Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Middelblok 209, Gouderak
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1931.BP2004BG014-VG01

Toelichting

1 Inleiding
 
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens de locatie Middelblok 209 te Gouderak te herontwikkelen. Het voornemen is om de (monumentale) bebouwing te renoveren en het perceel te voorzien van een woonbestemming. De gebouwen worden voorzien van nieuwe functies zoals wonen en recreatief gebruik. Met de ontwikkeling worden twee woningen, vier kamers ten behoeve van een bed & breakfast, een recreatiewoning, paardenstal en paddock mogelijk gemaakt. Daarbij wordt met het beoogde plan de (rijks)monumentale bebouwing gerenoveerd en worden de cultuurhistorische en landschappelijke waarden kwalitatief verbeterd.
  
Het geldende bestemmingsplan 'Middelblok', vastgesteld op 25 oktober 2011, voorziet in de mogelijkheid een agrarische bestemming om te zetten naar een woonbestemming. Hierbij geldt de verplichting dat de voormalige agrarische opstallen gesloopt dienen te worden. Aan deze verplichting wordt echter niet voldaan. Het geldende bestemmingsplan staat het voorgenomen plan niet toe. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig, waarin een bestemmingswijziging naar 'Wonen' wordt doorgevoerd en de beoogde functies mogelijk gemaakt worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
 
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied van het beoogde initiatief is gelegen aan de Middelblok 209 te Gouderak. De locatie ligt ten noord oosten van de kern Gouderak en ten zuiden van Gouda. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Gouderak, sectie B, percelen 3701, 3703 (deels) en 4784 (deels).
   
De navolgende afbeeldingen tonen globale ligging en begrenzing van het plangebied.
 
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
 
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
 
1.3 Geldend bestemmingsplan
Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Middelblok', vastgesteld op 30 juni 2011 door de raad van de voormalige gemeente Ouderkerk. De gronde van het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. Binnen het bouwvlak is agrarische bedrijfsbebouwing toegestaan. Een deel van het aanwezig bouwvlak is voorzien van de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Hier is een bedrijfswoning toegestaan. Tevens beschikt een deel van het bouwvlak over de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument'. Deze aanduiding is opgenomen voor het behoud en herstel van het rijksmonument. De maximale goothoogte van de bebouwing bedraagt 6 m.
 
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
 
Uitsnede bestemmingsplan 'Middelblok', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
     
Er gelden voor de planlocatie twee dubbelbestemmingen. De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' zijn mede bestemd voor bescherming van de archeologische (verwachtings)waarde. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is opgenomen ten behoeve van de waterkering, de waterhuishouding met de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen ten dienste van de geleiding en beveiliging van het scheepvaartverkeer.
 
Het gehele plangebied is voorzien van de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'. De bouw van een woning of een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder is binnen deze geluidzone enkel toegestaan wanneer:
  • een besluit tot vaststelling van een hogere grenswaarde voor de betrokken woning of voor het betrokken gebouw vóór de vaststelling van dit plan is verleend;
  • uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op enige gevel van de betrokken woning of het betrokken gebouw niet hoger zal zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. 
Tevens geldt voor de gronden van het plangebied het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard'. Dit plan is opgesteld om een gemeente-dekkende regeling te hebben voor parkeren. Het doel van dit bestemmingsplan is om ten aanzien van het parkeren uniforme bepalingen vast te stellen die verwijzen naar beleidsregels voor parkeernormen. In het parapluplan wordt verwezen naar de parkeernormen van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van oktober 2012.
 
De herontwikkeling van het erf en de wijziging naar een woonbestemming is in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Middelblok'. Derhalve dient een nieuwe bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
 
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.
 
2 Initiatief
 
2.1 Huidige situatie
Het plangebied is gelegen in de polder Middelblok ten noordoosten van de kern Gouderak. De polder kent lange en smalle kavels die haaks op de ontginningsbasis zijn gesitueerd. Aan de binnenzijde van de dijken zijn boerderijen te vinden. Aan de overzijde van de dijk zijn in de jaren 70 en 80 de uiterwaarden drooggelegd, waarna hier een bedrijventerrein is gerealiseerd. Later is de ringweg (N207) aangelegd. Met beide ontwikkelingen is de ruimtelijke kwaliteit van het gebied achteruit gegaan.
 
Aan de dijk staat een rijksmonumentale boerderij met een achterhuis. Aan de noordoostzijde van het plangebied staan verschillende bijgebouwen, varkensstal (incl. mestkelder) en opstallen. Achter de boerderij bevindt zich een hooiberg en een oude schapenstal. Het meest achterop het perceel gelegen gebouw betreft een wagenloods. Verder beschikt het plangebied over kenmerkende agrarische elementen als een mestplaat en gierkelders.
 
Het plangebied is bereikbaar door middel van een oprit vanaf de dijk. Een groot deel van het plangebied bestaat uit verharding in de vorm van bebouwing, asfalt, betonplaten en klinkers. Het overige gedeelte bestaat voornamelijk uit gras en weids voor schapen.
 
De navolgende afbeeldingen tonen een aanzicht van de rijksmonumentale boerderij en een plattegrond van de huidige situatie.
 
Voorzijde rijksmonumentale boerderij (bron: Google Maps)
 
Plattegrond huidige situatie (bron: 10010ntwerpen)
 
2.2 Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie wordt een groot deel van de bijgebouwen en stallen gerestaureerd en omgebouwd voor nieuwe functies. De monumentale boerderij aan de dijk wordt gerestaureerd en gebruikt voor een bed & breakfast. In totaal beschikt het pand over vier kamers en een eetruimte. Het achterhuis wordt omgebouwd tot trainingsruimte voor communicatietrainingen. De navolgende afbeelding toont een indicatieve plattegrond van de rijksmonumentale boerderij.
 
