Type plan: uitwerkingsplan
Naam van het plan: Schoonhoven Centrum Noord blok 10
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1931.BPU1909DK017-VG01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Gemeente Schoonhoven en woningbouwcorporatie Qua Wonen zijn een vernieuwingsopgave in Schoonhoven Noord uit aan het voeren. De komende jaren worden in Schoonhoven Noord 240 woningen gesloopt en nieuw gebouwd. De nieuwe woningen zijn ruimer, energiezuiniger en beter afgestemd op de bestaande vraag van mensen die in de wijk wonen: gezinnen, starters en senioren. Er komen eengezinswoningen, levensloopgeschikte woningen voor senioren, appartementen en duurdere huur- en koopwoningen. De sloop en de nieuwbouw gebeuren in fasen.
 
De ontwikkeling van Schoonhoven Noord tot woongebied met centrum is juridisch-planologisch verankerd in het bestemmingsplan 'Centrum Noord'. Dit bestemmingsplan bevat globale uit te werken bestemmingen, die voorzien in de ontwikkeling van onder meer woningen.
 
Voorliggend uitwerkingsplan plan is opgesteld om het woningbouwplan voor woonblok 10 in het centrumgebied van Schoonhoven Noord planologisch mogelijk te maken. Het woningbouwplan betreft een herontwikkelingsopgave van het centrumgebied naar twee woonblokken (blok 10a en blok 10b) met een totale ontwikkeling van 36 woningen. Om voorliggend plan mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van de uitwerkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan 'Centrum Noord'.
   
1.2 Juridische planbeschrijving
De ontwikkeling is, zoals reeds vermeld, als uitwerkingsbevoegdheid opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Centrum Noord'. Alvorens daadwerkelijk gebouwd kan worden is het noodzakelijk een uitwerkingsplan op te stellen en door het college van burgemeester en wethouders vast te laten stellen. Voorbereidende werkzaamheden zoals het voorbelasten van de gronden is wel mogelijk zonder dat het uitwerkingsplan van kracht is.
 
Voor de betrokken gronden geldt de bestemmingen 'Wonen - uit te werken' en 'Centrum - uit te werken'. In het voorliggende uitwerkingsplan wordt het stedenbouwkundig plan toegelicht en wordt gemotiveerd dat het plan voldoet aan de uitwerkingsregels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Centrum Noord'.
 
In artikel 6 'Centrum - uit te werken' en artikel 7 'Wonen - uit te werken' zijn de regels gegeven voor de uitwerkingsbevoegdheid. Er mag op de gronden uitsluitend gebouwd worden overeenkomstig het gestelde in deze artikelen. Voorliggend uitwerkingsplan wordt opgesteld op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening Wro en artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening.
 
Het uitwerkingsplan is een juridisch instrument en bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden vast van de gronden en opstallen en zijn juridisch bindend voor burger en overheid. Het voorliggend uitwerkingsplan is een op ontwikkeling gericht uitwerkingsplan. Doel van het plan is een bouwtitel voor de realisatie en het geven van richtlijnen voor het beheer.
 
De beleidskaders, zoals beschreven in het geldende bestemmingsplan 'Centrum Noord', zijn op voorliggend uitwerkingsplan van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de gestelde kaders van het rijk, provincie en gemeente. Ook voor de reeds uitgevoerde en beschreven milieuonderzoeken wordt gebruik gemaakt van de beschrijving in het bestemmingsplan 'Centrum Noord'.
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 komen de beschrijving van het plangebied en het voorgenomen initiatief aan de orde. Sinds de inwerkingtreding van het 'moeder'bestemmingsplan is er beleidsmatig veel veranderd. Daarom worden in hoofdstuk 3 enkele aanvullende beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid besproken. De toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de uitwerkingsregels wordt besproken in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van de geldende milieuwetgeving. Zoals gezegd in de vorige paragraaf wordt verwezen naar de reeds uitgevoerde en beschreven milieuonderzoeken in het globale 'moeder'bestemmingsplan Centrum Noord. Voorts wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven. Tot slot beschrijft hoofdstuk 7 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan.
2 Het initiatief
2.1 Huidige situatie
Het plangebied ligt aan de noordkant van het centrum van Schoonhoven, ten noorden van de provinciale weg N210. Het plangebied wordt globaal begrensd door de 's Heerenbergstraat aan de oostzijde, aan de zuidzijde door de Adam van Vianenstraat en aan de westzijde door de Edelsmidsdreef. De Zilversmidshof aan de noordzijde maakt ook onderdeel uit van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het gebied weer:
 
Luchtfoto met globale plangrens van het uitwerkingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 
 
De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit oudere woonbebouwing in rijtjes (’50-’70-er jaren woningen) van twee woonlagen met een pannendak. Het plangebied zelf bestaat uit een verouderd appartementencomplex met in totaal 38 appartementen. Navolgende afbeelding geeft een impressie weer van het appartementencomplex in de huidige situatie. 
 
Impressie huidige situatie woonblok 10
   
De wegen rondom het plangebied, waaronder de Adam van Vianenstraat zijn erftoegangswegen. Rondom het appartementencomplex zijn aan de oost-, zuid- en westzijde parkeerplaatsen aanwezig. De wijk wordt via de H.A. Schreuderstraat ontsloten op de Provincialeweg N210. De N210 vormt de verbindingsroute naar de omliggende kernen en de rijkswegen A2 en A16.
 
Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich het wijkwinkelcentrum van Schoonhoven-Noord. Dit winkelcentrum is een belangrijk gebied in de wijk. Het is het enige buurtcentrum in het noordwestelijke deel van Schoonhoven. Ook het Schoonhovens College bevindt zich in de nabijheid van het plangebied met een tweetal vestigingen: één ten noordoosten en één ten zuidwesten van het plangebied.
 
Afgaand op de slechte beoordeling van de woningvoorraad en woonomgeving door bewoners zelf, de sterke vergrijzing en de technische staat van de woningvoorraad, is een forse vernieuwingsslag passend in deze wijk.
 
2.2 Stedenbouwkundig plan
Met voorliggend initiatief wordt uitwerking gegeven aan de realisatie van de beoogde herontwikkeling en woningbouwopgave in het plangebied (woonblok 10).
 
De herontwikkeling van woonblok 10 maakt onderdeel uit van een groter herstructureringsplan in Schoonhoven-Noord zoals deze door QuaWonen en de gemeente Krimpenerwaard momenteel wordt uitgevoerd. Het Masterplan centrum Schoonhoven-Noord (vastgesteld op 2 oktober 2014 door de raad van de gemeente Schoonhoven) vormt de basis voor voor de herstructureringsplannen in Schoonhoven-Noord.
 
