Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Lorentzweg e.o. Lekkerkerk
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1931.TAM2407DK039-VG01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding en ambitie
De initiatiefnemer, Qua Wonen, is al geruime tijd bezig met de voorbereiding van de vernieuwing van de woonbuurt Lorentzweg en omgeving. Voor deze buurt, gelegen ten noordwesten van het centrum van Lekkerkerk, bestaan vanwege funderingsproblemen plannen voor renovatie, aanpak drainage en sloop-nieuwbouw. Voor de gesloopte woningen worden 140 nieuwe woningen teruggebouwd. In 2019 is een deel van de woningen aan de Kerkweg reeds vernieuwd.
 
De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Krimpenerwaard, waar het bestemmingsplan 'Dorpskernen' onderdeel van is. De voorgenomen ontwikkeling is op meerdere onderdelen in strijd met het bestemmingsplan. Om de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Voorliggend stuk voorziet in de benodigde motivering.
1.2 Aanduiding plangebied
Het plangebied is gelegen in de kern Lekkerkerk, een dorp gelegen aan de noordzijde van de Lek. De locatie bevindt zich tussen het dorpscentrum (Talmastraat) ten zuiden, het Driestar College ten noorden, de woningen langs de Kerkweg aan de oostzijde en de Lorentzweg aan de westzijde  van het dorpscentrum. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
     
Globale ligging plangebied (bron: Pdokviewer) 
Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: Pdokviewer) 
1.3 Toetsing aan het omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplan maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard. Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Dorpskernen'. Tevens geldt het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren Krimpenerwaard'. De onderstaande figuur toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Dorpskernen'.
      
Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpskernen', plangebied rood omkaderd (bron: Omgevingsloket Regels op de kaart)
 
In het bestemmingsplan 'Dorpskernen' beschikt het plangebied over de bestemmingen 'Wonen', 'Verkeer' en 'Groen'. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn mede bestemd voor wonen, bij deze bestemming behorende voorzieningen en een bed & breakfast. De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn onder andere bestemd voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. De gronden met de bestemming 'Groen' zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting en voet- en fietspaden.
 
De voorgenomen herontwikkeling van het plangebied voorziet in het realiseren van woningen en appartementen. Deze komen deels buiten de bestaande bouwvlakken en de bestemming 'Wonen' te staan. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Om ook de bestaande woningen in het plangebied die behouden blijven te voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader zijn deze woningen meegenomen in onderhavige wijziging.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de resultaten van de participatie, het bestuurlijk overleg en de terinzagelegging beschreven. De huidige en toekomstige situatie komen in hoofdstuk 3 aan bod. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 6.  In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid aan bod. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de conclusie.
 
2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.
 
Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 
2.1 Participatie
Conform het participatiebeleid van de gemeente Krimpenerwaard dient er geparticipeerd te worden en een participatieverslag opgesteld te worden. Voor de beoogde ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan en een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Beide plannen zijn uitvoerig besproken met de gemeente en de omwonenden. Op 23 november 2023 heeft er een informatieavond over de beoogde ontwikkeling plaatsgevonden. De reacties op het tijdens de avond gepresenteerde ontwerp waren overwegend positief. Enkele minder positieve reacties hadden betrekking op het uitzicht van enkele bewoners vanuit hun woning aan de Lorentzweg. In de huidige situatie hebben zij vrij uitzicht en dat zou deels komen te vervallen. Qua Wonen heeft gehoor gegeven aan deze bezwaren door enkele woonblokken aan de oostzijde van de Lorentzweg uit het ontwerp te verwijderen (en deze woningen elders in het plangebied op te lossen). De betreffende bewoners behouden daarmee hun uitzicht. Verder zijn zorgen geuit over de mogelijke verkeersdrukte door het onderbreken van de Wibautstraat en over de parkeerproblematiek. Deze onderwerpen komen aan bod in paragraaf 5.1. De reacties van de omwonenden hebben verder niet geleid tot aanpassingen in het stedenbouwkundig plan.
2.2 Zienswijzen
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft vanaf 22 oktober 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is in bijlagen bij toelichting bijlage 10 samengevat en beantwoord. De zienswijze en enkele ambtshalve wijzigingen hebben geleid tot zowel aanpassing van het stedenbouwkundig plan als het TAM-omgevingsplan. Deze wijzigingen zijn beschreven in bijlage 10.
 
3 Planbeschrijving
3.1 Huidige situatie
Lekkerkerk is gelegen in de gemeente Krimpenerwaard aan de rivier de Lek. Het dorp ligt op de scheiding van de Polder Schuwagt aan de westzijde en de Polder Den Hoek aan de oostzijde. De Kerkweg en de provinciale weg N476 (Boezemweg) vormen de scheiding tussen deze polders. Het bijzondere van Lekkerkerk is dat het van origine een langgerekt dijkdorp is sterk georiënteerd op de rivier. Rondom het dorp zijn overwegend landbouwgronden gelegen.
 
Lekkerkerk was rond het jaar 1000 een veenwildernis tussen de IJssel en de Lek. Vanaf de 9e en 10e eeuw werd het gebied sterk ontwaterd zodat het veen niet meer groeide. In combinatie met een periode van droogte maakte het veen rond het jaar 1000 beter begaanbaar. Vanuit de Lek werd begonnen het achtergelegen land te ontginnen. De ontginningsstructuur werd van de rivier de Loet in zuidelijke richting nagenoeg haaks op de Lek gesitueerd. Daar tussen werden verschillende zogenaamde tiendwegen aangelegd om het gebied begaanbaar te houden. Deze structuren zijn vandaag de dag nog steeds zichtbaar.
 
Pas vanaf 1900 begon het dorp uit te breiden. Vanaf de kerk, langs de huidige Kerkweg en Boezemweg, werden de eerste woningen en boerderijen in noordelijke richting gebouwd. In de jaren die volgde werd er haaks op de Lekdijk en rondom de kerk gebouwd. Pas vanaf de jaren ‘50/’60 begon het dorp groter te groeien door grotere uitbreidingen. Dit gebeurde aan de oostzijde van de Kerkweg in de richting van het oorspronkelijke ontginningslandschap.
 
In de jaren ‘70 en ‘80 vond aan de westzijde van de Kerkweg op grootschalige wijze uitbreiding plaats. Door het toenemende autoverkeer en de aanleg van de Algera-brug bij Krimpen aan den IJssel kwam het gebied in trek bij mensen die werkten in Rotterdam. De buurt aan de westzijde van de Kerkweg werd deels in een zogenaamde stempelstructuur aangelegd. Daarbij lag de basis en ontsluitingsstructuur haaks op de Kerkweg en de dijk. Eind jaren ‘90 werd begonnen met de uitbreidingen ten noorden van de Tiendweg. De laatste uitbreiding, Tiendhoek II, is in 2020 afgerond.
 
De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de bestaande situatie.
   
Impressies bestaande situatie plangebied (bron: Buro SRO)
          
Impressies bestaande situatie plangebied (bron: Buro SRO)
 
Het plangebied is gelegen tussen de Lorentzweg aan de westzijde en de achtertuinen van de woningen aan de Kerkweg aan de oostzijde. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door de Berlagestraat, de Talmastraat de zuidzijde. De Wibautstraat, Piersonstraat, Jan Ligthartstraat en Schaepmanstraat maken allen onderdeel uit van het plangebied. Het gebied is nu bebouwd met alleen jaren ‘50 woningen en heeft overwegend een woon- en verkeersbestemming. Het is een woongebied dat bestaat uit meerdere kadastrale percelen en bevat nagenoeg alleen sociale huurwoningen. Twee blokken met duplexwoningen blijven in het plangebied gehandhaafd evenals de particuliere woningen aan de randen. Daarnaast is een enkele woning in het verleden verkocht, maar is voor deze herontwikkeling weer aangekocht.
3.2 Toekomstige situatie
De initiatiefnemer beoogt de woonbuurt Lorentzweg en omgeving te vernieuwen, deels vanwege drainage- en funderingsproblematiek. Daarvoor in de plaats worden nieuwe woningen teruggebouwd. Voor de beoogde herontwikkeling is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld (Buro SRO, d.d. 18 december 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).
  
