ruimtelijke belangen omvatten globaal de nationale planologische principes zoals gebundelde verstedelijking, de ontwikkeling van de mainports, het kustfundament, de bescherming en ontwikkeling van een aantal groene en blauwe gebiedscategorieën en ruimtelijke garanties m.b.t. defensiedoeleinden en energieproductie en -voorziening.


De ruimtelijke belangen die zijn benoemd in de SVIR, worden juridisch geborgd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van onder andere primaire waterkering, cultuurhistorisch erfgoed en de ecologische hoofdstructuur.


Conclusie

In dit bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen van zodanige omvang aan de orde dat zij strijden met nationale ruimtelijke belangen.


Ladder duurzame verstedelijking

Op grond van het geldende planologisch regime is de functie wonen al toegestaan en er is in februari 2003 al vergunning verleend voor de realisatie van 42 woningen. Deze vergunning is onherroepelijk en is door de gemeente niet ingetrokken. De vergunning is rechtmatig tot stand gekomen en gebaseerd op een goede ruimtelijke onderbouwing. Toetsing aan de Ladder van duurzame verstedelijking (sinds 2012 een wettelijke verplichting) is daarom niet noodzakelijk.


Ook in het geval de Ladder van duurzame verstedelijking wel van toepassing zou zijn, zou het plan daaraan voldoen. Aangetoond zou dan moeten worden dat sprake is van een 'actuele regionale behoefte' (trede 1), vervolgens of aan die behoefte binnen 'bestaand stedelijk gebied' kan worden voldaan (trede 2) en zo nee, of de beoogde bouwlocatie dan 'multimodaal' kan worden ontsloten (trede 3). Voor zover deze toets, ondanks de bestaande omgevingsvergunning bouwen, nog nodig zou zijn, is hieronder de motivatie opgenomen.


Trede 1 - vraag in de regio (nut en noodzaak)

De eerste trede vraagt om de ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor stedelijke ontwikkelingen regionaal te bepalen. Dit betreft wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Het gaat om de ruimtevraag waarin elders in de regio nog niet is voorzien. Eventuele andere ontwikkelingen in de regio, zoals geplande woningbouwlocaties, binnenstedelijke herstructurering of leegstand dienen te worden meegenomen in de bepaling van de vraag naar nieuwe verstedelijkingsruimte.
Met de regionale ruimtevraag in beeld kan worden beoordeeld of een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Is dat het geval, dan is trede 2 aan de orde.


Toetsing trede 1

De gemeente De Fryske Marren heeft een oppervlakte van 55.000 ha en telt in maart 2016 een inwoneraantal van 51.297. In de komende jaren wordt een stijging verwacht naar 52.300 (in 2020) en 52.990 (in 2030). De gemeente neemt de achtste plek in (van 25) op de lijst met groeigemeenten in Fryslân. In Gaasterland wordt op termijn een afvlakkende groei verwacht van huishoudens, dat met name veroorzaakt wordt door de afname van de groep gezinnen. Het aandeel ouderen groeit. Er wordt blijvende vraag verwacht naar grondgebonden woningen die aanpasbaar dan wel levensloopbestendig zijn. In Gaasterland is het aanbod van kleine, hoogwaardige plannen lager dan waar ruimte voor is.

De initiatiefnemer heeft een lijst met gegadigden voor de kavels. Dit overzicht is langer dan het aanbod aan kavels.

Balk zelf heeft een sterke, bovengemeentelijke positie in de regio. Er zijn meerdere supermarkten, niet-dagelijkse winkels, mode en geldfuncties. Er is sprake van een behoorlijk gezond ondernemersklimaat. De inkomens in dit deel van Fryslân liggen ruim boven het provinciale gemiddelde.
Conclusie: het plan voorziet in een actuele regionale behoefte.


Trede 2 - beschikbare ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied (locatiekeuze)

Bij trede 2 wordt beoordeeld of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand stedelijk gebied. Dit kan door op lege plekken de ruimte 'in te vullen', een andere bestemming te geven aan het gebied, door herstructurering van bestaande terreinen en/of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden.


Toetsing trede 2
Het plan dat met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, betreft de transformatie van een voormalig bedrijvengebied naar een kwalitatief hoogwaardig woongebied. De locatie ligt in bestaand stedelijk gebied nabij het oude centrum. In alle relevante beleidsdocumenten (w.o. Woonvisie, Masterplan Waterfront Balk) wordt het plangebied als herstructureringsgebied gekenschetst, met als doel het nader te betrekken bij het centrum.
Conclusie: de beoogde ontwikkeling kan - door transformatie van buiten gebruik geraakt bedrijventerrein - plaatsvinden in bestaand stedelijk gebied.


Trede 3 - multimodale ontsluiting

Als herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, is trede 3 aan de orde. Hier gaat het om stedelijke uitleg (uitbreiding) en wel op een zodanige locatie dat het uitbreidingsgebied (in potentie) multimodaal (op meerdere plaatsen met meerdere vervoerswijzen) is of kan worden ontsloten.


Toetsing trede 3

Niet van toepassing, omdat de behoefte aan deze ontwikkeling binnenstedelijk kan worden opgevangen.


Provincie

Streekplan Fryslân (2007)

Provinciale Staten van Fryslân hebben op 13 december 2006 het Streekplan voor Fryslân vastgesteld. Het plan is de schakel tussen het abstracte rijksbeleid en het concrete karakter van gemeentelijk ruimtelijk beleid. In het streekplan wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de provincie aangegeven. Daarmee geeft het ruimtelijke sturing aan de uitvoering van provinciaal en regionaal beleid, bijvoorbeeld bij subsidieverlening. Daarnaast is het streekplan toetsingskader voor gemeentelijk ruimtelijk beleid, zoals bij de provinciale beoordeling van bestemmingsplannen.