Binnen het plangebied van Schoonhoven-Noord wordt het bestaande woningbestand van QuaWonen 'verdund'. Specifiek voor onderhavig plangebied (woonblok 10) geldt dat de bestaande verouderde woningen (36 stuks) worden vervangen door nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen (36 stuks) die beter aansluiten op de huidige vraag. De nieuwe woningen zijn ruimer, energiezuiniger en passen beter bij de vraag van mensen die in de wijk wonen: gezinnen, starters en senioren. Op de navolgende afbeelding is het plangebied weergeven in relatie tot de totale vernieuwingsopgave in Schoonhoven Noord.
 
Ligging plangebied (woonblokken 10) binnen de totale vernieuwingsopgave in Schoonhoven Noord
   
Op de volgende afbeelding is een overzicht weergeven van de toekomstige inrichting van het gebied ter hoogte van woonblok 10:
 
Impressie herstructureringsopgave woonblokken 10
 
Programma
De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied betreft de realisatie van 36 appartementen met bijbehorende ontsluitingswegen en groengebieden. Ten zuiden van blok 10a is een parkeerplaats voorzien met ruimte voor circa 44 parkeerplaatsen in openbaar gebied (blauwe zone) ten behoeve van de zuidelijk gelegen supermarkt. Binnen de totale opgave is de volgende ontwikkeling voorzien:
 
ProgrammaAantal woningenType woningenBouwlagen
Blok 10a14appartementen4
Blok 10b22appartementen3
  
Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige uitwerking van de woonblokken. 
 
Impressie blok 10a - vanaf de Edelsmidsdreef
 
Impressie blok 10b - vanaf de 's-Heerenbergstraat
 
3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
 
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
 
Planspecifiek
Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met het Rijksbeleid.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
 
Planspecifiek
Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  • De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  • Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  • Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek  
Binnen het plangebied van Schoonhoven-Noord wordt het bestaande woningbestand van QuaWonen 'verdund'. Bestaande verouderde woningen worden vervangen door nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen die beter aansluiten op de huidige vraag. Er is geen wezenlijke toename van het aantal woningen. Er is zelfs een afname van het aantal woningen. Specifiek voor het plangebied (woonblokken 10) blijft het aantal appartementen gelijk ten opzichte van de huidige situatie. Planologisch gezien worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
 
Behoefte
Hoewel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zal de behoefte nader onderbouwd worden. Om de kwaliteit van het woningaanbod in Schoonhoven-Noord te bewaken is herstructurering noodzakelijk. De bestaande appartementen zijn verouderd en dienen te worden vervangen door nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen die beter aansluiten op de huidige vraag.  
De voorgenomen opgave om de woonblokken 10 te herstructureren is van oorsprong onderdeel van het initiatief van de gemeente Krimpenerwaard en QuaWonen om diverse woonblokken in het centrum van Schoonhoven Noord te vernieuwen, als onderdeel van de herstructureringsopgave in dit gebied. Afgaande op de slechte beoordeling van de woningvoorraad en woonomgeving door bewoners zelf, de sterke vergrijzing en de technische kwaliteit van de woningvoorraad, is een dermate forse vernieuwingsslag passend in deze wijk.
 
Bestaand stedelijk gebied 
Het voorliggende uitwerkingsplan voorziet in de herstructurering van de woonblokken 10 binnen bestaand stedelijk gebied: Schoonhoven-Noord. Met de nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande bebouwing, is er meer ruimte voor groen en krijgt het plangebied (woon- en centrumgebied Schoonhoven Noord) een kwaliteitsimpuls.
   
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Visie ruimte en mobiliteit
Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) - Actualisering 2018 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is de geconsolideerde versie in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.
 
De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:
  • beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • vergroten van de agglomeratiekracht;
  • verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. Onder planspecifiek wordt voor voorliggende ontwikkeling nader ingegaan op de hoofdstukken.
 
Planspecifiek
Aan de hand van voorgaande hoofdstukindeling wordt hiernavolgend de relatie tussen beoogde ontwikkeling en de VRM beschreven.
 
Mobiliteit en bebouwde ruimte
Om de bebouwde ruimte beter te laten benutten heeft de provincie het bestaand stads- en dorpsgebied en de linten in het buitengebied aangegeven en gesteld dat, in beginsel, hierbinnen de verstedelijking dient plaats te vinden. Het plangebied is geheel binnen het bestaande stads- en dorpsgebied gesitueerd. Daarmee draagt het voornemen om de verouderde appartementen te herontwikkelen naar 38 nieuwe, kwalitatieve appartementen met meer ruimte voor groen, bij aan de provinciale ambities met de bebouwde ruimte en ondersteunt de rode draad 'beter benutten en opwaarderen van wat er is'.
 
Ruimtelijke kwaliteit
De provincie stuurt middels een kwaliteitenkaart en gebiedsprofielen op de ruimtelijke kwaliteit. Voor dit bestaande stedelijk gebied worden nagenoeg geen richtinggevende uitspraken gedaan op deze kaarten. Met de herontwikkeling van de locatie is er wel sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Functioneel blijft de woonfunctie goed inpasbaar en ruimtelijk is er sprake van een kwaliteitsverbetering door het realiseren van nieuwe appartementen met meer ruimte en groen voor omwonenden. De nieuwe woningen zijn ruimer, energiezuiniger en beter afgestemd op de bestaande vraag van mensen die in de wijk wonen.
 
Conclusie
De ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied en binnen het aangewezen stad- en dorpsgebied. Er is sprake van herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied terwijl de openheid van het landelijk gebied wordt geconserveerd. De beoogde ontwikkeling past binnen de VRM en draagt bij aan de provinciale ambities met de bebouwde ruimte en ondersteunt de rode draad 'beter benutten en opwaarderen van wat er is'. Bovendien krijgt het plangebied (en uiteindelijk het centrumgebied van Schoonhoven Noord) een kwaliteitsimpuls. Daarmee vormt de VRM geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
3.2.2 Verordening Ruimte
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.
 
In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
  1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  2. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 2.1.1 van de verordening.
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 2.2.1 van de Verordening Ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  2. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
  3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.   
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van aanpassen (sub b), omdat de ontwikkeling onderdeel uitmaakt van een groter herstructureringsplan in Schoonhoven-Noord welke een wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur tot gevolg heeft. Het Masterplan centrum Schoonhoven-Noord vormt de basis voor de herstructureringsplannen in Schoonhoven-Noord. De bestaande verouderde woningen worden vervangen door nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen die beter aansluiten op de huidige vraag. Daarmee is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In het bestemmingsplan Centrum Noord is uitgebreid ingegaan op de totale herstructureringsopgave. Onderhavig uitwerkingsplan is slechts een onderdeel van het grotere herstructureringsplan. In toelichting paragraaf 3.2.1 is toegelicht dat er nagenoeg geen richtinggevende uitspraken gedaan op de kwaliteitskaart voor het bestaand stedelijk gebied.
 