Indicatieve plattegrond toekomstige situatie rijksmonumentale boerderij (bron: 10010ntwerpen)
   
De karakteristieke hooiberg achter de boerderij blijft behouden en wordt gerestaureerd. De andere hooiberg aan de oostzijde van het perceel wordt omgebouwd tot woning ten behoeve van mantelzorg. Hierbij wordt de bestaande gevel van de hooiberg vervangen door houten horizontale delen. Het bestaande dak en de constructie blijven behouden en worden gerestaureerd. De navolgende afbeelding toont een impressie van de beoogde woning ter plaatse van de hooiberg.
 
Impressie woning ter plaatse van de hooiberg (bron: 10010ntwerpen)
 
De schapenstal wordt omgebouwd tot woning met een terras. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande vloer en fundering. De wanden bestaan uit houten horizontale delen en het dak wordt voorzien van plaatmateriaal. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de indeling van de woning in detail uitgewerkt.
 
Impressie woning ter plaatse van de schapenstal (bron: 10010ntwerpen)
 
Tegenover de woning in de schapenstal wordt de gevel van de moderne schuur vervangen. Het bestaande dak wordt vervangen door een pannendak. In de schuur worden twee paardenboxen en bergingen voor de hooibergwoning en recreatiewoning gerealiseerd. Tevens wordt het achterste gedeelte van het terrein ingericht ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden. De bestaande wagenloods wordt gesloopt. De weide ten noordoosten van het plangebied wordt voorzien van een paddock en ter plaatse van de wagenloods wordt een schuilschuur gerealiseerd.
  
De oude monumentale varkensschuur wordt gerestaureerd en omgebouwd tot een recreatiewoning. De recreatiewoning beschikt over een woonkamer met keuken, badkamer en slaapkamer.  
  
Impressie recreatiewoning in de varkensschuur (bron: 10010ntwerpen)
 
Op het eigen terrein is voldoende ruimte voor parkeren. In totaal worden er 17 parkeerplaatsen gerealiseerd, 8 voor op het terrein en 9 achter op het terrein.
 
Situatietekening beoogde situatie (bron: 10010ntwerpen)
 
3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid
 
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
    
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren van  nieuwe woningen en het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
 
Planspecifiek
Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  • De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  • Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  • Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In onderhavig geval wordt de rijksmonumentale woning voorzien van de bestemming wonen en worden twee nieuwe woningen, een recreatiewoning en vier bed & breakfast kamers gerealiseerd. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft het plan niet nader getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
Onder bestaand stedelijk gebied wordt conform artikel 1.1.1 eerste lid onder h van het Bro verstaan: het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Rond het plangebied zijn verschillende functies te vinden zoals bedrijven en woningen. Het plangebied is een uitloper van de kern in de vorm van een langgerekt dijklint.
 
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling gezien het beoogde programma niet getoetst hoer te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie is in werking getreden op 20 april 2019. De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen: 
  1. Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
  • het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
  • de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
  • het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur
  • de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
  • de groene ruimte en de groenblauwe structuur;
  • het bodem- en watersysteem;
  • energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond.   
  1. Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk.
 
De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
  • Naar een klimaatbestendige delta
  • Naar een nieuwe economie: the next level
  • Naar een levendig meerkernige metropool
  • Energievernieuwing
  • Best bereikbare provincie
  • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving   
  1. Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
  • Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.
  • Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit.
  • Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
  1. Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).
 
Planspecifiek
  1. Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 
  1. Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 
  1. Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.
 
Laag van de ondergrond
Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Het zuidoostelijke deel van het plangebied is tevens aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzetting'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. De onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap worden bij ontwikkelingen herkenbaar en in stand gehouden. Het plangebied bevindt zich tegen een dijk. Het hoogteverschil zal hier dan ook behouden blijven. Daarbij wordt het zicht op de achtergelegen gronden verbeterd doordat de wagenloods wordt gesloopt en hiervoor in de plaats een kleinere schuilstal wordt terug gebouwd.
     
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
Het plangebied bevindt zich in een 'veen(weide)landschap'. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn:
  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
  • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.   
Met de beoogde ontwikkeling wordt een deel van de schuren en opstallen gesloopt. Met name het verwijderen van de wagenloods zorgt voor een meer open karakter in het gebied.
 
Tevens ligt het plangebied aan een lint. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. De bebouwing staat op of tegen de dijk. Er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing. Er wordt met de ontwikkeling enkel gebruik gemaakt van bestaande bebouwing en er wordt bebouwing vervangen. Hiermee blijft het karakter van een lint zoveel mogelijk geborgd.
 
De dijken zijn lijnvormige, herkenbare structuurdragers in het landschap met als primaire functie het keren van water. Richtpunten voor ontwikkelingen aan rivierendijken zijn:
  • Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders.
  • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers.
De ontwikkeling zorgt voor meer openheid en zicht op de achtergelegen polder. Zoals hiervoor benoemd, heeft met name de sloop van de wagenloods een positieve invloed op de openheid en doorzichten. De doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap worden niet belemmerd vanwege de ontwikkeling.
  1. Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.
 
Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart:
 
Herkenbaar waterrijk veen(weide)
De veenweidepolders lopen door tot aan de rivierdijken. Hier is het hoogteverschil geleidelijk en hier is geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Het contrast van de verdichte dijklinten op de oeverwal en het open veenweidegebied dient beleefbaar te zijn. Doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk moet zoveel mogelijk behouden blijven. Met de beoogde ontwikkeling blijft het contrast tussen het dijklint en het open veenweidegebied behouden. De kwaliteitsverbetering van het erf zorgt o.a. voor betere doorzichten naar het achterland.
 