De navolgende afbeelding toont het stedenbouwkundig plan.
  
Stedenbouwkundig plan (bron: Buro SRO)
 
Woonprogramma
Met de voorgenomen ontwikkeling worden 95 eengezinswoningen in het plangebied gesloopt. Hiervoor in de plaats worden in totaal 140 woningen teruggebouwd. Daarmee worden per saldo 45 woningen aan de woningvoorraad toegevoegd. Het te realiseren woonprogramma zal voor 100% bestaan uit sociale woningen waarvan:
  • 30-40% eengezinswoningen; en
  • 60-70% meergezinswoningen.
Daarbij wordt een woonzorgcomplex voor bewoners met een verstandelijke beperking (31 zorgwoningen) ingepast. 
 
Water, openbare ruimte en groen
Het plan gaat zoveel mogelijk uit van het behouden van de bestaande wegenstructuur, aangezien grote delen van de openbare ruimte recentelijk onder- en bovengronds zijn vernieuwd. Het plan doorbreekt de bestaande hoofdwegenstructuur ter plaatse van de Wibautstraat. Deze straat is nog niet vernieuwd en met de voorgestelde ruimtelijke ingreep levert dit een aantrekkelijke stedenbouwkundige structuur op met een groot centraal gelegen ‘park’. De Wibautstraat wordt, halverwege het plangebied, geknipt en afgebogen in de richting van de Lorentzweg. Daarmee ontstaat een centraal groen middengebied dat alleen wordt doorsneden door de Jan Ligthartstraat. Dit gebied krijgt een parkachtige inrichting met wandelpaden die aansluiten op onder andere het achterpad van de woningen aan de Kerkweg. Binnen deze groene ruimte is plaats voor een tweetal gebouwen die als verbijzondering/special in deze groene ruimte staan. De voorgenomen ontwikkeling wordt gesplitst in twee fasen. De Jan Ligthartstraat splitst het plangebied in tweeën en biedt de mogelijkheid het plan in twee logische fasen te ontwikkelen. De fasering is weergegeven op navolgende afbeelding.
 
Weergave van de verschillende fasen van voorgenomen ontwikkeling
   
- Fase 1
Aan de oostzijde langs de Wibautstraat worden de bestaande grondgebonden woningen vervangen door een blok met nieuwe grondgebonden woningen. Deze bestaan uit twee lagen met een kap. De kavels hiervan sluiten aan op het bestaande achterpad van de woningen aan de Kerkweg. Aan beide zijden van dit woonblok worden parkeerkoffers voorgesteld waarmee de Wibautstraat vrij blijft van geparkeerde auto’s. 
 
Aan de westzijde van de Wibautstraat worden twee woonblokken voorgesteld. Een blok met 4 grondgebonden woningen en een blok met 6 beneden-en bovenwoningen. Beide blokken bestaan uit twee lagen met een kap en zijn georiënteerd op deze straat. Aan de Lorentzweg zijn twee woonblokken met grondgebonden woningen voorzien. Deze bestaan uit twee lagen met een kap en zijn georiënteerd op deze straat en staan in dezelfde rooilijn als de huidige grondgebonden woningen. Ten noorden van deze woonblokken wordt een openbare groenstrook aangelegd waarin tevens een reservering voor enkele parkeerplaatsen is opgenomen. De bestaande duplexwoningen in de eerste fase komen aan een vernieuwde dwarsstraat tussen de Lorentzweg en de Wibautstraat te staan. Daarmee komen deze woningen met hun voordeurzijde aan het ‘centrale’ park te staan. Het zuidelijke deel van de Jan Ligthartstraat bestaat uit meerdere woonblokken die zijn georiënteerd op de aanliggende woonstraten. Daarmee kan het parkeren aan de binnenzijde van dit cluster plaatsvinden en aan het zicht worden onttrokken. Dit levert in de woonstraten extra (woon)kwaliteit op. In het ‘centrale’ park is een appartementencomplex van 5 bouwlagen voorgesteld die als ‘special’ in deze groene ruimte staat. De bovenste bouwlaag als wordt als (gedeeltelijke) setback uitgevoerd. Dit blok staat dan ook licht gedraaid ten opzichte van de grid-achtige structuur van het plan en staat op subtiele wijze in het zicht van de Wibautstraat.
   
- Fase 2
Het noordelijke deel borduurt voort op de stedenbouwkundige hoofdstructuur van het zuidelijk deel. De bestaande grondgebonden woningen langs de Berlagestraat en de duplexwoningen worden ingepast en vormen de basis. Tussen deze bestaande grondgebonden woningen en de duplexwoningen wordt een extra woonblok toegevoegd. Dit woonblok bestaat uit grondgebonden woningen en grenst met de tuinen aan de bestaande grondgebonden woningen aan de Berlagestraat. Tussen de nieuwe grondgebonden woningen en de bestaande duplexwoningen is een breed woonpad voorzien met veel groen.
 
Ten zuiden van de duplexwoningen is een appartementenblok voorzien met de oriëntatie op het ‘centrale’ park. Dit blok bestaat uit drie bouwlagen en speelt hiermee in op de bouwhoogtes in de omgeving. Tussen dit appartementenblok en de duplexwoningen is een parkeerkoffer voorzien en ligt uit het zicht van de straat. In dit deel van het ‘centrale’ park komt een woonzorgcomplex van 4 bouwlagen hoog. Samen met het tegenoverliggende appartementenblok vormen ze twee ‘specials’ in het park. Het parkeren in het gehele plan wordt zoveel als mogelijk uitgevoerd met een halfopen groene bestrating. Parkeerplaatsen worden afgewisseld met bomen. Parkeerkoffers worden zoveel als mogelijk afgeschermd met een lage groen blijvende haag om het zicht op het blik te ontnemen. Ten westen van de appartementenblokken is aan de oostzijde van de Lorentzweg nog een reservering voor parkeren opgenomen.
 
Verkeer en parkeren
Het plangebied wordt ontsloten, komend vanaf de Kerkweg, via de Berlagestraat, Jan Ligthartstraat en Talmastraat. Via deze wegen worden de Wibautstraat en Lorentzweg ontsloten. Vanaf de Talmastraat is de Lorentzweg alleen voor langzaamverkeer te bereiken. Ter plaatse loopt de Lorentzweg voor auto’s dood. De Talmastraat is de belangrijkste weg aangezien deze ook grote delen van het westelijk deel van Lekkerkerk ontsluit. Dit is tevens in profiel terug te zien (asfalt), waarbij er tevens fietsindicatiestroken aanwezig zijn. Alle wegen in het plangebied zijn 30 km/uur wegen. Uitzondering daarop vormen de Piersonstraat en Schaepmanstraat. Dit zijn 15 km/uur wegen en vormen intern de verbindingen tussen de Wibautstraat en Lorentzweg als woonerf. Daarnaast is er een viertal insteekstraatjes vanaf de Wibautstraat die de parkeerhoven ontsluiten. In de afgelopen tijd zijn diverse straten binnen het plangebied geherprofileerd. Daarbij is zowel de ondergrondse infrastructuur als de bovengrondse indeling aangepast. De Wibautstraat en de parkeerhoven zijn nog niet vernieuwd. Onder alle wegen in het plangebied ligt ondergrondse infrastructuur (riolering en diverse andere kabels en leidingen). Het zoveel als mogelijk behouden van deze tracés vormt het uitgangspunt voor de planontwikkeling. Verkeer en parkeren komen nader aan bod in paragraaf 5.1.
 
