direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Hogedijk 56, Bergambacht
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Hogedijk 56 in Ammerstol staat een bedrijfswoning van voorheen pensionstal Paardenkracht. Deze paardenhouderij wordt alleen nog hobbymatig gebruikt. De bedrijfswoning is om die reden niet langer nodig. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning is niet mogelijk door middel van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van het omgevingsplan van rechtswege (bestemmingsplan 'Buitengebied 2011'). Dit heeft te maken met het verwijderen van de rechten en mogelijkheden voor het realiseren van een nieuwe bedrijfswoning in hetzelfde bouwvlak in de functie 'Recreatie - Dagrecreatie'. Vanuit een oogpunt van de fysieke leefomgeving wordt dit niet voorgestaan.

Om medewerking te verlenen aan de gevraagde omzetting is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig, waarbij naast de vervolgfunctie naar burgerwoning op het perceel Hogedijk 56 gelijktijdig de functieaanduiding 'manege' van de bestemming 'Recreatie – Dagrecreatie' met het bouwvlak kan worden geschrapt om bewoning door derden mogelijk te maken in het bebouwingslint.

Om deze woning juridisch-planologisch mogelijk te maken is dit TAM-omgevingsplan opgesteld, waarin wordt aangetoond dat de vervolgfunctie naar Wonen vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties inpasbaar is.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in een bebouwingslint aan de Hogedijk in Bergambacht. Kadastraal is de locatie bekend onder gemeente Bergambacht, sectie B, perceelnummers 5507, 6207, B6276 en B6266 (deels). Aan de westzijde ligt de dorpskern van Ammerstol. Aan weerszijden van het plangebied staan woningen. Verderop staan voornamelijk vrijstaande woningen in het bebouwingslint. Aan de noordzijde was voorheen pensionstal Paardenkracht gevestigd die nu hobbymatig als paardenhouderij wordt gebruikt. Ten oosten van het dijklichaam liggen de uiterwaarden van de Lek. Het plangebied en omgeving is aangeduid in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0001.png" Figuur 1: Situering plangebied (rood gestippeld omkaderd) en omgeving.

1.3 Vigerend omgevingsplan

Het omgevingsplan vervangt het geldende bestemmingsplan uit de Wet ruimtelijke ordening. Onder de Omgevingswet moet iedere gemeente één omgevingsplan voor haar hele grondgebied vaststellen. Gemeenten krijgen een overgangsperiode om hun omgevingsplan om te vormen naar een volwaardig omgevingsplan. Deze periode loopt tot 1 januari 2032.

Het tijdelijke deel van het omgevingsplan is ontstaan na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit wordt het ‘omgevingsplan van rechtswege’ of ‘tijdelijk deel’ genoemd. Feitelijk gaat het om dezelfde bestemmingsplannen die dan één omgevingsplan vormen. Voor het plangebied geldt het omgevingsplan van rechtswege.

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   Uitspraak Raad van State  
“Buitengebied 2011"   13 december 2011   2 april 2013  
"Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard"   29 januari 2019   n.v.t.  


Het plangebied ligt in het door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Bergambacht vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied 2011', waarin het plangebied is bestemd voor 'Recreatie – Dagrecreatie' met de functieaanduiding 'manege'. Een uitsnede van de verbeelding is opgenomen in figuur 2. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het bestemmingsplan onherroepelijk van kracht geworden.

Om aan deze gebiedsontwikkeling medewerking te verlenen is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet geschikt. In verband hiermede is een TAM-omgevingsplan (Tijdelijke Alternatieve Maatregel: afgekort TAM) nodig. (De TAM is bedoeld om een gebiedsontwikkeling te kunnen faciliteren die niet via een BOPA kan worden verleend.)

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0002.png" Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied 2011'. Plangebied rood omkaderd.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit TAM- omgevingsplan relevante rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 is de Waterparagraaf opgenomen. Hoofdstuk 6 omvat de aspecten fysieke leefomgeving en milieu. Hoofdstuk 7 gaat in op het juridisch kader van het TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de participatie. Hoofdstuk 9 is gewijd aan de financiële haalbaarheid. In hoofdstuk 10 is op basis van de voorgaande hoofdstukken gemotiveerd dat er met de nieuwe regeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Veenweide
Het grondgebied ligt in de Krimpenerwaard en bestaat uit veenweidegebied. Het veenweidegebied wordt gekenmerkt door twee hoofdrichtingen. De ene hoofdrichting loopt evenwijdig aan de Lek en de Hollandsche IJssel en wordt bepaald door de nederzettingen, watergangen en doorgaande wegen. De andere richting staat haaks op deze rivieren en wordt bepaald door de verkaveling, watergangen en verbindingswegen. Het slagenlandschap in het veengebied bestaat uit twee verschillende werelden: die van de kleinschalige linten met bruggetjes en knotwilgen en die van de ruimte met sloten en weilanden daarachter. De meeste beplanting is te vinden in de dorpen, rondom de boerenerven, langs dijkwegen, langs de Lek, langs de kavelgrenzen en de tiendwegen. Samen met de bebouwing zorgen deze voor langgerekte verdichte zones die de openheid van het gebied onderbreken.

Bebouwingslinten
De bebouwing in het buitengebied bevindt zich in een aantal bebouwingslinten die over het gehele grondgebied te vinden zijn en die min of meer buurtschappen vormen. De bebouwingslinten kennen een zeer divers gebruik: agrarische bedrijven, woningen en niet agrarische bedrijven liggen naast elkaar. Kenmerkend zijn de doorzichten van de kleinschalige bebouwingslinten naar het open veenweidegebied.

Bestaande situatie omgeving plangebied
Het plangebied ligt ten oosten van de kern Ammerstol achter het dijklichaam van de Lek. Aan weerszijden staan woningen. Achter het woonhuis was vroeger pensionstal Paardenkracht gevestigd. Tegenwoordig is de paardenhouderij hobbymatig in gebruik. Deze is bereikbaar via het naastgelegen Broekselaantje. De activiteiten worden beëindigd, nadat dit TAM-omgevingsplan onherroepelijk van kracht is geworden. Voor deze percelen is een planontwikkeling in voorbereiding om woningbouw mogelijk te maken. Hiervoor moet nog plan- en besluitvorming plaatsvinden. Te zijner tijd zal hiervoor een afzonderlijke planologische procedure moeten worden gestart om dit mogelijk te maken.

Woningen aan de Hogedijk. Dijklichaam voor de woningen aan de Hogedijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0003.png" Paardenhouderij achter plangebied. De uiterwaarden van de Lek.

Bestaande situatie plangebied

Het plangebied ligt in een bebouwingslint met aan weerszijden woningen. Achter de woning staat een schuur die onderdeel was van pensionstal Paardenkracht. Aan de voorzijde ligt het dijklichaam van de Lek met de Hogedijk. Een luchtfoto van de bestaande toestand is opgenomen in figuur 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0004.png" Figuur 3: Luchtfoto plangebied en omgeving.

De voorzijde van de woning Hogedijk 56. De achterzijde van de woning Hogedijk 56.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0005.png" De schuur achter de woning Hogedijk 56. De schuur vanaf achterzijde van de woning.

Het plangebied ligt binnen de boringsvrije zone van het zuiveringsstation Rodenhuis aan de N210 (zie ook motviering in paragraaf 4.2.2). Om die reden zijn, naast de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan, ook de regels uit de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 voor boringsvrije zones van toepassing.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie wordt de functie van de bedrijfswoning gewijzigd in burgerwoning. Verder wordt de schuur achter de woning wegbestemd door het bouwvlak hiervan te schrappen. De schuur komt in het overgangsrecht terecht en maakt geen onderdeel uit van voorliggend plan. Tevens wordt de aanduiding 'manege' van dat deel van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' verwijderd. De openheid en structuur van het landschap worden niet aangetast, omdat er geen nieuwe bouwactiviteiten plaatsvinden. De herkenbaarheid van dat deel van het landschap blijft in stand.

In Hoofdstuk 6 (Aspecten fysieke leefomgeving en milieu) wordt aangetoond dat de woonfunctie aanvaardbaar is vanuit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat en er voor verderop gelegen (agrarische) bedrijven geen sprake is van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. Samenvattend is er met deze vervolgfunctie sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Verkeer

Het plangebied ligt aan de Hogedijk in Bergambacht. Deze gebiedsontsluitingsweg is tevens een recreatieve verbindingsroute voor langzaam verkeer tussen Schoonhoven en Krimpen aan de Lek. De maximum snelheid is 60 km/uur. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de verkeersintensiteit. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats vanaf de bestaande verharde ontsluiting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0006.png" De Hogedijk. De oprit van de woning naar de Hogedijk.

3.2.2 Parkeren

Ieder plan dient te voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen erf. De vraag hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het parkeerbeleid van de gemeente Krimpenerwaard. Op 29 januari 2019 heeft de gemeenteraad het parapluplan Parkeren Krimpenerwaard vastgesteld. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de parkeernorm van thans de richtlijnen van het CROW 2024 (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, publicatie 744). De parkeernormen zijn opgenomen in tabel 3.1.

Tabel 3.1 Parkeerkencijfers.

Functie wonen   Norm (gemiddeld) rest bebouwde kom, matig stedelijk   Aandeel bezoekers bij woningen  
koop, huis, vrijstaand   1,9 per woning   0,15  

Op basis hiervan zijn afgerond twee parkeerplaatsen nodig. De parkeerbehoefte is binnen het plangebied gerealiseerd. In artikel 16.1 van het TAM-omgevingsplan wordt geborgd dat nieuwe bouwplannen dienen te voldoen aan de parkeernorm.

Conclusie
De verkeersbewegingen van deze functieaanpassing kunnen worden opgevangen binnen de bestaande infrastructuur, omdat de de Hogedijk voldoende capaciteit heeft.