Weg door stad en land
Alle rivierdijken zijn toegankelijk, waarbij de weg op de kruin van de dijk ligt. Het profiel en de continuïteit van de dijk dient behouden te blijven. Voor de beleefbaarheid van het landschap wordt de weg op de kruin van de dijk gehouden. Onderhavig initiatief heeft geen invloed op de weg. De huidige kwaliteiten van de weg op de dijk blijven dan ook behouden.
 
Linten blijven linten
Het plangebied ligt aan een dijklint. De zone langs de rivieren was het vroegst bebouwde gebied, van daaruit is het achterliggende land ontgonnen. De ontginningsrichting is haaks op de rivier. De bebouwing ligt als een aaneengesloten band langs de dijk. Binnendijks staat de meeste bebouwing beneden aan de dijkvoet en incidenteel op dijkniveau. Een ambitie die bij het dijklint hoort is het contrast tussen het verdichte dijklint en het open veenweidegebied beleefbaar te houden. Daarbij dient het profiel in stand gehouden te worden. De beleefbaarheid van het erf wordt verbeterd met de herontwikkeling. Daarbij worden betere doorzichten op het veenweidegebied gecreëerd. De karakteristieken van het lint blijven met de ontwikkeling zoveel mogelijk behouden.
            
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling van het plangebied past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 
 
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland
Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 20 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. 
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen:
  1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  2. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de locatie niet groter is dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.
  
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  2. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
  3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.   
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op perceelniveau en past bij de aard en de schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten voldoet.
 
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
 
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Ouderkerk 2030
De Structuurvisie Ouderkerk 2030 geeft het benodigde beleidskader van de gemeente aan. Ouderkerk ligt ten noorden van de Krimpenerwaard tussen de stedelijke gebieden van Rotterdam en Gouda. De gemeente kent een groot aantal bijzondere kwaliteiten. Het beleid is gericht op het waarborgen en duurzaam behoud van deze kwaliteiten. De structuurvisie biedt ruimte voor ontwikkelingen in landelijk gebied en in de dorpen.
 
De Structuurvisie Ouderkerk 2030 bestaat uit drie delen:
  • Deel 1: Beleid per thema
  • Deel 2: Beleid per gebied
  • Deel 3: Uitvoeringsparagraaf
De gemeente Ouderkerk wil het karakter van een Groene Hartgemeente behouden en versterken. Daarbij moet de gemeente bijdragen aan de ontwikkeling van Krimpenerwaard tot vitale regio. Met het benutten van ontwikkelingspotenties moet de gemeente aantrekkelijk blijven, zodat krimp tegengegaan wordt. De verdichting van de dorpen zal minimaal zijn. De kwaliteit van het bestaande woon- en leefmilieu niet onder druk komt te staan.
 
Planspecifiek
Het beoogde plan heeft met name raakvlakken met de thema's 'Duurzaam Ouderkerk' en 'Leefbaar Ouderkerk'. Het landschap wordt gezien als onderlegger van een duurzame structuur. Het veenweidelandschap heeft kernkwaliteiten als het open landschap, concentratie van bebouwing in bebouwingslinten en cultuurhistorisch erfgoed. Naast het landschap heeft de gemeente doelstellingen voor het behoud van archeologisch erfgoed en cultuurhistorische waardevolle structuren. Op de planlocatie is rijksmonumentale bebouwing aanwezig die in de huidige situatie in matige staat verkeren. De oude varkensstal achterop het terrein verkeerd in zeer slechte staat. Met de herontwikkeling van het erf worden deze gebouwen gerestaureerd en wordt er een kwaliteitsslag gemaakt. Daarnaast wordt het zicht op het achterliggende landschap verbeterd en krijgt het een meer open karakter. Gesteld kan worden dat de herontwikkeling een bijdrage levert aan de cultuurhistorische en landschappelijke structuur van het gebied.
 
Mede doordat Ouderkerk aan de flank van het stedelijk gebied van Rotterdam en Gouda ligt, is het een aantrekkelijke gebied om te wonen. De kernen in de gemeente kennen een diversiteit aan woonmilieus. Er is een tekort aan woningen voor jonge huishoudens en starters. Door de scheefheid in het woningaanbod is doorstroming op de woningmarkt vaak niet mogelijk. Het doel is dan ook om voldoende en voor de juiste doelgroepen woningen te bouwen. De toevoeging van één extra burgerwoning in het cultuurhistorische ensemble levert een bijdrage aan de doorstroming op de woningmarkt. De woningen zullen wat betreft uitstraling, maat en dichtheid passend zijn in de omgeving.
 
Voor Gouderak geldt dat de vitaliteit van de woon- werkgemeenschap behouden en versterkt moet worden. De herontwikkeling van het erf zorgt voor een kwaliteitsverbetering. Hierbij blijven de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten behouden en worden deze versterkt.
 
Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde herontwikkeling in lijn is met de Structuurvisie Ouderkerk 2030.
 
3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard
Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Binnen de nieuwe gemeente is nu behoefte aan een gezamenlijke woonvisie. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030. Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020.
 
Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt:  
  1. Positionering in de regio; onderscheidend zijn.
  2. Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen.
  3. Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing.
  4. Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten.
  5. Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.
Groeiperspectief
In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen.
 
Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is.
 
Planspecifiek
Het voorgenomen plan betreft het toevoegen van één extra burgerwoning. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de woningvoorraad van de gemeente Krimpenerwaard en de doelstelling om 1.600 extra woningen te 2030 te bouwen. De nieuw woning wordt gasloos uitgevoerd en voorzien van goede isolatie. Daarbij wordt de kwaliteit van het erf op het gebied van wonen verbeterd met de herontwikkeling. Hiermee wordt aangesloten op de thema's 3 en 5 van de woonvisie. Met de definitieve planuitwerking zullen verschillende duurzaamheidsmaatregelen getroffen worden. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van zonnepanelen.
 
Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.
 
3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017
De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen.
 
Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'.
 
Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt.
 
Planspecifiek
Uit het raadplegen van de niveaukaart is gebleken dat voor het plangebied een 'bijzonder' welstandsniveau geldt. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als het landschap 'Hollandsche IJssel'. De linten langs de Hollandsche IJssel hebben een bijzonder welstandsniveau. De combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lint- en dijkbebouwing. Het beeld is kleinschalig, met variatie in open en meer besloten delen.
 
Ontwikkelingen moeten een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan de hooforiëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.
 
Met de beoogde ontwikkeling blijft de karakteristieke en rijksmonumentale bebouwing behouden en wordt deze gerestaureerd. Een deel van de vervallen bijgebouwen en schuren worden gesloopt, danwel gerestaureerd en vernieuwd. Hiermee wordt de kwaliteit van de bebouwing verbeterd en blijft het karakter van het erf behouden. Tevens wordt er met het slopen van de relatief grote wagenloods een beter doorzicht naar het achterland gerealiseerd. De schuilstal en de paddock bevinden zich op het achtererf.
 
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017 vormt het welstandskader bij de omgevingsvergunning voor de bouw. Te zijner tijd zal de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit het ontwerp hieraan toetsen.
 
4 Milieu- en omgevingsaspecten
In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.
 
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (D11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Met de voorgenomen ontwikkeling worden slechts één extra woning, een recreatiewoning en vier bed & breakfast kamers gerealiseerd. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. 
 
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
 
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestemming gewijzigd van 'Agrarisch' naar 'Wonen', waarmee een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik plaatsvindt. Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen), is door Inventerra een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 27 november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).  
 
Op de locatie van de voormalige bovengrondse gasolietank zijn matig tot sterke verontreinigingen met minerale olie in de grond aangetoond, vermoedelijk veroorzaakt door morsingen. De omvang is bij het aanvullend onderzoek nog niet geheel in kaart gebracht. Nader onderzoek is noodzakelijk om de volledige omvang van de verontreiniging in beeld te brengen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen met minerale olie of vluchtige aromaten vastgesteld. Deze tank is gebruikt tot ruim na 1987, waardoor de verontreiniging in de grond in ieder geval deels als een zogenaamd “nieuw geval van bodemverontreiniging” moet worden beschouwd. Op grond daarvan is de zorgplicht van toepassing is.
 
Ter plaatse van de dempingen zijn in de onderzochte grond- en puinmonsters geen verontreinigingen met asbest aangetoond. In de grond zijn voor het overige overwegend lichte verontreinigingen (met zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie) aangetoond. Uitzondering hierop vormen enkele matig verhoogde gehalten aan lood en PAK in de puinhoudende bodemlaag vanaf 0,4 meter diepte ter plaatse van één van de boringen. Aangezien het dempingsmateriaal nagenoeg geheel bestaat uit (grof) puin en ondoordringbaar is vanwege de betonplaten en er geen sterke verontreinigingen zijn aangetoond, is het uitvoeren van nader onderzoek of aanvullende maatregelen naar onze mening bij gelijkblijvende situatie niet noodzakelijk.
 
In de druppelzones van de afwaterende asbestdaken is asbest (bij de varkensschuur) tot een gering asbestgehalte van 21 mg/kgds (bij de stalling van landbouwvoertuigen) aangetoond. Aangezien de waarde van 50 mg/kgds niet wordt overschreden is de uitvoering van nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk.
 
Voor het onderzoek naar de algemene bodemkwaliteit kan geconcludeerd worden dat op het overgrote deel van het terrein sprake is van overwegend lichte verontreinigingen. Alleen bij één van de boringen is een matige verontreiniging met PAK aangetoond en bij één boring een matige verontreiniging met lood. Beide verontreinigingen kunnen als een “spot” worden beschouwd, waardoor geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. 
 
Ter plaatse van de wagenberging blijkt (naast de al eerder genoemde verontreiniging met minerale olie) in de grond tevens sprake van sterke verontreinigingen met zware metalen en PCB. De omvang van de verontreiniging is nog niet geheel in kaart gebracht, al lijkt reeds verondersteld te kunnen worden dat de verontreiniging zich niet buiten de fundering van de wagenberging lijkt uit te strekken. De oorzaak van de verontreiniging wordt toegeschreven aan de gebruikte aanvulgrond, die eind jaren ’70 bij de bouw van de wagenberging is toegepast. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de verontreiniging een zogenaamd “historisch geval van bodemverontreiniging” betreft. Op grond van de onderzoeksresultaten tot nu toe kan reeds geconcludeerd worden dat sprake is van meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond en daarmee van een zogenaamd geval van ernstige bodemverontreiniging en dus van een saneringsnoodzaak in de zin van de Wet bodembescherming. De volledige omvang van de verontreiniging dient echter nog middels nader onderzoek in kaart te worden gebracht.
 
In het grondwater ter plaatse van de wagenberging zijn behoudens een licht verhoogde concentratie barium geen verontreinigingen aangetoond. Het licht verhoogde bariumgehalte in het grondwater betreft een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde.
 
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein vooralsnog niet geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Er dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden om de ernst en omvang van de verontreinigingen met zware metalen, PCB en minerale olie ter plaatse van de wagenberging in kaart te brengen.
 
Tevens wordt geadviseerd om bij het uit te voeren nader onderzoek ook de aldaar aanwezige puinhoudende grond op asbest te onderzoeken, aangezien dat op deze locatie nog niet is uitgevoerd. Tevens wordt aanbevolen om onderzoek uit te voeren naar PFAS met het oog op de bepaling van de verwerkingsmogelijkheden.
 