Met het Streekplan wordt ingezet op een vitaal platteland en versterking van de stedelijke gebieden. Binnen dit vitale platteland, waar ontwikkelingen binnen de aanwezige kwaliteiten en binnen de plaatselijke verhoudingen mogelijk zijn, wordt ingezet op een ruimtelijk gespreid voorzieningenniveau. Balk wordt in de voorzieningenstructuur aangemerkt als regionaal centrum. Voor dergelijke kernen gelden de volgende uitgangspunten:

  • Een goede ruimtelijke positionering van regionaal georiënteerde voorzieningen. Behoud en versterking van attractief en bereikbaar kernwinkelgebied is belangrijk;
  • Behoud en ontwikkeling van aantrekkelijke woonmilieus voor opvang van de woningbehoefte in de regio. Uitgegaan wordt van een meer dan evenredige woningtoename in regionale centra;
  • Het op kwaliteit houden van bestaande bedrijventerreinen en het op voorraad aanleggen van nieuwe, goed bereikbare bedrijventerreinen.

In het Streekplan wordt ook gerefereerd aan de planologische reserveringen die in Balk zijn gemaakt. Voor het onderhavige plangebied werd in Wenjen 2000+ (tweede herijking van de nota Wenjen in Fryslân 1998) al capaciteit toegekend. In die periode (2001-2004) was een aantal woningen al hard vastgelegd in ruimtelijke plannen, onder meer voor de herstructureringslocatie De Volharding (bron: bestemmingsplan Balk-Zuid, toelichting p. 12).


Verordening Romte Fryslan 2014

De Verordening Romte Fryslân 2014 (vastgesteld op 25 juni 2014) stelt regels aan bestemmingsplannen. De verordening geeft geen directe aanwijzingen met betrekking tot dit plangebied.


Friese Merenproject

Het Friese Merenproject, gestart in 2000, is een samenhangend programma van projecten met als doel de provincie Fryslân aantrekkelijker te maken als watersportgebied. Onderdeel van het programma zijn het beter bevaarbaar maken van recreatieve vaarroutes, de aanleg van aquaducten en de verbetering van toeristisch-recreatieve voorzieningen. Bij Balk heeft dit geresulteerd in een nieuw strandpaviljoen (met strand en passantenhaven) nabij de Lutsmond en het uitdiepen van de Luts als vaarroute. Ondanks het feit dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van dit project, wordt met dit bestemmingsplan een belangrijke open plek ingevuld die nu een verrommelde aanblik geeft. Een dergelijke kwalitatieve impuls past goed in de doelstellingen van het Friese Meren Project.


Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past in het provinciale beleid.

3.2 Gemeentelijk beleid

In deze paragraaf wordt het relevante gemeentelijke beleid kort geschetst.


Structuurvisie

Structuurschets Balk 2005-2015 (28 juni 2005)

Voor het onderdeel 'wonen' richt de Structuurschets zich met name op de uitbreidingsgebieden Riisenmar, Landlust I en II, en Munnikeleane. Het plangebied van de Volharding is bij de totstandkoming van de Structuurschets nog bestaand bedrijventerrein. In dezelfde periode werd wel vergunning verleend voor de transformatie van het plangebied naar woningbouw. Deze vergunning is, zoals in het inleidende hoofdstuk al vermeld, niet gerealiseerd. Vanwege de vergunning echter, sluit het gebied wel aan bij de bedoelingen van de Structuurschets. In retrospect maakt de invulling van de Volharding de verbinding tussen bestaande kern en Landlust I.


Woonvisie De Friese Meren 2014-2018

In de woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2014-2018. Dit beleid vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. Door de gemeenteraad zijn uitgangspunten voor de woonvisie vastgesteld in de rapportages Demografische veranderingen in De Friese Meren (december 2012), Woningmarktanalyse De Friese Meren (juni 2013) en Uitvoeringsprogramma Wonen 2013 tot 2020 (juni 2013). De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woon-wensen moeten kunnen realiseren. Deze doelstelling is uitgewerkt via drie pijlers: 'Aandacht voor kwaliteit', 'Een levensloopvriendelijke gemeente' en 'Goed wonen voor alle doelgroepen'.


Om de kernen vitaal en leefbaar te houden, is een goede kwaliteit van de leefomgeving en de bestaande woningvoorraad van groot belang. De nieuwbouwproductie in de gemeente in de komende jaren is beperkt in omvang en concentreert zich in de grotere kernen Joure, Lemmer en Balk. Er wordt gestreefd naar een groei van de woningvoorraad met 1,0% per jaar - de rol van de gemeente is hierbij beperkt. Deze locatie kan voorzien in de doelstelling.


Balk: water & bos - Masterplan Waterfront Balk


Het masterplan is gericht op versterking van de functie van watertoerisme voor de kern Balk zelf. Rondom het plangebied zijn daartoe enkele speerpunten opgenomen. Hieronder vallen onder meer uitbreiding van het woongebied (Havendiken), een passantenhaven en een recreatiewoningproject ('het balkon'). Het plangebied zelf wordt genoemd als locatie die wacht op functiewijziging naar woningbouw, aansluitend op de lintbebouwing van de kern.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPBLK17BALKVOLHARD-VA01_0004.png"


Welstandsnota
Op 22 april 2015 is de nieuwe Welstandsnota vastgesteld. Daar waar sprake is van een bijzondere ruimtelijke kwaliteit, zoals de oude kernen en de lintbebouwing, is duidelijk omschreven wat er wel en niet gewenst is. Het principe hierbij is: "Weinig regels waar dat kan, duidelijke regels waar dat nodig is". Het welstandsbeleid vormt een toetsingskader bij concrete vergunningsaanvragen en heeft daarmee een aanvullende werking op het bestemmingsplan.