4 Beleidskaders
4.1 Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.  
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
 
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang van het plan is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen.
 
4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
  1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden 95 woningen gesloopt en 140 woningen gerealiseerd. Daarmee voorziet de beoogde ontwikkeling in een toevoeging van 45 woningen en dienen de ‘treden van de ladder’ doorlopen te worden.
 
Behoefte
De Regionale Agenda Wonen 2019 Regio Midden-Holland is het document waarin de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas het regionale beleid met betrekking tot wonen hebben opgenomen. In de regio Midden-Holland is de verwachting dat het aantal huishoudens de komende periode zal stijgen met circa 15.000 huishoudens van 2015 tot 2030. In de gemeente Krimpenerwaard is de verwachting dat het aantal huishoudens tot 2030 zal stijgen met 2.536. Uit de woonvisie van de gemeente Krimpenerwaard (zie paragraaf 4.3.2) volgt dat de gemeente tot 2040 een woningbouwambitie heeft om 4.000 nieuwe woningen te realiseren. Hieruit volgt dat het voorgenomen plan in kwantitatieve zin tegemoet komt aan de woningbouwbehoefte.
 
In de Regionale Agenda Wonen 2019 Regio Midden-Holland wordt onder andere aandacht besteed aan het vergroten van de beschikbaarheid van goedkope huurwoningen. Volgens het woningbehoefteonderzoek van de gemeente Krimpenerwaard (2022) is er in de gemeente Krimpenerwaard tussen 2022 en 2032 een behoefte aan 710 extra sociale huurwoningen. Krimpenerwaard beschikt over een sociale huurvoorraad die lager is dan het landelijk gemiddelde. Ook het middeldure huursegment is nauwelijks aanwezig in de gemeente. Lage- en middeninkomens komen, zeker wanneer ze op dit moment niet al beschikken over een woning, lastig aan de bak op de woningmarkt in Krimpenerwaard. Met de ontwikkeling wordt voor 100% aan sociale woningen gerealiseerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling inspeelt op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve behoefte binnen de regio en de gemeente.
 
Bestaand stedelijk gebied
In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ De planlocatie is gelegen in het midden van een woonwijk. Het plangebied zelf en de directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit woningen. Uitgaande van de definitie als omschreven in het Bkl kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als stedelijk gebied.
 
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.2 Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland
De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 mei 2024. Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon.  
  1. Samen werken aan Zuid-Holland
  2. Bereikbaar Zuid‐Holland
  3. Schone energie voor iedereen
  4. Een concurrerend Zuid‐Holland.
  5. Versterken natuur in Zuid‐Holland
  6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland
  7. Gezond en veilig Zuid‐Holland
Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’).
 
Gebiedsprofielen en ruimtelijke kwaliteit
Het landschap in de provincie Zuid-Holland is gevarieerd. Voor 16 deelgebieden zijn in 2014 gebiedsprofielen gemaakt als uitwerking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Deze gebiedsprofielen zijn samen met de regio ontwikkeld. Elk gebied heeft eigen gebiedskenmerken die de provincie van provinciaal belang vindt.
 
De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen.
 
De gebiedsidentiteit is de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Deze identiteit is ontstaan door eeuwenlange ingrepen in de ruimte. Daarbij is een aantal lagen te onderscheiden. De bodem, de ondergrond, gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. Daarop ligt de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. In deze laag vind je het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut. Deze laag is gevormd door eeuwenlang (vaak agrarisch) gebruik door de mens. De derde laag die onderscheiden wordt is de laag van stedelijke occupatie, bestaand uit steden, dorpen en hun onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de beleving over identiteit, met als belangrijke dragers cultuurhistorie en (recreatieve) beleving.
 
Passende ruimtelijke ontwikkeling
Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is.
 
De provincie maakt onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau in wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening.
 
Planspecifiek
Kwaliteitskaart
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.
 
Laag van ondergrond
Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. Het plangebied wordt aan alle kanten omringd door bebouwing. De verschillen tussen komgronden en oeverwallen zijn in het plangebied niet meer herkenbaar.
 
Laag van cultuur- en natuurlandschappen
Het plangebied is op de kwaliteitskaart aangewezen als 'veen(weide)landschap'. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn:
  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.
  • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Met de beoogde ontwikkeling wordt een bestaande woonbuurt opnieuw ingericht. Het plangebied is geheel omsloten door bebouwing en door wegen. Om die reden zijn de waarden die horen bij het veen(weide)landschap' in de huidige situatie niet aanwezig. Er is geen sprake van de aanwezigheid van een verkavelingspatroon. In aansluiting bij de bestaande woonomgeving en de nabijheid van het ‘centrum’ van Lekkerkerk zal de bebouwing een passende schaal krijgen, aansluitend bij de schaal en structuur van Lekkerkerk.
 
Laag van stedelijke occupatie
De planlocatie is gelegen in de laag 'steden en dorpen'. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Er is voor de beoogde ontwikkeling een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld (Buro SRO, d.d. 29 april 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uitgangspunt van het stedenbouwkundig plan is onder andere dat de nieuwe bebouwing in massa, omvang, verschijningsvorm en architectonische uitstraling aansluit bij het karakter van de omgeving en de omliggende bebouwing. Er wordt ruimte gereserveerd voor de realisatie van openbaar groen in het midden van het plangebied, waarmee sprake is van versterking van het stedelijk groen. Gesteld kan worden dat er wordt voldaan aan de richtpunten zoals opgenomen in de laag 'steden en dorpen'.  
        
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuzes 'Wonen' en 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit’. Zoals reeds aan bod kwam in paragraaf 4.1.2 voorziet de beoogde herontwikkeling in een woningbehoefte, waardoor het in lijn is met de beleidskeuze 'Wonen'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.
 
Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder is alleen de voor het plangebied relevante kaart besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart.
 
Herkenbaar waterrijk veen(weide)
Het plangebied is gelegen in veenweide met rivierinvloed. Het hoogteverschil is geleidelijk en er is geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. De ambities van de provincie zijn om het contrast van verdichte dijklinten op oeverwal en open veenweidegebied beleefbaar te houden en om doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk zoveel mogelijk te behouden. De voorgenomen ontwikkeling is gelegen in het stedelijk gebied. Er is geen sprake van openheid. De voorgenomen ontwikkeling is niet van invloed op het contrast van verdichte dijklinten op een oeverwal en open veenweidegebied. 
 
Conclusie
Het plan is in lijn met de ambities van de Omgevingsvisie: de ruimtelijke kwaliteit verbetert, er wordt bijgedragen aan de woningvoorraad en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen.
 
4.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
Op 18 februari 2025 is de laatste versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
  3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen, omdat het planvoornemen een ruimtelijke ontwikkeling is die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de bestaande functie binnen het plangebied. De functie van de planlocatie (wonen) blijft met de beoogde ontwikkeling ongewijzigd. Daarbij zijn geen wijzigingen op structuurniveau voorzien. De ontwikkeling voegt zich op stedenbouwkundig verantwoorde wijze in het omliggende stedenbouwkundig samenstel. Bovendien blijkt uit dat aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan.
    
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 7.45 lid 1 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: 'Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving’. In paragraaf 4.1.2 is ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de 'treden van de ladder'. Er is sprake van een aantoonbare behoefte aan sociale huurwoningen. De planlocatie bevindt zich in het bestaand stedelijk gebied. Derhalve wordt voldaan aan artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.45 van de Omgevingsverordening. 
 
