direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Waterwoningen Schoonhoven
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BP2009DK025-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

De initiatiefnemer heeft het voornemen om vier vrijstaande woningen te realiseren op een nog onbebouwde locatie tussen de Zonnedauw en Waterviolier in Schoonhoven. Op de locatie ligt al de mogelijkheid voor de bouw van vier vrijstaande woningen, maar inmiddels is er een ander bouwplan ontwikkeld. Hierbij wordt ook een groenstrook aan de oostzijde bij het plan betrokken.

Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen tussen de Waterviolier, Veldsalie en Zonnedauw in het oosten van de kern Schoonhoven. De bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2009DK025-VG01_0004.png"

Ligging van het plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied bevindt zich in de woonwijk Schoonhoven-Oost. De ligging in de Krimpenerwaard, een groot veenweidegebied, bepaalt de ruimtelijke structuur. De wijk Schoonhoven Oost wordt gekenmerkt door een planmatige opzet. In het wegenpatroon en de bebouwingsstructuur is de voormalige verkavelingsstructuur (noord-zuid) nog steeds herkenbaar. Het woongebied wordt gekenmerkt door veel laagbouw, met zowel rijtjeswoningen, halfvrijstaande als vrijstaande woningen. Het water neemt een dominante plaats in, doordat oude waterlopen zijn gehandhaafd. Door de wijk heen komt verspreid gelegen blokgroen voor. Centraal gelegen in de wijk ligt een brede groenstrook.

De planlocatie wordt globaal omsloten door de straten Waterviolier (west), Veldsalie (noord) en Zonnedauw (oost). Direct rondom het plangebied liggen watergangen en groenstroken met daaromheen voornamelijk woningen. De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied. Het plangebied betreft nu grasland met in het oostelijk deel een voormalige schuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2009DK025-VG01_0005.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: Verstoep)

2.2 Toekomstige situatie

In het plangebied is sprake van een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van vier vrijstaande woningen. De initiatiefnemer heeft het voornemen om een gewijzigde invulling aan het plangebied te geven. Een gewijzigd bouwtype en een andere ruimtelijke invulling dragen bij aan meer kwaliteit en openheid in de wijk. Met het plan wordt de naastgelegen groenstrook bij het plangebied betrokken. Het vigerende bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om hier na planwijziging ook nog twee grondgebonden woningen te bouwen. Met voorliggend plan blijft het aantal woningen dat wordt gerealiseerd echter vier. Het betreft vier vrijstaande waterwoningen, direct gelegen aan het water. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met een plat dak. De bestaande watergangen rondom het plangebied blijven grotendeels gehandhaafd. Tevens wordt extra ruimte voor water gerealiseerd.

Het plangebied wordt ontsloten via de Zonnedauw. Bij elke woning is ruimte om minimaal één auto op eigen terrein te parkeren. Tevens worden nog zes parkeerplaatsen bij de toegangsweg aangelegd. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2009DK025-VG01_0006.png"

Impressie toekomstige situatie (ontwerp: Verstoep)

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2009DK025-VG01_0007.png"

Impressie toekomstige situatie (ontwerp: Verstoep)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijks- en provinciaal beleid

Voorliggend plan betreft enkel een gewijzigde invulling van een bouwplan in een woonwijk in de kern Schoonhoven, waarbij een groenstrook bij het plangebied wordt betrokken waar ook reeds een indirecte bouwmogelijkheid op ligt. Voor de locatie is reeds een omgevingsvergunning voor de bouw van vier vrijstaande woningen verleend. Het aantal woningen neemt met voorliggend plan niet toe. Het plan is van een dusdanig klein schaalniveau dat er geen rijks- of provinciale belangen in het geding zijn. Nadere toetsing aan het rijks- en provinciaal beleid is om die reden niet nodig.

3.2 Gemeentelijk beleid

3.2.1 Gemeentelijk woonbeleid

De woonvisie 'Krimpenerwaard: Kerngericht!' vormt de basis voor het woonbeleid van de gemeente Krimpenerwaard voor de komende jaren. In de visie wordt een ambitie neergezet om de kracht van het goede woon- en leefgebied verder te versterken. Doel hierbij is te streven naar een evenwichtige bevolkingssamenstelling ten behoeven van de kwaliteit van de kernen.