De parkeerbehoefte kan worden opgevangen in het plangebied. De aanleg en instandhouding van voldoende parkeerplaatsen wordt geborgd in artikel 16.1 van het TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' vastgesteld (afgekort NOVI). De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden.

In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

De vier prioriteiten
De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Drie afwegingsprincipes
Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het Rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Relatie tot TAM-omgevingsplan
In de uitwerking van prioriteit 4 ’Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Eén van de beleidskeuzes is als volgt: "Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief." Onder unieke landschappen wordt onder andere het Groene Hart benoemd.
Naast de beleidskeuze, is ook het volgende nationaal belang opgenomen: "behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang". Het Rijk is medeverantwoordelijk voor het beschermen van waardevol landschap, zoals het Groene Hart, de Waddenzee en de Veluwe. De opgave bij dit nationale belang is om cultureel erfgoed en (inter)nationale unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten te ontwikkelen, te behouden, te versterken en te benutten bij gebiedsontwikkeling en transformatie.

Het plangebied ligt in het Groene Hart, dit gebied is aangewezen als Nationaal landschap. Het doel is om de kwaliteit te versterken en te beschermen. De ontwikkeling voorziet in een vervolgfunctie naar Wonen van de bestaande woning. Gelijktijdig wordt een bouwvlak van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met de functieaanduiding 'manege' geschrapt. Deze vervolgfunctie is passend in het bebouwingslint, waarbij de landschappelijke waarden per saldo gelijk blijven zonder dat nabij gelegen (agrarische) bedrijven worden beperkt zoals toegelicht in paragraaf 6.1.2. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies is de vervolgfunctie passend.

4.1.2 Instructieregels rijk (AMvB's)

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • 1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor dit TAM-omgevingsplan is alleen het Bkl van belang. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Bkl instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan:

  • De dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl);
  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden(§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Toetsing aan instructieregels
Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld om een vervolgfunctie naar burgerwoning mogelijk te maken op het perceel Hogedijk 56 in Ammerstol waarbij gelijktijdig de functieaanduiding 'manege' met een bouwvlak in de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' achter het woonperceel wordt geschrapt. Een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking vindt plaats in paragraaf 4.1.3. Een beoordeling aan milieu en gezondheid is opgenomen in paragraaf 6.1. Hier is aangetoond dat deze belangen voldoende zijn beschermd. Verder blijkt uit de resultaten in paragraaf 6.1.6 dat de veiligheid in het plangebied is gewaarborgd. De waterbelangen zijn voldoende meegewogen in paragraaf 5.4. Deze ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels.

4.1.3 Besluit kwaliteit leefomgeving

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl)
Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt op grond van lid 2 met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:

  • a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
  • b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.

In lid 4 is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, die beoordeling alleen tot doel heeft na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Dit betekent dat in de toelichting van een omgevingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Doel van de ladder is een goede fysieke leefomgeving door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Bkl. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de ladder, zoals deze vanaf 1 januari 2024 geldt.

Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
De belangrijkste motiveringsplichten van de ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond.

In dit TAM-omgevingsplan wordt een vervolgfunctie van bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk gemaakt op het perceel Hogedijk 56 in Ammerstol waarbij gelijktijdig de functieaanduiding 'manege' met een bouwvlak in de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' achter het woonperceel wordt geschrapt. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling’ is niet nader gedefinieerd in het Bkl. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Op grond van jurisprudentie is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit wordt toegelicht in paragraaf 4.2.2.

4.1.4 Conclusie Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over ontwikkelingen van deze omvang. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie en het Bkl. De functie Wonen is in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen voor deze planontwikkeling.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 18 februari 2025 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.

Bij het maken van ruimtelijke keuzes wil de provincie meer gaan prioriteren op gezondheid, kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. De provincie onderzoekt hoe er kan worden gestuurd op brede welvaart, inclusief welzijn en welbevinden. Dit betekent dat water en bodem nog meer sturend worden gehanteerd als randvoorwaarde voor een veilige, toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland. En dit betekent dat er een toekomstbestendige economie wordt nagestreefd met een betere leefomgevingskwaliteit en gezondheid. Daarbij wordt voorrang gegeven aan een duurzame, digitale en inclusieve economie, met borging van maatschappelijke meerwaarde. Een duurzame economie richt zich op circulariteit, energietransitie en natuurinclusiviteit. Een inclusieve economie houdt rekening met het klein-, midden- en grootbedrijf, in alle regio's en voor werkgevers en -nemers. Zo wordt ook het belang bewaakt om inwoners een eigen inkomen te laten verdienen, ook op de lange termijn. Dit betekent bovendien dat ruimte beter zal worden beschermd om provinciale ambities, wettelijke verplichtingen en doelen te realiseren.

De nieuwe koers zal in samenspraak met medeoverheden en andere stakeholders, zowel thematisch als gebiedsgericht, nog nader worden uitgewerkt. Het is de bedoeling om de resultaten daarvan stapsgewijs in het Omgevingsbeleid van de provincie te verankeren door de ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes hierop aan te passen. De ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes zijn:

  • 1. Samenwerken aan Zuid-Holland
  • 2. Bereikbaar Zuid-Holland
  • 3. Schone energie voor iedereen
  • 4. Een welvarend Zuid-Holland
  • 5. Naar vitale balans water, natuur en landbouw
  • 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland
  • 7. Gezond en veilig Zuid-Holland.

In het Omgevingsprogramma Zuid-Holland zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden.

Omgevingskwaliteit
Verbetering omgevingskwaliteit
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. De Kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland. Bij elk gebiedskenmerk zijn richtpunten geformuleerd, waar rekening mee moet worden gehouden. De Kwaliteitskaart met de bijbehorende richtpunten zijn een middel om vroeg in het planvormingsproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. De kaart is opgebouwd uit vier lagen:

  • laag van de ondergrond
  • laag van de natuur- en cultuurlandschappen
  • laag van de stedelijke occupatie
  • laag van de cultuurhistorie

Alle lagen hebben een relatie met elkaar. De laag van de ondergrond gaat over de bodem en de natuurlijke landschapsvormende processen. De laag van de cultuur- en natuurlandschappen behandelt de laag van het zichtbare landschap. Deze laag wordt gevormd door eeuwenlang grondgebruik door de mens. De laag van de stedelijke occupatie bestaat uit het stedelijk weefsel van wonen, werken, voorzieningen en de onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de cultuurhistorie over de herkenbaarheid van de geschiedenis van Zuid-Holland.

Kwaliteitskaart
Op de kaart van de ondergrond (eerste laag) maakt het plangebied onderdeel uit van rivierklei en veen in een rivierdeltacomplex. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Als richtpunt wordt aangehouden dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil houden tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.

Op de kaart van de cultuur- en natuurlandschappen ligt het plangebied in een veen(weide)landschap aan een dijklint (figuur 4). De landschapsstructuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsassen zoals veenkades, vaarten en linten. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veenland. Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de poldereenheden. In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap. De kommen zijn grootschalig met regelmatige (cope)verkaveling, maar gaan al snel over in het veenweidelandschap. Deze overgangen zijn nauwelijks tot niet zichtbaar. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit is onder andere het bewaren van diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.

Linten vormen een belangrijk onderdeel van het Zuid-Hollandse landschap. Ze worden gevormd door lineaire, deels aaneengesloten bebouwing langs lineaire structuren zoals wegen, waterwegen of dijken. Op veel plaatsen hebben de linten een sterke relatie met het omliggende landschap. Op andere plaatsen zijn de linten ingesloten in andere bebouwing. Ook komt er verspreid liggende bebouwing langs (polder)wegen voor, waar de afstand tussen de bebouwing relatief groot is. Deze verspreid liggende bebouwing staat niet op de Kwaliteitskaart, maar er gelden wel richtpunten voor.

Dijklint
De meeste bebouwingslinten zijn van cultuurhistorische betekenis en worden vaak gebruikt als recreatieve route. Ontwikkelingen langs de linten dienen daarom zeer zorgvuldig ingepast te worden. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit zijn onder andere:

  • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.
  • Waar mogelijk behouden van de doorzichten vanaf de weg op het achterliggende landschap.
  • Kleinschalige nieuwe ontwikkelingen langs linten zijn mogelijk indien er sprake is van de functieverandering van de bebouwing van een perceel, bijvoorbeeld van een agrarische functie naar een woonfunctie.
  • Linten behouden hun lineaire karakter waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.

Rivierdijk
Het dijklichaam voor de woning ligt in een rivierdijk. Door de provincie Zuid-Holland stromen verschillende rivieren, waaronder de Lek. Deze rivier stroomt voordat ze uitmondt in de Delta door diverse landschappen. Rivierdijken zijn vrij hoge, robuuste dijken die aan weerszijden van een rivier zijn aangelegd om ervoor te zorgen dat het rivierwater binnen de rivierloop blijft. De rivierdijken hebben altijd een primaire waterkerende functie. Rivierdijken zijn vaak van oudsher de verkeersontsluiting in het gebied en in veel gevallen zijn de dijken ook de basis geweest voor nederzettingen. Er ontstonden lintdorpen aan deze dijken en die zijn vaak uitgegroeid tot dorpen of steden.
De dijken zijn lijnvormige, herkenbare structuurdragers in het landschap met als primaire functie het keren van water. De dijken worden periodiek aangepast aan de dan geldende veiligheidsnormen. Met name in het veengebied is er sprake van dichte lintbebouwing op of aan de dijk. Het doorgaand profiel van de dijk is een belangrijk uitgangspunt. Dit draagt bij aan het herkenbaar houden van de dijk. Het ritme langs de dijk met afritten, bebouwing, afwisselend open-dicht etc. kan houvast geven voor het plaatsen en vormgeven van nieuwe ontwikkelingen, evenals het dwarsprofiel van de dijk en bijbehorende bebouwing. Indien mogelijk worden recreatieve routes gekoppeld aan het water en/of de dijk. De lintbebouwing op- of direct aan de dijk maakt de dijkversterkingsopgave vaak complex en relatief kostbaar. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit zijn o.a.:

  • Het doorgaand profiel van de dijk is een belangrijk uitgangspunt. Bij dijkversterkingen en andere ontwikkelingen aan de dijk is er aandacht voor de continuïteit van de dijk en het dijkprofiel. Zo blijft de dijk als lijnelement herkenbaar.
  • Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de (veenweide)polders.
  • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk over de rivier en op het achterliggende landschap.