Grondwaterbeschermingsgebied
De planlocatie ligt in grondwaterbeschermingsgebied. In de omgevingsverordening zijn de grondwaterbeschermingsgebieden onderverdeeld in 'waterwingebieden', 'grondwaterbeschermingszones', 'boringsvrije zones' en 'gebieden voor aanvullende strategische voorraden'. Het plangebied is gelegen in 'boringsvrije zone'. Het is verboden om zonder melding een activiteit te verrichten in een boringsvrije zone voor zover het gaat over het graven tot een diepte van 4 meter onder het maaiveld, anders dan voor het aanleggen van een bouwwerk, het plaatsen van peilbuizen en sonderingen ten behoeve van bodemonderzoek tot aan het zoet-brakgrensvlak en het verrichten van werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 4 meter beneden het maaiveld, ten behoeve van waterstaatswerken en dijkverbetering. Met de voorgenomen ontwikkelingen worden geen werkzaamheden uitgevoerd waarbij dieper wordt gegraven dan 4 meter onder het maaiveld. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de kwaliteit van het grondwater aantasten.
   
Risico's van klimaatverandering
In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
  1. wateroverlast door overvloedige neerslag;
  2. overstroming;
  3. hitte;
  4. droogte;
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
 
- Wateroverlast
Wateroverlast kan ontstaan wanneer er sprake is van veel neerslag. Eén van de gevolgen van klimaatverandering is dat ook de neerslagintensiteit zal toenemen. Derhalve wil de provincie dat bij alle nieuwe plannen rekening wordt gehouden met mogelijk wateroverlast bij hevige neerslag. Uit de klimaateffectatlas blijkt dat met name bij de kruising met de Piersonsstraat en de Lorentzweg sprake is van een waterdiepte van meer dan 30 cm. In de 'Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ is een eis opgenomen dat een locatie tenminste 70 mm in 1 uur moet kunnen opvangen. Het uitgangspunt is dat er bij hevige neerslag (1/100, 70 mm in een uur) geen sprake is van schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Om de vereiste extra waterberging in beeld te brengen is navolgend een verschilberekening gemaakt van de huidige en toekomstige situatie.
 
 Oppervlakte verhard oppervlakT100Afstroming
Huidig20525 m²58 mm1190450
Toekomstig17716 m²70 mm1240120
Extra berging  49.670 l (49 m³)
    
Omdat een T100 bui in de toekomstige situatie 70 mm bedraagt en voorheen 58 mm vindt er in de toekomstige situatie, ondanks dat de oppervlakte aan verhard oppervlak afneemt, meer afstroming plaats (49 m³ hemelwater). Omdat de daadwerkelijke inrichting van het plangebied nog niet vaststaat en er mogelijk nog wijzigingen staan te wachten zal de exacte berekening van het waterbergingscapaciteit in het vervolg verder uitgewerkt moeten worden. Wel is bekend dat het plangebied veel groener ingericht zal worden. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aandeel groen toe van 11% (3.134 m²) naar 29% (8.184 m²). Daarmee neemt de oppervlakte aan groen met 5.050 m² toe. Groen heeft waterbergend vermogen. Volgens de rekentool van Groenblauwe Netwerken (https://groenblauwenetwerken.nl/rekenhulp/) heeft ca. 22 m² groen een waterbergend vermogen van 1 m³. Omdat het groen toeneemt met 5.050 m² neemt het bergend vermogen van de openbare ruimte met 227,25 m³ toe. Daarmee wordt de extra vereiste berging 49 m³ voldoende opgevangen in het openbaar groen. Het infiltrerende vermogen van het plangebied wordt per saldo dan ook verbeterd en er zal sprake zijn van een betere spreiding van de infiltratiemogelijkheden. Dit voorkomt de druk op het bestaande rioleringsstelsel en zijn er minder straatkolken nodig. In het vervolg wordt nog onderzocht of het mogelijk is om wadi's in het centrale deel aan te leggen. Mocht het nodig zijn zal hier voldoende ruimte zijn om de waterbergingscapaciteit binnen het plangebied te verhogen.
 
- Overstroming
Volgens de overstromingskaart van de klimaateffectatlas is ter plaatse van de planlocatie sprake van een kleine overstromingskans (1/300 tot 1/3000 per jaar) met een overstromingsdiepte van 20 tot 50 cm in de straten. Bij overstromingen met dergelijke dieptes zijn de risico's voor toekomstige bewoners beperkt tot materiële schade. Om de materiële schade te voorkomen worden de beoogde woningen niet onderkelderd. Er wordt daarnaast gewerkt met waterresistente materialen voor de vloeren en elektrische voorzieningen worden zoveel mogelijk verhoogd aangelegd. Om te voldoen aan de eis dat gebouwen ook bij extreme omstandigheden een droge begane grondvloer hebben wordt het plangebied zo ingericht dat water vanaf de woonpercelen afloopt naar (het groen in) de openbare ruimte. Verder draagt het vergroenen van het plangebied bij aan het infiltreren van het water bij een overstroming. 
  
- Hitte
Het plangebied maakt onderdeel uit van het stedelijk gebied waar hitte een grotere speelt dan in het landelijk gebied. Met behulp van de atlas leefomgeving kan het zogenaamde stedelijk hitte eiland effect (UHI) in beeld worden gebracht. Dit geeft het gemiddelde luchttemperatuurverschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden weer. Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een UHI van ongeveer 1,0 °C. Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied een stuk groener dan wat in de huidige situatie het geval is. Er komt een centrale groenvoorziening in het midden van het plangebied en verspreid over het plangebied worden bomen geplaatst. Het toevoegen van groen gaat het UHI tegen.
  
- Droogte
In het plangebied lijkt op basis van de klimaateffectatlas droogte geen probleem te vormen. In de huidige situatie is er geen sprake van een tekort aan oppervlaktewater binnen het plangebied. In een extreem geval is er in 2050 mogelijk wel sprake van te zout water. Omdat de gronden van de planlocatie niet in het veengebied liggen zal er bij extreme droogte geen sprake zijn van oxidatie en eventuele inklinking. Ter plaatse van de planlocatie is geen sprake van droogtestress. Het toevoegen van groen en het verbeteren van het infiltrerende vermogen van het plangebied kan worden gezien als maatregelen om droogte tegen te gaan. In het vervolg wordt nog onderzocht of het mogelijk is om wadi's in het centrale deel aan te leggen wat droogte tegengaat.
   
- Bodemdaling
Uit de kaarten van de klimaateffectatlas blijkt dat ter plaatse van de planlocatie beperkt (3-10 cm) sprake is van bodemdaling tot 2050. Wanneer sprake is van minder dan 3 cm in bodemdaling kan dit als verwaarloosbaar worden beschouwd. De norm voor bodemdaling is 20 cm in 30 jaar (zettingseis uit het Handboek openbare ruimte van de gemeente). Voor de planlocatie betreft de bodemdaling minder dan deze eis. Het nemen van specifieke maatregelen in het kader van bodemdaling worden voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht.
 
Afgezien van de autonome bodemdaling dient ook de praktijksituatie en het planeffect te worden beschouwd. De bodem in Lekkerkerk heeft een vrij slechte draagkracht. In het plangebied staat al sinds de jaren '60 bebouwing met bijbehorende infrastructuur. Gelet hierop kan aangenomen dat de bodem al voldoende ingeklonken is. Daarnaast wordt het plangebied niet opgehoogd met zware materialen. Er zijn geen maatregelen nodig om de bodemdaling te beperken tot 20 cm in 30 jaar.
 
