direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wijzigingsplan Kattendijk 89
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het wijzigingsplan

Aan de Kattendijk 89 in Gouderak staat een woning. Deze woning is niet meer als zodanig in gebruik (wel als berging) en staat tevens erg dicht op het belendende perceel. De eigenaar is voornemens een nieuwe woning te realiseren achter deze woning. Ten behoeve van de realisatie van deze woning moet de bestemming gewijzigd worden.

Voor het plangebied geldt het planologische regime van het bestemmingsplan 'Kattendijk'. Hierin is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die deze wijziging mogelijk maakt. De voorliggende verandering van de bestemming was al voorzien.

De gemeente Ouderkerk heeft te kennen gegeven in principe medewerking te verlenen door middel van het opstellen van een wijzigingsplan. Met het voorliggende wijzigingsplan wordt het bovenstaande juridisch planologisch geregeld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Kattendijk 89, in het buitengebied ten zuidwesten van de kern Gouderak. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0002.png"  
Ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)  

1.3 Opbouw wijzigingsplan

Binnen het geldende bestemmingsplan heeft het college van Burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, met toepassing van artikel 11 WRO (tegenwoordig artikel 3.6 lid 1 onder a Wro), de bestemming te wijzigen in 'Wonen' met inachtneming van de gestelde voorwaarden. Het wijzigingsplan zal voorzien in het mogelijk maken van één woning, ter vervanging van de bestaande woning.

Voorliggend wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, planregels en een verbeelding.

Toelichting

De toelichting is opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:

  • een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;
  • een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg;
  • de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;
  • een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;
  • de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

Verbeelding

De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.

Planregels

De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en, vaak, ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Op de locatie Kattendijk 89, net even buiten de bebouwde kom van Gouderak, is een woning gesitueerd die in slechte staat verkeerd. De eigenaar van de woning heeft daarom verzocht om in het vigerende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen die het realiseren van een woning verder naar achteren mogelijk maakt. De woning is in zo slechte staat, dat de eigenaar een tijdelijke woning op het achterterrein heeft gerealiseerd (de bestaande woning is onbewoond). Deze tijdelijke woning (die met een separate ruimtelijke procedure mogelijk wordt gemaakt) zal met het realiseren van de nieuwe woning weer verwijderd worden.

Op de bijgevoegde luchtfoto is het plangebied te zien. De bestaande woning is direct aan de dijk, vlak naast de woning Kattendijk 91, gesitueerd. Achterin het plangebied (zuidoostzijde) is de tijdelijke woning te zien. De rest van het perceel is in gebruik als tuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0003.png"  
Ligging plangebied op luchtfoto (bron: Bing Maps)  

De locatie maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Kattendijk en is gelegen in het karakteristieke polderlandschap van de Krimpenerwaard. Aan de Kattendijk zijn naast burgerwoningen meerdere agrarische bedrijven gevestigd en de omgeving heeft dan ook een agrarisch karakter.

Bijgevoegde foto's geven een impressie van het plangebied. Op de linkerfoto is de situatie vanaf de Kattendijk te zien. Op de voorgrond ligt de te vervangen woning en op de achtergrond de woning Kattendijk 91. Op de rechterfoto is de te vervangen woning en de oprit naar de Kattendijk te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0004.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0005.jpg"  
Beeld plangebied vanaf Kattendijk   Te vervangen woning en dijkopgang  

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe woning te realiseren achter de huidige bestaande woning. Op de bijgevoegde tekening is het plan te zien. In het gele vlak zal globaal de woning worden gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0006.png"  
Luchtfoto met beoogde ligging nieuwe woning en tijdelijke woning op achterterrein  

Voor de nieuwe woning is van belang dat deze voldoet aan de gestelde wijzigingsregels in het vigerende bestemmingsplan. Deze wijzigingsregels geven aan dat het plan moet voldoen aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn bepalend voor het bouwplan en geven regels aan voor de situering en maatvoering van de woning.

