direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Parkeerkoffer Kerkweg Berkenwoude
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Kerkweg in Berkenwoude wordt op dit moment een nieuwe woningbouwlocatie ontwikkeld. De gemeente Krimpenerwaard wil, ter hoogte van deze woningbouwlocatie, aan de overzijde van de Kerkweg een openbare parkeerkoffer bestaande uit 10 parkeerplaatsen realiseren. Deze 10 parkeerplaatsen zijn extra  op verzoek van de nieuwe bewoners en de bestaande bewoners in de omgeving, om de parkeerdruk bij pieken op te kunnen vangen. Om de aanleg van de 10 parkeerplaatsen mogelijk te maken, wordt tevens de bestaande toegangsweg verbreed en verhard.

De gemeente Krimpenerwaard wil medewerking verlenen aan deze ontwikkeling door de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 30.11.1 van het geldende bestemmingsplan 'Dorpsgebied' toe te passen.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Kerkweg, ten westen van huisnummer 104. De locatie ligt globaal gezien ten noordwesten van het dorp Berkenwoude. Berkenwoude ligt ten noordwesten van Bergambacht en ten noordoosten van Ouderkerk aan den IJssel. De begrenzing van het plangebied word gevormd door de Kerkweg en naburige perceelsgrenzen. Zie figuur 1.1 voor een uitsnede van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: Bing Maps)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het op 25 oktober 2011 vastgestelde bestemmingsplan 'Dorpsgebied' . Zie figuur 1.2 voor een uitsnede van de vigerende plankaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingplan met in rood het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het perceel heeft de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met de functieaanduiding 'speelvoorziening'. De aanduiding bepaalt dat ter plaatse (uitsluitend) een terrein met speelvoorzieningen zoals een trapveld, een speeltuin of een skatebaan is toegestaan. Verder ligt de gebiedsaanduiding 'Wro-zone - wijzigingsgebied 10' op het perceel. Ter plaatse van deze aanduiding kan het plan onder voorwaarden gewijzigd worden in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van de bouw van 10 woningen met bijbehorende parkeervoorzieningen. Tevens kan ter plaatse van deze aanduiding het plan onder voorwaarden gewijzigd worden in de bestemming 'Verkeer' ten behoeve van de aanleg van een parkeerterrein.

Het vigerende bestemmingsplan gaat uit van een recreatiebestemming waarbinnen alleen het parkeren

ten behoeve van de hoofdfunctie toegestaan is. Openbaar parkeren is hiermee in strijd.

1.4 Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd:

  • hoofdstuk 2: Bestaande en beoogde situatie;
  • hoofdstuk 3: Ruimtelijke beleidskaders;
  • hoofdstuk 4: Sectorale onderzoeken naar de milieuaspecten;
  • hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving;
  • hoofdstuk 6: Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Bestaande en beoogde situatie

In dit hoofdstuk wordt de bestaande en beoogde situatie beschreven.

2.1 Bestaande situatie

In het geldende bestemmingsplan is het perceel bestemd ten behoeve van speelvoorzieningen zoals een speeltuin of trapveld. In de bestaande situatie is er een half verharde toegangsweg met inrit aanwezig. Tevens wordt er tijdelijk geparkeerd voor ten behoeve van het aan de overzijde van de Kerkweg gelegen bouwterrein. Het plangebied biedt toegang tot het naastgelegen speelterrein en verbindt aan de noordzijde het perceel met een kavel in gebruik voor agrarische doeleinden. Naast het plangebied ligt een dierenweide. Zie figuur 2.1 voor een impressie van de huidige situatie van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0003.jpg"

Figuur 2.1 De huidige situatie van het plangebied

Het plangebied wordt ontsloten door de Kerkweg. De Kerkweg is de centrale weg door het dorp Berkenwoude en loopt verder in noordwestelijke richting naar het buitengebied. In de directe omgeving zijn twee-onder-één kap en vrijstaande woningen aanwezig. Aan de overzijde van het plangebied wordt een woningbouwlocatie van 10 woningen ontwikkeld.

