direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Benedenkerkseweg 125, Stolwijk
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Benedenkerkseweg 125 in Stolwijk was tot voor kort een veehouderijbedrijf gevestigd. Voortzetting van deze agrarische bedrijfsvoering is om diverse redenen geen optie meer, zodat gezocht is naar een passende oplossing voor het perceel. De twee nieuwe eigenaren hebben het voornemen om de bestaande agrarische opstallen in het kader van de Ruimte voor Ruimteregeling te slopen ten behoeve van het oprichten van een compensatiewoning. Daarnaast wordt de huidige bedrijfswoning vervangen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een wijzigingsplan noodzakelijk, zoals dat is opgenomen in het op 15 december 2015 vastgestelde bestemmingsplan Landelijk Gebied.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Benedenkerkseweg 125, een bebouwingslint ten westen van de bebouwde kom van Stolwijk in het veenweidegebied van de Krimpenerwaard. Aan weerszijden van het plangebied staan vrijstaande woningen. Ten noorden van de planlocatie aan de Benedenkerkseweg staan eveneens vrijstaande woningen. Het plangebied is gearceerd met een rechthoek aangeduid in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0001.png"

Figuur 1: Situering omgeving plangebied (locatie rood gearceerd aangeduid).

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het volgende, door de gemeenteraad van Krimpenerwaard vastgestelde, bestemmingsplan:

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   Uitspraak Raad van State  
Bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (voormalige gemeente Vlist)   15 december 2015   -  

Het perceel is hier bestemd voor 'Agrarisch met waarden' met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3'. Het perceel is voorzien van een bouwvlak. Een uitsnede van de plankaart is opgenomen in figuur 2. Om medewerking aan deze planontwikkeling te verlenen is een wijzigingsplan nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0002.png"

Figuur 2: Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' (voormalige gemeente Vlist).

Wijzigingsbevoegdheid naar wonen
Op grond van artikel 3.7.5 van de regels zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen indien de wijziging betrekking heeft op het bouwen van extra woningen in combinatie met een wijziging van de bestemming in wonen bij sanering van voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing, indien er sprake is van een volledige sanering van bedrijfsbebouwing en kassen, geen karakteristieke dan wel cultuurhistorisch waardevolle bebouwing zijnde, waarbij:

  • a. voor de sloop of sanering van iedere 1.000 m² aan bedrijfsbebouwing (geen kassen zijnde), iedere 5.000 m² aan kassen of iedere 2,25 ha boom- en sierteelt één woning mag worden teruggebouwd;
  • b. de te slopen bedrijfsbebouwing zich op verschillende percelen in de gemeente Krimpenerwaard mag bevinden, mits op het hoofdperceel waar de compensatiewoning(en) worden gebouwd een oppervlakte van ten minste 600 m² wordt gesloopt en op de overige percelen telkens een oppervlakte van ten minste 250 m² wordt gesloopt;
  • c. de te bouwen woning(en) en bijbehorende aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voldoen aan het bepaalde in de bestemming 'Wonen van deze regels;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder c mag een grotere woning worden gebouwd tot een maximum van 1.00 m³, indien meer dan 1.000 m² aan bedrijfsbebouwing, zoals bedoeld onder a, wordt gesloopt waarbij geldt dat 0,65 m³ extra mag worden gebouwd per 1 m² gesloopte bebouwing;
  • e. de eventueel aanwezige bedrijfswoning wordt gewijzigd in een burgerwoning;

met dien verstande dat:

  • 1. de belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven niet worden geschaad;
  • 2. de verschijningsvorm en plaatsbepaling van de nieuw te bouwen woning(en) past binnen, dan wel geen onevenredige afbreuk doet aan de karakteristiek van het buitengebied;
  • 3. voldaan wordt aan de Wet geluidhinder;
  • 4. de te slopen gebouwen legaal zijn opgericht vóór de peildatum 1 januari 2007;
  • 5. de sloop van de bedrijfsbebouwing of sanering van boom- en sierteelt voldoende is gewaarborgd;
  • 6. ter plaatse van de te bouwen woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
  • 7. in het wijzigingsplan een verantwoording is opgenomen ten aanzien van beleid en wetgeving rond externe veiligheid en hoogspanningslijnen;
  • 8. voor reële agrarische bedrijven wordt aangetoond dat de agrarische functie ter plaatse niet kan worden vervuld;
  • 9. burgemeester en wethouders kunnen hieromtrent advies inwinnen bij een agrarisch deskundige zoals de Stichting Agrarische Beoordelingscommissie;
  • 10. alvorens toepassing te geven aan deze wijzigingsbevoegdheid burgemeester en wethouders advies inwinnen bij een landschapsdeskundige.

1.4 Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijke beleid beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de huidige situatie en geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. Hoofdstuk 4 omvat de omgevingsaspecten, waaronder de Waterparagraaf. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In Hoofdstuk 5 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hier wordt met name ingegaan op de uitkomsten van de inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Op 1 januari 2015 zijn de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist gefuseerd tot de gemeente Krimpenerwaard. Daar waar in dit bestemmingsplan nog wordt gesproken over de gemeente Vlist moet dit worden gelezen als de gemeente Krimpenerwaard.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0003.png" Luchtfoto plangebied en omgeving (bron Bing Maps).

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 22 november 2011 heeft de Tweede Kamer de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) met bijbehorende stukken aangenomen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 13 maart 2012 het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de SVIR ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden.

De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteit- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de structuurvisie Randstad 2040. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen met betrekking tot (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent voor alle ruimtelijke plannen:

  • 1. eerst kijken of er een regionale vraag is naar een bepaalde ontwikkeling;
  • 2. vervolgens kijken of het bestaand stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt;
  • 3. mocht nieuwbouw nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.

Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. De stedelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft het oprichten van één compensatiewoning en de vervanging van een voormalige bedrijfswoning. De toetsing aan de ladder wordt beschreven bij provinciaal beleid.

2.1.2 AMvB Ruimte (2011)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang (13 nationale belangen) uit de nieuwe Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor de andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij onder andere om rijksvaarwegen, hoofdwegen en hoofdspoorwegen en ecologische hoofdstructuur (EHS).
Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Conclusie
Het planinitiatief raakt geen rijksbelangen als genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Vanuit rijksbeleid zijn er derhalve geen beperkingen aan deze planontwikkeling.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Visie ruimte en mobiliteit (2014)

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) en de bijbehorende uitvoeringsdocumenten vastgesteld. De actualisering 2016 van de VRM, het Programma ruimte, de Verordening ruimte en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is op 14 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze actualisering heeft betrekking op een reeks van onderwerpen, waaronder de actualisering van de regionale visies voor wonen en kantoren. Dit beleidskader geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Uitgangspunt vormt steeds de maatschappelijke vraag. Ook rekent de provincie op de daadkracht van maatschappelijke partners, met wie zij intensievere samenwerking zoekt.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. De Agenda ruimte bevat een concretere uitwerking van de VRM. In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden.

  • 1. Beter benutten en opwaarderen

De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Steden bieden nog volop kansen om te bouwen en te verbouwen. Ze kunnen de hoofdmoot voor hun rekening nemen van de woningen die Zuid-Holland tot 2030 extra nodig heeft. Daardoor kan het landelijk gebied open blijven. Door de schaalvoordelen blijft het mogelijk om goed openbaar vervoer tussen knooppunten te laten rijden. Gemeenten stellen regionale visies voor woningen en kantoren op. Door deze visies stemmen de gemeenten het aanbod met elkaar af op de reële behoefte naar woningen en kantoren. Op deze wijze wil de provincie het overschot aan kantoren terugdringen en het tekort aan woningen voor bepaalde segmenten kleiner maken.

  • 2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)

Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer. Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.

  • 3. Versterken ruimtelijke kwaliteit

Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads– en dorpsgebied te realiseren. De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.

  • 4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving

In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij. Blikvanger is het warmtenet. Restwarmte uit de Rotterdamse mainport kan in de toekomst via een ondergronds leidingstelsel worden getransporteerd naar de greenport Westland-Oostland, waar er kassen mee worden verwarmd, en naar steden om te voorzien in de warmtebehoefte van bewoners en bedrijven.

Versterken ruimtelijke kwaliteit
In de Structuurvisie heeft de provincie een kwaliteitskaart opgenomen. Deze gaat over het buitengebied (de ruimte tussen steden en dorpen) en over de rand van steden en dorpen. Op deze kaart staan kwaliteiten van Zuid-Holland benoemd. Bijvoorbeeld prachtige en unieke gebieden, variërend van kust en delta tot de veenlandschappen van het Groene Hart. De kwaliteitskaart bestaat uit een aantal legenda-eenheden. De provincie vraagt gemeenten om voor ontwikkelingen in en nabij het buitengebied de kwaliteitskaart te benutten en gebruik te maken van de opgestelde gebiedsprofielen. De Benedenkerkseweg is gelegen in het gebiedsprofiel Krimpenerwaard. In paragraaf 2.2.3 wordt hierop ingegaan.
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'veen(weide)landschap' met de aanduiding 'lint'. Op de kaart 'Beter benutten bebouwde ruimte' van de Structuurvisie liggen de woningen in de bebouwde ruimte, terwijl de kaart 'Beschermingscategorieën en verblijfsrecreatiegebied' aangeeft dat ook sprake is van 'beschermingscategorie 1 - gebieden met bijzondere kwaliteit'. In de kaart 'Laag van de beleving' is het gebied aangeduid als 'kroonjuweel Middengebied Krimpenerwaard'.
Dit wijzigingsplan maakt een herontwikkeling mogelijk, waarbij een agrarisch bedrijf in het provinciaal stiltegebied in het kader van de zogenaamde Ruimte-voor-Ruimteregeling plaats te maakt voor één compensatiewoning en de vervanging van een bestaande woning. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale woningbehoefte. Deze ruimtelijke ontwikkeling valt onder de noemer 'inpassing', waarbij de ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in beschermingscategorie 1 verbetert ten opzichte van de huidige planologische situatie. In paragraaf 2.2.3 (beeldkwaliteitsparagraaf) is dit beschreven. Mitsdien is deze ontwikkeling in overeenstemming is met de provinciale belangen. In figuur 3 is een uitsnede van de Kwaliteitskaart en Kaart Beter benutten bebouwde ruimte opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0004.png"

Figuur 3: links uitsnede Kwaliteitskaart en rechts kaart 'Beter benutten bebouwde ruimte'. Het plangebied is gearceerd zwart aangeduid.