Het nieuwe bouwvlak is gelegen op minimaal 5 m afstand van het naastgelegen perceel Kattendijk 91. Verder dienen de woning en de bijgebouwen gelegen te zijn binnen een afstand van 60 m gemeten vanuit de voet van de dijk. De voorgevel van de woning wordt georiënteerd richting de Kattendijk. De goothoogte van de woning is maximaal 4 m en de inhoud van de woning, inclusief erfbebouwing en exclusief ondergrondse kelders bedraagt niet meer dan 650 m3. Verder mogen ten hoogste 2 vrijstaande bijgebouwen per woning worden gebouwd, waarbij de goothoogte en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 en 6 m.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid en provinciaal beleid

Zowel het Rijksbeleid als het provinciaal beleid geven geen concrete maatregelen die voor onderhavige situatie van belang zijn. Bovendien is de wijzigingsbevoegdheid uit het vigerende bestemmingsplan "Kattendijk", waar dit initiatief gebruik van maakt, destijds al getoetst aan het vigerend beleid en akkoord bevonden.

3.2 Gemeentelijk beleid

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Kattendijk", vastgesteld op 10 juli 2008.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0007.png"  
Uitsnede bestemmingsplankaart  

In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel enerzijds de bestemming 'Wonen' met bouwvlak en anderzijds, voor de achterliggende weilanden, de bestemming Agrarisch - 1, zonder bouwvlak. Aan de voorzijde, langs de dijk, is aan de leidingenzone goedkeuring onthouden.

Op het gehele perceel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn hierbij bevoegd de bestemming binnen de op de kaart aangegeven aanduiding "wijzigingsgebied 1" te wijzigen in de bestemming "Wonen", waarbij de volgende voorwaarden gelden:

  • a. alle bestaande bebouwing op het perceel wordt gesloopt;
  • b. het nieuwe bouwvlak is gelegen op minimaal 5 m afstand van het naastgelegen perceel aangeduid als Kattendijk 91;
  • c. de goothoogte van de hoofdbebouwing ten hoogste 4 m bedraagt;
  • d. de aanduiding "erf" dient gelegen te zijn binnen een afstand van 60 m gemeten vanuit de voet van de dijk;
  • e. de voorgevel van de hoofdbebouwing wordt georiënteerd richting bestemming "Verkeer";
  • f. uit onderzoek is gebleken dat de bodemkwaliteit van de gronden geschikt is om de bestemming te realiseren;
  • g. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat geen aantasting van mogelijk aanwezige waarden plaatsvindt;
  • h. het bepaalde in artikel 14 "Wonen" is van overeenkomstige toepassing; daarbij zijn onder andere de volgende aspecten van belang:
    • 1. de woning mag uitsluitend gebouwd worden binnen het aangegeven bouwvlak (met uitzondering van aan- of uitbouwen en bijgebouwen);
    • 2. de inhoud van een woning, inclusief erfbebouwing en exclusief ondergrondse kelders mag niet meer dan 650 m3 bedragen;
    • 3. er mogen ten hoogste 2 vrijstaande bijgebouwen per woning worden gebouwd;
    • 4. de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep binnen een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen mag, in voorkomend geval samen met de brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van andere beroeps- en bedrijfsactiviteiten, niet meer bedragen dan 30% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende aan· of uitbouwen en bijgebouwen, en in ieder geval niet meer dan 50 m2;
    • 5. de goothoogte en bouwhoogte van bijgebouwen en andere bouwwerken niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 en 6 m.

Aan de genoemde wijzigingsregels wordt in het initiatief voldaan.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Planspecifiek

Om te onderzoeken of de locatie geschikt is voor de woonfunctie, is er in 2007 een bodemonderzoek verricht ('Verkennend milieukundig bodemonderzoek ter plaatse van een locatie aan de Kattendijk 89 te Gouderak' (Amicon BV, oktober 2007)). Dit onderzoek is als bijlage bij dit wijzigingsplan opgenomen.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging (deels) dient te worden verworpen. In de onderzochte grondmonsters zijn géén verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater bevat lichte verontreinigingen met arseen en zink. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming (nieuwbouw woning).

Voor bodemonderzoeken geldt een houdbaarheid van 5 jaar. Daarom is het nodig dat er een historisch bodemonderzoek uitgevoerd wordt over de periode vanaf het onderzoek uit 2007 tot nu. Dit moet zijn uitgevoerd voordat de omgevingsvergunning verleend wordt. Dit is afgestemd met de gemeente en hierop zal t.z.t. worden getoetst.