Toekomstbestendig bouwen van woningen
In artikel 7.41aa van de omgevingsverordening is opgenomen dat, bij een ontwikkeling met een totale vloeroppervlak van 1.000 m² of meer, rekening moet worden gehouden met de kansen en mogelijkheden voor toekomstbestendig bouwen. Bij verdere uitwerking van het plan zal hier verder aandacht aan worden besteed.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
4.3 Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard
In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd.
 
Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:
  • Waarden van heel de Krimpenerwaard;
  • Waarden per gebied;
  • Waarden van de kernen.
De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'.
 
In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en minder vanuit regels.
 
Planspecifiek
De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. De gemeente wil dat het aangenaam blijft in de kernen en heeft voor alle kernen speerpunten opgesteld. De gemeente wil graag dat mensen in de Krimpenerwaard kunnen (blijven) wonen en wil voorzien in de behoefte aan passende woningen. De gemeente wil per kern ruimte bieden aan woningbouw, bij voorkeur worden de woningen gerealiseerd in de kernen. De gemeente ziet kansen om woningen te realiseren door herontwikkeling, transformatie en herbestemming in het bestaand bebouwd gebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt in totaal 140 woningen binnen het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd, wat een toevoeging betekent van 45 woningen. In paragraaf 4.3.2 wordt ingegaan op de woonvisie van de gemeente Krimpenerwaard en wordt duidelijk dat er behoefte is aan meer sociale huurwoningen. Het woonprogramma van de beoogde ontwikkeling voorziet voor 100% in sociale huurwoningen. Ook wordt eventueel een woonzorgcomplex voor bewoners met een verstandelijke beperking (31 zorgwoningen) ingepast. Daarbij wordt er ruimte geboden voor bijzondere en nieuwe woonconcepten passend bij de Krimpenerwaard.
 
Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de omgevingsvisie.  Er is behoefte aan extra woningen in de Krimpenerwaard.
 
4.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard 2023-2028
Tijdens de raadsvergadering van 4 juli 2023 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard ‘Vitale kernen in het groen’ vastgesteld. In deze woonvisie zet de gemeente in op het versterken van de vitale kernen, zodat iedereen beschikt over een passende woning en kan wonen in een prettige en passende woon- en leefomgeving.
 
De gemeente wil tot 2040 4.000 woningen bouwen. Locaties binnen de kernen zijn schaars. En waar er nog ruimte is wil de gemeente ook groen behouden. Daarom zal de gemeente vooral aan de randen van de kernen moeten bouwen. Hierbij heeft de gemeente de aandacht voor de ruimtelijke en groene structuur. Van de 4.000 woningen zet de gemeente in op 30% sociale huurwoningen. Ook zet de gemeente in op de bouw van middenhuur en betaalbare koopwoningen. In totaal moet 75% van de woningen in nieuwbouwplannen betaalbaar zijn.
 
De Omgevingsvisie geeft in hoofdlijnen aan hoe de gemeente in samenspraak met de gemeenschap de toekomst van de gemeente Krimpenerwaard ziet. Daarbij is rekening gehouden met de kwaliteiten en waarden van Krimpenerwaard. De hoofddoelstelling is uitgewerkt aan de hand vier pijlers. Samen zorgen zij ervoor dat de hoofddoelstelling behaald kan worden:
  • Pijler 1 - Beschikbaarheid en betaalbaarheid
  • Pijler 2 - Aantrekkelijke en inclusieve nieuwbouw
  • Pijler 3 - Wonen, zorg en welzijn
  • Pijler 4 - Duurzaamheid
Planspecifiek
Er is in de gemeente Krimpenerwaard een kwantitatieve woningbouwbehoefte van 4.000 woningen tot 2040. Omdat er met de beoogde ontwikkeling 140 woningen worden gerealiseerd, wat een toename van 45 woningen betekent, wordt er een bijdrage geleverd aan deze ambitie. Eén belangrijk onderdeel van de woonvisie gaat over de beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen. Krimpenerwaard beschikt over een voorraad die voor 26% uit sociale huur bestaat. Dit is lager dan het landelijk gemiddelde (27%).
Om meer betaalbare woningen te realiseren hanteert de gemeente dat ieder plan voor 75% uit betaalbare woningen (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop) moet bestaan. Met de woningbouwsegmentering werkt de gemeente toe naar een woningvoorraad die voor 30% bestaat uit sociale huurwoningen. In principe moet ieder woningbouwplan tot 2040 voldoen aan de segmentering. Er is een aantal redenen om onderbouwd af te wijken van bovenstaande woningbouwsegmentering. Eén van deze redenen is als er sprake is van sloop/nieuwbouw door een woningcorporatie er voor 100% sociale huur teruggebouwd mag worden. Dit is bij de voorgenomen ontwikkeling van toepassing.
 
Daarnaast wordt er energiezuinig en kwalitatief goed, in lijn met de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving, gebouwd. Dit wordt gedaan door de woningen te voorzien van goede isolatie, gebruik van duurzame bouwmaterialen en door aan te sluiten bij de bestaande bebouwing in bouwhoogte, materialisering en vormgeving.
 
Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de Woonvisie Krimpenerwaard.
 
5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
5.1 Verkeer en parkeren
 
5.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling worden 95 woningen gesloopt en 140 nieuwe woningen gerealiseerd. Dit grotere aantal woningen brengt een toename van de verkeersbewegingen met zich. In dit kader is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd (Goudappel, d.d. 19 december 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). In het mobiliteitsonderzoek is gekeken naar de effecten van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling.
 
Met de voorgenomen ontwikkeling zal de verkeersstructuur iets anders opgebouwd worden dan in het bestaande situatie het geval is. De bestaande verkeersstructuur blijft in hoofdlijnen ongewijzigd, maar wel wordt de Wibautstraat halverwege het plangebied geknipt en afgebogen in de richting van de Lorentzweg. Daarmee ontstaat een centraal groen middengebied dat alleen wordt doorsneden door de Jan Ligthartstraat. Voor het autoverkeer zijn de twee delen van het plangebied van elkaar afgesneden.
  
De navolgende afbeelding toont de beoogde verkeerssituatie.
 
Beoogde situatie infrastructuur en parkeren (bron: Buro SRO)
   
Zoals uit het onderzoek van Goudappel blijkt zal bij een afsluiting van de Wibautstraat tussen de Piersonstraat en Schaepmanstraat de verkeersdruk op laatstgenoemde straten toenemen met circa 200 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal (inclusief extra motorvoertuigbewegingen als gevolg van de nieuwewoningen). Op de Piersonstraat en Schaepmanstraat worden na planrealisatie circa 250 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal verwacht. Beide straten zijn een woonerf. Tot 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal is het mogelijk om het verkeer veilig gebruik te laten maken van een woonerf. Er is daarmee sprake van een acceptabele verkeerssituatie.
 
Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
 
5.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
    
Planspecifiek
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW. Op eigen terrein dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. De parkeersituatie is in beeld gebracht in een mobiliteitsonderzoek (Goudappel, d.d. 19 december 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Met het onderzoek is gekeken naar de huidige parkeerbehoefte en de huidige parkeersituatie en is deze vergeleken met de parkeersituatie en parkeerbehoefte in de beoogde situatie.
 
Uit het onderzoek volgt dat er in de huidige situatie sprake is van een parkeerbehoefte van 124 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie is sprake van een parkeerbehoefte van 154 parkeerplaatsen. Niet op ieder moment van de week is de parkeerbehoefte even groot. Om die reden wordt gewerkt met aanwezigheidspercentages. Als er wordt gerekend met aanwezigheidspercentages blijkt dat er sprake is van een toename van de parkeerbehoefte van 29 parkeerplaatsen. Uit het onderzoek van Goudappel blijkt dat er in de huidige situatie 128 parkeerplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. In de voorgenomen situatie beschikt de planlocatie over 180 parkeerplaatsen. Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een toename van 52 parkeerplaatsen. Er is daarmee sprake van een acceptabele parkeersituatie.
 