Conclusie
Onderhavige planontwikkeling levert een bijdrage aan het actief opruimen en tegengaan van verrommeling, waarbij rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap. Sprake is van een kwaliteitsverbetering, omdat de nieuwbouw van een compensatiewoning gekoppeld gaat met sanering van een agrarisch bedrijf met overtollige bedrijfsbebouwing en verharding. De belevingswaarde van het oorspronkelijke veenweidegebied wordt hersteld door de zichtlijnen naar het achtergelegen veenweidegebied te herstellen. Deze transformatie geeft vanuit landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt een duurzame kwaliteitsverbetering van dit veenweidegebied.

2.2.2 Verordening ruimte

Ladder voor duurzame verstedelijking
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Verordening ruimte van 9 juli 2014 en de partiële wijziging van 14 december 2016 (artikel 2.1.1 van de Verordening). Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

In lid 2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking
Dit wijzigingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk van één compensatiewoning en de vervanging van de voormalige agrarische bedrijfswoning. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang.
Twee woningen die rechtstreeks mogelijk worden gemaakt zijn niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Het oprichten van zes woningen in een dorp, dat voornamelijk uit lintbebouwing bestaat (waarvan drie woningen rechtstreeks en drie door middel van een wijzigingsbevoegdheid), wordt eveneens niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4).
Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen. Toetsing aan de ladder is derhalve niet nodig.

Ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 2.2.1, lid 1 van de Verordening ruimte (Ruimtelijke kwaliteit) kan een wijzigingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Toelichting Verordening Ruimte
Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen 1) moeten passen bij de aard en schaal van het gebied en 2) moet voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Het gaat dan om:

  • Duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en/of sierteelt;
  • Wegnemen van verharding;
  • Toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;
  • Andere maatregelen waarbij de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

Bij aanvullende ruimtelijke maatregelen gaat het onder andere om de maatregelen uit de bestaande regelingen 'Ruimte-voor-Ruimte' en 'nieuwe landgoederen'. Op basis van deze voormalige regelingen kon in ruil voor de sloop van 1.000 m² bebouwing of 5.000 m² kassen een woning buiten BSD worden gebouwd. Bij de beoordeling van de aanvullende ruimtelijke (kwaliteits-)maatregelen hanteert de provincie vooralsnog deze oppervlaktes als uitgangspunt.
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'veen(weide)landschap' met de aanduiding 'lint'. Als richtpunten voor 'veen(weide)landschap' wordt onder andere het volgende aangehouden:

  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. De Benedenkerkseweg betreft een polderlint: de bebouwing ligt op één niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Om het lint transparant te houden, dienen doorzichten vanaf de weg naar het achterliggende landschap intact te blijven. Respect voor historische gaafheid van het lint tenslotte, houdt in dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden wordt met cultuurhistorische kwaliteiten van zowel het lint als geheel, als van de individuele bebouwing. Als richtpunten zijn de volgende punten relevant:

  • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.
  • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

In het Kroonjuweel Middengebied Krimpenerwaard zijn de oude opstrekkende verkaveling en het watersysteem nog grotendeels intact en bepalend voor het regelmatige en de oost-west georiënteerde nederzettingsstructuur. De lange bebouwingslinten zijn rijk aan historische boerderijen en hebben door de vele open ruimtes tussen de bebouwing een sterke relatie met het landschap. als richtpunt geldt het herkenbaar houden en versterken van de kwaliteiten (ontginningspatroon met verkaveling, waterlopen, kades, monumentale boerderijlinten, beplanting, profiel van wegen en waterlopen), alsook hun onderlinge samenhang.
De situering van de twee woningen is zodanig gekozen dat het lint aan de Benedenkerkseweg niet wordt aangetast, omdat agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd, terwijl de zichtlijnen naar het veenweidegebied worden behouden aangezien de aanwezige kavelstructuur en slotenpatronen worden gerespecteerd. De in het plan beschreven sanering en herontwikkeling van bebouwing blijft binnen het bestaande bouwperceel en past qua aard en schaal bij wat er al is, zowel op de locatie zelf als in het bestaande lint. Dit betekent dat sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor deze onderdelen van het plan.
Onderhavige ontwikkeling levert een bijdrage aan de ambities van de Structuurvisie om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. De bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde van het veenweidegebied krijgt een kwaliteitsimpuls. Deze inpassing is mitsdien mogelijk op grond van artikel 2.2.1, lid 2 van de Verordening ruimte, zoals nader beschreven in de beeldkwaliteitsparagraaf in 2.2.3. Sanering van alle bedrijfsbebouwing, het verwijderen van alle verharding en toevoegen of herstellen van kenmerkenede landschapselementen draagt bij aan het herstel van de kenmerkende verkavelingspatronen en landschapselementen.

Conclusie
Het bestaande agrarisch bedrijf wordt ter plaatse beëindigd. Ten behoeve hiervan zal de bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Voorts zal de verharding worden verwijderd. De landschappelijke kwaliteiten worden hersteld door de zichtlijnen naar het veenweidegebied te verbeteren, waarbij de kavelstructuur en het slotenpatroon niet worden aangetast. Gesteld kan worden dat het oprichten van een compensatiewoning en het vervangen van de voormalige agrarische bedrijfswoning voldoet aan het provinciale belang met betrekking tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Resumerend kan worden geconcludeerd dat:

  • het plan in overeenstemming is met artikel 2.2.1 lid 1 sub a (inpassen), lid 2 en lid 4 van de Verordening ruimte 2014 (ruimtelijke kwaliteit);
  • het plan niet binnen een natuur- of EHS-gebied is gelegen zoals bedoeld in artikel 2.3.4 lid 1 en kaart 8 Verordening ruimte 2014.

Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.

2.2.3 Gebiedsprofiel Krimpenerwaard

De provincie Zuid-Holland heeft voor de Krimpenerwaard een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen.
Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.

Landschappelijke eenheden
Samen met de Lopikerwaard vormt de Krimpenerwaard het grootste aaneengesloten veenweidegebied van Nederland. De nog gave aanwezigheid van de middeleeuwse verkaveling, met de lange lijnen van kaden, weteringen en Tiendwegen is een bijzondere kwaliteit van de Krimpenerwaard. Het middendeel van de Krimpenerwaard heeft een gevarieerd en kleinschalig landschapsbeeld door de aanwezigheid van linten met wegbeplantingen, eendenkooien en pestbosjes. De zone aan weerskanten van de Vlist kenmerkt zich door het sterke contrast van kleinschalig lint en open veenweide dwars op de overheersende oostwest oriëntatie in de Krimpener- en Lopikerwaard.
Het plangebied bevindt zich in een veenlint met dubbele ontginningsas en wetering. Deze dubbele linten zijn besloten eigen wereldjes, van waaruit herhaaldelijk smalle doorzichten naar het achterliggende polderland mogelijk zijn. De enkele ontginningslinten zijn meer asymmetrisch van opbouw, omdat de weg wordt begeleid door een bredere waterloop en een smallere sloot of greppel. Kenmerkend is de manier waarop de doorgaande weg en de opritten naar de erven, over een brug of duiker, met elkaar verweven zijn geraakt. Langs de lange oost-westlinten liggen de boerderijen gemengd met woningen. Karakteristiek voor de Krimpenerwaard is het contrast tussen dichtbebouwde linten en de onbebouwde polderwegen. De laatste jaren zijn er hier en daar tussen de historische boerderijen en woonhuizen in de linten nieuwe woningen gebouwd als uitkomst van de Ruimte-voor ruimte-regeling. Hierbij behorende hoofdambities zijn onder andere:

  • De verschillende karakteristieken per dorp en lint behouden en versterken; maatwerk per locatie.
  • Het contrast tussen onbebouwde wegen en verdichte linten bewaren.
  • Bij verdichting in de linten versterken van de verschillen tussen een symmetrische of een asymmetrische opbouw van het lint.
  • Vanuit het lint doorzichten op het landschap open houden.

Ambitiebeeld
Ambitiebeeld is het koesteren van het uitgestrekte veenweidegebied en de relatieve openheid met het eeuwenoude kavelpatroon in landbouw- en natuurgebied. Ook behoud en versterken van het contrast tussen onbebouwde wegen en verdichte oost-west georiënteerde linten en de verschillen in symmetrie respectievelijk asymmetrie tussen de linten onderling maken hiervan onderdeel uit.
De hoofdambities zijn uitgewerkt in gebiedsprofielkaarten waarin kort de karakteristiek, toekomstige ontwikkelingen en de in de Kwaliteitskaart vastgestelde ambities zijn genoemd. Aansluitend volgt een beschrijving van de karakteristiek en de aanvullende ambities per legenda-eenheid.

Planontwikkeling in relatie tot Gebiedsprofiel
In de gebiedsprofielkaarten maakt het plangebied onderdeel uit van de kaart 'Linten blijven linten'. Dit wordt hieronder beschreven.