Op de kaart van de Stedelijke occupatie ligt het plangebied in de dorpsrand (figuur 4). De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit.
Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een doorlopend kavelpatroon zijn. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.

Richtpunt is dat ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand bijdragen aan een goede overgang tussen stad en buitengebied, met aandacht voor doorgaande landschappelijke structuren, toegankelijkheid, recreatieve verbindingen tussen stad en land en het ontwerp van de stads- en dorpsrand zelf. Verder maakt de Hogedijk onderdeel uit van het Provinciaal hoofdfietsnetwerk.

Op de Kaart van de Cultuurhistorie is het plangebied niet specifiek aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0007.png" Figuur 4: Links uitsnede Kwaliteitskaart 'Laag van de Cultuur- en Natuurlandschappen' en rechts kaart 'Laag van de stedelijke occupatie'.

Toetsing aan kwaliteitskaarten
Dit TAM-omgevingsplan maakt een vervolgfunctie mogelijk van een bedrijfswoning naar burgerwoning zonder dat de bebouwing wijzigt. Verder wordt het bouwvlak in de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' geschrapt waarbij de functieaanduiding 'manege' wordt verwijderd. Het hoofdfietsnetwerk ligt buiten het plangebied, zodat er geen sprake is van het aanbrengen van nieuwe obstakels. Er is Sprake van een gebiedseigen ontwikkeling. Deze herontwikkeling tast de richtpunten niet aan.

Conclusie
De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie. De functie 'Dagrecreatie - Dagrecreatie' wordt ter plaatse van de woning geschrapt om bewoning door derden mogelijk te maken. Het hierachter gelegen bouwvlak wordt geschrapt waarbij de functieaanduiding 'manege' wordt verwijderd. Deze vervolgfunctie tast de ruimtelijke kwaliteit van het gebied niet aan. Het hoofdfietsnetwerk wordt gerespecteerd. Voldaan wordt aan de provinciale belangen met betrekking tot functie en gebruik. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van het provinciale omgevingsbeleid.

4.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 15 december 2021 de 'Zuid-Hollandse Omgevingsverordening' vastgesteld. Op 30 april 2026 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht.

Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Omgevingswet opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 7.45 van de Omgevingsverordening. Op grond van dit artikel dient een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in te gaan op de motivering en toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. In dat geval is de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen.

Toetsing aan Ladder voor duurzame verstedelijking
Dit TAM-omgevingsplan maakt een vervolgfunctie van bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk. Gelijktijdig wordt de functieaanduiding 'manege' van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met een bouwvlak geschrapt. Het begrip ’stedelijke ontwikkeling’, zoals opgenomen in de definitie in het Bkl is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Het bouwen van één woning is geen stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4). In dit geval is er alleen sprake van een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning. Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 5.129g van het Bkl te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen. Toetsing aan de ladder is derhalve niet nodig.

Ruimtelijke kwaliteit
De regels voor ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd in paragraaf 7.3.7. Deze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen. Op grond van artikel 7.43c van de Omgevingsverordening (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) kan een omgevingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  • 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
  • 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied op de Laag van cultuur- en natuurlandschappen aangeduid als ’Veen(weide)landschap’. De landschappelijke kenmerken van het gebied worden niet aangetast, omdat er alleen sprake is van een functiewijziging. Op de Laag van de stedelijke occupatie ligt het plangebied in de dorpsrand, grenzend aan de dorpskern van Ammerstol. De functiewijziging is gelet op de situatie ter plaatse qua aard en schaal passend te beschouwen. De richtpunten zijn niet in het geding. Dit betekent dat sprake is van ’inpassing’, zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan. De bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde van het veenweidegebied blijven ondanks deze functiewijziging intact. Er is geen strijd met de instructieregels.

Beschermingscategorie 3 'Buitengebied'
Het plangebied ligt op grond van artikel 7.42, lid 3 in het buitengebied in beschermingscategorie 3 (figuur 5. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:

  • a. de kenmerkende maat, schaal en het groene karakter van het landschap;
  • b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;
  • c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;
  • d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

Toetsing plan aan beschermingscategorie 3
In dit geval is sprake van een lintzone waar wonen is toegestaan. De ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten blijven per saldo gelijk, omdat er alleen sprake is van een vervolgfunctie naar Wonen zonder dat bebouwing toeneemt. Gelijktijdig wordt de functieaanduiding 'manege' in de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met een bouwvlak geschrapt. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau en past bij de aard en schaal van het gebied. Dit valt onder de noemer inpassing. Er is geen strijd met deze artikelen van de Omgevingsverordening.

Natuurnetwerk Nederland
Gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de Omgevingswet, vormen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het natuurnetwerk Nederland is onderverdeeld in:

  • a. bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied, blijvend agrarisch gebied binnen Natura 2000-gebied, ecologische verbinding en zoekgebied natuur waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;
  • b. prioritaire nieuwe natuur, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Bestaande bebouwing , erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding, inclusief bermen, behoren niet tot het natuurnetwerk Nederland.

Deze gebieden zijn op grond van artikel 7.42 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën) hebben beschermingscategorie 1.

Toetsing plan Natuurnetwerk Nederland
De uiterwaarden van de Lek zijn op kaart 7 (Natuurnetwerk Nederland) van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Het plangebied zelf ligt hierbuiten, zodat er geen beperking is voor het plangebied. Er is geen strijd met artikel 7.43l van de Omgevingsverordening.

Hoofdfietsnetwerk en lange afstand wandelpaden
In artikel 7.79b is opgenomen dat een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houdt met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk, waarvan de laats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 26 in bijlage II. Het plangebied ligt ten noorden van het hoofdfietsnetwerk (figuur 5).

Toetsing aan hoofdfietsnetwerk
Het zuidelijk gelegen recreatief fietsnetwerk van de Hogedijk ligt buiten het plangebied. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0008.png" Figuur 5 Links uitsnede kaart 16 'Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën' en rechts kaart 26 'hoofdfietsnetwerk en lange wandelpaden' van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Milieubeschermingsgebied voor water
De planlocatie ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in artikel 1.2 lid 2 sub a van de Wet milieubeheer. Op kaart 5 bij de Omgevingsverordening zijn de milieubeschermingsgebieden voor grondwater aangeduid. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones. Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, die het laagste beschermingsregime kent.
In de Omgevingsverordening worden geen eisen gesteld aan (thans) het omgevingsplan ten aanzien van de ligging in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 worden wel beperkingen opgelegd aan een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In een boringsvrije zone is voor graafwerkzaamheden dieper dan 4 meter onder het maaiveld een ontheffing van de Provinciale milieuverordening nodig. Verder geldt dat werkzaamheden, die uitgevoerd kunnen worden zonder dat de weerstand van de scheidende laag minder wordt, gemeld kunnen worden door de initiatiefnemer. Als de weerstand wel minder wordt, dan dient voor de ingreep een ontheffing aangevraagd te worden.

Risico's van klimaatverandering
In paragraaf 7.3.6a (Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen) zijn in artikel 7.41a regels opgenomen over risico's van klimaatverandering. Hierin is vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag, b. overstroming, c. hitte en d. droogte, alsmede de effecten van de bovengenoemde risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 4.3.2 (duurzaamheid) wordt nader ingegaan op welke wijze met risico's van klimaatverandering is omgegaan.

Conclusie
Resumerend kan worden geconcludeerd dat:

  • het plan in overeenstemming is met artikel 7.45 van de Omgevingsverordening (ladder);
  • het plan in overeenstemming is met artikel 7.43c, lid 1 (inpassen) van de Omgevingsverordening (ruimtelijke kwaliteit);
  • het plan in overeenstemming is met artikel 7.42, lid 6 van de Omgevingsverordening (beschermingscategorie 3 buitengebied);
  • het plangebied buiten de geometrische begrenzing van Natuurnetwerk Nederland ligt, zoals genoemd in artikel 7.60 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;
  • het plangebied naast de geometrische begrenzing van het hoofdfietsnetwerk ligt, zoals genoemd in artikel 7.79b van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Het plan is in overeenstemming met de instructieregels van de provincie. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2.3 Gebiedsprofiel Krimpenerwaard

De provincie Zuid-Holland heeft voor de Krimpenerwaard een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen.
Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.

Landschappelijke eenheden
Samen met de Lopikerwaard vormt de Krimpenerwaard het grootste aaneengesloten veenweidegebied van Nederland. De nog gave aanwezigheid van de middeleeuwse verkaveling, met de lange lijnen van kaden, weteringen en Tiendwegen is een bijzondere kwaliteit van de Krimpenerwaard. Het middendeel van de Krimpenerwaard heeft een gevarieerd en kleinschalig landschapsbeeld door de aanwezigheid van linten met wegbeplantingen, eendenkooien en pestbosjes. De zone aan weerskanten van de Vlist kenmerkt zich door het sterke contrast van kleinschalig lint en open veenweide dwars op de overheersende oostwest oriëntatie in de Krimpener- en Lopikerwaard.
Karakteristiek voor de Krimpenerwaard is het contrast tussen dichtbebouwde linten en de onbebouwde polderwegen. De laatste jaren zijn er hier en daar tussen de historische boerderijen en woonhuizen in de linten nieuwe woningen gebouwd als uitkomst van de Ruimte-voor ruimte-regeling. Hierbij behorende hoofdambities zijn onder andere:

  • De verschillende karakteristieken per dorp en lint behouden en versterken; maatwerk per locatie.
  • Het contrast tussen onbebouwde wegen en verdichte linten bewaren.
  • Bij verdichting in de linten versterken van de verschillen tussen een symmetrische of een asymmetrische opbouw van het lint.
  • Vanuit het lint doorzichten op het landschap open houden.