Binnen het welstandsbeleid gaat specifieke aandacht uit naar het beschermd dorpsgezicht.


Voor deze locatie is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit is het beeldkwaliteitsplan terrein De Volharding. Dit beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 bij de toelichting opgenomen. Op basis van dit beeldkwaliteitsplan zijn welstandsontwikkelcriteria opgesteld. Na het volgen van de inspraakprocedure zullen specifieke welstandscriteria voor de locatie De Volharding onderdeel uitmaken van de Welstandsnota.


Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de gemeentelijke doelstellingen voor de woningmarkt en past binnen het beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk is een inventarisatie opgenomen van milieu- en omgevingsaspecten die onderdeel zijn van het toetsingskader voor het realiseren van de gewenste ontwikkeling. Naast de inventarisatie zijn ook de resultaten van diverse uitgevoerde onderzoeken opgenomen. Aspecten die aan de orde komen betreffen factoren die kunnen leiden tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het plangebied of van bedrijven/inrichtingen in de omgeving. Per aspect wordt aangegeven wat het belang is, welk onderzoek is uitgevoerd en welke conclusie daaruit kan worden getrokken.


Vormvrije mer-beoordeling

Voordat alle milieu- en omgevingsaspecten aan de orde komen, eerst een toets aan het Besluit m.e.r. (milieu-effectrapportage). In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.


In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, of wanneer het meer dan 2.000 woningen betreft (Besluit mer, Bijlage C, onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling blijft ruimschoots onder de drempelwaarden.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.2 Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).


Bodemkwaliteitskaart
Op de bodematlas van de provincie Fryslân is de locatie nog geregistreerd als scheepswerf (nieuwbouw en reparatie; metaal na 1890) en als vee- en mengvoederfabriek. De bijbehorende aanduiding van de bodem in aard, ernst en potentiële urgentie luidt dat deze urgent is met sanering binnen 4 jaar. Deze classificatie is achterhaald door vervolgmaatregelen zoals hieronder weergegeven.


Onderzoek en conclusies
Voor het plangebied zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Hieronder zijn ze weergegeven met de belangrijkste conclusies.


Historisch bodemonderzoek 2014 (Hofstede cs Milieuadviseurs)
In januari 2014 is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd ten bate van een eigendomsoverdracht. Het doel van dit onderzoek was een hypothese op te stellen over de bodemkwaliteit. Het onderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725:2009, niveau 'standaard'. In het onderzoek zijn als bijlagen ook opgenomen de onderzoeken die in de periode 1992-2000 zijn uitgevoerd, alsmede (delen van) het saneringsplan, saneringsverslag en goedkeuring daarvan uit 2008-2009.


Conclusie: Door ophoging en door vroegere bedrijfsactiviteiten is bodemverontreiniging ontstaan. Deze is in 2008-2009 met een bodemsanering grotendeels verwijderd. Na deze bodemsanering is een lichte tot hooguit matige restverontreiniging in de grond achtergebleven. De bodemkwaliteit is in beginsel geschikt gemaakt voor een woonbestemming. Bij graafwerkzaamheden op de locatie kan, behalve schoon zand, evenwel ook licht tot matig verontreinigde grond vrijkomen. Deze mag elders op de locatie worden herschikt. Indien grond moet worden afgevoerd, kan deze buiten de locatie binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit worden toegepast. Daarin zijn vaak (geringe) acceptatiekosten verbonden.


Partijkeuring niet-vormgegeven bouwstof 2016 (Enviso Ingenieursbureau)
Op het terrein ligt een berg puin. Het zijn de restanten van de voormalige bedrijfsbebouwing. Voor deze partij is een keuring uitgevoerd om inzicht te krijgen in de hergebruikmogelijkheden in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Op basis van protocol 1002 behorend bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 1000 zijn monsters van de partij genomen en deze zijn chemisch geanalyseerd.


Conclusies: De partij menggranulaat met een omvang van 891 ton/1.604 m3 voldoet aan de geldende normen voor een niet-vormgegeven bouwstof. Er zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen bijmengingen of asbestverdachte materialen aangetroffen.

4.3 Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie kan worden gedefinieerd als 'sporen, objecten en patronen/structuren die zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie en ontwikkeling'. Cultuurhistorische waarden zijn daarom verbonden aan landschappelijke kwaliteiten, archeologie en bouwwerken, al dan niet met een status als monument. Bepaalde landschappelijke elementen kunnen een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen in verband met de ontstaans-, bewonings- en ontginningsgeschiedenis van de streek. In het bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen om deze geschiedenis te behouden c.q. de waarden te beschermen.


Cultuurhistorie

Het plangebied in de huidige situatie maakt onderdeel uit van een gebied dat door de minister is aangewezen als 'beschermd stadsgezicht'. In de vigerende bestemmingsplannen is dat zichtbaar gemaakt door de gelijknamige dubbelbestemming. De voormalige bebouwing is verdwenen, en daarmee de kenmerkende elementen die mogelijk aanleiding waren om dit (deel)gebied aan te wijzen. Het verdwijnen van historische bebouwing op zichzelf is geen aanleiding om de status van beschermd stadsgezicht in te laten trekken. Bij een beschermd stadsgezicht gaat het namelijk om de structuur en het beeld van een gehele stad.