Linten blijven linten
De bebouwing van het landelijke gebied is geconcentreerd in de linten. Door de ontginning vanuit de rivieren hebben de linten een oost-west oriëntatie. De linten zorgen voor een geleding van het landschap in noord-zuid richting en lange open ruimtes in oost-west richting. De linten in het gebied zijn in twee categorieën te onderscheiden: dijklinten en veenlinten. Binnen deze twee categorieën wordt verder gedifferentieerd. Als ambitie wordt aangehouden: Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat er op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
De Benedenkerkseweg ligt in een veenlint met dubbele ontginningsas. De bebouwing aan weerskanten is symmetrisch en relatief dicht, daardoor ontstaat langs de wetering een ‘binnenwereld’ met smalle doorzichten naar het landschap. Aanvullende ambities zijn onder andere:

  • Continueren en benadrukken van de oost-westoriëntatie van de linten.
  • Herkenbaar houden van de ruimtelijke structuur van kavels dwars op het lint, variërend van haaks tot enigszins onder een hoek.
  • Continueren en versterken van de symmetrie van het lint.
  • Behoud van het bijzonder dubbele profiel.
  • Beslotenheid dubbele linten versterken, smalle doorzichten naar het landschap open houden.
  • Mits smalle doorzichten naar het landschap worden open gehouden is verdichting van het lint mogelijk.
  • Herkenbaar houden van de karakteristieke bruggen over of dammetjes in de sloten.
  • Streekeigen erfbeplanting en het gebruik van hakhout langs de wegen (knotwilgen of –essen) stimuleren.
  • Uitbreidingen/ nieuwbouw naar achteren houdt rekening met de diepte van de kavel, de afstand tot het volgende lint en de zichtbaarheid vanaf de zij- en achterkanten.

Indentiteitsdragers van Zuid-Holland
Het gebied maakt onderdeel uit van het Kroonjuweel middengebied Krimpenerwaard. In de hele waard maar in het bijzonder in het Kroonjuweel middengebied Krimpenerwaard is het cultuurhistorische erfgoed nog in grote mate intact en bepalend voor het landschapsbeeld. Bijzondere elementen in het middengebied zijn onder andere de linten met dubbele ontginningsassen. Aanvullende ambities zijn:

  • Ontginningsgeschiedenis Krimpenerwaard herkenbaar houden (verschil randen, middengebied, tussenzone).
  • Herkenbaar houden eenheid middengebied.
  • Kleine landschapselementen in middengebied behouden en aanvullen.
  • Intact houden van de heldere begrenzing van het middengebied.
  • Versterken van de samenhang tussen alle onderdelen binnen deze eenheid.
  • Behouden en versterken van het contrast tussen middengebied en de randen (bredere sloten, smallere kavels, oost-west georiënteerde linten).

Toetsing planontwikkeling aan Gebiedsprofiel Krimpenerwaard
Het plangebied ligt ten zuiden van de Benedenkerkseweg in het veenlint met dubbele ontginningsas. De landschappelijke dynamiek krijgt ter plaatse een opwaardering, omdat de bedrijfsstallen met verharding worden verwijderd. Hiervoor in de plaats komt één compensatiewoning en de vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning. De positionering is zodanig gekozen dat de zichtlijnen vanaf de Benedenkerkseweg naar het open polderlandschap worden verbeterd. De aan weerszijden gelegen sloten blijven behouden. De woningen worden landschappelijk ingepast met gebiedseigen beplanting, zodat per saldo er sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het contrast tussen het verdichte veenlint en het open veenweidegebied blijft hierdoor beleefbaar. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud en herstel van openheid, van rust en stilte en van het veenweidekarakter, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling). Het tegengaan en saneren van verrommeling heeft hier prioriteit.

Conclusie
De functiewijziging is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Krimpenerwaard, omdat de ontwikkeling een bijdrage levert aan het behouden en/of versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het veenweidegebied.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Regionale Agenda Wonen

Het regionale kader voor het woonbeleid is verwoord in de “Regionale Agenda Wonen Midden-Holland” (2013). De navolgende afspraken zijn richtinggevend voor hoe de gemeente omgaat met haar lokale woningbouwprogramma tot 2020.

  • 1. Gemeenten zetten in op een regionale woningproductie die past bij de behoefte conform de provinciale WBR 2010 (migratiesaldo nul) en de bovenregionale opvangtaak voor de Zuidvleugel.
  • 2. Elke gemeente voert daarvoor de als maatschappelijk en/of financieel urgent aangemerkte projecten uit haar woningbouwprogramma 2012-2019 uit.
  • 3. Gemeenten kunnen projecten uitwisselen, mits dit past binnen de opgegeven capaciteit van urgente woningproductie 2012-2019 en de projecten een redelijk maatschappelijk belang hebben, zich niet in buitengebied bevinden en geen binnenstedelijk groen doen opheffen.
  • 4. Gemeenten bevorderen lokaal een kansrijke, kwalitatief diverse woningproductie die past bij de vraag in de markt. Zij baseren zich daarvoor op lokale en/of (sub)regionale woonvisies en analyses van de woningmarkt, zoals woningbehoeftenonderzoeken.
  • 5. Gemeenten gaan daarbij uit van een gemeenschappelijke regionale indeling in prijsklassen. Daarnaast hanteren gemeenten een verdeling in eengezinswoningen (grondgebonden) en meergezinswoningen (gestapeld).
  • 6. Gemeenten hanteren daarvoor ook een gemeenschappelijke regionale indeling in woonmilieus, te weten een hoofdindeling in stedelijke, dorpse en landelijke woonmilieus.
  • 7. Gemeenten monitoren met elkaar eenmaal per jaar de voortgang en inhoud van de woningproductie en het woningbouwprogramma. Het woningbouwprogramma is een flexibel instrument dat bij gewijzigde marktomstandigheden bijgesteld kan worden.

Conclusie 
In het plangebied wordt één compensatiewoning opgericht in de dure koopsector. Deze nieuwbouw levert een bijdrage aan het voorzien in de vraag naar woningen in de gemeente Krimpenerwaard voor de doelgroep doorstromers. Volgens de afspraken hoeft dit plan gezien de omvang (1 woning) niet te worden afgestemd met de regio, maar alleen te worden gemeld voor de regionale monitor. Het plan past binnen de regionale woningbouwafspraken en de Regionale Agenda Wonen.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Vlist

De gemeenteraad van de voormalige gemeente Vlist heeft op 3 juli 2012 de structuurvisie Vlist vastgesteld. Belangrijk uitgangspunt van de structuurvisie is het behoud van de eigen identiteit. Dit laatste wordt bepaald door de eigenheid van de dorpen, waarbij streven naar vitaliteit hoog in het vaandel staat. Daarnaast wordt de identiteit van Vist in belangrijke mate ontleend aan het buitengebied, met zijn kenmerkende openheid, de grondgebonden veehouderij als drager van het landschap en de cultuurhistorische en ecologische kwaliteiten. De identiteit hangt sterk samen met de ruimtelijke structuur. Naast de openheid, de kenmerkende kavelstructuur, het alom aanwezige water, zijn de bebouwingslinten, de Hollandse IJssel en de Vlist structuurbepalende elementen.

Landelijk gebied
Specifiek voor het landelijk gebied geldt dat behoud en herstel van landschap, cultuurhistorie en natuur in balans dienen te zijn met de ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame grondgebonden veehouderij. Dit beleid gaat goed samen met recreatief medegebruik. Voor overige bestaande functies wordt een consoliderend beleid voorgestaan.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kwaliteiten van het gebied. Indien deze verder gaan dan het bestemmingsplan mogelijk maakt, moet een nieuwe afweging worden gemaakt. Voorwaarden binnen die afweging zijn:

  • het betreft een duurzame ontwikkeling;
  • er is sprake van toevoeging van kwaliteit (op het gebied van cultuurhistorie, landschap en/of natuur);
  • de ontwikkeling past bij de identiteit en schaal van de omgeving.

Ruimte voor ruimte
Bij stoppende (agrarische) bedrijven in het buitengebied wordt ruimte geboden aan de bouw van één of enkele woningen in combinatie met de sanering van alle bedrijfsgebouwen, waarbij geldt dat voor elke 1.000 m² gesaneerde bedrijfsbebouwing één woning mag worden gebouwd, met een maximum van drie woningen. Randvoorwaarden daarbij zijn een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het voorkomen van beperkingen voor omliggende (agrarische) bedrijven. Om ruimtelijke kwaliteit te bewerkstelligen is het belangrijk dat de ontwikkeling past in het omliggende landschap. Het landschap is leidend.

De linten
De contramal van het agrarisch gebied wordt gevormd door de bebouwingslinten. Het beleid in de linten is enerzijds gericht op behoud van cultuurhistorische kwaliteiten (karakteristieke bebouwing, verkavelingspatroon), anderzijds op ontwikkelingsmogelijkheden voor de aldaar gevestigde agrarische bedrijven. Deze ontwikkelingsmogelijkheden kunnen zowel betrekking hebben op de productiegerichte landbouw, waar schaalvergroting gewenst is, of op verbreding. Dit sluit goed aan bij de recreatieve mogelijkheden van het buitengebied. Agrarische bedrijven die stoppen, kunnen een nieuwe functie krijgen.
Voor genoemde ontwikkelingen zijn in het geldende bestemmingsplan Landelijk gebied randvoorwaarden aangegeven. Ontwikkelingen die zich buiten de randvoorwaarden van het bestemmingsplan begeven, zijn niet op voorhand onmogelijk. Medewerking kan overwogen worden als de ontwikkeling gepaard gaat met een substantiële kwaliteitsverbetering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0005.png"

 Figuur 4: Plankaart Structuurvisie gemeente Vlist.

Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten, zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan. Sprake is van een kwaliteitsverbetering, waarbij verrommeling wordt tegen gegaan. De kwaliteitsverbetering is beschreven in paragraaf 2.2.3. Op de bij de Structuurvisie behorende visiekaart is het plangebied aangeduid als lint in het agrarisch gebied (zie figuur 4). Het oprichten van één compensatiewoning en de vervangende nieuwbouw van voormalige agrarische bedrijfswoning levert een kwaliteitsverbetering op van het bebouwingslint, waarbij een agrarisch bedrijf met bijbehorende bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd. De woningen worden landschappelijk ingepast. De koopwoningen leveren voorts een bijdrage aan de doorstroming. De planontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie.

2.4.2 Welstandsbeleid

De welstandsnota is een beoordelingskader van basisvoorwaarden waaraan een aanvraag voor een bouwwerk dient te voldoen. Afhankelijk van de waarde van een gebied en de ambitie van de gemeente kan het kader meer of minder streng zijn. De prioriteit van welstand ligt dan ook anders in een beschermd dorpsgezicht dan bijvoorbeeld op een bedrijventerrein. In de welstandsnota zijn algemene criteria, sneltoetscriteria, gebiedsgerichte (sneltoets)criteria en thematische criteria opgenomen waaraan een bouwaanvraag wordt getoetst. De welstandsnota Vlist richt zich op de lokale karakteristieken in bestaand stedelijk gebied en het buitengebied, waarbij het gaat om relatief kleine bouwopgaven. Voor grootschalige ontwikkelingen of herontwikkelingen vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitsplannen, het beoordelingskader. De gemeenteraad van Vlist heeft op 29 juni 2004 de Welstandsnota vastgesteld. Later heeft de raad op 18 december 2007 besloten om diverse welstandsvrije gebieden aan te wijzen.
De bebouwingsstructuur in Benedenkerk is relatief open. Tussen de bebouwingselementen is over lege strokenkavels uitzicht over het achterliggende landschap. De bebouwingsdichtheid neemt naar het westen verder af. De bebouwing bestaat voornamelijk uit (historische) boerderijen afgewisseld met recentere woonbebouwing. De boerderijen zijn opgebouwd uit een woonhuis met direct daarachter het stalgedeelte, veelal onder een zadeldak met aan de voorzijde een wolfseind. De bebouwing is gesitueerd op de kop van de kavel met de voorgevel haaks op de kavelrichting en daardoor niet altijd evenwijdig aan de weg. Tevens verspringt de bebouwing in de rooilijn. Daarnaast is er in de bebouwing een variatie in kleur- en materiaalgebruik en zijn de gevels vaak voorzien van fraaie detailleringen. De erfbeplantingen is een belangrijk onderdeel van het lint. Het zorgt voor een karakteristieke groene uitstraling. De erfbeplanting bestaat voornamelijk uit rijen knotwilgen aan de zij- en achterkavelgrens, lage hagen langs de weg en leilindes voor de voorgevel. Ook zijn hoogstamboomgaarden een gereld voorkomende beplantingsvorm. In de welstandsnota is het plangebied aangemerkt als een landelijk polderlint (H6.3). Om extra aandacht aan deze linten te schenken geldt het PLUS niveau van welstand. Dit niveau van welstand geldt alleen voor de hoofdbouwmassa op de kavel/het perceel. Voor de aan- en bijgebouwen geldt een BASIS niveau van welstand. De aanvraag omgevingsvergunningen zullen na indiening hiervan om advies worden voorgelegd aan de Welstandscommissie. Aan de door de commissie te maken opmerkingen zal worden voldaan.

Conclusie
De planontwikkeling zal voldoen aan de gemeentelijke welstandscriteria.

2.4.3 Duurzaamheid

Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijv. afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Ook het gebruik van niet logende bouwmaterialen valt onder de noemer duurzaam bouwen. Dit is van belang voor de waterkwaliteit. In de waterparagraaf (paragraaf 4.2) wordt hierop ingegaan. Tevens zal hierin aandacht worden besteed aan waterhuishoudelijke aspecten.
Duurzaam bouwen dient als uitgangspunt bij nieuwbouwprojecten. Hierbij zullen de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen worden gehanteerd, o.a. om de doelstelling van het Klimaatbeleid te halen met betrekking tot een verlaging van 4% à 8% van de EPC-waarde.
Duurzaamheid en duurzaam bouwen heeft de gemeente hoog in het vaandel staan. De mogelijkheden voor duurzaam bouwen dienen bij elk project bezien worden. Eén van de mogelijkheden om hieraan invulling te geven is het gebruik van GPR-Gebouw. GPR-Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op een vijftal thema's te weten: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door GPR-Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen.

Conclusie 
De uitvoering van twee woningen zal plaatsvinden overeenkomstig de eisen die zijn gesteld in het Bouwbesluit. Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen.

2.5 Conclusie

Dit wijzigingsplan voldoet aan het geschetste rijksbeleid, omdat de mogelijkheden worden benut om de kwaliteit en vitaliteit van de groene ruimte te verbeteren. Ten behoeve hiervan heeft het rijk eerder aan de provincies gevraagd om een planologisch kader op te stellen voor het thema bebouwing in het buitengebied. Dit provinciale kader moet vastleggen welke randvoorwaarden den provincie hanteert inzake:

  • de mogelijkheden voor hergebruik van bestaande vrijkomende bebouwing;
  • de mogelijkheden om bestaande onbruikbare of niet-waardevolle bebouwing te saneren met behulp van nieuwbouw van woningen (ruimte-voor-ruimte) en;
  • de mogelijkheden voor nieuwbouw gekoppeld aan een substantiële kwaliteitsverbetering van het veenweidegebied, water, landschap en/of recreatie.

Met deze planontwikkeling zijn verder geen rijksbelangen gemoeid.

In de provinciale Structuurvisie ligt het plangebied in het buitengebied. Om sanering van een agrarisch bedrijf in het veenweidegebied mogelijk te maken is één compensatiewoning nodig. Hiermee wordt verrommeling tegengegaan en een substantiële verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het veenweidegebied gerealiseerd. De woonbebouwing blijft binnen het bestaande bouwperceel en past qua aard en schaal bij wat er al is op de locatie. Dit betekent dat sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor deze onderdelen van het plan en een functiewijziging mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 2.2.1, lid 1 (ruimtelijke kwaliteit) en lid 2 onder a (uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën) van de Verordening ruimte. Dit is verder beschreven in de beeldkwaliteitsparagraaf (paragraaf 2.2.3 Gebiedsprofiel Krimpenerwaard). Mitsdien is dit wijzigingsplan in overeenstemming met het provinciale belang.

Woningbouw op onderhavige locatie past voorts binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de hiervoor genoemde beleidsdocumenten. De woningen worden op een landschappelijke wijze ingepast, zodanig dat de cultuurhistorische structuur van het lint met dubbele ontginningsas wordt verbeterd, omdat zichtlijnen naar het veenweidegebied worden hersteld.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Bestaande situatie plangebied en omgeving

Veenweide
Het grondgebied van Stolwijk ligt in het geheel in de Krimpenerwaard en bestaat uit veenweidegebied. Het veenweidegebied wordt gekenmerkt door twee hoofdrichtingen. De ene hoofdrichting loopt evenwijdig aan de Lek en de Hollandse IJssel en wordt bepaald door de nederzettingen, watergangen en doorgaande wegen. De andere richting staat haaks op deze rivieren en wordt bepaald door de verkaveling, watergangen en verbindingswegen. Het slagenlandschap in het veengebied bestaat uit twee verschillende werelden: die van de kleinschalige linten met bruggetjes en knotwilgen en die van de ruimte met sloten en weilanden daarachter. De meeste beplanting is te vinden in de dorpen, rondom de boerenerven, langs de Lek, langs de kavelgrenzen, de tiendwegen en op de achterkaden. Samen met de bebouwing zorgen deze voor langgerekte verdichte zones die de openheid van het gebied onderbreken.

Het veenweidegebied Aan de overzijde gelegen woonbebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0006.png"

Een deel van de te slopen bedrijfsbebouwing. De bestaande boerderij (vanaf achterzijde).

Bebouwingslinten
De bebouwing in het buitengebied bevindt zich in een aantal bebouwingslinten die over het gehele grondgebied te vinden zijn en die min of meer buurtschappen vormen, waaronder ook de Benedenkerkseweg. De bebouwingslinten kennen een zeer divers gebruik: agrarische bedrijven, woningen en niet agrarische bedrijven liggen naast elkaar. Kenmerkend zijn de doorzichten van de kleinschalige bebouwingslinten naar het open veenweidegebied. De bestaande situatie is opgenomen in figuur 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0007.png"

Figuur 5: Bestaande situatie.

3.2 Ruimtelijke en functionele structuur

In het bebouwingslint met dubbele ontginningsas. aan de Benedenkerkseweg ten westen van de bebouwde kom van Stolwijk komen naast woningen ook boerderijen en enkele niet-agrarische functies voor. Het veenlint ligt midden in het veenweidegebied van de Krimpenerwaard.
Op het perceel Benedenkerkseweg 125 is een veehouderijbedrijf gevestigd. Achter de bedrijfswoning staat een veestal met diverse overige schuren. Aan weerszijden van het gebied liggen sloten en aansluitend weiland met de karakteristieke verkavelingsstructuur.