Door Goudappel is tevens onderzocht in hoeverre er sprake is van restcapaciteit in de omgeving van het plangebied. Op het drukste moment is de huidige parkeerbezetting 75%. Tot een parkeerbezetting van 85% is er sprake van een acceptabele parkeersituatie. In de huidige situatie is er daarmee sprake van een acceptabele parkeerbezetting. De toekomstige parkeerbezetting is maximaal 73%. Ook in de toekomstige situatie is er daarmee sprake van een acceptabele parkeerbezetting.
 
Gesteld kan worden dat er met de voorgenomen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.2 Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
 
De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
  
Planspecifiek
De beoogde woningen worden gasloos en op zijn minst volgens de BENG-methode gebouwd (bij voorkeur ENG). Gebouwen en de openbare ruimte zullen ruimte bieden voor onder andere nestkasten en -gelegenheden, wat positief bijdraagt aan de biodiversiteit. 
 
In de ‘Zuid-Hollandse Omgevingsverordening’ is ingegaan op de risico's van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen, droogte of hitte is. Bovendien wordt met onderhavig plan een positieve bijdrage geleverd aan de oppervlakte aan openbaar groen. Bovendien wordt ingezet op een duurzame en gezonde woonbuurt, waarbij gezamenlijk gebruik en kans op ontmoeting gestimuleerd worden door onder andere de aanleg van wandelpaden door de centrale groenvoorziening. Dit zet tevens aan tot beweging en draagt bij aan een goede mentale gezondheid.
5.3 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • gebouw voor kinderopvang met bedden;
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
  
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere wegen. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch Buro Tideman, 24.162.01, d.d. 22 juli 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3).
 
De geluidbelasting bedraagt maximaal 63 dB op de meest zuidelijke woning. Op navolgende afbeelding is het blok met de drie woningen waar een overschrijding van de standaardwaarde plaatsvindt weergegeven. 
 
Geluidbelasting op woningen zuidkant plangebied (bron: Akoestisch buro Tideman)
 
De geluidbelasting op het plan is hoger dan de standaardwaarden van het Bkl. Bij een geluidbelasting op de gevel tussen de standaardwaarde (53 dB) en de grenswaarde (70 dB) vindt een bestuurlijke afweging plaats. Het bevoegd gezag kan geluid tot en met de grenswaarde toestaan als ze:
  1. Geen maatregelen kan treffen om aan standaardwaarde te voldoen;
  2. Overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt;
  3. Afweegt of maatregelen financieel doelmatig zijn en er geen bezwaren zijn van stedenbouw, verkeerskunde, vervoerskunde, landschap, techniek
  4. Afweegt of het gecumuleerd geluid aanvaardbaar is;
  5. Afweegt of het gezamenlijk geluid aanvaardbaar is. 
- Ad 1:
Maatregelen in de vorm van afscherming in het tussengebied is reeds verwerkt in het plan door het toepassen van een scherm met een hoogte van 1,8 meter langs de tuin van de woning op nummer 10 om het geluid vanaf de Talmastraat af te schermen. Door toepassing van dit scherm wordt een geluidluwe buitenruimte gerealiseerd. 
 
- Ad 2:
De overschrijding van de standaardwaarde bedraagt 10 dB en is 7 dB lager dan de grenswaarde.
 
- Ad 3:
De wegdekverharding van de Talmastraat bestaat uit een klinkerverharding en kan worden vervangen door (geluidreducerend) asfalt. Het vervangen van een wegdek is een taak van de wegbeheerder. Gezien de kosten van (stil) asfalt en mogelijke civieltechnische problemen is deze oplossing voor het terugdringen van de geluidbelasting op de locatie niet haalbaar.
 
- Ad 4 en 5:
Het gezamenlijk geluid is hier gelijk aan het cumulatief geluidniveau. Deze geluidbelasting is aanvaardbaar indien de standaard geluidwering van de gevel wordt verhoogd met maximaal 10 dB tot Ga;k= 30 dB. De vereiste geluidwering per gevel kan worden afgeleid uit figuur 4-2 van het onderzoek van Tideman.
 
In aanvulling op het voorgaande heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland een nadere afweging van de hogere geluidwaarden opgesteld (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2025-00016907, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9).
 
Om de beoogde woningen toe te laten legt het bevoegd gezag een omgevingswaarde van maximaal 63 dB voor het gezamenlijk geluid vast.
 
Conclusie
Het aspect geluid is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de gewenste functie wonen aan deze locatie indien de gevel worden voorzien van voldoende geluidwerende voorzieningen.
 
In paragraaf 5.4 is aandacht voor het aspect geluid in relatie tot activiteiten en milieuzonering.
5.4 Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.
 
Zones, waarden en afstanden
Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
 
Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
 
Gebiedstypen
In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan.
 
Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn. In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen.
 
Bestaande activiteit
Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan.
 
Andere milieuthema’s dan geur en geluid
Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
  • Luchtverontreiniging.
  • Externe veiligheid en gevaar.
  • Trillinghinder.
  • Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
  • Lichthinder.
  • Spuitzones.
  • De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Daarmee wordt voorzien in milieugevoelige gebouwen. Er dient in beeld te worden gebracht of omliggende bedrijven als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsuitvoering en ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere milieubelastende activiteiten. 
  
Middelbare school
Ten noorden van de planlocatie, aan de overzijde van de Berlagestraat, bevindt zich een middelbare school. De afstand van de planlocatie tot aan het zuidelijk gelegen plein van de school bedraagt ongeveer 15 meter. In de huidige situatie bevinden zich rondom de school reeds woningen. Dit betekent dat de milieugebruiksruimte van de school door deze woningen al wordt beperkt. Daarnaast geldt dat de woningen aan de noordzijde van het plangebied, aan de Berlagestraat, niet gesloopt of verbouwd zullen worden. Dit zijn bestaande woningen die met de beoogde ontwikkeling behouden blijven. Daarmee voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in beperkingen voor de bedrijfsvoering van de school. Tevens kan aangenomen dat ter plaatse van de bestaande woningen reeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 
Centrumfuncties
Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich het dorpscentrum van Lekkerkerk. Volgens het bestemmingsplan 'Dorpskernen', wat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard, zijn deze gronden mede bestemd voor wonen, detailhandel, bedrijven in milieucategorie 1 en 2 en maatschappelijk doeleinden en meer. Direct aan de overzijde van de Talmastraat bevinden zich een bibliotheek, een kantoor, een barbier en een bloemist. Dit zijn activiteiten die volgens de indicatieve lijst zoals opgenomen in de handreiking Activiteiten en Milieuzonering A5 geschikt zijn voor functiemenging. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschikt de planlocatie over de bestemming 'Wonen'. Dit betekent dat de milieugebruiksruimte van de bestaande bedrijfsactiviteiten in de huidige situatie al worden beperkt door deze woningen. Het realiseren van de woningen voorziet niet in een nieuwe belemmering voor deze activiteiten. Daarmee voorziet de beoogde ontwikkeling ook niet in een (nieuwe) beperking van de bedrijfsvoering van deze bedrijfsactiviteiten.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande vormen de milieubelastende activiteiten van de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Wat betreft milieuzonering is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
 
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
  1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
  2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.  
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 140 woningen. Bij woningbouwontwikkelingen tot 3.000 woningen en met twee ontsluitingswegen is altijd sprake van een NIBM-project. Dit betekent dat beoogde ontwikkeling aan te merken is als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Verdere toetsing van het aspect luchtkwaliteit op grond van artikel 5.54 van het Bkl niet noodzakelijk.  
 