De voorgenomen invulling van het gebied en de separate welstandseisen die zijn opgesteld, waarmee in samenhang de structuur van dit deel van Balk wordt verstevigd, zijn afgewogen tegen de kwaliteiten van het beschermd stadsgezicht. Deze afweging is in de regels verwerkt.

Archeologie
Rijksbeleid
De drie belangrijkste uitgangspunten van de wetgeving voor de archeologische monumentenzorg zijn:

  • Het behoud van archeologische waarden in de bodem;
  • De initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek;
  • De zorg voor het archeologisch erfgoed wordt vroegtijdig geïntegreerd in de procedures van de ruimtelijke ordening.


De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) beheert de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze kaart bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria en ingedeeld in diverse categorieën archeologische waarden. In aanvulling op de AMK is er de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De IKAW geeft voor heel Nederland, inclusief de bodems van grote wateren, de kans aan op het aantreffen van archeologische resten bij werkzaamheden in de bodem. Die trefkans is aangegeven in vier categorieën.


Provinciaal beleid
Het provinciale archeologische beleid is vastgelegd in het Streekplan en sluit in hooflijn aan op de uitgangspunten van het rijksbeleid. Bescherming begint bij inzicht en de provincie Fryslân brengt het bodemarchief in kaart met FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE is gebaseerd op de landelijke kaarten AMK en IKAW. Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat mogelijk aanwezige resten verstoord zijn en met de omvang van de bodemingreep. Hieronder is een uitsnede van de FAMKE voor het plangebied opgenomen, inclusief toelichting op de markering (kleur c.q. advies).


afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPBLK17BALKVOLHARD-VA01_0005.png"

Uitgevoerd onderzoek en conclusies


Verkennend archeologisch onderzoek, 2002 (De Steekproef)

Naar aanleiding van nieuwbouwplannen werd dit verkennende bodemonderzoek uitgevoerd. Er werden 6 grondboringen uitgevoerd. Twee boringen konden niet diep worden doorgezet vanwege teveel puin. De vier overige boringen lieten een verstoorde bodem zien tot ongeveer 1 meter onder maaiveld. Rond 1,3 m onder maaiveld is een veenlaag aanwezig, waaronder zich een gaaf podzolprofiel bevindt.


Conclusie: Wanneer tijdens werkzaamheden dieper dan 1,20 m onder maaiveld wordt gegraven, dan is het gewenst om tijdens deze werkzaamheden een archeologische waarneming te laten uitvoeren.


NB: De boringen uit dit onderzoek vonden plaats vóór de functionele bodemsanering van 2008-2009 (zie 'bodem'). Na sanering en gedeeltelijke afgraving werd een leeflaag van zand aangebracht, waardoor het maaiveld hoger kwam te liggen dan ten tijde van het onderzoek.


Bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek, 2016 (Raap)

Het bureauonderzoek dient om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Bekende archeologische vindplaatsen in de omgeving van het plangebied zijn bestudeerd, evenals digitaal beschikbaar kaartmateriaal. Op basis van dit onderzoek kunnen nederzettingsresten uit de Steentijd aangetroffen worden, evenals resten uit de Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Op basis van de FAMKE is voor gebieden met deze kwalificatie een karterend onderzoek nodig (boringen). Met het verkennend veldonderzoek zijn 12 boringen uitgevoerd. Bij een aantal van deze boringen is onder de verstoorde toplaag (opgebracht zand van 0,30 tot 1,45 m) en een veenlaag een intact dekzand met podzolbodem waargenomen.


Conclusie: De verwachting voor archeologische resten uit de Steentijd blijft hoog. Voor de periode Middeleeuwen - Nieuwe tijd wordt de verwachting bijgesteld naar laag. Er zijn geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats aangetroffen.


Aanbeveling: Voor het gedeelte van het plangebied waar de top van het dekzand intact is, wordt een karterend booronderzoek aanbevolen door middel van boringen. Daarna is te bepalen hoe met dit gedeelte moet worden omgegaan.


De conclusies van de onderzoeken zijn besproken met het bevoegd gezag en de provinciale archeologische dienst. Op hun adviezen heeft karterend booronderzoek plaatsgevonden.


Inventariserend veldonderzoek - karterende fase, 2017 (Transect)

In januari 2017 heeft op basis van de voorgaande onderzoeken uit 2002 en 2016 een inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden, in de vorm van een karterend booronderzoek (IVOO). In het onderzoeksgebied zijn volgens methode E1 (brede zoekoptie) in een grid van 25 x 20 m met een Edelmanboor met een diameter van 7 en 15 cm in totaal negen boringen gezet tot een diepte van maximaal 220 cm onder maaiveld. Er zijn tijdens het onderzoek visueel in het veld geen archeologisch indicatoren aangetroffen. Het vondstmateriaal uit de residuen beperkt zich tot enkele fragmenten houtskool, gebroken kwarts en enkele fragmenten vuursteen, alle sterk verweerd en zonder sporen van bewerking.


Conclusie: Er is geen sprake van een vindplaats. De archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar een lage verwachting. Het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, zonder aanvullend onderzoek.

4.4 Duurzaamheid en energie

In dit plan komt duurzaamheid op verschillende wijzen tot uitdrukking. Ten eerste in de vorm van duurzame stedelijke ontwikkeling. Het braakliggende terrein waar zonder onderhoud een wildgroei van onkruid, groen en houtopstanden zou ontstaan, wordt ontwikkeld tot een woonbuurtje dat met beeldkwaliteit, schaal en korrel aansluit op de bestaande kern van Balk. De ligging aan de Luts wordt benadrukt door de oriëntatie van de woningen.

Ten tweede is de locatie gesaneerd zodat een schoon, heel en veilig woongebied tot stand kan komen.