2.2 Beoogde situatie

De gemeente Krimpenerwaard is voornemens de bestaande toegangsweg te verbreden en verharden en een parkeerkoffer aan te leggen voor de realisatie van 10 parkeerplaatsen. Zie figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0004.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0005.jpg"

Figuur 2.2 De beoogde situatie van het plangebied (bron: TBK)

Deze 10 parkeerplaatsen zijn extra op verzoek van de nieuwe bewoners en de bestaande bewoners in de omgeving, om de parkeerdruk bij pieken op te kunnen vangen. Het parkeerterrein krijgt een openbaar karakter. Zowel het parkeerterrein als de toegangsweg worden uitgevoerd in rode betonstraatstenen. De parkeerkoffer wordt in de omgeving ingepast middels een haag die het parkeerterrein omzoomd.

2.3 Wijzigingsbevoegdheid

De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 30.11.1 van het vigerende bestemmingsplan 'Dorpsgebied'. De wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:

Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding 'Wro-zone - wijzigingsgebied 10' het plan wijzigen naar de bestemming 'Verkeer' ten behoeve van de aanleg van een parkeerterrein, met dien verstande dat indien de toename aan verhard oppervlak meer dan 250 m² bedraagt, wordt 10% van de toename aan verhard oppervlak gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater.

Toetsing aan de wijzigingsregel

De voorgenomen ontwikkeling betreft de aanleg van een parkeerterrein voor 10 parkeerplaatsen. Hiervoor de passende bestemming 'Verkeer' opgenomen. Ten gevolg van de ontwikkeling wordt er circa 300 m2 aan verharding gerealiseerd. De wijze waarop de voorgeschreven watercompensatie plaatsvindt, is beschreven in paragraaf 4.11.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past binnen de wijzigingsregels zoals geformuleerd in het bestemmingsplan 'Dorpsgebied'. Na wijziging zijn de regels van het bestemmingsplan 'Dorpsgebied' overeenkomstig van toepassing.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijke beleidskaders

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk vindt toetsing aan een deel van het beleid van rijk, provincie en gemeente plaats. Vanwege de beperkte omvang van dit wijzigingsplan en het feit dat dit plan onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan 'Dorpsgebied', is geen volledig overzicht gemaakt van het beleid waaraan wordt getoetst. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de toelichting van dit bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het beleid van Rijk, provincie en gemeente de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan niet in de weg staat

3.2 Rijksbeleid

Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de meest bepalende beleidsdocumenten.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • de voorgenomen stedelijke ontwikkeling moet voorzien in een actuele regionale behoefte;
  • in die behoefte moet bij voorkeur binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • als dat niet mogelijk is, dan moet worden gekozen voor een locatie die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten is kan worden gemaakt.

Toetsing

De aanleg van een parkeerplaats wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling ex 3.1.6 lid 2 Bro. Wanneer dit wel zo zou zijn, dan is er sprake van een actuele behoefte die in het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) (zie paragraaf 3.3) wordt opgelost.

De voorgenomen ontwikkeling past dus binnen het gestelde in de ladder voor duurzame verstedelijking.

Voor het overige richt het Rijksbeleid zich op een dusdanig schaalniveau dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor de betreffende ontwikkeling. Het rijksbeleid staat de uitvoering van het project niet in de weg.

3.3 Provinciaal beleid

Op provinciaal niveau zijn de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland van toepassing.