Kwaliteit van de stads- en dorpsrand
De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. De kwaliteit van de rand kan op verschillende manieren tot uitdrukking komen. Waar landschap en bebouwing als het ware ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd met een heldere en vaststaande landschappelijke grens is het de kwaliteit van het front (contrast). Randen waar bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende landschappelijke structuren worden gekenmerkt door de kwaliteit van verweving (contactkwaliteit). Randen waar de grens tussen bebouwing en landschap diffuus is bezitten de kwaliteit van de overlap tussen stad en landschap (contract). In de Krimpenerwaard worden onder andere de volgende stads- en dorpsranden onderscheiden:

  • het ‘rivierfront’ is een duidelijke front-kwaliteit, dorp of stad zijn met het gezicht naar de rivier gericht.
  • de ‘rand aan de rivier’ is een heldere landschappelijke grens met de kwaliteit van een front maar de bebouwing staat niet ‘met het gezicht’ naar de rivier.

Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met overgangskwaliteit.

Linten blijven linten 
De bebouwing van het landelijke gebied is geconcentreerd in de linten. Door de ontginning vanuit de rivieren hebben de linten een oost-west oriëntatie. De linten zorgen voor een geleding van het landschap in noord-zuid richting en lange open ruimtes in oostwest richting. De linten in het gebied zijn in twee categorieën te onderscheiden: dijklinten en veenlinten. Binnen deze twee categorieën wordt verder gedifferentieerd. Als ambitie wordt aangehouden: Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
Dijklint ingesloten
Het plangebied ligt aan een ingesloten dijklint. Deze dijklinten lopen door tot in de dorpen. De bebouwing staat op de dijk of, door eerdere dijkverhogingen, net onder het huidige dijkniveau. Het karakter van het dijklint is stenig zonder beplanting. Waar dichte bebouwingswanden ontstaan zijn, verdwijnt de visuele relatie vanaf de weg naar het water. Er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing. Aanvullende ambities zijn:

  • Continuïteit van het dijklint binnen en buiten het dorp beleefbaar houden.
  • Herkenbaar houden van het lint waarlangs het dorp gegroeid is.
  • Asymmetrisch profiel handhaven: buitendijks op dijkniveau, binnendijks vaak lager.

Toetsing planontwikkeling aan Gebiedsprofiel Krimpenerwaard
Het plangebied ligt in de dorpsrand aan de oostzijde van de woonkern van Ammerstol. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Bestaande doorzichten vanaf de dijk blijven behouden, omdat er geen bebouwing wordt toegevoegd als gevolg van de functieaanpassing. Het contrast tussen het verdichte dijklint en het open veenweidegebied blijft beleefbaar. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud van doorzichten, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling).

Conclusie
De vervolgfunctie is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Krimpenerwaard. De ruimtelijke kwaliteit van het dijklint in het veenweidegebied wordt niet aangetast.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie

De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 14 juli 2021 de Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin is het beleid voor de fysieke leefomgeving beschreven met het oog op de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden.

Versterken kwaliteiten Krimpenerwaard
De gemeente vindt het belangrijk richting te geven aan toekomstige ontwikkelingen die invloed hebben op de leefomgeving. Het gaat vooral om initiatieven en ontwikkelingen die niet passen binnen de geldende bestemmingsplannen (thans omgevingsplan van rechtswege). Daarom is een omgevingsvisie opgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente. Bij het opstellen van de visie en speerpunten is uitgegaan van de kwaliteiten en waarden van de Krimpenerwaard. De Omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen antwoord op de vraag hoe de toekomst van de Krimpenerwaard eruit ziet. De inhoud is in samenspraak met inwoners, ondernemers, (maatschappelijke) organisaties en partners gerealiseerd.

Belangrijke opgaven
De komende jaren wil de gemeente werken aan sterke en leefbare kernen, duurzame economische ontwikkeling, de klimaat- en energietransitie en veranderingen in het landelijk gebied. De visie helpt inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, investeerders en de gemeente bij het maken van plannen, initiatieven en beleid. De Omgevingsvisie nodigt uit samen te blijven werken aan een veilige, gezonde en duurzame Krimpenerwaard; waar het prettig wonen, werken, ondernemen en recreëren is.

Samen initiatieven tot succes maken
De gemeente staat positief tegenover nieuwe initiatieven. Initiatieven die passen bij de Krimpenerwaard en bijdragen aan haar toekomst. Zij hanteert het ‘ja-mits’ principe. Het is een kans om meer te werken vanuit wensen en signalen van de samenleving, vanuit vertrouwen en minder vanuit regels. Ook daagt de gemeente initiatiefnemers en haarzelf uit al in een vroeg stadium contact te zoeken met alle betrokken partijen. Participatie is immers een van de belangrijke aspecten van de Omgevingsvisie.

Waarden per gebied
De Krimpenerwaard ligt tussen drie rivieren, dicht bij stedelijke gebieden en is onderdeel van de Oude Hollandse Waterlinie. Het buitengebied van de gemeente Krimpenerwaard is op de ene plek agrarisch, op de andere meer natuur en op een ander deel is er veel bedrijvigheid of toerisme. Er is goed onderscheid te maken tussen de verschillende deelgebieden met elk hun eigen waarden. Nieuwe ontwikkelingen dienen zo veel mogelijk aan te sluiten op de waarden in het gebied en deze waar mogelijk te versterken. Om inspiratie te geven zijn voor ieder deelgebied kansen benoemd. Voor een verdieping van de identiteit en waarden van de kernen wordt verwezen naar het rapport 'Koers en kader Krimpenerwaard'.

Het plangebied ligt in de Lekstreek. Langs de Lekdijk ligt een vrijwel aaneengesloten lint van woningen en boerderijen. Het bebouwingslint is ontstaan doordat vanuit de dijk het achtergelegen veengebied werd ontgonnen. Om het gebied te ontwateren werden langgerekte smalle kavels met brede sloten aangelegd. Door de dijkversterkingen zijn de woningen lager ten opzichte van de dijk komen te liggen. De gemeente ziet kansen voor het herkenbaar houden van het verschil tussen het binnendijkse en het buitendijkse landschap. Uitzicht op het landschap vanaf de wegen op de dijken en vanuit de kernen dienen zoveel mogelijk te worden behouden.

Conclusie
De Omgevingsvisie heeft een hoog abstractieniveau waar ontwikkelingen op perceelsniveau niet zijn beschreven. In dit TAM-omgevingsplan wordt een vervolgfunctie naar wonen mogelijk gemaakt zonder dat de bebouwing toeneemt. Gelijktijdig wordt een bouwvlak geschrapt van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met verwijdering van de functieaanduiding 'manege'. De woning blijft binnen het bestaande bouwperceel en past qua aard en schaal bij wat er al is op de locatie. De vervolgfunctie op onderhavige locatie past binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de Omgevingsvisie.

4.3.2 Duurzaamheid en klimaatadaptatie
4.3.2.1 Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijvoorbeeld oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik).

Toetsing planinitiatief
Er is sprake van een bestaande bedrijfswoning die van functie wijzigt naar een burgerwoning. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats. Toekomstige verbouwingen zullen voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

4.3.2.2 Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering

Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan "weten, willen en werken" om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven.

De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte en e. bodemdaling. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas.

Wateroverlast door overvloedige neerslag
In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen.

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Waterdiepte bij hevige bui – 70 mm / 2 uur (1:100 jaar)   Lokaal geen tot maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen belemmering.  
Waterdiepte bij hevige bui – 140 mm / 2 uur (1:100 jaar)   Lokaal geen tot maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen belemmering.  

Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie en scenario 2050 Hoog geen risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘wateroverlast’.

Overstroming
In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen.

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Plaatsgebonden overstromingskans norm 2050 – 20 cm   Kleine kans: 1/300 tot 1.3.000 per jaar  
Plaatsgebonden overstromingskans huidige situatie – 20 cm   Middelgrote kans: 1/30 tot 1.300 per jaar  
Maximale overstromingsdiepte kaart middelgrote kans   Geen kans  

Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie een middelgroot risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘overstroming’. Bij een doorbraak van een waterkering kan in dit gebied een waterschijf komen te staan met een hoogte van < 0,5 m.
Bij een overstroming kan worden gevlucht naar de eerste verdieping van de woning. Er zijn verder geen maatregelen nodig. Om het overstromingsrisico in te perken is overigens een vloerhoogte aangehouden dat vergelijkbaar is met het maaiveldniveau van woningen in de omgeving.

Hitte
Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Door aanplant van bomen kan schaduw worden.

In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen.

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Hittestress door warme nachten 2050   Speelt nu niet; toekomstige toestand afhankelijk van keuzes bij inrichting en beheer.  
Ligging in stedelijk hitte-eiland   Ligging binnen de invloedssfeer van stedelijk gebied. In 2050 0,2 tot 0,4 oC warmer. Dit kan oplopen afhankelijk van de herinrichting van de omgeving.  

Het plangebied ligt in de dorpsrand. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie geen sprake is van hittestress bij aanhoudende hitte. Voor de ontwikkeling is er geen risico ten aanzien van het aspect ‘hitte’. Er is nu geen of weinig effect op bestaande omgeving te verwachten, want het project is dermate klein dat er geen significant verschil zal zijn op het bestaande stedelijk hitte-eiland.

Droogte
In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen.