Gezien de resultaten van het onderzoek uit 2007 (de bodem was geschikt voor de beoogde woonfunctie), het sinds die tijd ongewijzigde gebruik en de voorwaarde dat het historisch onderzoek vóór vergunningverlening is uitgevoerd, kan gesteld worden dat onderhavig wijzigingsplan uitvoerbaar is op het gebied van bodemkwaliteit.

4.1.2 Lucht

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek

Om te onderzoeken of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefmilieu te garanderen, zijn de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit voldoende is om een goed woon- en leefmilieu te garanderen. Verder gaat het in onderhavig initiatief om het vervangen van een bestaande woning, het aantal woningen neemt niet toe. Het plan draagt hiermee niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit en is hiermee uitvoerbaar op het gebied van luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • 1. een verzorgingstehuis;
    • 2. een psychiatrische inrichting;
    • 3. een kinderdagverblijf.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Planspecifiek

Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Om dit te onderzoeken is een akoestisch onderzoek ingesteld naar de geluidbelasting door wegverkeerslawaai op de gevels van de geplande vervangende woning.

De geluidbelasting t.g.v. verkeerslawaai is op de begane grond van de beoogde woning gelijk of lager aan de ambitiewaarde van 48 dB. De geluidbelasting t.g.v. verkeerslawaai op de verdieping bedraagt maximaal 50 dB en is hoger dan de ambitiewaarde van 48 dB maar lager dan de maximaal hogere grenswaarde van 58 dB.

De maatregelen die voor de woning getroffen dienen te worden om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen, ontmoeten overwegende bezwaren van stedebouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Daarom moet een procedure hogere grenswaarden worden doorlopen. De ontheffingsgrond om hogere waarde te verlenen bestaat uit het feit dat de nieuwe woning ter plaatse gesitueerd wordt ter vervanging van de bestaande bebouwing.

In alle gevallen waarin ontheffing wordt verleend, worden eisen gesteld aan het binnenniveau en de indeling van de woning. De binnenwaarde, waaraan bij het realiseren van de nieuwe woning zal moeten worden voldaan, bedraagt 33 dB. Dit is met de te nemen maatregelen goed mogelijk en dit zal bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden aangetoond. Het wijzigingsplan is hiermee uitvoerbaar op het gebied van geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De geuremissies per dier zijn vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De geuremissie per dier is uitgedrukt in European odour units per tijdseenheid.

De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstand dieren').

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden er voor veehouderijbedrijven afstanden die in het kader van de milieuvergunningverlening moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en woningen. Niet vergunningplichtige bedrijven dienen te voldoen aan het bepaalde in het Activiteitenbesluit, paragraaf 3.5.8. Voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom geldt in beide gevallen een afstand van 50 meter. Voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

Planspecifiek

In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gesitueerd. Deze bedrijven liggen echter op een minimale afstand van 80 meter van het plangebied. Bovendien worden deze agrarische bedrijven al beperkt door woningen die dichter bij deze bedrijven zijn gelegen. Hiermee kan gesteld worden dat het initiatief uitvoerbaar is op het gebied van geurhinder.

4.1.5 Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek

In de omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gevestigd. De agrarische bedrijven, die milieuhinder in de vorm van geur veroorzaken, zijn in de vorige paragraaf reeds aan de orde geweest. Verder is het bedrijf op de locatie Kattendijk 93 van belang. Dit betreft een installatiebedrijf met een richtafstand van 30 meter. Dit bedrijf ligt echter op een grotere afstand van het plangebied en veroorzaakt geen milieuhinder. Het wijzigingsplan wordt op het gebied van milieuhinder uitvoerbaar geacht.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR).