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2022 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied (receptor: 62251686_15476869) bedragen respectievelijk maximaal 18,2 μg/m³, 9,8 μg/m³ en 19,9 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
 
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal).
 
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
 
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
 
Planspecifiek
De gemeente heeft een archeologische beleidskaart voor haar grondgebied op laten stellen. Op de beleidskaart Archeologie van de gemeente Krimpenerwaard is het zuidelijke deel van het plangebied aangemerkt als Waarde - Archeologie 4. Het noordelijke deel met Waarde - Archeologie 7. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de beleidskaart.
 
Uitsneden archeologische beleidskaart
 
Voor het plangebied met de 'Waarde - Archeologie 7' geldt een vrijstellingsgrens bij werkzaamheden kleiner dan 10.000 m² en die niet dieper reiken dan 3 meter onder het maaiveld. Voor het plangebied met 'Waarde - Archeologie 4' geldt een vrijstellingsgrens voor werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 1.000 m² en die niet dieper reiken dan 30 cm onder het maaiveld. In het noordelijke deel wordt de vrijstellingsgrens van 10.000 m² niet overschreden. In het zuidelijke deel wordt de hier geldende vrijstellingsgrens van 1.000 m² niet overschreden. Daarnaast vinden de bodemingrepen hier hoofdzakelijk plaats ter plaatse van bestaande bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee grotendeels niet in nieuwe verstoringen van de bodem. Negatieve effecten op de archeologische waarden kunnen daarmee worden uitgesloten. Het laten uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht.
 
De planlocatie beschikt niet over monumentale gebouwen of objecten. Ook is het plangebied niet gelegen in een gebied van cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
  • Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
  • Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling worden woningen gerealiseerd op gronden die reeds ten behoeve van wonen gebruikt worden. Derhalve voorziet de beoogde ontwikkeling vergeleken met de bestaande situatie niet in de realisatie van een strenger bodemgebruik. Normaliter wordt het laten uitvoeren van bodemonderzoek niet nodig geacht. Met de voorgenomen ontwikkeling worden delen van de woningen gerealiseerd op gronden die nu tot het openbaar gebied worden gerekend. Daarnaast heeft Lekkerkerk een geschiedenis met bodemverontreiniging. In dit kader is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 40154, d.d. 3 oktober 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3).
 
De grond is beoordeeld als maximaal kwaliteitsklasse Industrie. De baksteenhoudende zandige en kleiige boven- en ondergrond worden beoordeeld als klasse Industrie. De overige boven- en ondergrond wordt beoordeeld als klasse Landbouw/natuur. De verhogingen worden veroorzaakt door de aanwezige bodemvreemde bijmengingen (met name baksteen). In het grondwater is geen overschrijding van de signaleringsparameter gemeten. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek.
 
Ter plaatse van de demping bij Br01 is in de ondergrond een massieve ondoordringbare laag aangetroffen. Vooralsnog kan niet worden uitgesloten of er (verontreinigd) dempingsmateriaal aanwezig is. Boorraai Br01 bevindt zich ter plaatse van een parkeerplaats. Voor zover bekend wordt deze locatie in de toekomstige situatie een groenstrook. Indien hier graafwerkzaamheden worden uitgevoerd tot dieper dan 0,7 m-mv, is nader onderzoek vereist om vast te stellen of de sloot is gedempt met verontreinigd materiaal. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd.
 
Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd.
 
Conclusie
De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning en de beoogde herontwikkeling. Aanbevolen wordt om grond die vrijkomt bij graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het project. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden op de locatie dient rekening te worden gehouden met de in het rapport beschreven regels en voorschriften. Te allen tijde geldt de verplichting dat bodemlagen van verschillende kwaliteit apart ontgraven dienen te worden en, indien van toepassing, worden teruggeplaatst in de oorspronkelijke bodemlaag. In het vervolg dient er voor de vergunningsaanvraag bij de activiteit 'bouwen' wel een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.
5.8 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties.
 
Kwetsbare gebouwen en locaties
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen.
 
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.
 
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties.
 
Risicobronnen
Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden.
Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
        
 
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving).
   
Buisleiding en gasontvangststation
Ten noorden van de planlocatie bevindt zich een gasontvangststation met gasbuisleiding(en). De afstand van de planlocatie tot aan het gasontvangststation bedraagt ongeveer 160 meter. De planlocatie is niet gelegen in het brandaandachts- of het explosieaandachtsgebied van de gasbuisleiding of het gasontvangststation. Derhalve vormen de buisleiding en het gasontvangstation geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Er bevinden zich geen andere risicovolle activiteiten of buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd in de omgeving van het plangebied.
 
Transport gevaarlijke stoffen
De planlocatie is gelegen op relatief korte afstand van de Lek, op een afstand van ongeveer 270 meter. De Lek is een rivier waarover de transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het brandaandachtsgebied van de Lek betreft 30 meter en het explosieaandachtsgebied 200 meter. Omdat het plangebied zich buiten deze risicoafstanden bevindt brengt dit geen belemmeringen voor de planontwikkeling met zich mee.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.9 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
 
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
 
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
  • aanwezige dier- en plantensoorten;
  • typen natuurlijke habitats;
  • leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
 
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
 
Planspecifiek
In de huidige situatie is het plangebied bebouwd. Omdat een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt zal worden is er mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden. Derhalve is er voor de planlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Econsultancy, 21275.001, d.d. 20 maart 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek beschreven.
 
Gebiedsbescherming
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 750 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is ook niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boezems Kinderdijk, bevindt zich op circa 2,1 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, de Biesbosch, bevindt zich op circa 11 kilometer afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Ondanks deze afstand is door de omvang van het project een significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied niet uit sluiten. In dat kader is een AERIUS-berekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd (Buro SRO, SR240330, d.d. 6 januari 2026, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit de berekening volgt dat er voor de aanleg- en gebruiksfase geen sprake van resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de omliggende Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Met het oog op de bepalingen omtrent Natura 2000-gebieden uit de Omgevingswet en AMvB’s is geen vergunning benodigd.
 
Soortenbescherming
Binnen het plangebied bevinden zich locaties die geschikt zijn als potentiële verblijfsplaats van vleermuizen en (jaarrond beschermde) nestgelegenheden voor broedvogels. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen wanneer het verwijderen van nestgelegenheden, groen en snoeiafval buiten het broedseizoen uitgevoerd wordt. Er dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek tevens meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde broedvogels.
 
Nader soortenonderzoek
Uit het nader onderzoek (Econsultancy, 21.275.002, d.d. 3 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7) is gebleken dat bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden aan de woonblokken niet kan worden uitgesloten dat dertig nesten van de huismus worden vernield of beschadigd. Bij de sloop gaan ook essentiële kwetterplekken verloren. Er wordt een ontheffing nodig geacht om de ingreep plaats te laten vinden.
Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden aan de woonblokken kan niet worden uitgesloten dat zes nesten van de gierzwaluw worden vernield of beschadigd. Er wordt een ontheffing nodig geacht om de ingreep plaats te laten vinden.
Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden aan de woonblokken kan niet worden uitgesloten dat drie paarverblijven van de gewone dwergvleermuis worden vernield of beschadigd. Er wordt daarom een ontheffing nodig geacht om de ingreep plaats te laten vinden.
Om broedgevallen van de kauw en andere algemene broedvogels te voorkomen ten tijde van de werkzaamheden wordt er geadviseerd om maatregelen op te nemen in het ecologisch werkprotocol en rekening te houden met de algemene zorgplicht.
 