In de woonvisie wordt de woonopgave voor de komende periode verkend en wordt gekeken naar de ontwikkelingen die samen met bewoners en belanghouders gerealiseerd kunnen worden. De gemeente kijkt hierbij vooruit tot 2030. In het uitvoeringsprogramma staat aangegeven wat de gemeente in de periode 2017-2020 gaat doen.

De combinatie van het huidige woningbouwprogramma en het programma uit de visie maakt dat er in de periode 2015-2030 wordt ingezet op 3000 extra woningen in de gemeente Krimpenerwaard.

Met betrekking tot de kwalitatieve woningbehoefte geldt voor de gehele gemeente Krimpenerwaard een voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Qua woningtype varieert de vraag van (goedkopere) appartementen tot tweekappers en vrijstaande woningen.

Planspecifiek

Met voorliggend initiatief worden vier vrijstaande woningen gerealiseerd. Het initiatief maakt eenzelfde type woningen mogelijk als wat reeds is goedgekeurd. Het betreft enkel een gewijzigd bouwplan. Het plan levert een bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte in de gemeente Krimpenerwaard en past binnen het gemeentelijk woonbeleid.

3.2.2 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Schoonhoven Oost", vastgesteld op 2 februari 2012 door de voormalige gemeente Schoonhoven. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Wonen - 1', 'Groen', 'Water' en 'Verkeer'. Het noordelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' en het zuidelijk deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op de groenbestemming in het oostelijk deel van de locatie ligt de gebiedsaanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied 2'. In artikel 6.5 van het geldende bestemmingsplan staat een wijzigingsbevoegdheid, waarmee het bevoegd gezag ter plaatse van deze gebiedsaanduiding de bestemming 'Groen' kan wijzigen in de bestemming 'Wonen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2009DK025-VG01_0008.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied heeft grotendeels al een woonbestemming met de mogelijkheid om vier vrijstaande woningen te realiseren met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6,5 en 9,5 meter. Met voorliggend plan worden eveneens vier vrijstaande woningen gerealiseerd, maar krijgt het plangebied een gewijzigde invulling en ander bouwtype met een gewijzigde ontsluiting en een aangepaste waterstructuur. Het gewijzigde bouwplan past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 1. Hierin wordt gesteld dat ter plaatse enkele lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. Het grondwater is niet verontreinigd. Vanwege de aanwezigheid van een schuur met een asbestdak wordt geadviseerd na het verwijderen van de begroeiing en na de sloop van de schuur een asbestonderzoek uit te voeren. Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit geen beperkingen vormt voor de geplande ontwikkeling van de locatie.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 16005853 (aan de G..J. van Heuven Goedhartweg, de N216 ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3)   20 µg/m3   19,7 µg/m3   12,1 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 4 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Met voorliggend plan worden nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd (vier woningen). Industrielawaai en spoorweglawaai zijn in de omgeving van het plangebied niet aan de orde. Wat betreft wegverkeerlawaai ligt het plangebied in een rustige woonwijk met woonerven in een 30 km zone. Dergelijke wegen hebben volgens artikel 74 lid 2 van de Wgh geen geluidszone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig. Ten zuiden van het plangebied ligt op ruim 80 meter afstand de Tiendweg, waarvoor een maximum snelheid van 60 km/uur geldt. Deze weg wel een geluidzone, maar de verkeersintensiteit is dermate laag dat aangenomen mag worden dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De overige wegen liggen allemaal op grotere afstand van het plangebied en buiten de onderzoekszone van deze wegen. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is niet nodig. Uit oogpunt van geluid is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden vier woningen gerealiseerd welke planologisch al zijn toegestaan en daarmee in principe al zijn getoetst. Het plangebied ligt in een woonwijk en rondom het plangebied bevinden zich dan ook voornamelijk woningen. Ten noorden van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming waar voorheen (tijdelijk) een basisschool gevestigd was. Er zijn plannen om op deze locatie een kinderopvang te vestigen, met aan de voorzijde van het perceel een speeltuin voor de wijk. De publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG geeft voor een basisschool en kinderopvang een minimale richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid. De grens van deze bestemming ligt op circa 25 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning. Hiermee wordt niet aan de richtafstand voldaan. Het bouwen van woningen op deze locatie is echter reeds akkoord bevonden. Hiermee is destijds geoordeeld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De woningen komen in vergelijking met het eerdere plan dichter bij de maatschappelijke bestemming te liggen. De zijde van de woning het dichtst bij de maatschappelijke bestemming is een gesloten muur zonder buitenruimte. De buitenruimte van de meest nabijgelegen geprojecteerde woningen ligt aan de andere zijde van de woningen, waardoor nog steeds sprake is van een goed woon en leefklimaat. Tevens past een maatschappelijke functie zoals een school of een kinderdagverblijf in een woonomgeving.