Als derde worden de kavels zodanig op hoogte gebracht dat er sprake is van klimaatbestendigheid. De KNMI'14 klimaatscenario's laten op termijn een beeld zien van hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, hevigere buien en kans op droge zomers. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met een grotere kans op wateroverlast, enerzijds door zwaardere buien en anderzijds door een grotere kans op hogere waterstanden in de winter. Extra maatregelen zijn daarom nodig om de kavels en de toekomstige woningen te beschermen tegen hoge waterstanden in de boezem. In dit plan wordt dat gerealiseerd door de bouwvlakken op de kavels verhoogd aan te leggen.

Het streefpeil van de boezem is -0,52 m NAP en de kans is 1 x per 100 jaar dat het peil in de boezem een stand van -0,22 m NAP bereikt. De huidige droogleggingsnorm is 0,70m boven het streefpeil voor woningen zonder kruipruimte en 1,10m voor woningen met kruipruimte. Als klimaatadaptatiemaatregel worden de bouwvlakken van de kavels aangelegd op een hoogte van 0,60 en 0,80 m-NAP.

Tot slot kan worden genoemd dat de te realiseren woningen ten minste zullen voldoen aan de meest actuele EPC-eis uit het Bouwbesluit. Toekomstige bewoners kunnen verdere maatregelen benutten om de energieprestatie van hun woning verder te verbeteren. Als voorbeelden kunnen genoemd worden zonnepanelen of een warmtepomp.

4.5 Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:


" bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;


" vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.


Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschreden wordt.


Onderzoek en conclusie


De Brandweer Fryslân (advies 28 juni 2016) heeft geen opmerkingen bij de ontwikkelingen vanuit het perspectief van externe veiligheid. Door de FUMO (Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing), bureau Externe Veiligheid Fryslân is op 18 juli 2016 advies uitgebracht. Ze constateert dat in of in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie geen risicobronnen zijn gelegen waarvan de risicocontouren of invloedsgebieden zich binnen de locatie bevinden. Er zijn ook geen andere risicobronnen waarop het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) van toepassing is.


Vanuit basisbrandweerzorg adviseert de brandweer om een primaire bluswatervoorziening aan te brengen, om boothuizen rechtstreeks vanaf de Jachthavendijk bereikbaar te maken en om de woningen tot op een afstand van 40 m voor brandweervoertuigen bereikbaar te maken. Dat advies is in het kader van het vooroverleg herhaald (18 april 2017).


Alle woningen zijn bereikbaar via de ontsluitingswegen en het pleintje, die gedimensioneerd zijn op een maatgevend voertuig (vuilophaalwagen) en daarmee voldoende geschikt voor een standaard brandweervoertuig. Elke woning is tot op 40 m te benaderen. Als primaire blusvoorziening zal een ondergrondse brandkraan worden aangelegd, waarvan de exacte locatie in overleg met de brandweer bepaald wordt. Secundair kunnen de woningen gelegen aan het water vanaf de overkant van de Luts bereikt worden (afstand minder dan 40 m), waarbij de Luts als bluswatervoorziening gebruikt kan worden.


Ten aanzien van de bereikbaarheid van de boothuizen geldt dat er geen sprake is van realisatie van nieuwe boothuizen, maar van het verbeteren van bestaande ligplaatsen. Deze zijn gedeeltelijk benaderbaar vanaf de Jachthavendyk (oostelijk van huisnummer 9), waarbij de brandkraan op de hoek van Jachthavendyk/Noardwal en/of de watergang van Havendiken dan wel de Luts gebruikt kunnen worden als bluswatervoorziening. Ook zijn de ligplaatsen te bereiken via het pleintje en het pad. Het pad heeft voldoende breedte. Als bluswatervoorziening kan dan de nieuw te realiseren brandkraan dienen.


Conclusie: het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

4.6 Geluid

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.


Alle wegen rondom het plangebied kennen een 30 km/uur-regime. In het plangebied zal ook een 30 km/uur regime gelden. Om deze reden en omdat het aantal nieuwe verkeersbewegingen dermate klein is, is onderzoek naar de effecten van wegverkeerslawaai in dit geval niet noodzakelijk.

Het plangebied ligt aan het water en aan de overkant van het water bevinden zich enkele bedrijven. Onderzoek naar industrielawaai is wel verplicht.


Onderzoek en conclusie


Toetsen plan aan richtafstanden voor geluid (DGMR, juli 2016)

Het milieuaspect geluid vanwege bedrijven is beschouwd vanuit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Geluid is de bepalende contour. De publicatie maakt onderscheid in typen woongebied. Gezien de ligging van het plan nabij bedrijven kan de woonomgeving getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Tot de gemengde gebieden is door de hogere achtergrondwaarde van het geluid een kortere afstand tot bedrijfsactiviteiten mogelijk. De minimale afstand is afhankelijk van de milieucategorie van het bedrijf. Van twee omliggende bedrijven valt de richtafstand voor geluid over het plangebied. Dit betreffen Zeilschool De Stipe en Spaans Babcock BV.


Conclusie: De contour op basis van de richtafstand van De Stipe valt enkel over de tuinen van het woningbouwplan en raakt niet de bouwvlakken. Er is geen invloed op het woon- en leefklimaat. Voor Spaans Babcock BV is nader geluidsonderzoek nodig, want deze contour valt wel over toekomstige bebouwing.


Planologisch-akoestisch onderzoek Spaans Babcock BV (DGRM, november 2016)

Dit onderzoek is een vervolg op het onderzoek uit juli 2016. Doel is om te onderzoeken of met het geluid van Spaans Babcock BV ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Bij het onderzoek is gekeken naar de bedrijfsactiviteiten, toekomstige (uitbreidings)plannen en de representatieve bedrijfssituatie. Alle gegevens zijn door meting en modelmatige berekening verwerkt.