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er een globaal inzicht in de saneringskosten verkregen. Gebleken is dat het plan, met inbegrip van deze saneringskosten, financieel uitvoerbaar is. Op basis van het aangeleverde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat (meer) bodemonderzoek noodzakelijk is. Het nader bodemonderzoek dient te worden bijgesloten als de aanvraag van de Omgevingsvergunning wordt ingediend. Voor het wijzigen van de bestemming is de locatie voldoende onderzocht. Het is duidelijk dat voor de realisatie van het plan voldoende financiële middelen dienen te worden gereserveerd voor meer bodemonderzoek en/of de sanering van een bodemverontreiniging.
  
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling worden één extra woning, een recreatiewoning en vier bed & breakfast kamers mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt het erf herontwikkeld en ondergaat het een kwaliteitsverbetering. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. 
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 18,5 μg/m³, 11,2 μg/m³ en 22,7 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5.
 
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
 
Planspecifiek
Met de ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt. Woningen worden conform de Wet geluidhinder (Wgh) gezien als gevoelige objecten. Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de N207 en binnen de contour van het geluidgezoneerd industrieterrein ten noordwesten van het plangebied. 
 
Wegverkeer
Het is noodzakelijk om een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uit te voeren. Derhalve is door Adviesburo van der Boom een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, 15 juni 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2).
 
De geluidbelasting door wegverkeer op de N207 bedraagt op de gevels van de woningen ten hoogste 51 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee in 2 rekenpunten overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Middelblok bedraagt op de gevels van de woningen ten hoogste 49 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee in 1 rekenpunt overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt door de wegen niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Schielands Hoge Zeedijk bedraagt op de gevels van de woningen ten hoogste 28 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door deze weg derhalve niet overschreden.
 
Industrie 
Door de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van het industrieterrein Middelblok is in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) door de omgevingsdienst Midden-Holland onderzoek naar de geluidbelasting op de woningen gedaan. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting t.g.v. industrielawaai lager is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh, te weten: 50 dB(A). De geluidsbelasting bedraagt maximaal 47 dB(A).
 
De realisatie van de twee woningen in het onderhavige plangebied vindt plaats op gronden die binnen de 50 dB(A) geluidszone van het industrieterrein Middelblok zijn gelegen. De geluidszone vormt een aandachtsgebied tussen de bedrijven op het industrieterrein en de geluidsgevoelige gebouwen in de omgeving. Binnen de zone gelden beperkingen voor woningbouw. Middels zonering worden enerzijds bedrijven beschermd tegen oprukkende geluidsgevoelige bestemmingen en anderzijds worden geluidsgevoelige bestemmingen beschermd tegen eventuele uitbreidingen van de activiteiten op het industrieterrein.
 
Aangezien de geluidszone is gebaseerd op de huidige activiteiten van bedrijven en de toekomstige ontwikkelingen binnen de grenzen van dit industrieterrein, mag de oprukkende woningbouw geen beperkende factor zijn voor de bedrijfsvoering in het gebied. Om deze rede wordt geadviseerd om een hogere grenswaarde van 55. dB(A) te verlenen. Met de verlening van deze hogere grenswaarde zullen derhalve de uitbreidingsplannen van de aanwezige bedrijven op het industrieterrein Middelblok worden gerespecteerd.
 
Voor het bepalen van de cumulatie dient uitgegaan te worden van 55 dB(A) voor industrielawaai.
   
Spoorwegen
Er liggen geen spoorwegen in de directe omgeving van de planlocatie. De beoogde woningen liggen niet binnen de onderzoekszone van een spoorweg.
 
Cumulatie wegverkeer en industrie
De gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeerlawaai en industrielawaai is bepaald door middel van een berekening (Adviesburo van der Boom, 16 februari 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). De hoogste gecumuleerde geluidbelasting van 59 dB ligt daarmee 3 dB hoger dan de geluidbelasting van 56 dB zonder aftrek door wegverkeer. De geluidbelasting op de gevels is niet onaanvaardbaar.
 
Conclusie
Voor de ontwikkeling dient voor de gevels een hogere waarde van maximaal 51 dB te worden aangevraagd voor wegverkeer op de N207. Tevens moet voor de ontwikkeling voor de gevel een hogere waarde van 49 dB te worden aangevraagd voor wegverkeer op de Middelblok. Het geluidbeleid van de gemeente vereist een geluidluwe gevel en buitenruimte bij een aan te vragen hogere waarde van ten minste 53 dB. Deze waarde wordt hier niet bereikt.
 
4.5 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar.
 
Planspecifiek
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een gevoelige bestemming (woningen) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze milieugevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende woningen en (agrarische) bedrijven te vinden, waardoor het aangemerkt kan worden als een 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kunnen met één afstandstap worden verminderd.
  
Met behulp van het bestemmingsplan 'Middelblok' is bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op het bedrijventerrein ten noorden van het plangebied zijn bedrijven met de milieucategorie 1 t/m 4.1 toegestaan. In onderstaande tabel staan de bedrijven in de omgeving van het plangebied weergegeven met de bijbehorende richtafstanden in een gemengd gebied.
 