3.3 Nieuwe situatie

Het agrarische bedrijf wordt gesaneerd ten behoeve van een functiewijziging naar wonen met één compensatiewoning. In totaal wordt 1.042 m² aan oude bedrijfsbebouwing gesloopt (exclusief de boerderij). In figuur 5 is de opgave weergegeven. Daarnaast worden betonvloeren verwijderd, zoals siloplaat, mestsilo en gierputten, met een oppervlakte van 124,4 m². De bedrijfswoning wordt herbouwd. De twee woningen hebben elk een inhoud van maximaal 700 m³. De woningen worden zodanig gepositioneerd dat doorzichten naar het veenweidegebied worden hersteld. De inrichting van het plangebied is zodanig dat de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied hiermee een kwaliteitsimpuls krijgt, waarbij de zuidelijke woning in de vorm van een zogenaamde schuurwoning wordt gerealiseerd, waarbij de schuur aan de woning wordt gerealiseerd. Het inrichtingsvoorstel is opgenomen in figuur 6. Het perceel achter de nieuwe woonbestemming behoudt de bestemming 'Agrarisch met Waarden', met dien verstande dat het gedeelte van het agrarisch bouwvlak binnen deze bestemming is geschrapt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0008.png"

Figuur 6: Inrichtingsvoorstel nieuwe situatie.

3.4 Verkeer en parkeren

Verkeer
Het plangebied ligt aan de Benedenkerkseweg in Stolwijk. Deze buurtontsluitingsweg is tevens een recreatieve verbindingsroute voor langzaam verkeer tussen Stolwijk en Berkenwoude richting de provincialeweg N476. De weg is ter plaatse een 60 km/uur zone. Het plan voorziet in de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen, waarvan één vervangende nieuwbouw. Deze ontwikkeling heeft positieve gevolgen voor de verkeersintensiteit, omdat deze wordt verminderd door sanering van een veehouderijbedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0009.png"

De Benedenkerkseweg (richting Stolwijk) De Benedenkerkseweg (richting Berkenwoude).

Parkeren
De twee woningen worden via één gezamenlijke uitrit ontsloten op de Benedenkerkseweg. De twee kavels zijn van dusdanige omvang dat er meerdere voertuigen op eigen terrein kunnen worden geparkeerd. Qua parkeernorm wordt uitgegaan van 'koop, vrijstaand', 'niet stedelijk' in het 'buitengebied' (ASVV2012). Hiervoor geldt een maximumparkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning (inclusief 0,3 pp aandeel bezoekers). Deze parkeervraag wordt ruimschoots opgelost op eigen terrein door op het achtererf bij elk van de woningen 4 parkeerplaatsen aan te leggen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

4.1 Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Wegverkeerslawaai, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.

4.1.1 M.E.R.

Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van deze ruimtelijke onderbouwing.

Onderzoek/ beoordeling
Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.

Plan/besluit
Dit plan voorziet in het oprichten van 2 woningen, waarvan één vervangende nieuwbouwwoning. Momenteel staat op het agrarische bedrijfsperceel een veestal en diverse schuren. Aan de voorzijde staat een bedrijfswoning. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken.

  • Kenmerken van het project

Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van milieubelastende activiteiten (in paragraaf 4.1.2 wordt hierop nader ingegaan). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen speciale beschermingszones aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet, zodat uit dien hoofde geen beperkingen zijn. Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde functiewijziging.

  • Plaats van het project

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. Het plangebied is voorts niet van cultureel of archeologisch belang. Dit laatste aspect is beschreven in paragraaf 4.3.

  • Kenmerken van het potentiële effect

Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.

Conclusie
Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben.

4.1.2 Milieuzonering

Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.
Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd.

Onderzoek/ beoordeling
Sprake is van een gemengd buitengebied, omdat naast veehouderijbedrijven ook woningen en overige niet-agrarische functies voorkomen. Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 4.1 vermeld.

Tabel 4.1: Richtafstanden en omgevingstype.

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd of er in de omgeving van de geplande woningen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Binnen een straal van 150 meter zijn geen veehouderijbedrijven of overige niet agrarische functies gelegen, doch alleen woningen. Vanuit milieuzonering bestaan er daarom geen bezwaren tegen de beoogde woningbouwontwikkeling aan de Benedenkerkseweg 125 in Stolwijk.

Conclusie
De planontwikkeling geeft vanuit milieuzonering geen beperkingen, omdat er binnen het invloedsgebied (zowel bestaand als toekomstige ontwikkeling) geen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat in deze situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.1.3 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader wegverkeerslawaai
Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk.

Onderzoek/ beoordeling
De relevante weg in de directe omgeving van het plangebied is de Benedenkerkseweg. Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder.
In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door DPA Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 1 juli 2016, rapportnummer 20151598-03, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de woningen ten gevolge van genoemde wordt overschreden. De maximale waarde op de voorgevel van de woningen bedraagt 51 dB na 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder. De maximaal toelaatbare waarde van 53 dB wordt niet overschreden.
In het kader van het Bouwbesluit zal nog onderzoek plaatsvinden naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek dient uitgegaan te worden van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit onderzoek zal om advies worden voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden-Holland.

Conclusie
Gezien bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, nadat een procedure hogere grenswaarde is doorlopen. Deze procedure wordt gelijktijdig opgestart met de tervisielegging van het ontwerp wijzigingsplan.

4.1.4 Bodem

Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Onderzoek/ beoordeling
De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' (oktober 2013). Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen.
De nieuwe bodemkwaliteitskaart heeft de gemeenteraad eerder in 2011 vastgesteld. Op deze kaart is het gebied als wonen aangeduid. Bij een omgevingsvergunning dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Mede ten behoeve van dit wijzigingsplan is een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. te Oirschot (rapport van 28 augustus 2015 met opdrachtnummer 67336, Bijlage 2). Op basis hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit het rapport).

Conclusies en aanbevelingen
Naast een aantal lichte overschrijdingen in de mengmonsters van de vaste bodem, zijn in mengmonster MM1 en MM2 respectievelijk een matig verhoogd gehalte aan PAK en een sterk verhoogde waarde aan koper gemeten. Vervolgens zijn de betreffende mengmonsters uitgesplitst. Hieruit blijkt dat er zich een sterke verontreiniging aan PAK concentreert ter plaatse van grondmonster B9-1. Grondmonster B6-1 is sterk verontreinigd met koper. In de overige separate analyses zijn geen significante verhogingen gemeten. Ter plaatse van de voormalige tank (MM5) zijn zowel organoleptisch als analytisch geen oliecomponenten waargenomen in de vaste bodem. In het grondwater zijn lichte verhogingen aan barium, xylenen en som 1,2-dichloorethenen aangetroffen, waarvan het de verhoging aan xylenen mogelijk te relateren is aan de voormalige tank. De milieuhygiënische bodemgesteldheid ter plaatse van deze tank is afdoende vastgelegd.

Gedempte watergangen
Tijdens het aanvullend onderzoek bleek dat het gebied rondom boring B9 geheel gedempt is met bouw- en sloopafval. Deze demping is visueel afgeperkt. De contouren zijn opgenomen in de tekening (bijlage 2 van het rapport). Vermoedelijk is de sterke verhoging aan PAK in grondmonster B9-1 te relateren aan teerhoudend asfalt, welke plaatselijk tussen het dempingmateriaal is aangetroffen. Gezien de visuele waarnemingen wordt deze verontreiniging niet beschouwd als een bodemverontreiniging, maar als een demping met (verontreinigd) bouw- en sloopmateriaal.

Verontreiniging met koper
De sterke verontreiniging aan koper is verticaal tot op de achtergrondwaarde afgeperkt middels grondmonsters B106-1, B108-1 en B110-1. Middels grondmonster B6A-2 is vastgesteld dat de sterke verontreiniging zich concentreert in het dieptetraject 0,0 - 0,5 m-mv. De omvang van de sterke verontreiniging wordt ingeschat op < 10 m³. Daar de omvang van de sterke verontreiniging kleiner is dan 25 m³, is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Verwacht wordt dat de aangetroffen verontreiniging vóór 1987 is ontstaan. Er is derhalve geen sprake van de zogenaamde zorgplicht uit de Wet bodembescherming.
In de huidige situatie geldt er geen saneringsplicht. Met het oog op de toekomstige ontwikkelingen gelden er mogelijk wel beperkingen. In afwachting van de resultaten van de instemming van het bevoegd gezag Wbb op het in te dienen saneringsplan zijn graafwerkzaamheden ter plaatse van de sterke verontreiniging niet toegestaan.

Algemeen
In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707 en NEN 5897) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond, puin en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond, het puin en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. De aanwezige puinverharding is niet meegenomen in onderhavig onderzoek daar deze geen onderdeel van de bodem uitmaakt.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.

Conclusie
Er zullen geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten op het onderhavige plangebied. Bij uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de in het rapport genoemde aanbevelingen.

4.1.5 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 4.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden.

Tabel 4.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0010.png"

* Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wet milieubeheer behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;
  • b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;
  • d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (afgekort NSL) is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Doel van het NSL is:

  • 1. Negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • 2. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren door tijdig aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit te voldoen.

Het NSL is een bundeling van de regionale actieprogramma's en de Rijksmaatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL bevat enerzijds maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren. Het NSL brengt deze twee aspecten in evenwicht. Het Rijk coördineert het nationale programma. Het Rijk maakt met provincies en gemeenten afspraken over toetsbare resultaten; in de gebieden moeten de normen voor luchtkwaliteit stap voor stap dichterbij komen. De overheden kunnen op die resultaten worden afgerekend. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en Ministeriële Regelingen (mr) die gelijktijdig met de 'Wet luchtkwaliteit' in werking zijn getreden, waaronder de AMvB en Ministeriele Regeling niet in betekenende mate (afgekort NIBM).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.
De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd:

  • Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Onderzoek/ beoordeling
Het plan omvat alleen de nieuwbouw van twee woningen, waarvan één vervangende nieuwbouw. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate, omdat sprake is van een woningbouwlocatie, die netto niet meer dan 1.500 woningen omvat. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden

Conclusie
De twee nieuwbouwwoningen vallen onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.1.6 Externe veiligheid

Wettelijk kader
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

  • rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

Onderzoek / beoordeling
Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.