Visie Ruimte en Mobiliteit

De ‘Visie Ruimte en Mobiliteit’ (VRM), door Provinciale Staten vastgesteld op 9 juli 2014 en op 1 augustus 2014 in werking getreden, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. De VRM bestaat uit verschillende documenten waaronder de Verordening Ruimte 2014, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. De provincie kiest ervoor om stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied te concentreren. Hiermee wordt de leefkwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Het plangebied is op de visiekaart 'beter benutten bebouwde ruimte' gelegen in het zogenaamde 'bestaand stads- en dorpsgebied' (BSD). Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moeten nieuwe stedelijke ontwikkelingen primair plaatsvinden binnen het BSD. Zie figuur 3.1 voor een uitsnede van de visiekaart ter plaatse van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0006.jpg"

Figuur 3.1 Uitsnede visiekaart (bron: Provincie Zuid-Holland)

Toetsing

Het plangebied valt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Zodoende staat de provinciale structuurvisie de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Provinciale Verordening Ruimte 2014

Het tweede relevante provinciale beleid is de Verordening Ruimte 2014, die voortvloeit uit de Visie Ruimte en Mobiliteit. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling heeft geen directe relatie met voorgenoemde verordening. Alleen de relatie tot het bestaand stads- en dorpsgebied is relevant, wat reeds behandeld is. Het plan voldoet dus aan het gestelde in de provinciale verordening.

3.4 Gemeentelijk beleid

De gemeente Krimpenerwaard bestaat sinds 1 januari 2015. Deze gemeente is een samenvoeging van de voormalige gemeenten Nederlek, Ouderkerk, Vlist, Bergambacht en Schoonhoven. De gemeente Krimpenerwaard heeft zelf nog geen structuurvisie vastgesteld. Voordat de nieuwe gemeente een feit was, werd de werknaam K5-gemeenten gehanteerd.

Structuurvisie K5-gemeenten (2009)

Voor de K5 gemeenten is wel een structuurvisie opgesteld in 2009. De centrale opgave voor de K5 is het voeren van een evenwichtige koers in het spanningsveld tussen behoud van de grote omgevingskwaliteiten van de Krimpenerwaard en het waarborgen van een vitale en leefbare regio. De belangrijkste gehanteerde uitgangspunten zijn daarbij leefbaarheid, bereikbaarheid van voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in de eigen woningbehoefte te voorzien.

Structuurvisie Bergambacht (2008)

Ook voor de gemeente Bergambacht is eerder een structuurvisie vastgesteld. In de structuurvisie 'Beleef Bergambacht' staan de gewenste en mogelijke ontwikkelingen voor de komende jaren binnen de gemeente beschreven. Algemene doelstelling van de structuurvisie is het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening binnen de gemeente. Figuur 3.2 geeft een uitsnede van de bij de structuurvisie behorende kaart weer, ter plaatse van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0007.jpg"

Figuur 3.2 Structuurvisie 'Beleef Bergambacht'

Het perceel is aangemerkt als 'bouwen in lage dichtheid' en wordt expliciet genoemd in de structuurvisie: (4) 'Ontwikkelingslocaties aan de Kerkweg, kunstgrasvoetbalveld gecombineerd met speelveld'. Het realiseren van een parkeerkoffer ten behoeve van de bouw van woningen in lage dichtheid is in overeenstemming met de gemeentelijke structuurvisie.

Toetsing

In de gemeentelijke structuurvisie 'Beleef Bergambacht' wordt de aanleg van parkeervoorzieningen ten behoeve van nieuwbouw in lage dichtheid ter hoogte van de locatie aan de Kerkweg expliciet genoemd als een gewenste en te verwezenlijken ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee in de gestelde beleidskaders op gemeentelijk niveau.

Hoofdstuk 4 Sectorale onderzoeken

4.1 Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit wijzigingsplan relevant zijn.

4.2 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

De ontwikkeling betreft de aanleg van een parkeerkoffer op gronden die nu gebruikt worden als toegangsweg en zitvoorziening voor het naastgelegen speelveld. Een parkeerkoffer is een niet-gevoelige functie, er is geen sprake van langdurig verblijf door personen. Bovendien is er op basis van het gebruik in het verleden (speelterrein) geen aanleiding om te veronderstellen dat de bodem vervuild is. Er zijn recent geen bodemvervuilende activiteiten uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Op basis hiervan kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg staat. Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Archeologie

Toetsingskader

Ten aanzien van archeologische resten in de bodem is de Monumentenwet van toepassing. Deze wet regelt onder andere dat er in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt.