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Risico droogtestress   Matig (jaarlijkse opbrengstderving 10%-20% bij gras) bij hoog scenario.  
Risico verschilzetting 2050   Hoog.  

De bestaande functie is matig droogtegevoelig. Er vindt geen ophoging van grond plaats. Om droogtestress tegen te gaan is het voorerf niet volledig verhard, zodat infiltratie van hemelwater in de bodem mogelijk blijft.

Bodemdaling
In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen.

Onderdeel   Oordeel en conclusie  
Bodemdaling   Beperkt (3-10 cm)  
Bodemdaling door ophoging bij opbrengen
pakket zand of grond van 1 m dikte  
Ophoging is niet nodig bij planrealisatie.  

Uit de analyse blijkt dat er een beperkt risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘bodemdaling’. Er is sprake van een bestaande woning. Het gebouw daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn geen maatregelen nodig.

4.3.2.3 Biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen

Natuur-inclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Hiermee wordt gezorgd voor een betere leefomgeving van mens en dier, bijvoorbeeld door groene daken en gevels, bomen op balkons en wadi’s, maar ook door wat meer alledaagse aanpassingen zoals het planten van bomen en struiken, het bieden van nest- en schuilgelegenheden aan dieren of het aanleggen van natuurlijke vijvers.

Natuur-inclusief bouwen
Er is alleen sprake van een functiewijziging van de woning zonder dat er uitwendige verbouwingen plaatsvinden. Er zijn geen maatregelen voor natuur-inclusief bouwen nodig.

Conclusie
Er is sprake van een functiewijziging zonder dat er bouwactiviteiten plaatsvinden. Met de gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en natuur- inclusief bouwen wordt rekening gehouden wanneer in de toekomst bouwactiviteiten plaatsvinden.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Inleiding

Water en de fysieke leefomgeving hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de fysieke leefomgeving en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een weging van het waterbelang geeft aan wat de gevolgen zijn van een plan in de fysieke leefomgeving voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de weging van het waterbelang is de relatie tussen planvorming op het gebied van de fysieke leefomgeving en de waterhuishouding te versterken.

5.2 Beleidskader Rijk en provincie

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.

5.2.1 Rijk

Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt.

5.2.2 Provincie

Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027
Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen:

  • Kaderrichtlijn Water;
  • Grondwaterrichtlijn;
  • Drinkwaterrichtlijn;
  • Richtlijn Overstromingsrisico’s;
  • Zwemwaterrichtlijn.

Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.

Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

5.3 Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Waterschapsverordening van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten, leggers en andere documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd.

Waterbeheerprogramma 2022-2027
Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet:

  • 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden.
  • 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit.
  • 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol.

Waterschapsverordening en legger 
In de waterschapsverordening staan regels over activiteiten op of bij dijken, sloten, grondwater en wegen binnen het beheersgebied van een waterschap. De regels zijn bedoeld om het watersysteembeheer goed te kunnen uitvoeren. Daarnaast heeft het waterschap een leggerkaart, waarop de afmetingen en de vorm van sloten en dijken staan. Op de kaart staat ook wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud. Schieland en de Krimpenerwaard heeft afzonderlijke leggers voor sloten en dijken.

Waterberging (Beleidsregel Aanbrengen verhard oppervlak 2024)
Het waterbergingsbeleid bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect is de versnelde afvoer van neerslag. Het beleid beschrijft op welke wijze het effect van ruimtelijke ontwikkelingen op de waterberging wordt bepaald en hoe ongewenste gevolgen van deze ontwikkelingen kunnen worden gecompenseerd.  HHSK maakt onderscheid in drie typen ruimtelijke ontwikkelingen:

1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m².

2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak.

3. Grote plannen:    Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak

De compensatie eis wordt door HHSK berekend. HHSK beschrijft in het beleid onder andere de volgende toetsingscriteria:

  • Aanvullende waterberging ter compensatie van verhardingstoename dient voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding te worden gerealiseerd;
  • Waterberging moet algemeen en te allen tijde beschikbaar zijn;
  • De waterberging moet in hetzelfde peilgebied op zo'n kort mogelijke afstand van de ontwikkeling worden gerealiseerd. Alleen wanneer dit niet mogelijk is kan in overleg een andere benedenstroomse locatie overwogen worden.

Kleine plannen
Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.

5.4 Waterhuishouding

Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied ligt in de kern- en/of beschermingszone van een regionale waterkering, zoals opgenomen op de Legger Dijken van het Hoogheemraadschap (figuur 6). De ontwikkeling is evenwel niet van invloed op de veiligheidssituatie in het plangebied, omdat er uitsluitend sprake is van een functiewijziging. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0009.png" Figuur 6: Uitsnede vigerende Legger Dijken. Plangebied zwart omkaderd.

Oppervlaktewateren
Aan de noordzijde van het plangebied ligt overig oppervlaktewater met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud (figuur 7). In de beschermingszones van het overige oppervlaktewater vindt geen bebouwing plaats. De watergangen blijven in de nieuwe situatie behouden. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0010.png" Figuur 7: Uitsnede vigerende Legger Watersystemen. Plangebied zwart omkaderd.

Beschrijving waterkwantiteit
Er is alleen sprake van een functiewijziging van het perceel. Het verhard oppervlak zal niet wijzigen. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig.

Afvalwaterketen en riolering
Afvalwater van de woning is aangesloten op de bestaande riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in-)filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Het hemelwater van de woning wordt op oppervlaktewater geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

5.4.1 Conclusie

Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen heeft deze planontwikkeling geen nadelige gevolgen. Daarmee voldoet de ruimtelijke ontwikkeling aan het belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.

Hoofdstuk 6 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

De beleidsvelden milieu en fysieke leefomgeving groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en de fysieke leefomgeving. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de fysieke omgevingsaspecten en het milieu die een rol spelen bij beoogde planontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1 Milieu en omgevingsaspecten

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van de fysieke leefomgeving van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn Milieueffectrapportage, Activiteiten en milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit, Omgevingsveiligheid en Gezondheid.

6.1.1 Milieueffectrapportage

Wettelijk kader
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.

Er wordt niet meer getoetst aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval moeten nagaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure.

Onderzoek/ beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt alleen een functiewijziging mogelijk van bedrijfswoning naar burgerwoning op het perceel Hogedijk 56. Gelijktijdig wordt een bouwvlak binnen de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' geschrapt en wordt de functieaanduiding 'manege' verwijderd. De ontwikkeling valt niet onder 'plannen en programma's' zoals genoemd in de richtlijn in artikel 2 van de SMB-richtlijn.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn in 1 lijst zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelings- plichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog 2 lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten is het volgende opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Tabel 6.1: Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

  Projecten   Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet)   Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet)   Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van het Omgevingsbesluit  
J11   Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen
 
Niet van toepassing   Aanleg, wijziging of uitbreiding   Het omgevingsplan
 

Gelet op de aard, omvang en directe omgeving (alsmede relevante jurisprudentie over dit onderwerp) is de beoogde ontwikkeling zelfstandig beschouwd mogelijk niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Voor de ontwikkeling van onderhavig project zijn de milieueffecten onderzocht en gebruikt voor deze mer-beoordeling. Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat het project volgens het de Omgevingswet niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.

Conclusie
Voor een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Gelet op het “nee, tenzij” principe kan daarom worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport.

6.1.2 Activiteiten en milieuzonering

Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid en geur. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Bedrijfsactiviteiten moeten worden getoetst aan het Besluit activiteiten leefomgeving. De Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 (VNG) geeft daarnaast richtafstanden voor de ruimtelijke inpasbaarheid van nieuwe initiatieven, per type bedrijvigheid, voor geur en geluid. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot 3 groepen met bijbehorende aanpak, namelijk:

  • Nieuwe milieugevoelige functies nabij bedrijven
  • Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies
  • Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen

De richtafstanden in Activiteiten en milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals woningen. De richtafstanden in de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering zijn geclassificeerd in zones voor geluid en geur. In tabel 6.2 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen. Indien sprake is van gemengd gebied dan mag de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind.

Tabel 6.2: Richtafstanden volgens VNG richtlijn.

Zone geur   Zone geluid   Minimale afstand (meter)  
FM*   FM*   10  
1   1   30  
2   2   50  
3   3   100  
4   4   200  

* FM: Geschikt voor Functiemenging.

Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied ligt aan de Hogedijk 56 in Bergambacht. Aan de noordzijde was vroeger pensionstal Paardenkracht gevestigd. De paardenhouderij wordt alleen nog hobbymatig gebruikt. Er worden op dit moment nog vier paarden gehouden. Sprake is van een gemengd gebied in verband met de aanwezigheid van de paardenhouderij. Uit inventarisatie is gebleken dat er (binnen een zone van 100 meter) één milieubelastende activiteit relevant is, te weten het hobbymatig houden van paarden aan de Hogedijk (voorheen pensionstal Paardenkracht). De aanduiding 'manege' op de rest van het perceel vormt geen belemmeringen voor de nieuwe woonfunctie in verband met de reeds bestaande belemmeringenzone.

Paardenhouderij aan Hogedijk
Op een locatie van een paardenstal moet het woon- en leefklimaat worden toegelicht voor geur, fijnstof en geluid ten opzichte van nabij gelegen milieugevoelige objecten (woningen van derden). Voor zowel stof als geluid geldt een minimaal aan te houden afstand van 30 meter van de paardenstal. Voor geur is dat 100 meter op grond van artikel 22.101 van het tijdelijk omgevingsplan. De woning aan de Hogedijk 56 staat op circa 58 meter de paardenstal in het noordelijk gelegen te behouden bouwvlak. Hieronder wordt de woning Hogedijk 56 getoetst aan stof, geluid en geur.