Conclusie 
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Verordening ruimte 2014.
 
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Structuurvisie K5
Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Onder de noemer K5 hebben de voormalige gemeenten in 2009 de structuurvisie K5 opgesteld. In de structuurvisie streeft de K5 naar een vitale en leefbare regio, waar het voor iedereen prettig wonen is. De basis voor dit beleid is gelegd in de toekomstvisie ‘Perspectieven voor de Krimpenerwaard’. De intergemeentelijke structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de K5 tot 2020 weer met een doorkijk naar de lange termijn (2030). De structuurvisie bouwt voort op de beleidsnota’s die in K5-verband zijn opgesteld en op de afzonderlijke gemeentelijke ruimtelijke visies.
      
De belangrijkste gehanteerde uitgangspunten zijn leefbaarheid, bereikbaarheid van voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in de eigen woningbehoefte te voorzien. Dit is een gedifferentieerd woningbouwprogramma met minimaal migratiesaldo nul. In de kernen met een subregionale functie (Schoonhoven, Bergambacht en Lekkerkerk) zijn ook subregionale voorzieningen aanwezig zoals voortgezet onderwijs, bedrijvigheid en detailhandel. In de centrumdorpse woonmilieus staat instandhouding van de voorzieningen centraal.

Planspecifiek
De herstructurering van Schoonhoven-Noord Centrum past binnen de structuurvisie K5. Het plan komt de leefbaarheid van het plangebied ten goede en draagt bij aan een kwalitatief woningaanbod welke aansluit bij de wensen in de markt. 
 
3.3.2 Ruimtelijke agenda Midden Holland
Op 15 februari 2010 heeft het portefeuillehoudersoverleg Groene Hart, RO en Volkshuisvesting de Ruimtelijke Agenda Midden-Holland ‘Geslaagde kwaliteit in een vitale regio' vastgesteld. De ruimtelijke agenda is opgesteld in samenwerking met de portefeuillehoudersoverleggen Verkeer en Vervoer, Milieu en het Regionaal Economisch Overleg (REO).
Het heeft als doel het vormen van een integraal gezamenlijk beleid. De Randstedelijke ontwikkelingen in omringende regio’s, de samenwerking in de Zuidvleugel en het Groene Hart vragen om regionale afstemming en visie op de lange termijn. Vijf speerpunten geven de belangrijkste integrale thema’s weer, waaraan de 10 gemeenten in Midden-Holland samen werken:
  1. Verbetering van de noord-zuidverbinding door ontwikkeling van de N207-corridor
  2. Een regionaal programma ketenmobiliteit met een bijzondere functie voor de Gouweknoop
  3. Een regionaal programma voor verbeterde voorzieningen
  4. Een regionaal programma voor een gastvrij Midden-Holland, gekoppeld aan marketing van de regio
  5. Een regionaal fonds gekoppeld aan de doelen van de ruimtelijke agenda
Planspecifiek
Voor de Krimpenerwaard is opgemerkt dat kernenprofilering en instandhouding van voorzieningen in de kernen een belangrijke voorwaarde zijn om de leefbaarheid in dit deel van Midden-Holland te waarborgen. De herontwikkeling van Schoonhoven-Noord Centrum draagt bij aan subregionale functie die Schoonhoven heeft binnen de kernenprofilering en verbeterd de voorzieningen in het gebied.
 
3.3.3 Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019
In de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013 - 2019 (RAW) hebben de gemeenten in Midden-Holland vastgelegd hoe zij vorm willen geven aan de samenwerking rondom wonen. De samenwerkende gemeenten willen met de Regionale Agenda Wonen vooral vanuit een kwaliteitsambitie de regio Midden-Holland positioneren ten opzichte van omliggende regio’s en gemeenten.
 
Voor Midden-Holland is gekeken naar de groei van de bevolking, de verwachte groei van de woningvoorraad, sociale woningbouw en de behoefte aan woningen voor de komende tien jaar. Belangrijke stap die gemeenten met deze agenda maken is dat zij hun woningbouwprogramma voor de
periode tot en met 2019 aanzienlijk hebben teruggebracht. Gemeenten geven prioriteit aan financieel en maatschappelijk urgente projecten.
 
Belangrijk aspect om de samenwerking rond wonen verder vorm te geven is te starten met het uitwisselen van gegevens, zodat afstemming en bijsturing kan plaatsvinden. Gemeenten monitoren met elkaar door middel van een gezamenlijk systeem de voortgang van de woningproductie en het woningbouwprogramma. Een woningbouwprogramma is een flexibel instrument en geen blauwdruk. Bij wijzigende marktomstandigheden kan bijstelling van de afspraken plaatsvinden.
 
De Regionale Agenda Wonen Midden-Holland wordt momenteel verder uitgewerkt in een regionale woonvisie. In deze uitwerking is het project Centrum Noord ingebracht met een beperkte toename van circa 10 woningen.
 
Conclusie
Met de voorgenomen herontwikkeling van de woonblokken 10 blijft het aantal woningen gelijk ten opzichte van de huidige situatie. 
 
De herontwikkeling van woonblok 10 maakt onderdeel uit van een groter herstructureringsplan zoals deze door QuaWonen en de gemeente Krimpenerwaard momenteel wordt uitgevoerd in het centrumgebied van Schoonhoven Noord. Binnen het plangebied van Schoonhoven-Noord wordt het bestaande woningbestand van QuaWonen 'verdund'. Bestaande verouderde woningen worden vervangen door nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen die beter aansluiten op de huidige vraag. Er is geen wezenlijke toename van het aantal woningen. Omdat het aantal woningen in het plangebied gelijk blijft wordt voldaan aan het Regionale woonbeleid en de uitwerking hiervan in een regionale woonvisie.
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht
De 'Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht' is vastgesteld door de gemeenteraad in mei 2017. In de woonvisie verkent de gemeente wat voor de komende periode de woonopgave is binnen de gemeente en welke opgaven en ontwikkelingen de gemeente samen met bewoners en belanghouders wil gaan realiseren. De visie geeft een doorkijk tot 2030.      
De ambitie van de Krimpenerwaard is om organische groei te faciliteren waarbij recht wordt gedaan aan de toenemende en veranderende woonbehoefte, versterking van de fysiek-ruimtelijke structuur en het bouwen aan de vitaliteit van de kernen. De Krimpenerwaard heeft haar ambities geformuleerd in de notitie ‘Ambities voor een vitale en leefbare samenleving’. De basis hiervan zijn vier sterke programma’s, namelijk:
  • wonen, demografie en voorzieningen;
  • welzijn en zorg;
  • economie en infrastructuur, en
  • natuur, landbouw en buitengebied.
Deze programma’s worden ondersteund door gebiedspromotie, een sterke dienstverlening en inzet op duurzaamheid. Vijf inhoudelijke thema’s vormen de opgaven op het terrein van het wonen in de Krimpenerwaard:
  1. Positionering in de regio.
  2. Betaalbaar & beschikbaar.
  3. Duurzame gebouwde omgeving.
  4. Wonen-welzijn-zorg.
  5. Bouwen aan vitale kernen.
In het uitvoeringsprogramma is aangegeven wat de gemeente in de periode 2017-2020 gaat doen.
 