Conclusie
Er is ontheffing van de natuurregelgeving van de Omgevingswet nodig om de beoogde sloop uit te kunnen voeren. Op 17 juni 2024 is de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-actitiviteit voor dit plan ingediend. De aanvraag is in behandeling bij de Omgevingsdienst Haaglanden. De verwachting is dat in de zomer van 2025 een vergunning wordt afgegeven. De tijdelijke permanente maatregelen (tijdelijke nestkasten) zijn eind 2024 reeds aangebracht in de directe omgeving van het plangebied.
5.10 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
 
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
 
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
 
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:
  • het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  • vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen;
  • het zuiveren van afvalwater.          
Planspecifiek
Watercompensatie
Bij een toename van verhard oppervlak is watercompensatie noodzakelijk. Om dit in beeld te brengen is in navolgende verhardingsbalans een vergelijking tussen de huidige en beoogde situatie gemaakt.
 
Verhardingsbalans (bron: Buro SRO)
 
Uit de verhardingsbalans blijkt dat de oppervlakte aan verhard oppervlak sterk afneemt. Watercompensatie is dan ook niet vereist.
 
Waterafvoer
Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar (vertraagd) afgevoerd naar de in de omgeving liggende watergangen. Met het realiseren van minder verharding en meer groen wordt het water zo lang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied. Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolsysteem. 
 
Waterkeringen
Het plangebied is niet gelegen in een primaire of regionale waterkering.
 
Oppervlaktewater
Binnen en rondom het plangebied bevinden zich geen watergangen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in aanpassingen van de watergangen. Wel is er een kleine waterpartij in het midden van het plangebied, naast de Jan Ligthartstraat, aanwezig. Deze blijft met de beoogde ontwikkeling behouden.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Ontplofbare oorlogsresten
Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kan ODMH niet met zekerheid stellen dat die er niet zijn. Derhalve adviseert de ODMH dat als men bij graafwerk toch stuit op een verdacht object de passende maatregelen worden genomen. Vooralsnog vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.12 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
 
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
 
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
 
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
  • Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
  • Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.  
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
 
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
  1. de kenmerken van het project
  2. de plaats van het project
  3. de kenmerken van de potentiële effecten  
Planspecifiek
Het initiatief betreft een ontwikkeling die valt onder “Projecten” uit kolom 1 (namelijk: J11: stedelijk ontwikkelingsproject) in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een m.e.r.- beoordeling is nodig. B&W bepalen in een m.e.r.-beoordelingsbesluit of er een m.e.r.-plicht is. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro SRO, SR240330, d.d. 6 januari 2026, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8).
    
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
 
6 Juridische aspecten
6.1 Algemeen
Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
   
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
6.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
6.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
 
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
 
In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:  
  • toepassingsbereik;
  • functieomschrijving;
  • beoordelingsregels bouwactiviteiten;
  • beoordelingsregels gebruiksactiviteiten;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Krimpenerwaard. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden.
 
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De begrippen die reeds opgenomen zijn in Bijlage I van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard en in de Omgevingswet en AMVB's zijn hierin niet meegenomen.
 
Artikel 2 Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de gebruikelijke meetbepalingen in de gemeente Krimpenerwaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
Dit artikel regelt het toepassingsbereik van onderhavig TAM-omgevingsplan
 
Artikel 4 Aanvraagvereisten
In dit artikel wordt beschreven welke aanvraagvereisten van toepassing zijn bij een aanvraag omgevingsvergunning.
 
Hoofdstuk 2: Functies en activiteiten
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
Met dit artikel wordt al het gebruik anders dan wat onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk maakt uitgesloten.
  
Artikel 6 Groen
De functie 'Groen' is toegekend aan de groenvoorzieningen aan de randen van het plangebied en de belangrijkste groenstructuren in het binnengebied. Naast groen zijn water, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair en voet- en fietspaden mogelijk. Binnen de bestemming 'Groen' mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar wel bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
 
Artikel 7 Maatschappelijk - Welzijnsinstelling
Het beoogde woonzorgcomplex (welzijnsinstelling) heeft de functie 'Maatschappelijk - Welzijnsinstelling' gekregen. Deze functie maakt het mogelijk ter plaatse een woonzorgcomplex te bouwen bestaande uit 31 zorgwoningen. Tevens zijn bijeenkomstruimtes, dagbestedingsactiviteiten en kantoren toegestaan. Bij het hoofdgebouw mogen verder bijbehorende bouwwerken en overkappingen gerealiseerd worden.
 
Artikel 8 Tuin
De voortuinen bij de grondgebonden woningen en de beneden-bovenwoningen zijn voorzien van de functie 'Tuin'. Binnen deze functie mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd.
 
Artikel 9 Verkeer
De functie 'Verkeer' is toegekend aan de beoogde wegen, parkeervoorzieningen (en reserveringen) en enkele overige delen van het openbaar gebied. Binnen deze functie zijn wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden en verblijfsgebieden zoals pleinen mogelijk. In de functie ‘Verkeer’ mogen uitsluitend nutsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd.
 
Artikel 10 Wonen
De functie 'Wonen' is toegekend aan de woonpercelen. Binnen deze functie is wonen, eventueel met aan-huis-gebonden beroepen, mogelijk. Daarnaast zijn bij de functie behorende voorzieningen als erven, nutsvoorzieningen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, tuinen en water mogelijk.
Hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. Het maximum aantal woningen is in de regels vastgelegd. In totaal zijn niet meer dan 148 woningen mogelijk binnen de bestemming 'Wonen', waarvan 39 woningen de bestaande woningen betreffen. Met aanduidingen op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogten aangegeven. Verder zijn de woningtypen (aaneengebouwd en/of gestapeld) die in een bouwvlak gebouwd mogen worden op de verbeelding aangegeven.
Bij woningen mogen bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen gebouwd. Hierbij gelden per type bouwwerk verschillende goot- en bouwhoogten. Op enkele locaties mogen bergingen en garageboxen worden gerealiseerd.
Om ervoor te zorgen dat bij enkele woningen in het zuidwestelijke deel van het plangebied voldaan kan worden aan het gemeentelijk geluidbeleid is een geluidscherm hier verplicht gesteld middels een voorwaardelijke verplichting.
 
Artikel 11 Waarde - Archeologie (4 en 7)
Deze functies toegekend aan de zones met een middelhoge en lage archeologische verwachtingswaarde. Hierbij gelden vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek, die overeen komen met de archeologische beleidskaart. Alvorens er grondbewerkingen volgens de onderliggende functies kunnen plaatsvinden die de vrijstellingsgrenzen overschrijden, moet er archeologisch onderzoek plaatsvinden om te bezien of er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Als er geen archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen de grondbewerkingen plaatsvinden. Als er wel archeologische waarden worden aangetroffen zal bekeken moeten worden hoe die het beste zeker gesteld kunnen worden. Deze onderzoeksplicht/vergunningplicht is uitgezonderd voor het normale beheer en onderhoud van de gronden, evenals voor gronden waarvan kan worden aangetoond dat reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag.
 
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Artikel 12 Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
 
Artikel 13 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op het overschrijden van bouwgrenzen.
 
Artikel 14  Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om af te wijken van hetgeen is bepaald in onderhavig hoofdstuk van het omgevingsplan.
 
Artikel 15 Parkeren
In dit artikel is bepaald dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden, waarbij wordt verwezen naar de gemiddelde kencijfers van het CROW.
 
Hoofdstuk 4: Overgangsregels
Artikel 16 Overgangsrecht
In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik.
 
7 Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
 
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
 
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
 
Planspecifiek
De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
 
8 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 140 woningen, waaronder 31 zorgwoningen. Hiervoor worden 95 bestaande woningen gesloopt. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Bovendien wordt de ontwikkeling stedenbouwkundig zorgvuldig ingepast. Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.