Onderzoek

De archeologische (verwachtings)waarden zijn in beeld gebracht aan de hand van de archeologische beleidsadvieskaart van de voormalige gemeente Bergambacht, welke is vastgesteld op 6 september 2011. Ter hoogte van het plangebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde en gelden geen voorschriften. Een inventariserend onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Zie figuur 4.1 voor een uitsnede van de beleidsadvieskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0008.png"

Figuur 4.1 archeologische beleidsadvieskaart gemeente Bergambacht (bron: RAAP Archeologisch Adviesbureau BV)

Conclusie

Het aspect archeologie staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Uit de professionele risicokaart blijkt dat er in de directe en daarmee relevante omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig zijn. Daarnaast vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of door buisleidingen. Daarnaast is een parkeerkoffer is in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen geen (beperkt) kwetsbaar object. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.5 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
Stikstofdioxide (NO2)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  Uurgemiddelde concentratie   Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³  
Fijn stof (PM10)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³  
Fijn stof (PM2,5)   Jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.

Onderzoek

Ondanks het openbare karakter van de parkeerkoffer worden geen extra verkeersstromen voorzien (zie paragraaf 4.9). Hierdoor is er geen sprake van een effect op de luchtkwaliteit. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De maatgevende weg betreft de Kerkweg, direct grenzend aan het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 20,2 µg/m³ voor NO2, 22,4 µg/m³ voor PM10 en 14,3 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 11. Voor 2020 geldt dat eveneens ruimschoots aan de normen uit de Wet Milieubeheer voldaan wordt.

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar leefmilieu ter plaatse.

4.6 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven of andere milieuhinderlijke functies in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). De in deze publicatie gehanteerde richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd.

Onderzoek en conclusie

Doordat het parkeerterrein een openbaar karakter heeft is deze onderdeel van de openbare weg. Hierdoor is toetsing niet noodzakelijk. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.7 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • c. defensiebrandstoffen;
  • d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Onderzoek en conclusie

Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden in of op relevante afstand van het plangebied aanwezig. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.8 Ecologie

Toetsingskader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Gebiedsbescherming

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn Natura 2000-gebieden (Habitat- en/of Vogelrichtlijngebieden), natuurmonumenten en landschapsgezichten beschermd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen moet worden onderzocht of dit effect heeft op de beschermde natuurgebieden. De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voormalig EHS), alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de Verordening ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van het NNN of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen moet worden onderzocht of dit effect heeft op de beschermde natuurgebieden hoe er compensatie moet plaatsvinden wanneer er effecten optreden.

Soortenbescherming

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dieren plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken.

Huidige situatie

Het plangebied ligt ten noorden van de Kerkweg te Berkenwoude. Het betreft een terrein begroeid met gras, waarop een half verharde toegangsweg met inrit gelegen is en een zitvoorziening staat. Het plangebied biedt toegang tot het naastgelegen speelterrein en verbindt aan de noordzijde het perceel met een kavel in gebruik voor agrarische doeleinden. Naast het plangebied ligt een dierenweide.

Beoogde situatie

De ontwikkeling betreft de aanleg van een openbare parkeerkoffer bestaande uit 10 parkeerplaatsen inclusief het verbreden en verharden van de bestaande toegangsweg.

In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op circa 40 meter van het plangebied is wel een gebied aanwezig dat onderdeel is van de Ecologische Hoofdstructuur. Daarnaast grenst het plangebied aan een belangrijk weidevogelgebeid. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Boezemse Kinderdijk en ligt circa 7,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Vanwege de ruime afstand kunnen effecten als aereaalverlies, versnippering, verstoring en verandering van de waterhuishouding op voorhand worden uitgesloten. Door de ontwikkeling van het parkeerterrein worden geen extra verkeersstromen voorzien, zodat tevens geen sprake is van een toename van stikstofdepositie in natuurgebieden. Significant negatieve effecten worden dan ook uitgesloten. De relatief kleinschalige ontwikkeling in de lintbebouwing van de Kerkweg is tevens niet van invloed op het functioneren van de EHS en het weidevogelgebied. De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl) waarin de waarnemingen zijn aangegeven.