Transport over water
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Transport over spoor
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Wegtransport
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. De Benedenkerkseweg zelf is ook niet opgenomen als een route gevaarlijke stoffen.

Transport per buisleiding
Voor risico-afstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de nieuwe AMvB Buisleidingen. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Ten westen van het gebied ligt nog een watertransportleiding met een beschermingszone van 5 meter. Het plangebied ligt hier buiten. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling.

Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.

Risicokaart Zuid-Holland
De risicokaart Zuid-Holland geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 7) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd. Er zijn geen belemmeringen voor deze planontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0011.png"

Figuur 7: Uitsnede risicokaart Zuid-Holland (plangebied zwart aangeduid).

Conclusie
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit wijzigingsplan dan ook niet in de weg.

4.2 Waterparagraaf

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in onder meer de toelichting bij een bestemmingsplan. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

Beleidskader rijk en provincie
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.

Rijk
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame veiligheid en zoetwatervoorziening.

Provincie
Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Provinciaal Waterplan 2010-2015. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:

  • 1. Waarborgen waterveiligheid
  • 2. Zorgen voor mooi en schoon water
  • 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening
  • 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem

In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:

  • het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;
  • de waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen;
  • het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd;
  • het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn.

Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012
De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren.

Toetsingscriteria
Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen:

1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m²

2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak

3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak

Kleine plannen
Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.

Onderzoek/ beoordeling
Waterhuishoudkundige situatie
Het plangebied ligt in het landelijk gebied. Volgens de waterkansenkaart bedraagt de maaiveldhoogte gemiddeld tussen de -1,80 m en – 1,60 m NAP. De bodem bestaat uit kleidek op veen (bron: Peilbesluiten Krimpenerwaard; juli 2011). Volgens de Bodemkaart van Nederland is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand hier van nature minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 0,5 m en 0,8 m beneden het maaiveld ligt. Het projectgebied maakt onderdeel uit van de Polder Stolwijk en Berkenwoude Het perceel wordt aan drie zijden begrensd door een watergang, geen hoofdwatergang zijnde. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 8.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0012.png"

Figuur 8: Legger oppervlaktewatersysteem

Toekomstige situatie
Onderhavig plangebied bestaat uit een bouwvlak voor een agrarisch bouwperceel met een veehouderijbedrijf. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt met meer dan 1.000 m² gesaneerd. Daarnaast wordt verharding verwijderd. Op deze plek is de nieuwbouw van een compensatiewoning voorzien met een oppervlakte van circa 150 m² en wordt de bestemming omgezet in Wonen. Wat betreft de omzetting van de agrarische boerderij naar een woonbestemming gaat dit niet gepaard met extra bebouwing of verharding. Per saldo zal het verhard oppervlak met circa 850 m² afnemen. Dit betekent dat op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap geen watercompensatie nodig is. De nieuw te bouwen woningen zullen worden aangesloten op de gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen.

Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling is niet van invloed op de veiligheidssituatie in het plangebied. Het plangebied ligt buiten de kern- en beschermingszones van de waterkeringen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie
Voor de nieuwe woningen wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan.

Afvalwaterketen en riolering
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

In de voorliggende situatie ligt het voor de hand om hemelwater zoveel mogelijk af te voeren naar aangrenzend oppervlaktewater.

Conclusie
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de gevraagde planontwikkeling.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader

In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, heeft de gemeente een archeologische beleidskaart op laten stellen voor haar grondgebied.

4.3.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland

In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied nagenoeg een kleine trefkans op archeologische sporen is met uitzondering van een gedeelte ten zuiden van de Benedenkerkseweg (zie figuur 9). Dit geel aangeduide gebied is van provinciaal belang, omdat sprake is van een woonheuvel (bewoning middeleeuwen) uit de late middeleeuwen en Nieuwe Tijd (bewoning aangevangen vóór 1683).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0013.png"

Figuur 9: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland.

4.3.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie

In 2011 heeft de voormalige gemeente Vlist een archeologische beleidskaart laten opstellen. Op deze kaart staat aangegeven welke gebieden in Vlist archeologisch interessant (zouden kunnen) zijn. De gemeente heeft daarbij verwoord op welke wijze rekening gehouden moet worden met mogelijke archeologische waarden en monumenten in de ondergrond van de gemeente. De gemeente heeft voor de opstelling van het archeologiebeleid door het adviesbureau Raap onderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek heeft onder meer geleid tot voornoemde archeologische beleidskaart van de gemeente, die betrekking heeft op het hele grondgebied van de gemeente.
De archeologische beleidsadvieskaart biedt inzicht in de bestaande en verwachte archeologische situatie binnen de voormalige gemeente Vlist. Deze beleidsadvieskaart geeft de verwachtingen aan waaraan voorschriften worden gekoppeld die inzichtelijk maken waar geen onderzoek nodig is, waar wel, en zo ja, wat voor onderzoek. Deze beleidsadvieskaart vormt op zijn beurt de basis voor het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van omgevingsvergunningen.
Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is de voormalige woonheuvel aangeduid als AW 1 (Medebestemming archeologische waarden). Hiervoor geldt een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en plangebied groter dan 30 m². Het overige agrarische bouwperceel is aangeduid als VAW2 (Verwachting Archeologische Waarden). Hiervoor geldt dat er een vrijstelling van archeologisch onderzoek geldt indien de bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm-mv en het plangebied kleiner is dan 100 m² (zie figuur 9).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0014.png"

Figuur 10: Uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart.

4.3.3 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek archeologie

ADC ArcheoProjecten te Amersfoort heeft een archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (rapport van 25 februari 2016, rapportnummer 4034, Bijlage 3 ). Op basis van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport).
Het plangebied bevindt zich in de Krimpenerwaard, een voormalig veengebied dat zich tussen Hollandse IJssel, de Lek/ Nieuwe Maas en de Vlist uitstrekt. De natuurlijke bodem bestaat hoofdzakelijk uit bosveen en komklei. Er zijn ter plaatse van het plangebied geen aanwijzingen voor fossiele stroomgordels, crevasses en/of rivierduincomplexen in de ondergrond. Archeologische resten uit de Prehistorie, de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen worden daarom niet verwacht.
In de Late Middeleeuwen werd het gebied op grote schaal ontgonnen en in gebruik genomen voor de landbouw. De bewoning concentreerde zich op de koppen van de percelen langs ontginningsbases, waaronder aan beide zijden van huidige Benedenkerkseweg. Deze as dateert uit de laatste fase van de ontginning die zich in de 12e eeuw voltrok.
Door ontwatering en de daaraan gerelateerde veenoxidatie en inklinking kregen de bewoners in toenemende mate te maken met hoge grondwaterstanden. Hierdoor werd men gedwongen de woonplaatsen op te hogen met als gevolg dat langs de ontginningsbasis van de Benedenkerkseweg een reeks huisterpen ontstond. Eén van de huisterpen bevindt zich in het plangebied en is op de Archeologische MonumentenKaart (AMK) aangegeven als terrein van hoge archeologische waarde. Ter plaatse moet daarom rekening worden gehouden met de aanwezigheid van opgebrachte kleilagen met daarin bouwmateriaal en fragmenten van allerlei gebruiksvoorwerpen, die informatie kunnen geven over de bewoningsgeschiedenis van de locatie. Voorts zijn funderingsresten van voorgangers van de huidige boerderij aan te treffen. Hierbij moet worden opgemerkt dat als gevolg van de bouw van agrarische opstallen en het uitgraven van kelders en putten in de 19e en 20e eeuw mogelijk (plaatselijk) sprake is van een verstoring dan wel vernietiging van het bodemarchief. Ook grondverzet ten behoeve van de verplaatsing van de oprit kan hebben geleid tot verstoring van de bodem.
Teneinde deze verwachting te toetsen en waar nodig aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond uit zwak kleiig bosveen bestaat. Dit veen is kenmerkend voor rivierkommen waarin afzetting van voedselrijk slib plaatsvond. Het bovenste deel is volledig veraard als gevolg van ontwatering en menselijk gebruik.
In het noordelijk deel van het plangebied (boring 1) zijn ter plaatse van de verwachte huisterp opgebrachte klei- en veenlagen aangetroffen met daarin fragmenten baksteen en twee aardewerkscherven. In de overige boringen zijn geen lagen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een huisterp. Wel is plaatselijk sprake van concentraties (sub)recent puin, dat is opgebracht ter versteviging van het erf of is gestort om een watergang te dempen.
ADC ArcheoProjecten adviseert om in het noordelijk deel van het plangebied, ter plaatse van de te vergraven delen van de huisterp, een Inventariserend Veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P) . Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
Voor het overige deel van het plangebied adviseert ADC ArcheoProjecten om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet

4.3.4 Cultuurhistorie

De Benedenkerkseweg is een oud bebouwingslint in Stolwijk. Er zijn archeologische resten gevonden die teruggaan tot de 12e eeuw. Het onderhavige perceel kent ook een lange bewoninggeschiedenis. De oudste kaart waarop de boerderij duidelijk zichtbaar is dateert uit 1813 (kadastrale minuut in figuur 11 opgenomen). De contouren van de boerderij en het bijgebouw op deze kaart komen deels overeen met de huidige boerderij. Dit levert een hoge bouwhistorische verwachting op voor de boerderij.
Hoewel de bestaande woning cultuurhistorische waarde heeft, is het pand echter niet aangemerkt als gemeentelijk monument, dan wel rijksmonument. Evenmin is de woning in het in december 2015 vastgestelde bestemmingsplan als 'Karakteristiek' aangemerkt. Daarbij komt dat de bouwtechnische staat van de woning zeer slecht is, zodat behoud niet langer kan worden gegarandeerd. In verband hiermee wordt sloop/ nieuwbouw voorgestaan.
Het boerenerf zal worden ingericht overeenkomstig een door een landschapsarchitect opgesteld landschapsinrichtingsplan, waarbij rekening wordt gehouden met de bouwtraditie van de Benedenkerkseweg.