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0008.png"  
Uitsnede risicokaart  

Op de risicokaart is te zien dat er zich in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijfsinrichtingen bevinden die risico opleveren voor het initiatief. Wel wordt de Hollandsche Ijssel gebruikt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De intensiteit is echter niet zodanig dat dit op de risicokaart is aangegeven. Verder is er op de risicokaart een aardgasleiding te zien (rood gestippelde lijn), maar die ligt op ruime afstand (ca. 400 m) van het plangebied. Wel ligt het plangebied binnen de 1% lethaliteitszone van deze leiding. Gezien de doelgroep van de woning (geen grote groepen) en de relatief grote afstand tot de leiding, kan gesteld worden dat de risico's gering zijn en geen problemen opleveren. Ook is er een kleine kans op overstroming, maar dat geldt in het algemeen voor de gehele, laaggelegen Krimpenerwaard. Het wijzigingsplan is hiermee uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

4.1.7 Provinciaal milieubelang

De provincie Zuid-Holland heeft in de Provinciale Structuurvisie en in de Provinciale Milieuverordening vier provinciale milieubelangen benoemd. Onderstaand wordt de relevantie per provinciaal milieubelang beschreven:

  • Bescherming van stiltegebieden

Het stiltegebied ligt Krimpenerwaard – Alblasserwaard ligt op ruim één km afstand van het plangebied. Aangezien het niet te verwachten is dat de voorgenomen ontwikkeling extra geluidsemissie van enige omvang veroorzaakt, zijn geen effecten op het stiltegebied te verwachten.

  • Windenergie stimuleren
    De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens conform de Provinciale Structuurvisie.
  • Beschermen bedrijventerreinen voor HMC-bedrijven

De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde.

  • Beschermen van grote groepen mensen

De voorgenomen ontwikkeling is gelegen in het invloedsgebied van een EV-relevante risicobron. Omdat het invloedsgebied de 1% lethaliteitszone is en de ontwikkeling niet beoogt grote groepen mensen aan te trekken, is er geen grote stijging van het groepsrisico te verwachten.

De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de provinciale milieubelangen.

4.2 Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

Planspecifiek

In onderhavig initiatief is sprake van het vervangen van een bestaande woning. Het verhard oppervlak neemt daarbij per saldo slechts in zeer geringe mate toe. In overleg met het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard zullen passende maatregelen worden getroffen om de toename aan verharding te compenseren.

Aan het dijkprofiel van de Kattendijk zijn geen veranderingen voorzien. De bestaande oprit blijft gehandhaafd. De vigerende beschermingszones uit het moederplan blijven van kracht.

Het concept van het wijzigingsplan is voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard. Zij stelt in haar reactie dat het heeft geen nadelige invloed heeft op het watersysteem. Er zijn in het gebied geen bijzondere waterhuishoudkundige belangen. Het hoogheemraadschap heeft daarom geen bezwaar tegen de vaststelling van het plan. Verder is aangegeven dat de waterkeringszone van de waterkering moet worden opgenomen en dat het niet wenselijk is uitloogbare materialen te gebruiken. Dit laatste is het geval. Voor wat betreft de waterkeringszone is aangegeven dat de in het moederplan aangegeven waterkeringszone van toepassing is.

Gezien de reactie is het plan uitvoerbaar op het aspect water.

4.3 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. In onderhavig initiatief gaat het om het vervangen van één woning. Er is daarmee geen sprake van een verkeerstoename. De bestaande inrit en oprit naar de dijk blijven gehandhaafd. Verder wordt er op eigen terrein geparkeerd (er is hier ruimte voldoende aanwezig).

4.4 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.

Gebiedsbescherming

De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:

  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.

Naast deze drie soorten gebieden is de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website synbiosys.alterra.nl/natura2000 geraadpleegd. Onderstaand een screenshot van die website waarbij alle raadpleegbare gebieden zijn 'aangevinkt'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1504BG004-VG01_0009.png"  
Uitsnede gebiedsbescherming met Nationaal Langschap (oranje) en ecologische hoofdstructuur (groen)  

In de afbeelding is de te zien dat het plangebied zich bevindt in het Nationaal Landschap Groene Hart. Tevens is te zien dat de Hollandse IJssel deel uit maakt van de ecologische hoofdstructuur. Het initiatief, het vervangen van één woning, heeft echter een zeer beperkt ruimtelijk effect. Effecten op de beschermde gebieden zijn daarom uit te sluiten.