Adres
Soort bedrijf
SBI-2008
Milieucategorie
Richtafstand (gemengd gebied)
Afstand tot het plangebied *)
Middelblok 202
Oostrom Installatiebedrijf
43221
2
10 m
50 m
Middelblok 214
Polka Productions B.V.
139
3.1
30 m
35 m
Middelblok 212
Bos V8 Supercars BV
451, 452, 454
2
10 m
20 m
Middelblok 208 A
Langeveld Auto's
451, 452, 454
2
10 m
50 m
Middelblok 206
Chris van Gennep Auto's
451, 452, 454
2
10 m
65 m
Middelblok 194
Kaboom! Vuurwerk
46499
3.1
50 m (gevaar)
170 m
*) gemeten van bedrijfsgebouw tot gevoelig object
 
Ondanks dat het plangebied gelegen is binnen de geluidszone van het ten noorden gelegen industrieterrein Middelbok, wordt er voldaan aan de gestelde richtafstanden conform de VNG-publicatie. In toelichting paragraaf 4.4 is ingegaan op de ligging binnen de geluidzone van het industrieterrein Middelblok. Op gedeelte van het bedrijventerrein tegenover het plangebied zijn enkel bedrijven t/m milieucategorie 3.1 aanwezig, waarbij relatief weinig overlast te verwachten is. Volgens het geldende bestemmingsplan 'Middelblok' zijn op het bedrijventerrein bedrijven t/m milieucategorie 4.1 toegestaan. Echter bevinden zich al diverse woningen rond het bedrijventerrein die als maatgevend gezien kunnen worden. Met de bestemmingswijziging naar 'Wonen' zullen de mogelijkheden voor de bedrijven op dit bedrijventerrein dan ook niet verminderen.  
  
Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.6 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
 
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)
 
Risicovolle inrichtingen
Ten noorden van het plangebied bevindt zich op een afstand van ca. 185 m aan de Schielands Hoge Zeedijk 35 een risicovolle inrichting van Compaxo Fijne Vleeswaren B.V. Echter beschikt deze inrichting niet over een PR 10-6 contour of groepsrisico contour. Het plangebied bevindt zich dan ook op voldoende afstand tot de inrichting.
 
Buisleidingen
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat op een afstand van ca. 250 m ten zuidoosten van het plangebied een buisleiding loopt. Voor deze buisleiding geldt een risicocontour van 0 m. Gezien de afstand tot de buisleiding veroorzaakt deze geen belemmeringen.
 
Transportroutes voor gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt op ca. 50 m afstand van de provinciale weg (N207). Daarmee ligt het plangebied binnen 80 m van de N207 en is dient een verantwoording van het groepsrisico toegelicht te worden. Gezien de zeer lage aantallen van de transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg is dit nauwelijks relevant voor wat betreft het plaatsgebonden risico of groepsrisico. Bij een incident met toxische of gevaarlijke stoffen op de N207 kan een (giftige) gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.
 
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.7 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
4.7.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 'Met mensen en water'
Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is waterbeheerder in het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer, Gouda en Schoonhoven. In het waterbeheerplan worden de ambities en doelen voor de periode 2016-2021 weergeven. Het streven is het watersysteem zo goed mogelijk geschikt te houden voor alle functies. Daarnaast is er aandacht voor de aantrekkelijkheid van het woon- en leefgebied voor alle gebruikers.
 
De hoofddoelen van het beheer zijn:
  • Waterveiligheid: beschermen van burgers en bedrijven tegen overstromingen middels stevige dijken.
  • Watersysteem: het duurzaam en slim besturen, beheren en onderhouden van het samenhangende systeem van watergangen en kunstwerken. Een optimaal waterpeil, voldoende water van goede kwaliteit en goed onderhouden sloten, vaarten en plassen zijn hierbij van belang. Geanticipeerd dient te worden op klimaatverandering en bodemdaling en ruimtelijke ontwikkelingen. Op gebiedsniveau wordt samengewerkt met andere partijen aan integrale oplossingen voor de verschillende wateropgaven.
  • Afvalwaterketen en emissies: efficiënt en gebruiken van afvalwaterzuiveringsinstallaties en transportsystemen ten behoeve van maatschappelijke winst in de vorm van energieterugwinning en kostenbesparing. Met optimalisatie en innovatie van de zuiveringsprocessen wordt ingezet op duurzaamheid.
  • Wegen: bijdragen aan een betrouwbaar netwerk binnen de regio Midden-Holland middels veilige, doelmatig onderhouden wegen.  
Keur en Beleidsregels van Schieland en de Krimpenerwaard
Op grond van de Waterwet is van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden;
Maar ook aan:
  • Onttrekken en lozen van grondwater;
  • Het aanbrengen van verhard oppervlak. 
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
 
4.7.3 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
Watercompensatie
In de huidige situatie is een groot gedeelte van het plangebied verhard. De verharding bestaat uit de bebouwing, asfalt en betonplaten. Met de herontwikkeling van het erf wordt een deel van deze verharding verwijderd. De oppervlakte aan verharding zal dan ook afnemen, waardoor watercompensatie niet noodzakelijk is.
  
Riolering en afkoppeling
De nieuwe woningen, recreatiewoning en bed & breakfast worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt.
    
Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.8 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Met het beoogde initiatief wordt er een deel van de bebouwing gesloopt, wat mogelijk een negatief effect heeft op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of beschermde houtopstanden. Derhalve is door Blom Ecologie B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie B.V., 8 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4).
 
Soortenbescherming
Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus en (gebouwbewonende) vleermuizen. Ten aanzien van kerk- en steenuil dient buiten de broedperiode gewerkt te worden en de aanwezige nestkasten dienen te worden herplaatst. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
 
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
 
Houtopstanden
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Aanvullend onderzoek huismus en vleermuis
De conclusie in de quickscan geeft aan dat er soort specifiek onderzoek noodzakelijk is voor de soorten huismus en (gebouwbewonende) vleermuizen. Om die reden is een aanvullend onderzoek naar deze soorten uitgevoerd (Bui-tegewoon, september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5).
 