Conclusie
Op basis van het bureauonderzoek wordt geadviseerd ter plaatse van de te vergraven delen van de huisterp, een Inventariserend Veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het bevoegd gezag dient op basis van dit rapport een selectiebesluit te nemen. Afhankelijk van dit advies zullen vervolgstappen worden ondernomen. Door middel van het opnemen van een dubbelbestemming wordt geborgd dat de door het bevoegd gezag te stellen voorwaarden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning worden nagekomen. De woning verkeert voorts in een slechte bouwtechnische staat. Gelet hierop tast het initiatief de cultuurhistorische en archeologische waarden niet aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0015.png"

Figuur 11: Kadastrale minuut 1813. De dunne belijning geeft de huidige bouwmassa aan. 

4.4 Landschap

Het verkavelings- en slotenpatroon weerspiegelen de oorspronkelijke ontginningswijze van het landschap en geven het landschap een band met het verleden. Het plangebied zelf is gelegen in het veenweidegebied aan een bebouwingslint in het buitengebied van Stolwijk. Het plangebied wordt hierop qua bebouwing afgestemd, zodat de aanwezige kwaliteiten en de slagenverkaveling worden behouden overeenkomstig een door een landschapsarchitect ingediend landschapsinrichtingsplan. In dit landschapsinrichtingsplan is rekening gehouden met de aanwezige kwaliteiten van het landschap (zie figuur 6). Voorts worden tussen de woningen voldoende open ruimten gecreëerd, zodat open zichten blijven behouden. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is de Benedenkerkseweg aangeduid als een lint met hoge waarden (zie figuur 9). De woningen zelf zullen op een landschappelijke wijze worden ingepast, waarbij de kavelstructuur wordt gerespecteerd.

Conclusie
De landschappelijke waarden worden niet aangetast, zodat er uit dien hoofde geen beperkingen worden gesteld aan onderhavige planontwikkeling.

4.5 Flora en fauna

Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan de Ecologische hoofdstructuur (EHS)/ het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.

Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Donkse Laagten' ligt circa 6,2 km zuidelijker. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 5,5 km ten noorden van het plangebied. In zuidwestelijke richting ligt op circa 10,6 km de 'Boezems Kinderdijk'. Sprake is van de nieuwbouw van twee woningen, zodat deze Natura2000-gebieden niet worden beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze functiewijziging, waarbij juist veel verharding wordt verwijderd en gebiedseigen beplanting wordt aangebracht.
Het plangebied ligt in de nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van de provincie Zuid-Holland (figuur 12). Ten noorden, westen en zuiden van de planlocatie ligt op minimaal 2 kilometer afstand de ecologische verbindingszone. Ook hier heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur.
afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1610BG012-VG01_0016.png"

Figuur 12: Ecologische hoofdstructuur in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.)

4.5.1 Flora- en faunatoets

Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van januari 2016, rapportnummer, Bijlage 4). Dit ecologische onderzoek is uitgevoerd op basis van reeds vervallen wetgeving, maar de nieuwe Wet natuurbescherming geeft geen aanleiding om het rapport aan te passen. Op basis van inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport).

Conclusies en aanbevelingen 

  • Het plangebied heeft geen directe relatie met Natura2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden (‘Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein’, ‘Donkse Laagten’ en ‘Uiterwaarden Lek’) liggen allen hemelsbreed op afstanden variërend van 5,5 tot 10,8 kilometer. Door de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de Natura2000-gebieden en de tussenliggende barrières zoals bebouwingslinten en wegen is geen sprake van een negatief effect op de omliggende Natura-2000 gebieden en de aangewezen doelsoorten.
  • Van een negatief effect op gebieden die behoren tot de ‘Visie ruimte en mobiliteit’ zoals ‘belangrijk weidevogelgebied’, ‘recreatiegebied rond de stad’, ‘strategische reservering natuur’ en ‘overige karakteristieke landschapselementen’ is eveneens geen sprake. Hoewel belangrijk weidevogelgebied op geringe afstand van het plangebied aanwezig is, is er voldoende zekerheid dat er geen aantasting van deze functie veroorzaakt wordt. Het dubbele bebouwingslint van de Benedenkerkseweg en het tussengelegen weidegebied zorgen voor voldoende buffering ten aanzien van verstoring, ook tijdens het broedseizoen.
    Recreatiegebied om de stad is op grote afstand gelegen. Deze gebieden liggen in de omgeving van Krimpen aan den IJssel, Ouderkerk aan den IJssel, Nieuwerkerk aan den IJssel, Moordrecht en Gouda. Gezien de aard van de werkzaamheden is schade aan deze gebieden dan ook uitgesloten. De overige gebieden zoals strategische reservering natuur en andere karakteristieke landschapselementen zijn niet aanwezig in de omgeving van het plangebied en daarom is schade aan dergelijke gebieden dan ook uitgesloten.
  • Voor de algemeen beschermde soorten (Flora- en fauna-wet, tabel 1) die mogelijk in of zeer nabij het plangebied voor kunnen komen (Groene kikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Haas, Konijn, Hermelijn, Mol, Zwanenbloem) geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een vrijstelling van de Flora- en faunawet. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.
  • Er zijn geen plantensoorten binnen het plangebied aangetroffen die behoren tot de Tabel-2 en Tabel-3 soorten van de Flora- en faunawet. Binnen het plangebied is eveneens geen biotoop voor dergelijke beschermde plantensoorten aanwezig. Dit gezien het feit dat het plangebied zich kenmerkt door voedselrijke omstandigheden, die niet aansluiten bij de over het algemeen schrale biotoopkenmerken van de desbetreffende beschermde soorten. Schade aan beschermde plantensoorten behorend tot Tabel-2 en Tabel-3 is daarmee uitgesloten.
  • Nesten van vogelsoorten die behoren tot de ‘jaarrond beschermde nesten – categorie 1 t/m 4’ van de Flora- en faunawet, zijn niet aangetroffen in het plangebied. Gebiedsrelevante soorten zijn de Huismus, Gierzwaluw, Ransuil, Kerkuil en Steenuil. Voor deze soorten ontbreken de mogelijkheden of zijn geen indicatoren aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook voormalige nesten van de Boerenzwaluw (categorie 5) zijn niet aangetroffen. Schade aan jaarrond beschermde nesten is daarmee uitgesloten.
    Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Flora- en faunawet wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Flora- en faunawet hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Indien er gekapt wordt tijdens het broedseizoen dient een ter zake kundige voorafgaand een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventueel broedende vogels.
  • De overig beschermde vissoort Kleine modderkruiper (Flora- en faunawet Tabel 2, Bijlage II Habitatrichtlijn) en de streng beschermde vissoort Bittervoorn en Rivierprik (Flora- en faunawet Tabel 3, Bijlage II Habitatrichtlijn, Rode lijst: kwetsbaar) komen voor in de directe omgeving van het plangebied. Van de Kleine modderkruiper is de aanwezigheid tijdens het veldbezoek aangetoond, de aanwezigheid Bittervoorn is zeer aannemelijk. De Rivierprik kan worden uitgesloten door het ontbreken van geschikt biotoop. Het biotoop van de Bittervoorn is bij aantasting compensatieplichtig. Het leefgebied wordt door het graven van de nieuwe watergangen echter vergroot. Compensatie is daarom niet aan de orde. Wel dient er voor de Kleine modderkruiper en Bittervoorn een Ecologisch werkprotocol te worden opgesteld met mitigerende maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van schade. Denk hierbij aan werken buiten kwetsbare periode als het voortplantingsseizoen en de winterrust. Het ecologisch werkprotocol dient te worden opgesteld door een deskundige op het gebied van ecologie. Indien niet gewerkt wordt met een mitigatieplan dient er voor de Kleine modderkruiper en Bittervoorn een ontheffing aangevraagd te worden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Het verkrijgen van deze ontheffing is zeer onwaarschijnlijk aangezien de werkzaamheden niet tot de wettelijk omschreven belangen behoren.
  • De streng beschermde Rugstreeppad (tabel 3 Flora- en faunawet / Bijlage IV Habitatrichtlijn / Rode Lijst status ‘gevoelig’) komt voor in de wijdere omgeving van het plangebied. Op dit moment is aanwezigheid van de Rugstreeppad niet aan de orde. De Rugstreeppad is een zeldzame soort in het kilometerhok waartoe het plangebied behoort. In 2015 is een enkele waarneming gedaan in de omgeving ten westen van het het recreatiepark ‘De Kooij’, de overige waarnemingen zijn geclusterd in het gebied ten zuiden van Haastrecht. De in het plangebied aanwezige gronddepots en de vochtige plek op het achterterrein hebben potenties ten aanzien van de winterrust en voortplanting. Het advies is dan ook om vestiging te voorkomen nu de Rugstreeppad nog niet aanwezig is. Dit kan gedaan worden door natte plekken op te hogen met grond en te egaliseren of door de afwatering te verbeteren. Het is dringend aan te bevelen dit voor het komende voortplantingsseizoen (voorjaar 2016) te realiseren. Indien het gronddepot voor langere tijd aanwezig blijft is het raadzaam om deze af te zetten met een amfibieënscherm dat minimaal 10 centimeter is ingegraven en minimaal 40 centimeter uitsteekt boven het maaiveld. Het is ook hier dringend aan te bevelen dit voor aanvang van de komende winterrust (september 2016) te realiseren. De Rugstreeppad is streng beschermd. In het geval van ruimtelijke ontwikkeling en in het belang van de soort is spreekwoordelijk gezegd voorkomen beter (en vooral gemakkelijker) dan genezing. Ook voor de Rugstreeppad geldt dat het aanvragen van een ontheffing mogelijk is, maar dat het daadwerkelijk verkrijgen van de ontheffing zeer onwaarschijnlijk is aangezien de werkzaamheden niet behoren tot de wettelijk omschreven belangen.
  • De streng beschermde Ringslang (tabel 3 Flora- en faunawet / Bijlage IV Habitatrichtlijn / Rode Lijst status ‘gevoelig’) komt voor in de wijdere omgeving van het plangebied, richting Gouda en Reeuwijk. Het plangebied is in zijn huidige staat niet geschikt als voortplantings-, foerageer of overwinteringsgebied voor de Ringslang. Substantiele ruigten en broeihopen ontbreken. Ook komt de Ringslang niet voor in de directe omgeving van de Benedenkerkseweg. Hiermee wordt schade aan beschermde reptielen voorkomen en uitgesloten.
  • De streng beschermde grondgebonden zoogdieren Bever en Waterspitsmuis (beiden Flora- en faunawet Tabel 3) komen voor op ruime afstand van het plangebied. Er is binnen het plangebied in de huidige situatie geen geschikt biotoop aanwezig voor beide soorten. Zo is de Bever afhankelijk van moerasbos en is de Waterspitsmuis gebonden aan een goede waterkwaliteit met een ruige, goed ontwikkelde oevervegetatie. Deze elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De voorgenomen plannen hebben daarom geen gevolgen voor beide soorten. Schade aan streng beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten.
  • Het plangebied is hoogstwaarschijnlijk niet in gebruik als vaste rust- en verblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis en andere vleermuizen. In de gebouwen 1B t/m 7 ontbreken alle gunstige randvoorwaarden door het ontbreken van holle ruimtes en de aanwezigheid van negatieve factoren zoals tocht, lichtverstoring en vocht. Ook in de woonboerderij (1A) zijn geschikte verblijfplaatsen na inspectie niet aan de orde. Dit sluit aan op het ontbreken van sporen tijdens de bouwkundige inspectie die duiden op aanwezigheid zoals uitwerpselen en bruinverkleuringen bij mogelijke invliegopeningen.
    In dit specifieke geval is het nagenoeg zeker dat de sloop van de bebouwing geen negatieve gevolgen heeft voor de duurzame instandhouding van de populatie. Alleen ten aanzien van paarverblijfplaatsen is er een zeer geringe kans dat de bebouwing geschikt is. Om het risico ten aanzien van aantasting van deze verblijfplaatsen te ondervangen kan echter ook goed met een mitigatieplan worden gewerkt. Dit plan dient gericht te zijn op het voorkomen van schade aan paarverblijfplaatsen door het uitvoeren van de werkzaamheden buiten de paarperiode, het vooraf aanbrengen van tijdelijke paarverblijfplaatsen in de directe omgeving van het plangebied en het opnemen van permanente bouwkundige maatregelen in de nieuwbouw zoals inmetselkasten. Op deze manier kan schade aan paarverblijfplaatsen worden voorkomen.De plannen veroorzaken geen aantasting voor de functies foerageergebied en vliegroute. Voor de vliegroute is het hierbij wel van belang dat gedurende de actieve perriode van vleermuizen (eind maart tot begin november) geen grootschalige uitstraling van bouwverlichting ontstaat richting de Benedenkerkseweg tussen zonsondergang en zonsopkomst.
  • Er zijn geen beschermde overige soorten (insecten, geleedpotigen, weekdieren etc.) binnen het plangebied aangetroffen. Binnen het plangebied is eveneens geen biotoop voor overige soorten aanwezig. Schade aan overige soorten is daarmee uitgesloten.