Planspecifiek
Voorliggend uitwerkingsplan maakt onderdeel uit van de herstructurering van Schoonhoven-Noord. Met deze herontwikkeling worden nieuwe appartementen gerealiseerd. Hiermee wordt voorzien in een breder aanbod van kwalitatief hoogwaardige woningen welke aansluiten bij de vraag vanuit de markt. Met de gehele planontwikkeling wordt niet voorzien in meer woningen dan nu aanwezig zijn in het woningbestand van QuaWonen. Het aantal woningen neemt af van 240 stuks naar 236 stuks. Specifiek voor onderhavig plangebied (woonblokken 10) blijft het aantal woningen gelijk ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee past de ontwikkeling binnen het gestelde in de woonvisie omrent de sociale huurmarkt en binnen het woningbouwprogramma uit de woonvisie.
  
3.4.2 Structuurplan 'Vitale stad in het Groene Hart'
Het structuurplan (2003) is tot stand gekomen vanuit de gemeentelijke wens om een actuele samenhangende visie op de ruimtelijke ontwikkelingen in Schoonhoven te formuleren. Bovendien wil de gemeente met het structuurplan voorkomen dat ruimtelijke plannen op ad hoc basis tot stand komen. Doel van het structuurplan is het opstellen van een strategische ruimtelijke visie voor het gemeentelijk grondgebied van Schoonhoven.
 
Het structuurbeeld 2015 is de huidige lobbenstructuur van de stad. De stad heeft vleugels in westelijke en oostelijke richting. Tussen deze vleugels of lobben dringt het groen de stad in tot aan de historische omwalling. Daardoor is het mogelijk vanuit de binnenstad het open buitengebied te beleven. Nieuwe bouwlocaties zijn daarom in eerste instantie gezocht binnen bestaand stedelijk gebied. Ter versterking van deze structuur gaat het plan uit van een groter contrast tussen de dichtbebouwde binnenstad, de groene ruimte en de suburbane wijken. Een intensivering van functies vindt plaats in de binnenstad, waar het naast detailhandel en horeca ook belangrijk is dat er ruimte is voor wonen, werken en voorzieningen. Waar ruimte vrijkomt in de overige delen van Schoonhoven wordt die zoveel mogelijk ingevuld met een woonfunctie. Mocht het nodig zijn dan kan onder andere Hofland Noord aangewend worden als uitbreidingslocaties.
 
In het structuurplan wordt geconcludeerd dat Schoonhoven wordt gekenmerkt door:
  • Afname aantal jongeren;
  • Afnemende gemiddelde huishoudensomvang;
  • Regionale ondervertegenwoordiging hoogste inkomens;
  • Concentratie van lagere inkomens;
  • Grote voorraad van minder gewenste woningtypen.
Uitsnede Structuurplan ontwikkelcapaciteit
 
Planspecifiek
In het Structuurplan staat het gebied om het winkelcentrum in Schoonhoven-Noord aangewezen als herstructureringsgebied. De voorgenomen plannen in Schoonhoven-Noord zijn opgesteld naar aanleiding van de structuurvisie en sluiten hier op aan. De herstructurering van woonblok 10 naar 36 nieuwe appartementen is derhalve niet in strijd met het gemeentelijk structuurplan.
 
4 Uitwerkingsregels bestemmingsplan 'Centrum - Noord'
4.1 Beschrijving bestemmingsregeling
De gronden in het plangebied vallen binnen het planologische regime van het bestemmingsplan 'Centrum Noord’, vastgesteld op 2 oktober 2014. De gronden hebben hierin de bestemmingen 'Centrum - uit te werken (artikel 6)' en 'Wonen - uit te werken (artikel 7)' . Naast deze bestemmingen rust op de gronden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 5 (artikel 8)' en 'Waarde - Cultuurhistorie 1 (artikel 9)'.  
 
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Centrum Noord met globale begrenzing uitwerkingsplan (rood)
 