Voor de projectlocatie kunnen met betrekking tot vleermuizen de volgende conclusies getrokken worden:
  • Op de projectlocatie en in de betrokken opstallen zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig;
  • Er werd geen actief foerageergedrag binnen de effectzone vastgesteld;
  • Binnen de effectzone van het projectgebied zijn in geringe mate vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en mogelijk de laatvlieger aanwezig;
  • Er wordt geen ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk geacht op basis van de bevindingen, mits bovengenoemde maatregelen m.b.t. bouwplaats verlichting worden gevolgd. 
Voor wat betreft de huismus kunnen de volgende conclusies getrokken worden:
  • De inventarisatie heeft geleid tot de conclusie dat actueel geen broedende huismussen aanwezig zijn;
  • Op basis van bovenstaande beoordelen wij de locatie als veilig te ontwikkelen vanuit de Wet Natuurbescherming en is geen ontheffingsaanvraag noodzakelijk;
  • Als gevolg van het voorkomen van huismussen in het (recente) verleden, de gunstige karakteristiek van het erf voor de soort en de aanwezigheid van territoriale huismussen in de directe omgeving wordt geadviseerd bij het ontwikkelen van de projectlocatie enkele kunstnesten voor huismussen aan te brengen.    
Uitvoerbaarheid
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
  
4.9 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
  
Planspecifiek
Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden. Bij grondbewerkingen met een diepte van meer dan 30 cm is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
 
Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard blijkt dat het plangebied over de volgende archeologische waarde beschikt.
  • Waarde Archeologie 3
  • Waarde Archeologie 4
  • Waarde Archeologie 6
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard
    
Met voorliggend initiatief worden enkel bestaande gebouwen gerenoveerd of omgebouwd, waarbij de bestaande fundering en/of constructie gebruikt wordt. De ontwikkeling veroorzaakt dan ook geen nieuwe bodemverstoring. Derhalve is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in onderhavig geval niet noodzakelijk. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' worden conform de archeologische beleidskaart opgenomen in dit bestemmingsplan.
 
Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.10 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
De boerderij op het perceel Middelblok 209 te Gouderak, ook wel bekend als boerderij Rust-Hove, heeft een rijksmonumentale status. Voor het hele erf is een cultuur- en bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd (Bureau Helsdingen, maart 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6).
 
Het plangebied is gelegen aan Hollandse IJssel en aan de rand van de polder Middelblok. Deze polder maakt onderdeel uit van de Krimpenerwaard. De polder Middelblok kent lange en smalle kavels die haaks op de ontginningsbasis zijn gesitueerd. De boerderijen werden langs de binnenzijde van de dijken gebouwd en aan de achterzijde begrensd door een sloot. Deze sloot is achter het perceel van Middelblok 209 in 1983 gedempt. In de jaren 70 en 80 zijn aan de overzijde van de dijk de uiterwaarden drooggelegd en is hier een bedrijventerrein gerealiseerd.
 
Het herenhuis aan de dijk dateert uit 1753 en werd bewoond door een landheer. Waarschijnlijk staat er al sinds dit bouwjaar een achterhuis tegen het herenhuis aan. Het achterhuis was de boerderij die werd beheerd door een pachtboer. In 1924 is het voormalige achterhuis vervangen door het huidige en werd het voorhuis bij de boerderij betrokken. De bijgebouwen waren, net als in de huidige situatie, langs de oprit gesitueerd.
 
Op basis van ontstaansgeschiedenis van de boerderij Rust-Hove is een cultuur- en bouwhistorische waardestelling geformuleerd. De waarden zijn als volgt benoemd en inzichtelijk gemaakt op de navolgende kaart:
  • Categorie 1: Hoge monumentwaarde (blauw), deze elementen zijn van cruciaal belang voor de structuur en/ of betekenis van het object.
  • Categorie 2: Positieve monumentwaarde (groen), deze elementen zijn van belang voor de structuur en/ of betekenis van het object.
  • Categorie 3: Indifferente monumentwaarde (geel), deze elementen zijn van relatief weinig belang voor de structuur en/ of betekenis van het object.
Cultuur- en bouwhistorische waardering van het erf (bron: Bureau Helsdingen)
 
Hoge monumentwaarde
Binnen het erf hebben de boerderij (herenhuis, achterhuis), de daarachter gelegen drieroedige hooiberg, de siertuin, de oprit als lineaire en verbindende as en de oude stenen schuur een hoge monumentwaarde. Deze elementen zijn van cruciaal belang voor de herkenbaarheid van de oorspronkelijke betekenis van het erf. 
 
Positieve monumentwaarde
De varkensstal, hooiberg, gras aan de randen, krachtvoersilo, mestplaat, gierkelders. Deze elementen zijn in mindere mate van belang voor de herkenbaarheid van de oorspronkelijke betekenis van het erf.
 
Indifferente monumentwaarde
De koeien/ schapenstal, wagenloods, twee bomen ter plaatse van de gesloopte schuur, verharding (klinker, asfalt, betonplaten) en de twee weides hebben een indifferente monumentwaarde. Deze elementen zijn van relatief weinig belang voor de herkenbaarheid van de oorspronkelijke betekenis van het erf.
 
Conclusie
Voor de hele cultuur- en bouwhistorische verkenning wordt verwezen naar de bijlagen bij toelichting bijlage 4. Geconcludeerd kan worden dat een deel van het erf een hoge monumentwaarde heeft en een deel een mindere monumentwaarde. Met de ontwikkeling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het behoud en het versterken van de monumentwaarde op het erf, zodat er een positieve bijdrage geleverd wordt aan de cultuurhistorie van het erf. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.11 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
 
4.11.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
Het voorliggende plan maakt twee vrijstaande woningen, één recreatiewoning en vier kamers voor een bed & breakfast mogelijk. Het plangebied bevindt zich in een 'niet stedelijk' woonmilieu, in het 'buitengebied'. Aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is de verkeersgeneratie berekend. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie vanwege de ontwikkeling weergegeven.
 