Overige functies of bedrijven liggen op een grotere afstand van het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat er uit oogpunt van milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat er met de ontwikkeling geen bedrijven of andere functies belemmerd worden in hun bedrijfsvoering.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.1.5 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2009DK025-VG01_0009.png"

Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart is op te maken dat ten zuidwesten van het plangebied op circa 380 meter afstand een gevaarlijke stof (propaan) ligt opgeslagen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 330 meter afstand een transportroute voor het vervoer van gevaarlijk stoffen over het water, de Lek. Bij transport over water is er geen GR-plafond. Het PR-plafond voor transport over water ligt bij de vaarwegbegrenzing (zwarte stippellijn). Gezien de afstand ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van deze transportroute over water. Ten noorden van het plangebied ligt een basisnetroute voor gevaarlijke stoffen over de weg, de N210. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze transportroute (200 meter). Daarbij leidt het plan niet tot een toename van het aantal personen, waardoor het groepsrisico niet toeneemt. Er zijn immers al vier woningen in het plangebied toegestaan.

Het plan is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

4.1.6 Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

  • in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;
  • een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
  • op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling

Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:

  • als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;
  • als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek

Het onderhavige plan betreft enkel de realisatie van 4 woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2000 woningen uit categorie D11.2. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht.

In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 Het initiatief van deze ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Beleid Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden

Het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is neergelegd in het Waterbeheerplan 'Waterkoers 2016-2021'. De focus betreft het werken aan veilig, voldoende en gezond water tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten. Het hoogheemraadschap richt zich op beheren en ontwikkelen van het watersysteem over de eigen grenzen heen en speelt in op ontwikkelingen van de maatschappij door actief het gesprek aan te gaan en samen te werken.

Het Hoogheemraadschap hanteert beleidsregels op grond van de Keur 2009. Uitbreiding van verhard oppervlak moet, vanuit hydrologische optiek gezien, waterbalansneutraal plaatsvinden. Als hiervoor berging of vertraging van de afvoer plaatsvindt, bijvoorbeeld door het realiseren van een wadi (greppel) of een ondergrondse infiltratievoorziening, dient met een maatwerkberekening te worden aangetoond dat de voorgestelde voorziening voldoet. Bij een ontwikkeling waarbij minder nieuw verhard oppervlak, waarvan het hemelwater direct of indirect op het oppervlaktewater wordt geloosd, wordt gerealiseerd dan 500 m² binnen de bebouwde kom en minder dan 1.000 m² buiten de bebouwde kom, is geen compensatie nodig.

Indien infiltratie in de bodem geen oplossing biedt, kan er nieuwe bergingscapaciteit aangelegd worden die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert dan wel de piekafvoer opvangt. Wanneer het nieuw verhard oppervlak tussen 500 m² (binnen bebouwde kom) of 1.000 m² (buiten bebouwde kom) en 10.000 m² ligt, is het minimaal benodigd extra oppervlak open water 15% van het aan te leggen extra verhard oppervlak. Bij een nieuw verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een maatwerkberekening nodig.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Voor onderhavig plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat hiervan is opgenomen in bijlage 2. Uit de watertoets blijkt dat er geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen in het plangebied liggen. Er liggen wel watergangen binnen het plangebied en het verhard oppervlak neemt met onderhavig plan toe met meer dan 500 m² binnen de bebouwde kom. Echter wordt met onderhavig plan ook nieuw wateroppervlak gerealiseerd.