Qua soortenbescherming valt op te merken dat de beoogde nieuwe woning gerealiseerd wordt in de tuin. Gelet op het intensieve gebruik als tuin worden geen bijzondere plant- en diersoorten verwacht. De bestaande woning wordt dagelijks gebruikt als berging. In de muren en het dak van deze woning zijn geen gevelopeningen aanwezig die gelegenheid bieden voor het in- en uitvliegen van beschermde diersoorten.

Voor wat betreft het bouwplan van de beoogde woning zal, bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen, in kaart worden gebracht wat de effecten zijn op ecologisch vlak. Dit is afgestemd met de gemeente en hierop zal t.z.t. worden getoetst. Onderhavig wijzigingsplan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van ecologie.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.

Archeologie

Archeologie gaat over de (verwachte) cultuurhistorische waarde in de bodem. Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.

Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.

Planspecifiek

De te slopen woning heeft geen cultuurhistorische waarde. De nieuw te bouwen woning zal worden gerealiseerd achter deze woning, maar blijft ruimtelijk gezien onderdeel uitmaken van de bestaande lintbebouwing. Het ruimtelijk beeld van de cultuurhistorisch waardevolle Kattendijk blijft hiermee in stand.

Om te onderzoeken of er zich in de bodem van het plangebied archeologische restanten bevinden, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij dit wijzigingsplan gevoegd. Het onderzoek is reeds in 2007 uitgevoerd. Sinds die tijd is het gebruik van de gronden niet gewijzigd en is de bodem niet geroerd. Uit het onderzoek blijkt dat de kans dat er nog intacte archeologische resten uit de ontginningsperiode aanwezig zijn op het voormalige maaiveld (nu 0,9 m -mv) klein is. Voor eventuele resten uit vroegere perioden is binnen de geboorde diepte van 6,0 m - mv is geen potentieel archeologisch kansrijke laag aangetroffen. De resultaten van het archeologisch onderzoek staan uitvoering van onderhavig initiatief niet in de weg. Ook de omgevingsdienst heeft in haar reactie aangegeven dat er verder geen redenen van archeologische aard zijn die een beletsel of beperking vormen ten aanzien van de beoogde bouwplannen op de locatie.

De uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan op het gebied van cultuurhistorie en archeologie is, gezien de hiervoor beschreven resultaten, aangetoond.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan of wijzigingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

Tussen initiatiefnemer en gemeente wordt een overeenkomst gesloten, waarmee de kosten anderszins verzekerd zijn. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid zeker gesteld.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Voor het wijzigingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het wijzigingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.

5.2 Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.

Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.

Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.4 Wijze van bestemmen

Voorliggend wijzigingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • Wonen, waarbij de woonfunctie wordt neergelegd;

Het onderhavig wijzigingsplan vormt geen nieuw plan maar treedt in de plaats van (een deel van) het vigerende bestemmingsplan. Het maakt derhalve deel uit van het bestemmingsplan "Kattendijk". In de regels is bepaald dat de planregels van het vigerende bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing blijven. Dit geldt dus ook voor alle in het plangebied gelegen dubbelbestemmingen, zoals de dubbelbestemmingen "Leiding - Leidingstrook", "Waarde - Archeologie" en "Waterstaat - Waterkering". Conform het SVBP 2012 is een externe referentie aangebracht naar het 'moederplan', de regels zijn als bijlage opgenomen.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

Op dit wijzigingsplan is de Wro van toepassing en gelden daarom ten aanzien van de te volgen procedure de onderstaande regels. Op een ontwerp - wijzigingsplan is, ingevolge de artikel 3.9a, Wro, de Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.

Het ontwerp - wijzigingsplan ligt gedurende zes weken ter inzage en is digitaal raadpleegbaar via RO-Online (www.ruimtelijkeplannen.nl). Gedurende de periode van ter inzage legging kunnen belanghebbenden zienswijzen indienen bij burgemeester en wethouders.

Binnen acht weken na afloop van de zienswijzentermijn, nemen burgemeester en wethouders een besluit omtrent de wijziging. De kennisgeving van het besluit tot vaststelling van de wijziging geschiedt langs elektronische weg. Tegen een besluit omtrent vaststelling staat rechtsreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn om beroep in te dienen vangt aan met ingang van de dag dat het vaststellingsbesluit ter inzage is gelegd.