Soort woning/functie
CROW - categorie
Aantal
CROW -verkeersgeneratie
Totale verkeersgeneratie
Vrijstaande woning
Koop, huis, vrijstaand
2
8,2
16,4
Recreatiewoning
Bungalowpark (huisjescomplex)
1
2,7
2,7
Kamers (bed & breakfast)
1* Hotel
4
12,4 (per 10 kamers)
5
Trainingsruimte(avond)onderwijs111,5 (per 10 studenten)13,6
Totaal
   
37,7
  
In totaal veroorzaakt de ontwikkeling ca. 37,7 verkeersbewegingen per etmaal. Deze toename van de verkeersgeneratie kan opgevangen worden met de huidige ontsluiting. Het erf blijft dan ook volgens de huidige situatie ontsloten vanaf de dijk. Het aspect verkeer vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.11.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien te worden.
 
Planspecifiek
Met de herontwikkeling van het erf moet er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd worden. Aan de hand van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is het benodigde aantal parkeerplaatsen bepaald. Er wordt uitgegaan van een 'niet stedelijk' woonmilieu in het 'buitengebied'.
 
Soort woning/functie
CROW - categorie
Aantal
CROW - parkeernorm
Totaal aantal parkeerplaatsen
Vrijstaande woning
Koop, huis, vrijstaand
2
2,4
4,8
Recreatiewoning
Bungalowpark (huisjescomplex)
1
2,1
2,1
Kamers (bed & breakfast)
1* Hotel
4
4,5 (per 10 kamers)
1,8
Trainingsruimte
(avond)onderwijs
1
10,5 (per 10 studenten)
10,5
Totaal
   
19,2
   
Ten behoeve van de ontwikkeling zijn er theoretisch 20 parkeerplaatsen nodig. Echter is er sprake van dubbelgebruik voor wat betreft de trainingsruimte en het recreatieve gebruik. In totaal worden er 17 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er is voldoende ruimte op het erf om op het eigen terrein te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Van de parkeerplaatsen worden er 6 achter het monumentale pand met de bed & breakfast kamers en de trainingsruimte gerealiseerd. Voor de woning aan de voorzijde van het plangebied worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd en er wordt 1 parkeerplaats naast de recreatiewoning gerealiseerd. De overige 8 parkeerplaatsen worden achter op het terrein mogelijk gemaakt. De navolgende afbeelding toont de beoogde parkeerplaatsen.
   
Situatietekening met parkeerplaatsen beoogde situatie (bron: 10010ntwerpen)
    
In het voorliggende bestemmingsplan is een regeling opgenomen die borgt dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij, gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', wordt verwezen naar CROW-publicatie 381 of diens rechtsopvolger, dan wel later door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels over parkeren.
 
Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling van het erf.
 
5 Juridische planbeschrijving
 
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).     
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
 
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
 
5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. 
 
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
  • bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
 
Wonen
Het hele plangebied beschikt over de bestemming 'Wonen'. De gronden zijn bestemd voor wonen, erven, tuinen, water, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en het hobbymatig houden van dieren. Tevens zijn beroepsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' is een kantoor aan huis met trainingsruimte toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bed & breakfast' is een bed & breakfast met maximaal 4 kamers toegestaan.
 
Voor de woningen is een bouwvlak opgenomen, waarbij het aantal woningen per bouwvlak niet meer mag bedragen dan aangeduid op de verbeelding. Tevens is er op de verbeelding een goot- en bouwhoogte opgenomen. Aan-, uit- en bijgebouwen mogen uitsluiten ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd.
 
Binnen dit plangebied is maximaal één paardenbak toegestaan voor het hobbymatig houden van paarden, met een maximale omvang van 20 m bij 40 m.
  
Waarde - Archeologie 3
De bestemming 'Waarde - Archeologie 3' is opgenomen voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarde van gronden met een (zeer) hoge archeologische verwachting in verband met ontginningsassen en dijk- en polderlinten (inclusief dijk/kade). Bij grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 30 cm of 100 m² moet met een archeologisch onderzoek aangetoond worden dat er ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en/of niet worden verstoord.
 
Waarde - Archeologie 4
De bestemming 'Waarde - Archeologie 4' is opgenomen voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarde van gronden met een middelhoge archeologische verwachting in verband met oever- en crevasseafzettingen Hollandse IJssel en Lek, Vlist, Lopikerwetering en afgedekte ondiepe rivierduinen. Bij grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 30 cm of 1000 m² moet met een archeologisch onderzoek aangetoond worden dat er ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en/of niet worden verstoord.
 
Waarde - Archeologie 6
De bestemming 'Waarde - Archeologie 6' is opgenomen voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarde van gronden met een middelhoge archeologische verwachting in verband met holoceen afgedekte rivierenlandschap, stoomgordels Benschop riviersysteem, en zeer diep gelegen afgedekte rivierduinen. Bij grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 3 m of 2.500 m² moet met een archeologisch onderzoek aangetoond worden dat er ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en/of niet worden verstoord.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
 
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer.  
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
Participatie
De directe buren zijn in hoofdlijnen op de hoogte van de plannen om het perceel te herontwikkelen.
 
6.2.1 Verslag vooroverleg
In het kader van het vooroverleg zijn 7 reacties ontvangen. Deze reacties zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijk beantwoording in de Nota van beantwoording overleg reacties. Dit stuk is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan.
 
6.2.2 Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan Middelblok 209 heeft vanaf 22 juli 2021 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.