Geluid en stof
De bedrijfsactiviteiten van het paardenpension vallen onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. De woning aan de Hogedijk 56 ligt op circa 58 meter van het te behouden bouwvlak waar de paardenstallen staan. De richtafstanden voor stof en geluid worden in acht genomen. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Geur
Achter Hogedijk 56 is een locatie met de aanduiding 'manege', die buiten de planlocatie valt. Deze 'manege' ligt qua geur in de bebouwde kom volgens de kaart behorende bij de Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017. Hier staat een paardenstal en een opslagvoorziening voor vaste mest. Op grond van artikel 22.101 van het tijdelijk Omgevingsplan Krimpenerwaard mag met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder bij het houden van paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner zijn dan 100 meter van een geurgevoelig object in de bebouwde kom. Deze regel is van toepassing voor het houden van meer dan 4 paarden. Eenzelfde afstand geldt voor een mestopslag  groter dan 3 m³, dit op basis van artikel 22.114 van het tijdelijk Omgevingsplan. Om deze 'manege' heen liggen diverse geurgevoelige objecten binnen een afstand van 100 meter, hoofdzakelijk woningen. De activiteiten van de 'manege' worden daarom al ingeperkt door de omliggende woningen. Er zijn daarom maximaal 4 paarden toegestaan en een mestopslag van maximaal 3 m³ op basis van het tijdelijk Omgevingsplan. Lettend op deze beperkingen is een functiewijziging naar burgerwoning in de omgeving van de 'manege' geen belemmering.

Overige geurhinder
De gevraagde functiewijziging naar burgerwoning ligt niet in de nabijheid van een overig agrarisch bedrijf. Een onderzoek naar (geur)hinder is niet noodzakelijk.

Lichthinder
De geplande ontwikkeling betreft een gevoelige bestemming voor lichthinder. De ontwikkeling ligt niet in de buurt van een potentiële bron van lichthinder. Een onderzoek naar lichthinder is nodig noodzakelijk.

Trilling
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het tijdelijk omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op een locatie op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het tijdelijk omgevingsplan en artikel 5.87 Bkl.

Er zijn in de omgeving van de planlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken zoals spoorlijnen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie
Uit inventarisatie is gebleken dat de bedrijfsvoering van in de nabijheid gelegen milieubelastende activiteiten door de functiewijziging niet wordt beperkt. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de functie Wonen in het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zal opleveren. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor de woning, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit TAM-omgevingsplan.

6.1.3 Geluid

Wettelijk kader algemeen
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in het tijdelijk omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.

In het tijdelijk omgevingsplan is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In het tijdelijk omgevingsplan zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 tijdelijk omgevingsplan waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 tijdelijk omgevingsplan);
  • Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 tijdelijk omgevingsplan);
  • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 tijdelijk omgevingsplan).

De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

6.1.3.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader wegverkeerslawaai
Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een:

  • a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie;
  • b. onderwijsfunctie;
  • c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.

Onderzoek/ beoordeling
Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 6.3.

Tabel 6.3: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde (dB)
(tabel 5.78t Bkl)  
Grenswaarde (dB)
(tabel 5.78u Bkl)  
Provinciale wegen en
Rijkswegen  
50 Lden   60 Lden  
Gemeentewegen en waterschapswegen   53 Lden   70 Lden  

De relevante wegen in het geluidaandachtsgebied van het plangebied zijn meerdere gemeentewegen en een waterschapsweg. Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan de tijdelijk omgevingsplanregels. In deze situatie wordt evenwel geen nieuwe geluidgevoelige functie toegevoegd. De bedrijfswoning wordt alleen omgezet naar plattelandswoning.

Conclusie
Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.

6.1.3.2 Spoorweglawaai

Wettelijk kader spoorweglawaai
Op het bepalen van het geluid zijn op grond van artikel 3.24, lid 5 van het Bkl de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds).

Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een spoorweg gelden, staan in tabel 6.4.

Tabel 6.4: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde (dB)
(tabel 5.78t Bkl)  
Grenswaarde (dB)
(tabel 5.78u Bkl)  
Lokale spoorwegen en Hoofdspoorwegen   55 Lden   70 Lden  

Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied ligt niet in een geluidaandachtsgebied van een spoorlijn, zodat er vanuit dit oogpunt geen beperkingen zijn.

Conclusie
Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.

6.1.3.3 Industrielawaai

Wettelijk kader industrielawaai
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. In artikel 3.25 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het bepalen van geluid door industrieterreinen. Op het bepalen van het geluid zijn op grond van lid 4 de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een industrieterrein gelden, staan in tabel 6.5.

Tabel 6.5: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde (dB)
(tabel 5.78t Bkl)  
Grenswaarde (dB)
(tabel 5.78u Bkl)  
Industrieterreinen   50 Lden
40 Lnight  
55 Lden
45 Lnight  


Onderzoek/ beoordeling
Voor industrieterreinen geldt dat er binnen de geluidreferentiepunt in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in het Bkl. In de nabijheid van het plangebied als bedoeld in artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) liggen geen (gezoneerde) industrieterreinen met een geluidproductieplafond. Verder wordt rekening gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Activiteiten en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Er is voor de woning sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie
Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel industrielawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.

6.1.4 Bodem

Wettelijk kader
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig en grondwatergevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

  • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2);
  • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal);
  • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4);
  • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijziging van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Onderzoek/ beoordeling
De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. Op de bodemkwaliteitskaart maakt het plangebied onderdeel uit van 'Dijkbebouwing Krimpenerwaard'.

Het bodeminformatiesysteem (BIS) van de Omgevingsdienst Midden-Holland is geraadpleegd. Uit het BIS blijkt dat op de locatie geen bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden. Volgens de bodemkwaliteitskaart ligt de locatie in een zone waar mogelijk verhoogde gehalten met lood kunnen voorkomen in de bovengrond. Het is niet noodzakelijk dat een bodemonderzoek wordt uitgevoerd voor de functiewijziging, omdat er geen bouwactiviteiten plaatsvinden.

Aanbeveling
Geadviseerd wordt om bij de aanleg of het gebruik van een moestuin een bodemonderzoek te laten uitvoeren of de bovengrond te vervangen door een geschiktere bodemkwaliteit. Deze aanbeveling wordt overgenomen wanneer er daadwerkelijk een moestuin wordt aangelegd.

Conclusie
Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu met betrekking tot de functiewijziging in het plangebied.

Wanneer in de toekomst grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van de Aanvullingswet bodem of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.

6.1.4.1 Ontplofbare oorlogsresten

Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden.

Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn.

Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.

6.1.5 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl.

In Bkl zijn onder andere omgevingswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (artikel 2.3), stikstofdioxide en stikstofoxiden (artikel 2.4) en fijn stof (artikel 2.5). De omgevingswaarden gelden voor de buitenlucht. Deze zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft. In tabel 6.6 is een overzicht gegeven van de omgevingswaarden uit het Bkl.

Tabel 6.6: Omgevingswaarden maatgevende stoffen Besluit kwaliteit leefomgeving.

stof   kalender-
jaargemiddelde  
uurgemiddelde   24-uursgemiddelde   Opmerkingen  
NO2   40 µg/m3   200 µg/m3   n.v.t.   Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden  
PM2,5   25 µg/m3   n.v.t.   n.v.t.   n.v.t.  
PM10   40 µg/m3   n.v.t.   50 µg/m3   24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden  

Artikel 8.17 van het Bkl stelt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de omgevingswaarden in acht worden genomen.

Onderzoek/ beoordeling
Met het plan wordt beoogd om een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk te maken. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) in het kader van de Omgevingswet geraadpleegd voor 2023 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Hogedijk ter hoogte van het Hogedijk 62 (x: 115557.334013915 en y: 438136.844194845). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 12,40 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 14,98 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,09 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat het Bkl de uitvoering van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg staat.

Conclusie
In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Deze ontwikkeling maakt een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk.

Voor dit plan is het CIMLK geraadpleegd. Volgens de CIMLK monitoringtool is de concentratie NO2 en PM10 op de rekenpunten onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze functie. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) van het Bkl staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

6.1.6 Omgevingsveiligheid

Wettelijk kader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7. lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief in een voorschriftengebied ligt, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl).

Onderzoek/ beoordeling
Voor omgevingsveiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen.

Voor het plangebied is het Portaal Atlas Veiligheid (afgekort PAV) geraadpleegd. Deze kaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Omgevingsveiligheid is relevant wanneer een plan:

  • een nieuwe risicobron mogelijk maakt of wijzigt of,
  • (Beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk maakt binnen het aandachtsgebied van een risicobron.

De beoogde ontwikkeling betreft een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning. Dit betreft een kwetsbaar object conform wetgeving op het gebied van omgevingsveiligheid. Ten zuidoosten van het plangebied ligt op minimaal 240 meter de Lek. Hier is sprake van transport van gevaarlijke stoffen over water. Het plangebied ligt niet in een explosieaandachtsgebied of brandaandachtsgebied van de Lek. Wel ligt het plangebied in het gifwolkaandachtsgebied (figuur 8).

Aandachtsgebieden zijn gebieden waarbinnen mensen in gebouwen (waaronder woningen), zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Bij nieuwbouwplannen in aandachtsgebieden heeft de gemeente extra aandacht voor de veiligheid van personen. Hoewel er geen sprake van een nieuwbouwplan is conform de Visie EV van de gemeente Krimpenerwaard het groepsrisico verantwoord. In paragraaf 6.1.6.1 wordt hierop ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0011.png" Figuur 8: Uitsnede PAV. Plangebied zwart omkaderd.

6.1.6.1 Verantwoording groepsrisico

Beperkte verantwoording van het groepsrisico
Er is een verantwoording te worden opgesteld, omdat de woning binnen het gifwolkaandachtsgebied ligt van rivier de Lek. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het groepsrisico ten gevolge van de functiewijziging nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio.

Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico
Plaatsgebonden risico
Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Ook ligt het plangebied niet binnen een explosie- of brandaandachtsgebied.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico, omdat er alleen sprake is van een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van omgevingsveiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden.