Binnen de gehele bestemming 'Wonen - uit te werken' (inclusief woonblok 7) zijn maximaal 39 wooneenheden toegestaan. Binnen de bestemming 'Centrum - uit te werken' is dit aantal maximaal 15 ter hoogte van woonblok 10a. In het zuidelijk deel van de bestemming 'Centrum - uit te werken' zijn maximaal 10 wooneenheden toegestaan.
Parkeren is reeds toegestaan binnen de bestemmingen 'Centrum - uit  te werken', 'Groen', en 'Verkeer- verblijfsgebied'.
4.2 Toetsing artikel 6
Binnen de bestemming 'Centrum – uit te werken' zijn (in het plangebied), zoals opgenomen in artikel 6.1, de volgende functies toegestaan:
  1. detailhandel, met uitzondering van een supermarkt; 
  2. winkelondersteunende horeca uitsluitend in het noord oosten van het plangebied;
  3. woningen, waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan op de verbeelding nader aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden' (= 15 wooneenheden ter hoogte van woonblok 10a);
  4. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudelijke voorzieningen, nutsvoorzieningen, pleinen, (winkel-)straten en parkeervoorzieningen.
In de regels van het bestemmingsplan Centrum Noord zijn in hoofdstuk 2 artikel 6 lid 2 uitwerkingsregels opgenomen. Onderstaand is het artikel overgenomen aangevuld met de motivatie dat het uitwerkingsplan voldoet aan de voorschriften, dan wel is verklaard dat het voor onderhavig uitwerkingsplan geen relevant voorschrift betreft.
  1. het bruto vloeroppervlak voor detailhandel mag niet meer bedragen dan 300 m²; 
    motivatie: De beoogde ontwikkeling betreft een invulling met 14 appartementen, wegen en groen. Er wordt op deze locatie geen detailhandel gerealiseerd. De ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met dit uitgangspunt.
  2. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden';
    motivatie: Toegestaan zijn maximaal 15 wooneenheden in het noordelijk deel van het centrumgebied (op de hoek van de Edelsmidsdreef en Zilversmidshof). De beoogde ontwikkeling van woonblok 10a betreft een invulling van 14 appartementen. De ontwikkeling is in overeenstemming met dit uitgangspunt.
  3. de verkaveling en de situering van de gebouwen zal zodanig zijn, dat een goede aansluiting ontstaat op de structuur van de omgeving; 
    motivatie: De voorgenomen ontwikkeling maakt onderdeel uit van een totale herstructureringsopgave in het centrumgebied van Schoonhoven Noord. De herstructureringsopgave is vastgelegd in het masterplan centrum Schoonhoven-Noord. Dit masterplan is door de raad van de gemeente Schoonhoven vastgesteld in 2014. Het nieuwe programma heeft een wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur tot gevolg. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een wijziging in het stempel patroon maar zal de andere kenmerkende kwaliteiten behouden. De bestaande kernkwaliteiten vertalen zich in de nieuwe situatie in de herhaling van rechthoekige woonblokken die verschillende openbare ruimtes omsluiten. Deze openbare ruimtes krijgen een hoofdzakelijk groene inrichting mee. Op deze manier blijft dit relatief open deelgebied zich onderscheiden ten opzichte van de meer besloten woongebieden ten oosten en westen daarvan, maar vindt tegelijkertijd aansluiting plaats op de bestaande verkavelingstructuur in Schoonhoven Noord. De kwaliteit van het representatieve groen tussen de woonblokken wordt vastgehouden. Gezamenlijk vormen de nieuwe woningbouwontwikkelingen een stedenbouwkundig ensemble met meer ruimte en groen voor omwonenden ten opzichte van de huidige situatie.
  4. er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing;
    motivatie: Zoals onder sub c is benoemd is er een masterplan centrum Schoonhoven-Noord vastgesteld in 2014 dat dient als basis voor verdere planontwikkeling. Dit wil zeggen dat bouwplannen moeten voldoen aan de, in het masterplan, vastgelegde ambities en randvoorwaarden. Met het masterplan zijn verschillende ideeën van het centrumgebied samengebracht en is sprake van een samenhangend kader voor zowel het bebouwde en onbebouwde deel. In het masterplan is onder andere een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen waarin stedenbouwkundige en architectonische richtlijnen zijn opgenomen. Ook zijn er richtlijnen opgenomen voor de inrichting van de openbare ruimte. De uitwerking van woonblokken 10 is gebaseerd op de richtlijnen die zijn opgenomen in het masterplan. Daarmee is sprake van een goede landschappelijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing.
  5. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    motivatie: Zoals onder sub c is gemotiveerd doet de herstructurering geen afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld, evenals de woonsituatie. De herstructurering komt zelfs ten goede van de kwaliteit van het woongebied.  
    Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bouwblok gerealiseerd met 14 appartementen in 4 bouwlagen. Op de begane grond zijn een tweetal appartementen voorzien. Naast deze appartementen zijn een 14-tal bergingen op de begane grond voorzien bij de entree. Door een tweetal appartementen op de begane grond te realiseren, met zicht naar het openbaar gebied, wordt voorkomen dat er op de begane grond sprake is van een gesloten structuur waar enkel berging van bewoners aanwezig is. Dit komt ten goede van de sociale veiligheid.
    Wat betreft verkeersveiligheid vindt met de voorgenomen ontwikkeling aansluiting plaats op de bestaande verkeersstructuur van het centrumgebied en woonerf. Met de ontwikkeling worden tevens voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt rekening gehouden met ontsluitingen voor langzaamverkeer. Derhalve wordt geen afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid.
    De aangrenzende gronden ondervinden geen afbreuk met de voorgenomen ontwikkeling. Met de herstructurering krijgt het plangebied een kwaliteitsimpuls wat ten goede komt van de openbare ruimte. De aangrenzende gronden, welke niet binnen de herstructureringsopgave van het gebied vallen, blijven in de huidige vorm behouden. 
    Voorts is binnen de bestemming groen geregeld dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van de onder e genoemde elementen.  
  6. wonen is toegestaan al dan niet in combinatie met beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woning, zulks met in achtname van het volgende:
    1. de woonfunctie blijft als hoofdfunctie herkenbaar; 
    2. de activiteit wordt door de bewoner uitgeoefend;
    3. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 30 m²; 
    4. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen inherente onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
    5. detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel, is niet toegestaan.
      motivatie: In de regels onder 'Specifieke gebruiksregels' behorende bij de bestemming 'Centrum' van dit uitwerkingsplan zijn de voorgaande regels opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde onder f.     
Conclusie
In bovenstaande paragraaf is aangegeven dat voorliggend uitwerkingsplan, voor zover de uitgangspunten relevant zijn, in voldoende mate aansluit op de uitgangspunten opgenomen in hoofdstuk 2 artikel 6. Er ontstaat geen strijdigheid met artikel 6 'Centrum - uit te werken' van het bestemmingsplan Centrum Noord.
 