Er zijn, omdat de locatie hoofdzakelijk uit grasland met een half verharde weg bestaat, geen matig of zwaar beschermde soorten te verwachten op de projectlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied, het plangebied voldoet hier niet aan. In het gebied zullen wel licht beschermde soorten (tabel 1) , zoals mol, egel en veldmuis aanwezig zijn.

De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).

Gezien de bovenstaande conclusies staat de Flora- en faunawet, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.9 Verkeer

Toetsingskader

De verkeersgeneratie van een ontwikkeling wordt bepaald op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). De parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen wordt bepaald op basis van parkeernormen die door de gemeente zijn vastgesteld. In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 10 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden aanvullend op de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen, welke in de eigen parkeerbehoefte voorzien, aan de overzijde gerealiseerd. De realisatie van deze extra parkeerplaatsen hangt samen met een hoge parkeerdruk op en rond de Kerkweg. Deze parkeerdruk treedt met name op piekmomenten op. Om deze piekbehoefte op een goede en verkeersveilige wijze op te vangen, worden de extra parkeerplaatsen gerealiseerd.

Onderzoek

Verkeersstructuur

Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Kerkweg, de verbindingsweg van en naar het buitengebied van Berkenwoude. De Kerkweg is gecategoriseerd als erftoegangsweg met binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 30 km/h en buiten de bebouwde kom van 60 km/h. Het langzaam verkeer wordt conform de inrichting volgens Duurzaam Veilig gemengd / via fietssuggestiestroken afgewikkeld. In de directe nabijheid van het plangebied is geen openbaar vervoer aanwezig. De parkeerweg die de parkeerplaatsen ontsluit naar de Kerkweg zal conform de geldende richtlijnen van het CROW worden verbreed, zodat de parkeerplaatsen op een goede manier bereikbaar zijn.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

Voor de bouw van de woningen aan de overzijde van de Kerkstraat is indertijd berekend dat dit zou leiden tot een gering aandeel extra verkeer op de Kerkweg (circa 67 mvt/etmaal). De nieuwe parkeerplaatsen zullen niet leiden tot een verdere toename van het aantal verkeersbewegingen, omdat de voertuigen al in het gebied aanwezig zijn. De parkeerplaatsen worden aangelegd om de bestaande parkeerdruk op een betere manier te faciliteren. De ontwikkeling zal dan ook niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling.

Conclusie

De bereikbaarheid van het plangebied voor het gemotoriseerd en langzaam verkeer is goed te noemen. De aanleg van de parkeerkoffer inclusief het verharden en verbreden van de inrit zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling. Het aspect verkeer staat de realisatie dan ook niet in de weg.

4.10 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor geluidsgevoelige functies, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging.

Onderzoek

Het terrein wordt ontsloten via een inrit die aansluit op de Kerkweg. Omdat de inrit reeds bestaat, is er geen sprake van een fysieke aanpassing aan een bestaande weg, waardoor reconstructieonderzoek achterwege kan blijven. Bovendien is de Kerkstraat ter hoogte van het plangebied een 30 km/h-weg, welke op grond van de Wet geluidhinder niet gezoneerd is.

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai staat de realisatie van een parkeerkoffer niet in de weg.

4.11 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. Deze is uitgevoerd op 05 oktober 2015. Op basis hiervan heeft het Hoogheemraadschap een positief wateradvies gegeven.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Provinciale Structuurvisie;
  • Verordening Ruimte.

Hoogheemraadschapsbeleid

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2010-2015, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen.

De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:

  • het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;
  • de waterkwaliteit voldoet ten minste aan de algemene milieukwaliteitseisen;
  • het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd;
  • het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

Voor ontwikkelingen is het waterbeheerplan van HHSK 2010 - 2015 van het Hoogheemraadschap van belang. Ontwikkelingen gaan vaak gepaard met een toename van het verharde oppervlak. In het waterbeheerplan van HHSK 2010 - 2015 is beschreven hoe het Hoogheemraadschap omgaat met het bergen van oppervlaktewater bij een toenemende verharding van het oppervlak. In zijn algemeenheid geldt verder dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van overstorten, van de hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater, het dempen en aanleggen van water en het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur maakt het mogelijk dat het Hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland met een half verharde toegangsweg. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied Stolwijk en Berkenwoude met een waterpeil van -2,23 m t.o.v. NAP.

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem in het plangebied uit veengrond. Er is sprake van grondwater trap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld.

Waterkwantiteit

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Grenzend aan het plangebied is een watergang aanwezig.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Binnen het plangebied is geen KRW-waterlichaam gelegen.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is in de huidige situatie niet aangesloten op een rioolstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

Ten gevolg van de ontwikkeling wordt er circa 300 m2 aan verharding gerealiseerd. Conform de eisen van het waterschap dient bij de realisatie van extra verharding van meer dan 500 m2, tien procent van het nieuw aan te brengen verhard oppervlak gecompenseerd te worden door middel van het aanleggen van nieuw oppervlaktewater. De ontwikkeling voldoet aan deze bepaling. Echter, er wordt gebruik gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan 'Dorpsgebied'. Voorwaarde voor toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid is dat indien de toename aan verhard oppervlak meer dan 250 m² bedraagt, 10% van de toename aan verhard oppervlak gecompenseerd moet worden in de vorm van nieuw oppervlaktewater. Aangezien de verharding toeneemt met 300 m2 dient 30 m2 extra open water gerealiseerd te worden. Naast de 30 m2 voor de parkeerkoffer wordt ook een oppervlakte van 94 m2 aan extra open water gerealiseerd ter compensatie van de woningbouwontwikkeling aan de overzijde van de parkeerkoffer. De totale oppervlakte van 124 m2 aan waterberging wordt gerealiseerd ten noorden van het plangebied parallel aan de sloot. De ligging is in onderstaande figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW1503DK004-VG01_0009.jpg"

Figuur 4.2 Locatie watercompensatie (bron: gemeente Krimpenerwaard)

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in)filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In het vigerende bestemmingsplan 'Dorpsgebied' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Op basis van deze bevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen door middel van een wijzigingsbesluit indien aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. In de volgende paragraaf wordt uiteengezet welke regels op het plangebied van het wijzigingsbesluit van toepassing zijn.

5.2 Vigerend bestemmingsplan

Dit wijzigingsplan maakt, na inwerkingtreding, onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Dorpsgebied'. Als gevolg van het wijzigingsbesluit zijn de volgende artikelen uit het bestemmingsplan 'Dorpsgebied' op het plangebied van toepassing:

  • Hoofdstuk 1: inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: artikel 18 Verkeer;
  • Hoofdstuk 3: algemene regels;
  • Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels.

Verbeelding

Door middel van dit wijzigingsplan wijzigt het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met de functieaanduiding 'speelvoorziening' naar de bestemming 'Verkeer'. Na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan 'Dorpsgebied'.

Regels

De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan 'Dorpsgebied' met de bijbehorende bijlagen zijn onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan en zijn juridisch aan dit wijzigingsplan gekoppeld.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het wijzigingsplan, een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst.

De gronden in plangebied zijn volledig in eigendom van de gemeente Krimpenerwaard. Het kostenverhaal is verzekerd via de gronduitgifte van de aan de overzijde van de weg gelegen woonkavels.

Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het wijzigingsplan economisch uitvoerbaar is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerp wijzigingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard een positief wateradvies gegeven en daarmee geen bezwaren heeft tegen de uitvoering van de beoogde ontwikkeling. De provincie Zuid-Holland heeft geen reactie ingediend. Aangenomen wordt dat de provincie geen bezwaren heeft tegen het voornemen.