Zelfredzaamheid
De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. In de woning wonen zelfredzame personen. De woning voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.

De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobron is voldoende. Via de voorzijde van de woning kan in westelijke en oostelijke richting worden ontvlucht naar noordelijk gelegen wegen. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. De Hogedijk goed bereikbaar en de bluswatervoorziening ter plaatse is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden.

Mechanische ventilatie
Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moet een woning worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. Dit is opgenomen in Besluit bouwwerken leefomgeving. Toekomstige verbouwingen zullen voldoen aan de voorschriften van dit Besluit.

Verantwoording
De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en acht het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar.

Conclusie
Bij omgevingsveiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Het plangebied ligt niet binnen een explosieaandachtsgebied of brandaandachtsgebied. Wel ligt het plangebied in een gifwolkaandachtsgebied van de Lek. Er is evenwel geen toename van het groepsrisico, omdat er geen sprake is van een nieuwbouwplan. Het aspect omgevingsveiligheid staat dit TAM-Omgevingsplan niet in de weg.

6.1.7 Gezondheid

Wettelijk kader
In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.

Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Onderzoek/ beoordeling
In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard is in algemene zin aandacht besteed aan gezondheid. Het is één van de speerpunten: gezond en veilig woon- en leefklimaat (paragraaf 3.5.6).

Speerpunt: gezond en veilig woon- en leefklimaat
Voldoende rust, een gezonde lucht en een veilige omgeving zijn belangrijk voor de gezondheid. Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving neemt de gemeente gezondheidseffecten mee in haar afweging. De Krimpenerwaard is een veilig gebied waar mensen in gezondheid oud kunnen worden. De Krimpenerwaard moet een aantrekkelijke en veilige plek blijven om te wonen, werken en te leven.
Door de leefomgeving gezonder in te richten kan veel gezondheidswinst worden geboekt. Een gezonde inrichting van de leefomgeving bevordert de fysieke en mentale gezondheid en beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigingen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), aandacht voor groen en water, elkaar ontmoeten (sociale cohesie), ontspanning, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid en water), balans tussen geluid en stilte, klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen.
Een veilige leefomgeving is een leefomgeving waarin bewoners, ondernemers, politie, gemeente en andere partners samen werken aan veiligheid. De gemeente faciliteert dit door het aanbieden en ondersteunen van onder andere het Keurmerk Veilig Ondernemen, Burgernet, WhatsApp buurtpreventie, Meld misdaad anoniem en andere (burger) participatie initiatieven. De gemeente zet in op onder andere:

  • Gezondheid is integraal onderdeel bij ontwikkelingen in de leefomgeving;
  • Een goede milieukwaliteit:
    • 1. Aansluiten op Schone Lucht Akkoord;
    • 2. Aandacht voor geluid- en luchtkwaliteit, lichtoverlast. Bijvoorbeeld bij nieuwe ontwikkelingen;
    • 3. Gezonde bodem en schoon water;
  • Veilige leefomgeving:
    • 1. De kwaliteit van de leefomgeving wordt mede bepaald door fysieke veiligheid;
    • 2. Samenwerken aan een veilige en gezonde leefomgeving;
    • 3. De leefomgeving wordt mede vormgegeven volgens de ontwerpprincipes voor veiligheid;
    • 4. Voorkomen of beperken van risico's vergroot de veiligheid;
    • 5. Afstand tot de risico's vergroot de veiligheid;
    • 6. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming;
    • 7. Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten.

Landelijk is er veel aandacht voor een gezonde leefomgeving. Het is belangrijk dat de overheid blijft investeren in het verbeteren van de milieukwaliteit (gezondheidspreventie). Daarnaast moet beleid gericht zijn op een fysieke en sociale omgeving die gezond gedrag bevordert.

Conclusie
Beschermen van de gezondheid en van het milieu is in algemene zin opgenomen in de Omgevingsvisie. Gezondheid wordt nader vastgelegd in het omgevingsplan in de vorm van omgevingswaarden. Er wordt rekening gehouden met milieuaspecten zoals geluid, bodem, luchtkwaliteit en omgevingsveiligheid. Voor de bewoners kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functie op locaties. Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

6.2 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

6.2.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland

De Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) geeft de cultuurhistorische waarden in archeologisch en landschappelijk opzicht en voor wat betreft de nederzettingen aan. De terreinen waarvan de archeologische waarde bekend is, staan aangegeven op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) staat de zogenaamde verwachtingswaarde aangegeven.

De provincie Zuid-Holland gebruikt beide kaarten en de CHS bij advisering en beoordeling van (wijziging van) het omgevingsplan, bij het verlenen van ontgrondingvergunningen en bij advisering over omgevingsvergunningen, bodemsaneringen en peilbesluiten.

Op de Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) wordt onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans.

Het plangebied ligt 0 tot (ruim dieper) 5 m onder maaiveld (basis holoceen) in Komafzettingen met Veen in de Formatie van Echteld en Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen laagpakket. De bebouwing in het plangebied heeft geen archeologische waarden. De Hogedijk is aangemerkt als een landschappelijke lijn met hoge waarde. Een uitsnede van de Cultuur Historische Atlas is opgenomen in figuur 9.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0012.png" Figuur 9: Uitsnede Cultuur Historische Atlas PZH. Plangebied zwart omkaderd.

6.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie

De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart heeft de lintbebouwing een hoge trefkans met de aanduiding 'Waarde - Archeologie 3', waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een plangebied groter dan 100 m² (figuur 10).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0013.png" Figuur 10: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart. Plangebied geel omkaderd.

Onderzoek/ beoordeling
Op de archeologische beleidskaart heeft het plangebied hoge verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek is nodig voor een oppervlakte van 100 m² of meer en grondingrepen dieper dan 30 cm. Er is alleen sprake van een functiewijziging van een bedrijfswoning naar burgerwoning zonder dat er grondingrepen plaatsvinden. In verband hiermede kan een onderzoek naar archeologie achterwege kan worden gelaten.

Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van toekomstig grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in thans artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

Conclusie
Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling. Hiermee is dit TAM-omgevingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie.

6.2.3 Cultuurhistorie/ monumenten

In het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bebouwing zelf heeft geen cultuurhistorische waarde. De woning is voorts niet opgenomen in inventarisatielijst van de provinciale Monumenten Inventarisatie Project Zuid-Holland.

Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling.

6.3 Flora en fauna

Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd.

Doelen van de Aanvullingswet natuur zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Aanvullingswet natuur zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt circa 4,3 km ten zuidwesten van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' ligt circa 6,4 km ten oosten van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' bevindt zich op een afstand van circa 9,8 km ten noorden van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' ligt 11,6 km ten zuidwesten van het plangebied. Deze Natura2000-gebieden worden als gevolg van deze planontwikkeling niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht.
Ten zuiden van het gebied op circa 60 meter NNN. Verder liggen ten noordoosten van het plangebied op circa 280 meter afstand een ecologische verbindingszone. Een belangrijk weidevogelgebied ligt circa 930 meter ten noorden van het plangebied (figuur 11). Deze planontwikkeling heeft geen consequenties hiervoor.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.TAM2501BG006-VG01_0014.png" Figuur 11: NNN in de omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid).

6.3.1 Stikstofdepositie

Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.21 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De Natura2000-gebieden 'Donkse Laagten' en 'Boezems Kinderdijk' liggen respectievelijk 4,3 km en 11,6 km van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' bevindt zich op een afstand van circa 9,8 km ten noorden van het plangebied. Dit zijn Vogelrichtlijngebieden, met dien verstande dat 'Polder Stein' mogelijk wel binnenkort wordt aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het op circa 6,4 km oostelijk gelegen Natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' is daarentegen wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied.

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de Omgevingswet vanaf 1 januari 2024). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035.

Op basis van proefberekeningen door de toezichthouder Wet natuurbescherming in Zuid-Holland (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, 9 januari 2025) is gebleken dat er bij de bouw van één woning geen effect op Natura2000-gebieden op meer dan 2.400 meter is in het geval dat het tussenliggende gebied uit grasland en water bestaat. In dit geval is alleen sprake van een functiewijziging zonder dat er bouwactiviteiten plaatsvinden. Bovendien is de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000-gebied circa 6,4 km. Voor deze effectbeschrijving is daarom geen berekening nodig. Kort samengevat:

  • Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing.
  • Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten
  • Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
6.3.2 Effect vergunnen activiteiten

Onderhavig initiatief voorziet in een functiewijziging van een bedrijfswoning naar burgerwoning. Gelijktijdig wordt een bouwvlak in de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' geschrapt en wordt de functieaanduiding 'manege' verwijderd. Er vinden geen kap- of snoeiwerkzaamheden plaats van aanwezig groen. De kans is dan ook nihil dat de voorgenomen activiteit een schadelijk effect heeft op beschermde soorten. Dit in combinatie met alleen een vervolgfunctie naar wonen maakt dat hier geen te beschermen ecologische waarden verwacht worden. Om deze reden wordt er vanuit de fysieke leefomgeving nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Algemene Zorgplicht
Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Aanvullingswet natuur de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.

Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Aanvullingswet natuur geen belemmering is voor dit TAM-omgevingsplan.

6.4 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is in dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 7 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

7.1 Algemeen

Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De functie-aanpassing op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied 2011', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met het tijdelijk omgevingsplan van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22f van het omgevingsplan.

7.2 Verbeelding

De verbeelding voor het TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.