4.3 Toetsing artikel 7
Binnen de bestemming 'Wonen – uit te werken' zijn (in het plangebied), zoals opgenomen in artikel 7.1, de volgende functies toegestaan:
  1. wonen, al dan niet in combinatie met beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woning;
  2. bijbehorende bouwwerken;
met daaraan ondergeschikt:
  1. groenvoorzieningen; 
  2. nutsvoorzieningen;
  3. speelvoorzieningen; 
  4. parkeervoorzieningen;
  5. wegen, straten en paden; 
  6. water; 
met de daarbijbehorende:
  1. tuinen en erven;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In de regels van het bestemmingsplan Centrum Noord zijn in hoofdstuk 2 artikel 7 lid 2 uitwerkingsregels opgenomen. Onderstaand is het artikel overgenomen aangevuld met de motivatie dat het uitwerkingsplan voldoet aan de voorschriften, dan wel is verklaard dat het voor onderhavig uitwerkingsplan geen relevant voorschrift betreft.
  1. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden';
    motivatie: Op de verbeelding is het aangegeven maximum aantal wooneenheden 39. Met de voorgenomen ontwikkeling worden binnen de bestemming 'Wonen - uit te werken' in totaal 22 appartementen gerealiseerd (zie ook toelichting paragraaf 2.2). Aansluitend zijn ten noorden van blok 10b, 9 eengezinswoningen voorzien in blok 7. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde onder a.   
  2. de verkaveling en de situering van de gebouwen zal zodanig zijn, dat een goede aansluiting ontstaat op de structuur van de omgeving;
    motivatie: De voorgenomen ontwikkeling maakt onderdeel uit van een totale herstructureringsopgave in het centrumgebied van Schoonhoven Noord. De herstructureringsopgave is vastgelegd in het masterplan centrum Schoonhoven-Noord. Het nieuwe programma heeft een wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur tot gevolg. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een wijziging in het stempel patroon maar zal de andere kenmerkende kwaliteiten behouden. De bestaande kernkwaliteiten vertalen zich in de nieuwe situatie in de herhaling van rechthoekige woonblokken die verschillende openbare ruimtes omsluiten. Deze openbare ruimtes krijgen een hoofdzakelijk groene inrichting mee. Op deze manier blijft dit relatief open deelgebied zich onderscheiden ten opzichte van de meer besloten woongebieden ten oosten en westen daarvan, maar vindt tegelijkertijd aansluiting plaats op de bestaande verkavelingstructuur in Schoonhoven Noord. De kwaliteit van het representatieve groen tussen de woonblokken wordt vastgehouden. Gezamenlijk vormen de nieuwe woningbouwontwikkelingen een stedenbouwkundig ensemble met meer ruimte en groen voor omwonenden ten opzichte van de huidige situatie.
  3. er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing;
    motivatie: Zoals onder sub b is benoemd is het masterplan centrum Schoonhoven-Noord vastgesteld in 2014 dat dient als basis voor verdere planontwikkeling. Dit wil zeggen dat bouwplannen moeten voldoen aan de, in het masterplan, vastgelegde ambities en randvoorwaarden. Met het masterplan zijn verschillende ideeën van het centrumgebied samengebracht en is sprake van een samenhangend kader voor zowel het bebouwde en onbebouwde deel. In het masterplan is onder andere een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen waarin stedenbouwkundige en architectonische richtlijnen zijn opgenomen. Ook zijn er richtlijnen opgenomen voor de inrichting van de openbare ruimte. De uitwerking van woonblokken 10 is gebaseerd op de richtlijnen die zijn opgenomen in het masterplan. Daarmee is sprake van een goede landschappelijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing.
  4. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    motivatie: Zoals onder sub b is gemotiveerd doet de herstructurering geen afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld, evenals de woonsituatie. De herstructurering komt zelfs ten goede van de kwaliteit van het woongebied.  
    Ten zuiden van de eengezinswoningen van woonblok 7, aan de 'S Heerenbergsraat, wordt de voorgenomen ontwikkeling, woonblok 10b, gerealiseerd: 22 appartementen in 1 bouwblok met 3 bouwlagen in de vorm van een gespiegelde galerijstructuur. Het bouwblok beschikt over een galerij, gespiegeld aan elkaar, waardoor aan beide zijden van blok 10b entrees van de woningen te vinden zijn. De woningen kijken aan alle zijden van het complex op het openbaar gebied. Dit komt ten goede van de sociale veiligheid op straat en het beoogde groengebied ten westen van blok 10b. 
    Wat betreft kleur-, materiaalgebruik en vorm ogen deze zeer vriendelijk in het straatbeeld (zie ook afbeeldingen in toelichting paragraaf 2.2).    
    Wat betreft verkeersveiligheid vindt met de voorgenomen ontwikkeling aansluiting plaats op de bestaande verkeersstructuur van het centrumgebied en woonerf. Met de ontwikkeling worden tevens voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt rekening gehouden met ontsluitingen voor langzaamverkeer. Derhalve wordt geen afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid.
    De aangrenzende gronden ondervinden geen afbreuk met de voorgenomen ontwikkeling. Met de herstructurering krijgt het plangebied een kwaliteitsimpuls wat ten goede komt van de openbare ruimte. De aangrenzende gronden, welke niet binnen de herstructureringsopgave van het gebied vallen, blijven de huidige vorm, gebruik en ontsluiting behouden. 
  5. wonen is toegestaan al dan niet in combinatie met beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woning, zulks met in achtname van het volgende:
    1. de woonfunctie blijft als hoofdfunctie herkenbaar;
    2. de activiteit wordt door de bewoner uitgeoefend;
    3. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 30 m²;
    4. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen inherente onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
    5. detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel, is niet toegestaan.
      motivatie: In de regels onder 'Specifieke gebruiksregels' behorende bij de bestemming 'Centrum' van dit uitwerkingsplan zijn de voorgaande regels opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde onder e.     
5 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
5.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
  
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 woningen of meer. Omdat het in dit geval om slechts 36 woningen gaat (gelijk aan de huidige situatie), is een m.e.r.-beoordeling niet vereist en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
  1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r.. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit uitwerkingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
 
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. De onderbouwing waarom geen m.e.r. is opgesteld wordt als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het uitwerkingsplan.
 
Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
5.2 Milieu
5.2.1 Bodem
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk. 
      
Planspecifiek
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Adam van Vianenstraat 35a t/m 57c in Schoonhoven (Arnicon B.V., 29 maart 2018, zie bijlage). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging voor de oostelijke deellocatie wordt bevestigd. Voor de westelijke deellocatie dient de hypothese te worden verworpen. Dit naar aanleiding van de aangetoonde lichte verontreinigingen met PCB’s in de zandige bovengrond en met zink en (plaatselijk) PAK in de kleiige ondergrond. Dit betreft namelijk overschrijdingen van de Maximale Waarden voor wonen. De onderzoeksresultaten geven op basis van de Wet bodembescherming echter geen aanleiding tot een vervolgonderzoek en/of het treffen van saneringsmaatregelen. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming 'Wonen'.
 
5.2.2 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Planspecifiek
Met de herstructureringsopgave van de woonblokken 10 blijft het aantal woningen gelijk aan de huidige situatie. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.  
 
5.2.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
 
Planspecifiek
Het plangebied is niet binnen de invloedssfeer van industrie of spoorweglawaai gelegen. Rondom het plangebied geldt voor de wegen een 30 km/u regime. Wel ligt op meer dan 190 m afstand van de meest zuidelijke woning de provinciale weg N210. Deze weg kent een geluidszone van 250 m.
Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Centrum Noord' is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Weel geluidsadvies, 1 april 2014). Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting bij de woningen onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB lag. Voor deze woningen hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld.
 