Conclusie: Uit de resultaten blijkt dat de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, maximale geluidniveaus en geluidsniveaus als gevolg van indirecte hinder voldoen aan de toetswaarden uit stap 2 (VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', 2009). Daarmee is voor geluid sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bedrijf wordt door het woning-bouwplan niet belemmerd in zijn toekomstige ontwikkelingen. Het bedrijf heeft ingestemd met de conclusies van het onderzoek.

4.7 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. In de Europese Unie zijn daarom grenswaarden afgesproken waaraan de concentraties van een aantal stoffen vanaf bepaalde ingangsdata moeten voldoen.


Die grenswaarden en regelgeving om ze tijdig te bereiken en te handhaven zijn in Nederland opgenomen in de Wet milieubeheer, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Indien een bestemmingsplan vastgesteld of gewijzigd wordt, dient vast te staan dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit voldoen aan die eisen (art. 5.16 lid 1 en 2). Die gevolgen worden bepaald door de verandering in gebruik en functies die door het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande functies. Maatgevend is de met de veranderingen samenhangende groei van het autoverkeer en de daardoor veroorzaakte uitstoot van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De Wet milieubeheer (Wm) onderscheidt in artikel 5.16. lid 1 vier situaties waarin het be-stemmingsplan voldoet aan de regels voor de luchtkwaliteit. Aannemelijk moet worden ge-maakt dat tenminste één van die vier gronden van toepassing is.

Een van de vier mogelijke situaties waarin voldaan wordt aan de regelgeving voor de luchtkwaliteit is wanneer er sprake is van Niet in betekenende mate ("NIBM") gevolgen voor de luchtkwaliteit (art. 5.16. lid 1 onder c van de Wm). Criteria hiervoor zijn uitgewerkt in een Besluit NIBM en een Regeling NIBM. Hieruit blijkt dat van NIBM onder meer sprake is indien een mogelijk gemaakte uitbreiding netto minder dan 1500 woningen of 100.000 m2 BVO kantooroppervlak omvat (Regeling NIBM art. 4 lid 1).

Een andere grond waarop voldaan kan worden aan de Wm is wanneer inclusief alle nieuwe ontwikkelingen wordt voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit (art 5.16, lid 1 onder a).


Beoordeling

De ontwikkeling betreft een bestemmingswijziging voor de realisatie van 8 woningen in particulier opdrachtgeverschap. Deze ontwikkeling is aangemerkt als niet in betekende mate, omdat het minder dan 1.500 woningen betreft. Toetsen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer is daarom niet noodzakelijk. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.8 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Het gebruik van milieuzonering biedt de mogelijkheid om gevoelige functies te vrijwaren van (zware) bedrijvigheid, maar biedt ook de mogelijkheid bepaalde bedrijvigheid te versterken.

In de milieuzonering staat de typering van (woon)gebieden centraal. Bij het wel of niet toelaten van bepaalde bedrijvigheid in (woon)gebieden is gelet op onder andere de ligging van (potentiële) bedrijven ten opzichte van de omgeving, de mate van eventueel te verwachte hinder en het na te streven karakter van de buurt/wijk. Door middel van een passende bestemmings- en gebruiksregeling kan het bestemmingsplan een bijdrage leveren aan een afname van overlast binnen het plangebied, door niet passende bedrijvigheid of activiteiten zo veel mogelijk te weren, te reduceren, of door hinder beperkende maatregelen te treffen.


Categorisering van bedrijven in en rond het plangebied

In de toets aan de richtafstanden voor geluid (DGMR, juli 2016 - zie ook paragraaf 4.6) is een tabel opgenomen met de milieucategorisering van de omliggende bedrijven. De categorieën lopen uiteen van 1 tot 4.1. Omdat de geluidcontour de bepalende contour is en deze voor het categorie 4.1-bedrijf voldoet aan stap 2 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009), kan verder onderzoek achterwege blijven.

4.9 Natuurwaarden

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.


Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ten aanzien van ontwikkelingen binnen de EHS geldt het 'nee, tenzij'-principe.

Soortenbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een algemeen verbod op het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode Lijstsoorten zijn deze voorwaarden zeer streng.


Onderzoek en conclusie

Mertens, juli 2016 (voorlopig rapport). Verkennend veldonderzoek naar het vóórkomen van beschermde planten- en diersoorten.


Conclusie: Er is vastgesteld dat er algemene kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën kunnen voorkomen in en direct rond het plangebied. Voor deze soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Wet natuurbescherming. De aanwezigheid van algemene broedvogels kan niet worden uitgesloten. In verband met het voorkomen van deze algemene broedvogels wordt aangeraden om te werken buiten het broedseizoen of op een manier dat de vogels niet tot broeden komen (verjagen vogels voor aanvang broedseizoen). Daarnaast vliegen en foerageren er in lage dichtheid vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. De werkzaamheden beïnvloeden de watergang en de oever niet, waardoor effecten op (beschermde) vissen worden uitgesloten. Overige beschermde soorten komen niet voor.


Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op matig en zwaar beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de realisatie en het gebruik van de woningen in de Volharding te Balk is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

4.10 Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt op twee plekken ontsloten voor verkeer: aan de Mr. C.J. Trompstraat en aan de Jachthavendyk. Zowel gemotoriseerd verkeer als langzaam verkeer kunnen deze ontsluitingen gebruiken. De ontsluiting aan de Jachthavendyk zal naar verwachting door bestemmingsverkeer het meest gebruikt worden. De ontsluitingen wordt ingericht als 30 km/uur zone. Ook hulpdiensten kunnen van deze ontsluitingen gebruik maken in geval van calamiteiten. De verkeersafwikkeling gaat via genoemde wegen rond het plangebied. Deze kennen een 30 km/h uur regime. De wegstructuur rond het plangebied en leidend naar de belangrijkste uitvalswegen is voldoende gedimensioneerd voor de (beperkte) toename van verkeer als gevolg van dit plan. De capaciteit van de bestaande wegenstructuur in dit deel van Balk is ook voldoende voor omliggende ontwikkelingen zoals Havendiken in zijn uiteindelijke omvang. Er zijn geen indicaties dat de verkeersveiligheid of de verkeersleefbaarheid verstoord worden.


Parkeren van bewoners wordt op eigen terrein opgelost met twee plekken per woning. Voor bezoekers zijn negen parkeerplekken geprojecteerd in de openbare ruimte. De parkeerbalans komt hiermee op 3,1 parkeerplekken per woning, dat ruim boven de norm van 2,3 ligt.

4.11 Water

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.


Beleid duurzaam waterbeheer

Water wordt - als gevolg van klimatologische veranderingen - steeds belangrijker als ordenend principe. Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante beleid, waarbij dat van het Wetterskip en de gemeente nader wordt behandeld.


Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)


Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Rapport Waterbeleid 21e eeuw
  • Waterwet


Provinciaal:

  • Fries Bestuursakkoord Waterketen
  • Fries Feitenonderzoek


Beleid Wetterskip Fryslân

Algemene uitgangspunten van het waterbeleid zijn:

  • Bij waterbeheer wordt de voorkeursvolgorde vasthouden, bergen en afvoeren gehanteerd;
  • Hemelwater wordt zo veel mogelijk afgekoppeld van het rioleringssysteem en geïnfiltreerd in de bodem;
  • De toename van verhard oppervlak dient te worden vermeden en, indien dit niet mogelijk is, te worden gecompenseerd door het realiseren van extra waterberging;
  • Waterlopen worden waar mogelijk teruggebracht in een natuurlijke staat.


Beleid gemeente

In het verbreed Gemeente Rioleringsplan (vGRP) 2015-2019 is de zorgplicht van de gemeente voor haar watertaken opgenomen. Feitelijk komt het erop neer dat de gemeente zorgdraagt voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken.


Huidige situatie plangebied

In de huidige situatie is het plangebied braakliggend, op een gedeeltelijke wegverharding en een bult puin (restanten van de oorspronkelijke bedrijfsbebouwing) na. Tot de sloop van de bedrijfsbebouwing was er sprake van circa 1.655 m2 verharding (gebouwen, zonder rijbanen).


Toekomstige situatie plangebied

In de eindsituatie, na realisatie van de woningen, de ontsluitingen en het pleintje, is sprake van een totale verharding van circa 2.600 m2, inclusief opritten.


Watertoets
De watertoets is een wettelijk verplicht instrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding expliciet worden afgewogen. Door middel van de watertoets worden ontwikkelingen in een vroegtijdig stadium afgestemd met de waterbeheerder. Voor dit plangebied is het Wetterskip Fryslân de aangewezen overlegpartner.

Voorafgaand aan het formele vooroverleg is de watertoets al doorlopen. Het wateradvies is als bijlage opgenomen.

Naar aanleiding van dat advies zijn de volgende maatregelen genomen:

  • Waterberging. Omdat de verharding met meer dan 200 m2 toeneemt ten opzichte van de huidige situatie, is in principe compensatie van oppervlaktewater verplicht. Hiervoor is de compensatienorm van het Wetterskip 10%, zodat er 260 m2 nieuw oppervlaktewater moet worden gerealiseerd. In overleg tussen initiatiefnemer, gemeente en Wetterskip is geconstateerd dat bij de naastgelegen nieuwbouwontwikkeling Havendiken nieuw oppervlaktewater is gerealiseerd met een omvang van 11.000 m2. Aan verharding is daar gerealiseerd 11.740 m2 en er zijn/worden 96 woningen gerealiseerd (120/150 per woning). Uitgaande van de 10% compensatienorm, is er voor Havendiken meer dan ruimschoots gecompenseerd. Het voorliggende plan voor de invulling van de Volharding mag gebruik maken van het gerealiseerde oppervlaktewater van Havendiken (bijlage: mail gemeente 10 okt 2016).
  • Boezempeil. Het plangebied ligt vrij voor de boezem. Rekening moet worden gehouden met het maatgevende boezempeil. In paragraaf 4.4 is aangegeven hoe daarmee wordt omgegaan (klimaatbestendig bouwen).
  • Rioolgemaal. Binnen de richtafstand van 30 meter worden geen nieuwe geurgevoelige functies mogelijk gemaakt. Voorts is het plan ter plekke van het rioolgemaal zo aangepast, dat een gedeelte van de toegangsweg niet meer over eigendom van het Wetterskip komt.
  • Afkoppelen en waterkwaliteit. Voor het plan is een rioleringsplan gemaakt dat uitgaat van een gescheiden stelsel, waarbij het hemelwater afkomstig van verhard oppervlak wordt geloosd op het oppervlaktewater van de Luts.


Het waterschap geeft op basis hiervan een positief wateradvies, waarmee de watertoets is afgerond.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de regels van de Wet en het Besluit op de ruimtelijke ordening. Voor wat betreft de digitalisering voldoet het aan de betreffende standaarden, waaronder de Standaard voor vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

5.2 Verbeelding

De voor het plangebied geldende bestemmingen zijn aangegeven op de verbeelding. De indeling van de bestemmingen is gebaseerd op het gemeentelijk handboek en volgt de stedenbouwkundige verkaveling voor het gebied. De bestemmingen geven aan waarvoor de betreffende gronden mogen worden gebruikt.