Algemene zorgplicht
De Wet natuurbescherming bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Wanneer er toch beschermde soorten worden gevonden, dan zal hiervoor tijdig ontheffing worden aangevraagd.

Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan voor deze planontwikkeling. Bij uitwerking van de plannen zullen de in het rapport genoemde aanbevelingen worden overgenomen.

4.6 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

4.6.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het wijzigingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

5.2 Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond (GBKN) schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd wijzigingsplan.

5.3 Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

5.3.1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.

Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

5.3.2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval specifieke gebruiksregels. Bij de indeling van de artikelen in hoofdstuk 2 is een vaste volgorde aangehouden.

Bestemmingsomschrijving
In dit onderdeel worden de functies aangegeven waartoe de gronden zijn bestemd.

Bouwregels
In de bouwregels zijn de regels opgenomen ten aanzien van de toegelaten bebouwing. Dit lid bevat regels omtrent toegestane bouwwerken die als “recht” kunnen worden opgericht. De gebouwen dienen te worden geplaatst binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken. Voor de bestemmingen zijn regels opgenomen voor de hoogten en /of dakhelling. Bij het bepalen van de maatvoeringen is uitgegaan van de gewenste planologische situatie.

Artikel 3 Agrarisch met Waarden
Het achter de woonpercelen gelegen perceel heeft de bestemming “Agrarisch met waarden - AW” gekregen. De betreffende gronden maken deel uit van het waardevolle agrarische cultuurlandschap van het Groene Hart en worden primair gebruikt voor de uitoefening van de grondgebonden veehouderij. Bij het agrarisch gebruik staat het behoud en herstel van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden voorop. Bebouwing is daarom niet toegestaan.

Omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden
De regels voor de agrarische bestemming bevat een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van werkzaamheden, niet zijnde bouwwerkzaamheden. Dit betreft de werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het opgenomen stelsel heeft als doel om de aanwezige en potentiële natuur- en landschapswaarden binnen deze bestemming te beschermen. Tevens mogen de vergunningplichtige werkzaamheden geen negatieve gevolgen hebben voor het landschap en/of de waterkwaliteit en waterkwantiteit.

Artikel 4 Wonen
De op de kaart voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor gebouwen en andere voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. In de planregels zijn onder meer de toegestane hoogte van de hoofdgebouwen en de maximale inhoud van een hoofdgebouw vastgelegd. Met betrekking tot de situering van de hoofdgebouwen zijn op de plankaart bebouwingsvlakken ingetekend, waarin de hoofdgebouwen gesitueerd dienen te worden.

Voor bijbehorende bouwwerken binnen de woonbestemming zoals aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de woning is maximaal 100 m² per woning toegestaan. Onder voorwaarden mogen bij woningen paardenbakken, zwembaden en tennisbanen worden gerealiseerd. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is bij recht de uitoefening van een beroep aan huis mogelijk, tot maximaal 40% van de oppervlakte van de bebouwing (woning, aan- en uitbouwen en bijgebouwen) tot een maximum van 50 m². Belangrijke voorwaarden zijn dat de activiteit moet worden uitgeoefend door de bewoner van de woning, er geen nadelige invloed mag ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte mag optreden. Via een afwijking onder voorwaarden is ook een bedrijf aan huis mogelijk tot een oppervlakte van maximaal 30% van de bebouwing tot een maximum van 40 m². De voorwaarden zijn gelijk aan die voor het uitoefenen van een beroep aan huis.

Artikel 5 en 6 Waarde - Archeologie 1 en 3
Het plangebied ligt in een gebied met (zeer) hoge archeologische verwachtingswaarden. Voor de woonheuvel is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Voor het overige gebied geldt een hoge trefkans met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel.

Artikel 7 Leiding - Water
Met de dubbelbestemming ‘Leiding’ is een zone aan weerszijden van de betreffende leiding gereserveerd voor de bescherming van de leiding. In de zone mag niet worden gebouwd of gegraven zonder toestemming van de leidingbeheerder. De leiding moet bereikbaar blijven voor onderhoud en grondwerkzaamheden in de buurt van de leiding kunnen gevaar opleveren. In de zones van deze dubbelbestemming gaan de belangen van het leidingentransport voor. Het gebruik van deze gronden mag geen gevaar opleveren voor de belangen van de dubbelbestemming. Vandaar dat zowel voor bouwen als werken/werkzaamheden in deze zones, eerst getoetst moet worden aan de belangen van de desbetreffende dubbelbestemmingen.

5.3.3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.

Artikel 8 Antidubbeltelbepaling
Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 9 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Hierin zijn ook regels opgenomen met betrekking tot de parkeernormering.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone -stiltegebied' is tevens het bepaalde in de Provinciale milieuverordening van toepassing. Deze zone is met een aanduiding op de verbeelding weergegeven.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen.

Artikel 13 Overige regels
In de overige regels is een algemeen afwegingskader voor het toepassen van flexibiliteitsbepalingen en verlenen van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Hieraan dient getoetst te worden bij aanvragen om binnenplanse afwijkingen en aanvragen om omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

5.3.4 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Artikel 14 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 15 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het wijzigingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

5.4 Handhaving wijzigingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een wijzigingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het wijzigingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een wijzigingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels.

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan

Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het wijzigingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de wijzigingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.

  • 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan

De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak.

  • 3. Realistische en inzichtelijke regeling

Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.

  • 4. Actief handhavingsbeleid

Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Conclusie
Het wijzigingsplan is zodanig opgesteld met toelichting, regels en verbeelding dat handhaving op naleving hiervan goed mogelijk is.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid en resultaten overleg

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten anterieure exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen om een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de overeenkomst. De economische uitvoerbaarheid door initiatiefnemer is voorts voldoende aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig ontwerp wijzigingsplan is de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerp wijzigingsplan met bijbehorende stukken heeft daartoe vanaf 8 februari 2017 zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn geen mondelinge en/of schriftelijke zienswijzen ingediend.

6.3 Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerp wijzigingsplan door middel van een E-formulier bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangemeld. Voorts is het ontwerp toegezonden aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.