Het bestaande wateroppervlak in het plangebied beslaat circa 970 m². Hiervan wordt er 148 m² gedempt en 464 m² aan oppervlaktewater toegevoegd. Na realisatie is er sprake van circa 1.286 m² aan wateroppervlak. Het gebied is nu geheel onverhard. Op en rondom de 4 woningen is er in totaal sprake van 2.050 m² bouwperceel. Met voorliggend plan wordt hiervan maximaal ca. 60% verhard. In het worst-case scenario als alles wordt verhard (2.050 m²) zou er boven een toename van 500 m² 15% oftewel 233 m² aan watercompensatie moeten plaatsvinden. De toename aan wateroppervlak is circa 316 m². Hiermee wordt ruim voldaan aan de compensatie eis. Dit is afgestemd met het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. Zij hebben laten weten hiermee akkoord te zijn.

Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. De belangrijkste conclusies ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming worden hieronder beschreven.

Gebiedsbescherming

In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek. Dit gebied ligt op circa 2 km afstand van het plangebied. Overige Natura 2000-gebied in de omgeving zijn Zouweboezem (8km), Donkse Laagten (8km) en Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (10 km). Door de geringe omvang van de ontwikkeling (het realiseren van 4 woningen) en de afstand tot de te beschermen gebieden, kan het optreden van significante negatieve effecten worden uitgesloten. Ten aanzien van stikstofdepositie is in de gebruiksfase geen toename te verwachten, gezien de beperkte ontwikkeling en het gegeven dat de vier woningen gasloos worden gebouwd. Voor de aanlegfase van de ontwikkeling is een Aeriusberekening uitgevoerd. Het resultaat hiervan is toegevoegd als bijlage 4. Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de aanlegfase niet toeneemt. Er is dus geen sprake van significante effecten op beschermde Natura 2000 gebieden.

Soortenbescherming

Uit de quickscan blijkt dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde soorten of habitats. Wel zijn er een aantal algemene, niet zwaar beschermde soorten broedvogels aanwezig, die in periode van nestbouw, eieren en nest jongen niet mogen worden verstoord. Binnen het broedseizoen, dat is bepaald van 1 maart tot 1 augustus, kunnen hierdoor geen werkzaamheden gerelateerd aan het bouwrijp maken van de locatie worden uitgevoerd. Vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel binnen de Wet natuurbescherming dient rekening te worden gehouden met de winterrust van amfibieën en kleine zoogdieren. Hierdoor is bouwrijp maken ongewenst in de periode 15 oktober – 1 maart niet gewenst.

Het plangebied bevat geen verblijfslocatie voor vleermuizen. De wijk is vrij recent gebouwd en bevat weinig beplanting en overwegend tuinen met veel verhardingen, waardoor foerageergebied vrijwel afwezig is. In de omgeving zijn wel enkele als geschikt beoordeelde migratieroutes en foerageergebied aanwezig; dit is langs de zuidelijk gelegen Tiendweg, de hier gelegen boerderij en aan het 150 meter ten westen gelegen Hazelaarpad. Verstoring van vleermuizen kan worden voorkomen als er geen uitstraling van verlichting tijdens de bouw is.

Geconcludeerd wordt dat de aard en omvang van de bevindingen niet leiden tot de noodzaak tot het aanvragen van ontheffingen en of een specialistisch vervolg onderzoek, mits wordt voldaan aan de bovengenoemde aandachtspunten en enkele mitigerende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

Als algemene beschermende en mitigerende maatregelen voor het onderhavige projectgebied worden de volgende onderdelen geadviseerd:

  • Het bouwrijp maken van het terrein uitsluitend uit voeren in de periode 1 augustus – 1 oktober van enig jaar op basis van de kwalificatie als broedgebied voor algemene soorten vogels en overwinteringshabitat voor algemene amfibieën;
  • Het uitvoeren van een broedvogelcheck voorafgaand aan het bouwrijp maken va het terrein, vanuit de massale en structuurrijke vegetatie die aanwezig is;
  • Het steeds voorhanden hebben van enkele emmers of kuipen om eventueel aangetroffen dieren apart te kunnen zetten. Indien dieren tijdelijk worden opgeslagen dienen deze binnen maximaal één uur na de vondst te worden uitgezet op een geschikte locatie voor de soort buiten het projectgebied. De opgeslagen dieren in kuipen dienen op een beschutte en schaduwrijk plaats te worden bewaard.
  • Het voorkomen of beperken van bouwplaatsverlichting en indien dit als nog noodzakelijk is het toepassen van een gerichte lichtbron met voorkoming van zij- of boven uitstraling.
  • Het op afroep kunnen beschikken over een ecoloog bij aantreffen van mogelijk beschermde situaties.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied wordt ontsloten via de Zonnedauw. De locatie ligt in de bebouwde kom in een 30 km zone. Het initiatief betreft de bouw van vier woningen. Het aantal verkeersbewegingen zal daardoor iets toenemen, maar niet in die mate dat het problemen zou kunnen opleveren. De Zonnedauw en de omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om deze beperkte verkeerstoename op te vangen.

In het plangebied geldt het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (2019), waarbij de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW-publicatie 317 als norm worden gehanteerd. Voor vrijstaande koopwoningen in een weinig stedelijk gebied, rest bebouwde kom, is de gemiddelde parkeernorm 2,3 per woning. Voor voorliggend plan is de totale parkeerbehoefte 4 x 2,3 = 9,2, afgerond 10 parkeerplaatsen. In het plangebied is bij elke woning ruimte om op eigen terrein minimaal 1 auto te parkeren. Tevens worden er nog 6 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor de woningen aangelegd. Hiermee wordt aan de parkeernorm voldaan.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

In het plangebied geldt het 'Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie' (2014), waarin het cultuurhistorisch en archeologisch beleid van de voormalige gemeente Schoonhoven is opgenomen. Een groot deel van de gemeente Krimpenerwaard is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol veenweidegebied. Onderhavig plangebied ligt midden in een woonwijk en is niet aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied. Met de realisatie van vier woningen heeft het initiatief geen effect op cultuurhistorische waarden. Met het plan blijft de oorspronkelijke verkavelingsstructuur (noord-zuid) en de omliggende watergangen intact en herkenbaar.

Archeologie

Het noordelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Het zuidelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. In het noordelijk deel van het plangebied komt de oppervlakte van bodemingrepen niet boven de 10.000 m². Een archeologisch onderzoek is daar daarom niet noodzakelijk. In het zuidelijk deel van het plangebied is de oppervlakte van de bodemingrepen groter dan 100 m². Een archeologisch onderzoek voor dit deel van het plangebied zal worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 6' worden in voorliggend plan overgenomen.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voor de bestemmingen en de opzet van de regels is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan "Schoonhoven Oost" van de voormalige gemeente Schoonhoven. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Groen', ten behoeve van de groenvoorzieningen in het plangebied;
  • 'Wonen - 1', voor het realiseren van de woningen. Voor de situering van de woningen zijn vier bouwvlakken opgenomen met de bouwaanduiding 'vrijstaand'. De maximaal toegestane bouwhoogte is aangegeven op de verbeelding.
  • 'Verkeer', ten behoeve van de ontsluiting en het parkeren in het plangebied;
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6', voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg niet toegezonden aan de provincie omdat er geen sprake is van een bovenlokaal belang. Het Hoogheemraadschap heeft laten weten geen opmerkingen te hebben op het plan.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Op 29 november 2018 is een informatiebijeenkomst gehouden, waarin de initiatiefnemer omwonenden heeft geïnformeerd over de ontwikkelingen. Omwonenden hebben in april 2020 een brief gekregen waarin zij verder op de hoogte zijn gebracht over de beoogde ontwikkelingen de planning. Daarna heeft er op 30 september 2020 een nadere afstemming plaatsgevonden met de bewoners van de Waterviolier en de Vrouwenmantel. Het plan werd qua sfeer en uitstraling positief ontvangen. Na de eerdere communicatie en de informatiebrief zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd. Het groen beperkt het zicht op het bouwplan, dit wordt positief gewaardeerd.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 5 mei 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één zienswijze ontvangen. In de Nota van zienswijzen (zie bijlage 5) is deze zienswijze samengevat en van beantwoording voorzien. Naar aanleiding van de zienswijze is de verbeelding aangepast door de bouwvlakken van de woningen strak om de contour van het beoogde woningtype (L-vorm) te leggen.