De woonbestemming is gesplitst in drie verschillende bestemmingen Wonen. Dit is gedaan omdat het verschillende typen woningen betreft. De woningen en bijgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd. Dit bouwvlak is op de plankaart aangegeven.

5.3 Bouw- en gebruiksregels

Dat er binnen een bouwvlak moet worden gebouwd is aangegeven in de regels van de drie woonbestemmingen. De regels bevatten ook de goot- en bouwhoogte van de woningen en bijbehorende bouwwerken, alsmede de maximaal te bebouwen oppervlakten. Qua maatvoering wordt er een verschil gemaakt tussen de hoofdgebouwen, in casu de woningen, en de gebouwen die bij een woning kunnen worden gebouwd.

Het bestemmingsplan bevat overigens niet alleen regels voor het bouwen van woningen. Ook ten aanzien van de andere functies zoals, verkeer, water en het in het plangebied voorkomende elektriciteitsgebouwtje worden regels gegeven. In deze regels wordt aangegeven welke functies zijn toegestaan en op welke wijze er op de betreffende gronden mag worden gebouwd.

Bijzondere bestemming is de bestemming Waarde-Beschermd dorpsgezicht. Deze is opgenomen omdat het betreffende deel van het plangebied nog tot het beschermd dorpsgezicht van Balk behoort. De bouw- en gebruiksmogelijkheden van dit bestemmingsplan zijn afgewogen tegen de kwaliteiten van het beschermd dorpsgezicht. Tegen het bouwen van de woningen conform het bestemmingsplan is vanuit het oogpunt van het beschermd dorpsgezicht dus geen bezwaar. Bij het afwijken van de regels is het van belang om naar de gevolgen van het beschermd dorpsgezicht te kijken. Dit is in de regels van de bestemming Waarde-Beschermd dorpsgezicht opgenomen.

5.4 Afwijkingsregels

De hiervoor genoemde afwijkingsregels zijn met name opgenomen in de regels van de drie woonbestemmingen. Het college van burgemeester en wethouders kan afwijken ten aanzien van bijvoorbeeld de goot- en bouwhoogten en de te bebouwen oppervlakte. Ook bevat het bestemmingsplan een algemene afwijkingsregeling voor kleine afwijkingen van de regels. Deze bepaling is in alle actuele bestemmingsplannen van de gemeente opgenomen.

5.5 Handhavingsparagraaf

Het betreft hier een nieuw te ontwikkelen woongebied. Het bestemmingsplan kent heldere regels en een overzichtelijke plankaart met duidelijke bouwvlakken. Bij de uitvoering van het bestemmingsplan c.q. het verlenen van de omgevingsvergunning is eenvoudig te constateren of er wel of niet volgens het bestemmingsplan gebouwd gaat worden. Dit geldt ook voor de toezicht op de bouw. Er zijn derhalve geen handhavingsproblemen te verwachten.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid en overleg

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De gemeente De Fryske Marren en initiatiefnemer Van Beek Balk BV hebben ter verzekering van de economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan een Realisatie-overeenkomst gesloten, die tevens een anterieure overeenkomst is in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. Door het aangaan van deze anterieure overeenkomst wordt voldaan aan de wettelijke vereisten om af te kunnen zien van een exploitatieplan. Bij het sluiten van de overeenkomst hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld:

  • Het is een particuliere ontwikkeling;
  • De gemeente is facilitair;
  • De gebiedsexploitatie is voor rekening en risico van de initiatiefnemer;
  • De gemeente neemt de openbare ruimte voor een symbolisch bedrag over.

Door de in de overeenkomst opgenomen afsprakenkader en taakverdeling ontstaat een haalbaar en economisch uitvoerbaar plan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid en uitkomsten overleg

Overleg met de omgeving

Door de initiatiefnemer is in een vroeg stadium, ruim voor de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, met gesprekken en periodieke berichtgeving naar bewoners en bedrijven in de omgeving gecommuniceerd.

  • Er zijn sinds januari 2016 diverse nieuwsbrieven verspreid onder omwonenden en geïnteresseerden;
  • Informatieavond op 6 juni 2017, tijdens periode van terinzagelegging ontwerp-bestemmingsplan.


Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is het plan toegezonden aan de volgende vooroverlegpartners:

  • Wetterskip Fryslân
  • Provincie Fryslân
  • Nutsbedrijven Vitens en Gasunie
  • KPN
  • TenneT
  • Brandweer Fryslân
  • Rijkswaterstaat
  • Ministeries van Defensie en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Van de Brandweer Fryslân is een reactie ontvangen. Hierin wordt verwezen naar het eerdere advies dat afgegeven werd op basis van een concept-stedenbouwkundig plan. Dat advies is verwerkt in de toelichting.

Provincie Fryslân heeft in haar reactie aangegeven dat de provinciale belangen in het plan op een juiste wijze zijn verwerkt. Er is daarmee geen aanleiding het plan te wijzigen.


Kennisgeving van de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan bovengenoemde overlegpartners. De overlegpartners hebben geen (nadere) reactie gestuurd.


Ter inzage

In de periode van 19 mei tot en met 29 juni 2017 heeft het ontwerpbestemmingsplan met de ontwerp-welstandsontwikkelcriteria ter inzage gelegen voor zienswijzen. Van deze mogelijkheid heeft niemand gebruik gemaakt.