De woningen van woonblokken 10 liggen iets verder van de provinciale weg dan de in het bestemmingsplan behandelde woningen. In het akoestisch onderzoek is voor de verkeersintensiteit op de provinciale weg uitgegaan van de prognose voor 2024. In de prognose voor 2030 wordt een lagere intensiteit op de provinciale weg N210 verwacht dan eerder is verwacht voor 2024 (ODMH, kenmerk 2018170333, 17 juli 2018). Voor 2030 zal hiermee een lagere geluidsbelasting worden berekend dan er voor 2024 was berekend. Omdat de in het uitwerkingsplan beschouwde woningen verder van de provinciale weg N210 liggen én de geluidsbelasting af neemt, kan worden aangenomen dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde niet zal overschrijden. Er hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld.
 
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.2.4 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Het plangebied bevindt zich in het centrum van Schoonhoven Noord. In de omgeving bevinden zich woningen, centrumfuncties en maatschappelijke functies. Derhalve kan het centrumgebied als gemengd gebied getypeerd worden.
'De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel (al dan niet een supermarkt) en woningen. Detailhandelsfuncties in een stadscentrum (bijv. een bakker, bloemist of supermarkt) hebben een richtafstand van 10 meter. Woonblok 10b is op minimaal 10 meter afstand van de zuidelijk gelegen centrumbestemming gelegen. Blok 10a heeft zelf de bestemming centrum, maar zal enkel beschikken over appartementen. De afstand van blok 10a tot de meest dichtbijgelegen centrumfuncties is minimaal 22 meter. De afstanden van de woningen tot de nabijgelegen centrumfuncties is dus voldoende groot.
 
De afstand tussen een gevoelige bestemming (woning) en de inrichtingen zal met het voorliggende plan niet toenemen. Deze afstand voldoet momenteel reeds aan de vereiste richtafstanden en zal derhalve geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. De bedrijfsvoering is immers reeds aangepast op de aanwezigheid van woningen. Het plangebied is verder niet gelegen binnen het invloedsgebied van bedrijven met een milieuzonering.
 
5.2.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart: 
 
   
Uitsnede Risico Kaart (globale ligging blokken 10a en 10b: zwarte omkadering)
 
Transport over de weg
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de N210, een provinciale weg waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het plaatsgebonden risico van deze weg is 100 meter. Het plangebied ligt met ruim 190 meter op voldoende afstand van de N210. Voorts wordt het aantal woningen in het plangebied met de herstructurering verminderd met 5. Derhalve zal de ontwikkeling geen toename van het groepsrisico van de N210 tot gevolg hebben. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.
 
Transport over het spoor
In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen.
 
Transport over het water
Ten zuiden van het plangebied, op ruim een kilometer afstand, is de rivier De Lek gelegen. Over deze vaarweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd, maar gezien de afstand zijn er geen beperkingen voor de ontwikkelingen in het plangebied wat betreft externe veiligheid.
 
Transport per buisleiding
Ten noorden van het plangebied, op ongeveer 480 meter is een gastransportleiding en gasontvangststation gelegen. De ontwikkeling is niet binnen het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen.
 
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen uitwerking.
 
5.3 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Beleid hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard
Het plangebied valt onder hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard. De missie van dit hoogheemraadschap luidt: ‘Droge voeten en schoon water’. Deze missie heeft betrekking op de veiligheid en de waterkwaliteit, en is uitgewerkt in de missiestatement: veiligheid voor inwoners en bedrijven, voldoen aan de complexe wateropgave in stedelijk en landelijk gebied, efficiënt en doelmatig werken, oog voor het waterschap als functionele overheid en voor de wijze waarop de organisatie naar buiten treedt.
 
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies aan waterberging in de bodem gecompenseerd. Uit berekeningen zal blijken hoeveel ruimte voor compenserende waterberging nodig is. De aanleg van de bergingsvoorziening komt voor rekening van plannemer van de ruimtelijke ingreep.
 
Waterbeheerplan Schieland en de Krimpenerwaard 2016 - 2021
Het Waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het hoogheemraadschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de regio Midden-Holland. HHSK zorgt voor bescherming tegen overstromingen, een passend waterpeil, schoon oppervlaktewater, de zuivering van afvalwater en de wegen, opdat mensen hier kunnen wonen, werken en recreëren.
De veranderende maatschappelijke en fysieke omstandigheden geven richting aan de accenten binnen het waterbeheer. Deze accenten vormen de rode draad voor het werk van het hoogheemraadschap in de komende planperiode: HHSK staat voor doelmatig en duurzaam waterbeheer en staat in directe verbinding met de omgeving. Zo blijft het mogelijk bij het uitvoeren van de waterschapstaken soepel mee te bewegen met de klimatologische, technische en maatschappelijke ontwikkelingen. Duurzaam financieel beheer blijft de basis.
 
Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
Om na te gaan of watercompensatie noodzakelijk is, is voor de gehele herontwikkelingsopgave in Centrum Noord, op basis van de stedenbouwkundige schets, een verhardingsbalans opgesteld (zie bestemmingsplan Centrum Noord). Met de gehele herontwikkelingsopgave in Centrum Noord wordt, op basis van de stedenbouwkundige schets, een toename in verharding van circa 2.400 m² verwacht. Ter compensatie dient 182,4 m² nieuw oppervlakte water gerealiseerd te worden. Ten zuiden van het plangebied ligt de Zilverstad-locatie. In het bestemmingsplan voor de Zilverstad-locatie is ruimte gereserveerd voor een extra waterbergingsoverschot ten behoeve van de herstructurering van het wijkwinkelcentrum. Gezien het feit dat de Zilverstadlocatie een overschot van 833 m² aan waterberging heeft, kan dit gecompenseerd worden met het tekort in Centrum Noord. Derhalve wordt voldaan aan de eisen van het waterschap.
5.4 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
Het plangebied te Schoonhoven ligt niet in of nabij een NNN of een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone. Directe effecten of effecten als gevolg van verstoring worden niet verwacht. Derhalve vormt de gebiedsbescherming geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
Soortenbescherming
In verband met de herstructurering van het buurtcentrum van de wijk Schoonhoven-Noord zijn de effecten op de wettelijk beschermde natuurwaarden onderzocht (Van Pijkeren, 2014a/2014b). Binnen het plangebied van dit onderzoek (woonblokken 7, 9, 10 en het wijkwinkelcentrum) zijn in de te slopen panden vijf verblijfsplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld: drie zomerverblijfplaatsen, één kraamverblijfplaats en één paarverblijfsplaats die tevens wordt gebruikt als zomerverblijfsplaats.
 