7.3 Regels

De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels (begripsbepalingen, meet- en rekenbepalingen, toepassingsbereik, aanvraag- vereisten en algemeen gebruiksverbod);
  • 2. Functies en activiteiten (bestemmingsregels);
  • 3. Regels ter bescherming van waarden en objecten;
  • 4. Algemene regels (algemene bouwregels, gebruiksregels en afwijkingsregels);
  • 5. Overgangsbepalingen.
7.3.1 Inleidende regels

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Hogedijk 56 in Bergambacht (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling aan de Hogedijk 56 in Bergambacht. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit het tijdelijk omgevingsplan op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van het tijdelijk omgevingsplan. De regels in dit hoofdstuk beginnen met een preambule, waarin wordt aangegeven op welke manier het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden.

Artikel 1 Begripsbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat al een artikel met begrippen die alleen van toepassing zijn op Hoofdstuk 22. In dit artikel worden deze begripsbepalingen van toepassing verklaard op dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
In dit artikel zijn aanvullende definities opgenomen voor een eenduidige interpretatie van de in de regels gebruikte begrippen, die niet zijn opgenomen in hoofdstuk 22.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

Artikel 4 Toepassingsbereik
In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien er strijdigheid is met de regels uit het TAM-omgevingsplan.

Artikel 5 Aanvraagvereisten
In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op aanvragen omgevingsvergunning op basis van het TAM-omgevingsplan.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt.

7.3.2 Functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor dit TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

De artikelen van hoofdstuk 2 bevatten de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

  • Functieomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
  • Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);
  • Specifieke functieregels: omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan;

Artikel 7 Recreatie - Dagrecreatie
De gronden met deze functie zijn bestemd voor extensieve dagrecreatieve activiteiten. Op de gronden met deze functie zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Artikel 8 Tuin
De functie 'Tuin' is opgenomen voor tuin, behorende bij het in de aangrenzende functie gelegen hoofdgebouw. Op de gronden met deze functie zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Artikel 9 Wonen
De op de kaart voor ’Wonen’ aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor gebouwen en andere voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Binnen deze functie is één hoofdgebouw toegestaan. In de planregels is onder meer de toegestane hoogte van het hoofdgebouw en de maximale inhoud hiervan vastgelegd. Met betrekking tot de situering van het hoofdgebouw is op de verbeelding een bouwvlak ingetekend, waarin een hoofdgebouw gesitueerd dient te worden.

Voor bijbehorende bouwwerken (de artikelen 22.27 en 22.36 van het tijdelijk omgevingsplan) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (artikel 2.29 van de het Besluit bouwwerken leefomgeving), is al een regeling opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze artikelen zijn in feite een voortzetting van de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het verschil is echter dat deze artikelen nu staan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat). Om die reden zijn beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet nodig in dit TAM-omgevingsplan.

Binnen de functie 'Wonen' is bij recht de uitoefening van een beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis mogelijk tot maximaal 25% van de oppervlakte van het hoofdgebouw met een maximum van 40 m². Belangrijke voorwaarden zijn dat de activiteit moet worden uitgeoefend door de bewoner van de woning, er geen nadelige invloed mag ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte mag optreden.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 3
In het TAM-omgevingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen om de in het plangebied voorkomende zone met archeologische verwachtingswaarden juridisch-planologisch te beschermen. In de dubbelbestemming is aangegeven in welke mate en onder welke voorwaarden werkzaamheden zijn toegestaan. De opgelegde beperkingen zijn opgelegd om te voorkomen dat (mogelijk) voorkomende archeologische waarden worden aangetast.

Van de mogelijkheden die de onderliggende functie biedt voor de uitvoering van (bouw)werkzaamheden kan pas gebruik worden gemaakt indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat als gevolg van de geplande werkzaamheden geen schade wordt toegebracht aan archeologische waarden. Aan een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden die er op gericht zijn om archeologische resten te behouden. Deze voorwaarden kunnen ook gericht zijn op de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Verlangd kan worden dat de werkzaamheden plaatsvinden onder archeologische begeleiding.

Artikel 11 Waterstaat - Waterkering
In het belang van de waterkering aan de zuidzijde van het plangebied is er een beschermingszone opgenomen. Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. Deze gronden zijn als zodanig bestemd in combinatie met andere aan deze gronden gegeven functies.

7.3.3 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Artikel 12 Antidubbeltelregel
Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het TAM-omgevingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 13 Algemene bouwregels
In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle functies kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

Aanvullend op de bouwregels gelden enkele bijzondere (beperkende) bouwbepalingen die met een aanduiding op de verbeelding zijn weergegeven, te weten het grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels 
In dit artikel worden de maatwerkvoorschriften beschreven.

Artikel 16 Overige regels
In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. Er is sprake van een zogenaamde 'dynamische' verwijzing naar het parkeerbeleid. Het dynamische houdt in dat als het parkeerbeleid wordt gewijzigd gedurende de planperiode van het TAM-omgevingsplan, er ook rekening wordt gehouden met deze wijziging.

7.3.4 Overgangsrecht

Artikel 17 Overgangsbepalingen
In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik.

Hoofdstuk 8 Participatie

8.1 Participatie omgeving

Conform het participatiebeleid van de gemeente Krimpenerwaard dient er geparticipeerd te worden en een participatieverslag opgesteld te worden.

De initiatiefnemer heeft de bewoners/gebruikers in de directe omgeving van het plangebied op 14 augustus 2025 een brief gestuurd. Zij zijn geïnformeerd over de voorgenomen wijziging van het TAM-omgevingsplan om een functiewijziging mogelijk te maken van bedrijfswoning naar burgerwoning en het schrappen van een bouwvlak in de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met verwijdering van de functieaanduiding 'manege'. Hierbij is de mogelijkheid geboden om tot 29 augustus 2025 schriftelijk te reageren.

De omwonenden hebben gezamenlijk gereageerd, waarna er op 24 september 2025 een overleg heeft plaatsgevonden met een vertegenwoordiger de gemeente. Hieruit is gebleken dat omwonenden geen bezwaren hebben tegen de gevraagde functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning, mits:

  • a. deze functiewijziging geen consequenties heeft voor de algemene omgevingsnormen (i.e. buitengebied, recreatie, landelijk) die nu gelden voor het perceel, het Broekselaantje en het betrokken deel van de Hogedijk);
  • b. de functiewijziging niet leidt tot een normverschuiving waarbij 'alleen wonen' of 'woonwijk' de standaard wordt, en waardoor het landelijke karakter van dit unieke buitengebied onder druk komt te staan of verloren dreigt te gaan;
  • c. er geen precedentwerking ontstaat die toekomstige ontwikkelingen mogelijk maakt zonder een zorgvuldig participatieproces met omwonenden.

Ten aanzien hiervan wordt het volgende opgemerkt:

ad a
Dit TAM-omgevingsplan maakt alleen een functiewijziging mogelijk van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er vinden geen nieuwe bouwactiviteiten plaats. De bouw- en gebruiksregels voor de woning zijn gelijkluidend als de bestaande woningen in het buitengebied.

ad b 
Zoals onder punt a gesteld is er alleen sprake van een functiewijziging naar burgerwoning. Het landelijk karakter van het buitengebied wordt hierdoor niet aangetast.

ad c
Deze functiewijziging staat op zichzelf. Er is geen sprake van precedentwerking. Het verwijderen van de functieaanduiding 'manege' van een deel van perceel B6266 is nodig om voorliggende ontwikkeling naar 'Wonen' voor Hogedijk 56 mogelijk te maken. Dit biedt geen opmaat naar ruimer beleid voor de rest van het gebied. Eventuele nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van de planlocatie zullen zelfstandig worden beoordeeld, waarbij alsdan moet worden aangetoond of deze planontwikkeling vanuit de fysieke leefomgeving passend is. Met andere woorden gezegd dient er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Gelet op het vorenstaande leidt dit TAM-omgevingsplan niet tot inhoudelijke aanpassingen. De reactie van de omwonenden op de omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 1.

8.2 Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg heeft vooroverleg plaatsgevonden met de Provincie Zuid-Holland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze instanties hebben geen bezwaren tegen vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

8.3 Vaststellingsprocedure

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit heeft op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht vanaf 10 december 2025 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het ontwerp TAM-omgevingsplan elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand is hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Er is binnen de daarvoor gestelde termijn één schriftelijke zienswijze ontvangen. Buiten de gestelde termijn is een aansluitverklaring op de ingediende zienswijze met 14 handtekeningen ontvangen. De zienswijzen zijn in de Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. De Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen is opgenomen in Bijlage 2.

8.4 Beroep

Tegen het besluit tot het vaststellen van het TAM-omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken een beroepschrift indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbenden kunnen ook een voorlopige voorziening vragen tegen het TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 9 Financiële haalbaarheid

9.1 Kostenverhaal

In deze situatie is er sprake van een functiewijziging van een bedrijfswoning naar burgerwoning. Er is geen sprake van een planontwikkeling als bedoeld in artikel 13.11 van de Omgevingswet, omdat er geen sprake is van een aangewezen kostenverhaalsplichtige bouwactiviteit als genoemd in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. (Onder aangewezen kostenverhaalsplichtige bouwactiviteiten wordt onder meer verstaan: (i) de bouw van een woning, kantoor of bedrijfsgebouw, (ii) de uitbreiding van een gebouw met minstens 1.000 m² en (iii) de verbouwing van een niet-woonfunctie naar een (wel) woonfunctie (onder de voorwaarden dat het minstens gaat om tien woonfuncties). De gemeentelijke kosten worden verhaald via de leges op grond van de Legesverordening. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.

9.2 Nadeelcompensatie

Tussen initiatiefnemer en gemeente is een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten overeenkomstig het bepaalde in artikel 15.1 (nadeelcompensatie) van de Omgevingswet om verhaal van nadeelcompensatie de planschaderisico’s voor de gemeente af te dekken. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 10 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In voorgaande hoofdstukken is gemotiveerd dat er met de nieuwe regeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL):

In Hoofdstuk 4 Beleidskader is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de verschillende overheden;

In Hoofdstuk 6 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu is aangetoond dat er geen milieu- en omgevingsaspecten aan de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling in de weg staan.