Op 16 februari 2015 is vanwege de aanwezigheid van deze beschermde natuurwaarden een ontheffingsaanvraag1 Flora- en faunawet ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO); onderdeel van het ministerie van Economische Zaken (zie bijlage). In het projectplan dat als bijlage is toegevoegd aan de ontheffingsaanvraag is een aantal voorwaarden en mitigerende maatregelen opgenomen ten aanzien van de werkzaamheden. Eén van de voorwaarden is dat minimaal drie maanden voorafgaand aan de sloop van het pand in blok 9 minimaal twaalf platte vleermuiskasten dienen te worden opgehangen op geschikte locaties in de directe omgeving (memo, 6 maart 2015, zie bijlage). Als alternatief voor de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in blok 10 zijn permanente voorzieningen getroffen in de nieuwbouw in blok 9. In totaal zijn 4 kraamkasten en 16 platte vleermuiskasten opgehangen op blok 9. Aanvullend hangen er in de omgeving  nog eens 18 tijdelijke vleermuiskasten.
 
1. Op 16 juni 2015 is door de Staatssecretaris van Economische Zaken, gelet op artikel 75, lid 3, van de Flora- en faunawet ontheffing verleent voor het tijdvak van 15 juni 2015 tot en met 31 mei 2020. De ontheffing geldt op de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het beschadigen, vernielen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van de gewone dwergvleermuis.
 
5.5 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
Binnen het plangebied komen geen gemeentelijke of rijksmonumenten voor. Wel valt het plangebied binnen de locatie met een hoge cultuurhistorische waardering. In toelichting paragraaf 3.4.6 van het bestemmingsplan Centrum Noord is reeds toegelicht dat de beoogde ontwikkeling geen ingrijpende afbreuk aan de gebiedskwaliteit doet. Dit is eveneens toegelicht in toelichting paragraaf 4.2 sub b[1] en toelichting paragraaf 4.3 sub b[1]. Voorts is reeds in 2014 het Masterplan Centrum Schoonhoven-Noord vastgesteld door de raad van de gemeente Schoonhoven waarbij de herstructureringsplannen (waaronder onderhavige ontwikkeling) zijn opgenomen en voorzien van richtlijnen ten aanzien van de beeldkwaliteit. Hoewel de ontwikkeling zorgt voor een wijziging in het stempelpatroon zullen andere kenmerkende kwaliteiten behouden blijven in het gebied. Daarmee vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.  
 
5.6 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan.
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
 
Planspecifiek
Op 30 oktober 2014 is het paraplubestemmingsplan cultuurhistorie en archeologie vastgesteld. In dit bestemmingsplan is een archeologisch en cultuurhistorisch beleid opgenomen voor Schoonhoven. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Voor gebieden met waarde 5 geldt wanneer het plangebied groter dan 5.000 m² en er werkzaamheden dieper dan 1,5 meter in de grond plaats vinden dient er archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
 
In de toelichting van het bestemmingsplan Centrum Noord is uitgebreid ingegaan op het aspect archeologie. Op basis van het door ArcheoSupport uitgevoerde archeologisch onderzoek (rapportnr. 2014-1) volgt dat de archeologische verwachting voor de verschillende potentiële archeologische niveaus binnen 5 m –mv laag is en dat verwachting voor afzettingen van de Lopik-stroomgordel beneden 5 m –mv waarschijnlijk ook laag is. Uit beoordeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland (5 februari 2015, kenmerk 2015013695) volgt dat het plangebied voldoende is onderzocht en er geen vervolgonderzoek uitgevoerd dient te worden.
 
Op het gebied van archeologie worden geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling verwacht.
 
5.7 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling maakt onderdeel uit van een totale herstructureringsopgave in het centrumgebied van Schoonhoven Noord. Het nieuwe programma heeft een wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur tot gevolg. In de toelichting van het bestemmingsplan 'Centrum Noord' is daarom uitgebreid ingegaan op het aspect verkeer en parkeren.
 
Conform het moederplan dienen er 49 parkeerplaatsen rondom de blokken 10 te worden gerealiseerd (dit zoals opgenomen in de voorkeursmodellen behorende bij de anterieure overeenkomst). Hierin is rekening gehouden met een verdunning van het aantal woningen van de blokken 6 en 7 (van 40 bestaande woningen naar 27 woningen in de toekomstige situatie). In overeenstemming met de gemeente Krimpenerwaard worden 48 parkeerplaatsen gerealiseerd rondom de woonblokken 10: 
  • 21 parkeerplaatsen ten oosten van woonblok 10b, aan de 's-Heerenbergstraat, opgedeeld in blokken zodat er ruimte is voor een groene onderbreking;
  • 6 langsparkeerplaatsen aan de Zilversmidhof;
  • 13 parkeerplaatsen aan de Edelsmidsdreef;
  • 8 parkeerplaatsen direct ten zuiden van woonblok 10a.
Voorgenoemde 48 parkeerplaatsen zijn aanvullend op de 44 gerealiseerde semi-openbare parkeerplaatsen voor de supermarkt.
 
In toelichting paragraaf 2.2 is een impressie van de herstructureringsopgave woonblokken 10 opgenomen, inclusief de bijbehorende parkeergelegenheid. Het tekort van 1 parkeerplaats wordt opgelost binnen de overige parkeercapaciteit van de herstructureringsopgave centrum Schoonhoven-Noord. 
     
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Grondexploitatie
Dit uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan Centrum Noord. Tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan Centrum Noord is, voor het kostenverhaal, een exploitatieplan vastgesteld. Een en ander is bovendien vastgelegd in de anterieure overeenkomst voor deelgebied A (o.a. blok 9).
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
In juli 2018 is het concept uitwerkingsplan naar de diverse overlegpartners van de gemeente toegestuurd. De veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM), het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) en GGD Hollands Midden hebben het uitwerkingsplan beoordeeld en een reactie toegestuurd. Het advies van de ODMH is waar nodig in de toelichting van het uitwerkingsplan verwerkt. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de vaststelling van het plan. Het advies van de VRHM leidt niet tot aanpassing van het plan. Wel zal naar aanleiding van het advies een situatieplattegrond van het gehele ontwikkelingsgebied centrum Schoonhoven-Noord worden toegestuurd en zal overleg plaatsvinden met betrekking tot de afmetingen van de calamiteitenroutes. Het advies van de GGD leidt niet tot aanpassing van het uitwerkingsplan. Het advies zal wel worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de plannen.
 
Zienswijzen
Het uitwerkingsplan Schoonhoven Centrum Noord blok 10 heeft met ingang van woensdag 28 november 2018 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt.