1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens de locatie aan de Oost-Vlisterdijk 30-36 te Vlist, gelegen nabij de rivier de Vlist, te herontwikkelen. Deze locatie bestaat uit twee deellocaties die gescheiden worden door de Oost-Vlisterdijk. Een herontwikkeling van de oostelijke deellocatie is reeds juridisch-planologisch mogelijk gemaakt en betreft het realiseren van woningbouw op de voormalige bedrijfslocatie van Kruiswijk Groep B.V. Thans is er het plan om hier de westelijke deellocatie bij te betrekken. Voor de westelijke deellocatie is het plan de verouderde bedrijfsbebouwing en twee woningen te slopen en aldaar twee nieuwe woningen te realiseren. Op de oostelijke deellocatie worden twee extra woningen mogelijk gemaakt. Het voordeel van het nieuwe initiatief ten opzichte van het eerdere plan is een grotere kwaliteitsverbetering van het karakteristieke lint aan de rivier de Vlist.
De geldende bestemmingsplannen 'Dorpskernen 2014' en 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' staan het voorgenomen plan niet toe. Om het plan mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied van de beoogde ontwikkeling is gelegen aan twee zijden van de Oost-Vlisterdijk te Vlist (gemeente Krimpenerwaard). De planlocatie bevindt zich op de grens van de kern Vlist en het landelijk gebied. Ten westen van de Oost-Vlisterdijk zijn de nummers 33, 34, 35 en 36 gelegen, terwijl ten oosten van deze weg de nummers 30 en 32 tot het plangebied behoren. In het vervolg van deze toelichting komt het onderscheid in twee deellocatie (west en oost) een aantal maal terug. De weg zelf behoort niet tot het plangebied.
Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente Vlist, sectie D, percelen 311 (deels), 313, 314, 316, 316, 433, 434 (deels) en 435 (deels).
De navolgende afbeeldingen tonen globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied (blauwe druppel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale ligging plangebied (rode cirkel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Westelijke deellocatie
Voor het westelijke deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Dorpskernen 2014' (vastgesteld op 16 december 2014) van de voormalige gemeente Vlist. Deze gronden hebben in dit bestemmingsplan de bestemmingen 'Bedrijf', 'Verkeer' en 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Cultuurhistorie' en 'Waterstaat - Waterkering'. Voor het zuidelijke deel geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2014’
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, ondergeschikte kantoorvoorzieningen, productiegebonden detailhandel, bedrijfswoningen voor zover bestaand en bijbehorende erven, parkeer- en groenvoorzieningen en water. Binnen het bouwvlak zijn gebouwen, waaronder één bedrijfswoning, toegestaan.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, beroepsmatige activiteiten aan huis en bijbehorende erven, tuinen, parkeer- en groenvoorzieningen en water. Binnen de twee bouwvlakken is per bouwvlak een vrijstaande woning toegestaan.
Het bestemmingsplan 'Dorpskernen 2014' staat de realisatie van twee halfvrijstaande woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning niet toe.
Oostelijke deellocatie
Voor het oostelijke deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' (vastgesteld op 15 december 2015) van de gemeente Krimpenerwaard. Deze gronden hebben in dit bestemmingsplan de bestemming 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Cultuurhistorie 1' en 'Waterstaat - Waterkering'. Voor het zuidwestelijke deel geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. In oost-westelijke richting zijn de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - zichtlijn' opgenomen.
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)'
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, erven, tuinen, water en groenvoorzieningen, beroepsmatige activiteiten aan huis en parkeervoorzieningen. Per bestemmingsvlak is één vrijstaande woning toegestaan. In afwijking daarvan zijn er in middelste bestemmingsvlak, dat is voorzien van de aanduiding 'twee-aaneen', uitsluitend twee halfvrijstaande woningen toegestaan. Bij de twee noordelijke bestemmingsvlakken worden middels de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - oostvlisterdijk' aanvullende eisen gesteld aan de situering en de nokrichting van woningen. In het middelste bestemmingsvlak 'Wonen' zijn ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' tevens kantoren toegestaan.
Het voorgenomen plan is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Ten eerste is er ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' (middelste bestemmingsvlak) geen vrijstaande woning toegestaan. Ten tweede is er in het noordelijke bestemmingsvlak één vrijstaande woning toegestaan, terwijl het beoogde plan voor dit bestemmingsvlak uit drie vrijstaande woningen bestaat. Ten derde is er in het zuidelijke bestemmingsvlak één vrijstaande woning toegestaan en voorziet het voorgenomen plan ter plaatse in twee halfvrijstaande woningen.
Conclusie
Het voorgenomen plan is op beide deellocaties in strijd met de bestemmingsplannen 'Dorpskernen 2014' en 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)'. Derhalve dient een bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.
2.1 Huidige situatie
Het plangebied is gelegen op de grens van het landelijk gebied en de kern Vlist. De kern Vlist is ontstaan langs de rivier de Vlist, die ten westen van het plangebied is gelegen. De kern Vlist is een langgerekt ontginningsdorp en stoomruglint dat als beschermd dorpsgezicht is aangewezen. Het plangebied ligt volledig in het beschermd dorpsgezicht. De planlocatie is nabij twee bochten in de rivier de Vlist gelegen. In deze twee bochten is direct langs het water gebouwd, waardoor de openheid langs het water plaatselijk is verdwenen en een verdichting in het lint is ontstaan. Meer ten noorden en zuiden van het plangebied is sprake van een bebouwingslint met meer openheid naar het achterliggende landschap.
Westelijke deellocatie
Op de westelijke deellocatie is een bedrijfswoning aanwezig, die bestaat uit één bouwlaag met een mansardekap en beschikt over een karakteristieke gevel. Met een eenlaagse tussenbouw is deze bedrijfswoning verbonden met een bedrijfsgebouw waar een garagebedrijf is/was gevestigd. Ten noorden van deze bebouwing bevinden zich twee vrijstaande woningen, waarvan één woning aan de Oost-Vlisterdijk en de andere woning tweedelijns aan de rivier de Vlist zijn gelegen.
De navolgende afbeeldingen geven een luchtfoto en impressie van de westelijke deellocatie in de huidige situatie weer.
Luchtfoto westelijke deellocatie huidige situatie (blauw omkaderde bebouwing wordt gesloopt)
Impressie westelijke deellocatie huidige situatie
Ten noorden van de westelijke deellocatie is een voetpad gelegen dat leidt naar de brug over de rivier de Vlist. Ten zuiden van de deellocatie bevindt zich een transformatorhuisje.
Oostelijke deellocatie
De oostelijke deellocatie betreft de voormalige bedrijfslocatie van Kruisweg Groep B.V., een loonwerk- en recyclingbedrijf. Na de bedrijfsverplaatsing naar het bedrijventerrein in Bergambacht zijn de bedrijfsactiviteiten op de locatie gestaakt en is de bedrijfsbebouwing gesloopt. In de toekomst zal de locatie worden herontwikkeld en daarvoor in de plaats worden er woningen gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is op 25 november 2014 het bestemmingsplan 'Oost-Vlisterdijk 28a-32, Vlist' vastgesteld, dat is overgenomen in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' (zie
toelichting paragraaf 1.3). Deze bestemmingsplannen staan op de oostelijke deellocatie binnen de plangrenzen van het voorliggende bestemmingsplan vier wooneenheden (twee vrijstaande en twee halfvrijstaande woningen) toe.
2.2 Toekomstige situatie
In aanvulling op de ontwikkeling die voor de oostelijke deellocatie reeds in het geldende bestemmingsplan (zie
toelichting paragraaf 1.3) is vastgelegd wenst de initiatiefnemer de westelijke deellocatie aan de overzijde van de Oost-Vlisterdijk in de herontwikkeling van het gebied te betrekken. De navolgende afbeelding geeft de situatieschets voor de toekomstige situatie weer.
Situatieschets toekomstige situatie (bron: Architektenburo Bikker BV, februari 2019)
In het vervolg van deze paragraaf wordt er per deellocatie toegelicht welke wijzigingen er zijn beoogd.
Westelijke deellocatie
Op de westelijke deellocatie worden het bedrijfsgebouw (garage) en de twee vrijstaande woningen ten noorden daarvan gesloopt (zie blauwe kader op luchtfoto in
toelichting paragraaf 2.1). De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Aan deze woning wordt een bijgebouw gebouwd dat een kleiner oppervlak heeft dan het bestaande bedrijfsgebouw. Verder worden er twee halfvrijstaande woningen of één vrijstaande woning met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 m en 8 m gerealiseerd.
De gronden in het noorden, grenzend aan het voetpad worden ingericht als speel- en/of groenvoorziening. Daarmee ontstaat er een ruimer doorzicht vanaf de Oost-Vlisterdijk naar de rivier de Vlist.
Per saldo blijft het aantal wooneenheden op de westelijke deellocatie gelijk, waarbij verouderde en rommelige (bedrijfs)bebouwing wordt gesloopt. Daardoor ontstaat een kwalitatief, groener en meer open beeld.
Ten aanzien van de bestaande (bedrijfs)woning aan de Oost-Vlisterdijk 30 vinden er ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen wijzigingen plaats. Deze woning is reeds omgezet naar een burgerwoning. Achter deze woning worden twee extra vrijstaande woningen met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 m en 10 m mogelijk gemaakt.
Op het middelste perceel van de oostelijke deellocatie wordt het bestaande kantoorpand (Oost-Vlisterdijk 32) gesloopt en wordt er ter plaatse een vrijstaande woning met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 m en 10 m gerealiseerd. Dit in tegenstelling tot het geldende bestemmingsplan, waarin twee halfvrijstaande woningen zijn toegestaan.
Op het zuidelijke perceel van de oostelijke deellocatie worden twee halfvrijstaande woningen met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 m en 10 m mogelijk gemaakt.
Per saldo worden er daarmee op de oostelijke deellocatie twee wooneenheden extra mogelijk gemaakt.
In het voorliggende bestemmingsplan is de situering van bijgebouwen bij de woningen op de oostelijke deellocatie, mede in verband met de ligging in het beschermd dorpsgezicht, gedetailleerd vastgelegd.
De gronden achter de woningen worden ingericht als (moes)tuin en boomgaard. De gronden verder naar het oosten zullen voor agrarische doeleinden (grasland) gebruikt worden en zijn reeds als zodanig bestemd.
Op het perceel aan de Oost-Vlisterdijk 28a, dat ten noorden van het plangebied is gelegen, is in het geldende bestemmingsplan reeds een vrijstaande woning toegestaan. Om deze reden worden deze gronden niet meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan.
Conclusie
Per saldo neemt het aantal wooneenheden in het plangebied, op beide deellocaties gezamenlijk, met twee toe.
Het plan leidt, vergeleken met het plan voor alleen de oostelijke deellocatie, tot een integraal plan voor het gebied aan beide zijden van de Oost-Vlisterdijk en daarmee tot een grotere kwaliteitsverbetering. Aan beide zijden van de Oost-Vlisterdijk zal het beeld immers aantrekkelijker worden. Met name de bestaande bedrijfsbebouwing is niet passend in het beschermd dorpsgezicht van Vlist. Verouderde en rommelig ogende (bedrijfs)bebouwing maakt in het voorgenomen plan plaats voor nieuwbouw met een hoogwaardige kwaliteit (zie ook
toelichting paragraaf 2.3). Daarbij verbeteren het aanzicht vanaf de Oost-Vlisterdijk en de verkeerssituatie ontegenzeggelijk, wat mede gezien het gebruik van de Oost-Vlisterdijk als recreatieve route wenselijk is.
2.3 Beeldkwaliteitsplan
Om voldoende sturing te kunnen geven aan de architectonische invulling en de inrichting van het openbaar gebied, om zo een hoogwaardige plankwaliteit te realiseren, is een beknopt beeldkwaliteitsplan opgesteld (Buro SRO, 20 mei 2019, zie
bijlagen bij toelichting). Het beeldkwaliteitsplan zal vastgesteld worden door de gemeenteraad van Krimpenerwaard en zal het welstandskader vormen bij de omgevingsvergunning(en) voor bouwen.
In het beeldkwaliteitsplan zijn beeldkwaliteitsrichtlijnen voor de bebouwing opgenomen, onderverdeeld in de thema’s programma en typologie, situering, oriëntatie en ontsluiting, bouwmassa en vormgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de westelijke en oostelijke deellocatie. Het laatste onderdeel van de beeldkwaliteitsrichtlijnen betreft de beeldkwaliteit voor de open(bare) ruimte en de erfafscheidingen.
2.4 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
2.4.1 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien te worden.
Planspecifiek
Conform CROW-publicatie 381 is de parkeerbehoefte van een vrijstaande koopwoning in de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk' gemiddeld 2,3 parkeerplaatsen per woning. De parkeerbehoefte moet op eigen terrein opgelost worden. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Het aspect parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In het voorliggende bestemmingsplan is een regeling opgenomen die borgt dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij, gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', wordt verwezen naar CROW-publicatie 381 of diens rechtsopvolger, dan wel later door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels over parkeren.
2.4.2 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Het voorliggende bestemmingsplan staat twee woningen meer dan de geldende bestemmingsplannen toe. Volgens CROW-publicatie 381 is de gemiddelde verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning in het buitengebied 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Bij twee woningen komt dit overeen met 16,4 voertuigbewegingen per etmaal.
In de geldende bestemmingsplannen zijn tevens bedrijfsactiviteiten (westelijke deellocatie) en een kantoor (oostelijke deellocatie) toegestaan, wat in het voorliggende bestemmingsplan niet toegestaan is. De verkeersgeneratie van een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied bedraagt gemiddeld 4,8 voertuigbewegingen per etmaal per 100 m² bvo. Op de westelijke deellocatie verdwijnt circa 425 m² bvo bedrijfsbebouwing. De bijbehorende verkeersgeneratie is 20,4 voertuigbewegingen per etmaal.
Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat de verkeersgeneratie afneemt. Er zal dan ook sprake zijn van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het aspect verkeer vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.1 Nationaal beleid
Het nationale beleid zoals dat is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is algemeen van aard en in het onderhavige geval niet specifiek van toepassing. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog de 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen.
3.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
- De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
- Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
- Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Onder bestaand stedelijk gebied wordt conform artikel 1.1.1 eerste lid onder h van het Bro verstaan: het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Volgens jurisprudentie kan een kavel met een stedelijke bestemming als 'Wonen' die aansluit op een bestaand woongebied worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Omdat ter plaatse van het voorgenomen plan reeds de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Wonen' gelden en het plangebied aansluit op de kern Vlist, dient het plangebied aangemerkt te worden als bestaand stedelijk gebied.
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In het onderhavige geval worden er per saldo twee woningen toegevoegd. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft het plan niet nader getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) - Actualisering 2018 vastgesteld. Op 15 februari 2019 is de geconsolideerde versie in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.
De Visie ruimte en mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:
- beter benutten en opwaarderen van wat er is;
- vergroten van de agglomeratiekracht;
- verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
- bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. De verschillende onderdelen zijn samengevat weergegeven op een kaart met de volgende vier kaartlagen:
- laag van de ondergrond;
- laag van de cultuur- en natuurlandschappen;
- laag van de stedelijke occupatie;
- laag van de beleving.
Planspecifiek
Het voorgenomen plan heeft met name betrekking op de rode draden 1 en 3 uit de VRM. De ontwikkeling vindt grotendeels plaats binnen de bebouwde ruimte en betreft niet meer in gebruik zijnde bedrijfslocaties. De ruimtelijke kwaliteit in het plangebied neemt door transformatie van de gronden naar woningbouw ontegenzeggelijk toe.
Op de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Het deel van het plangebied aan de zijde van de Oost-Vlisterdijk is tevens aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. Richtpunten hierbij zijn het herkenbaar houden van het verschil tussen komgronden en oeverwallen en het herkenbaar en in stand houden van de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap. Binnen het plangebied is er geen verschil tussen komgronden en oeverwallen en zijn geen onregelmatige patronen en reliëf herkenbaar.
Wat betreft de 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' zijn de richtpunten over (rivier)linten van belang door de ligging in de nabijheid van de rivier de Vlist. Daarbij dient het lint herkenbaar te blijven als historische en onderscheidende bebouwingsvorm, dient het lineaire karakter behouden te blijven en in het geval van nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Het beoogde plan doet meer recht aan het lint als bebouwingsvorm dan in de huidige situatie het geval is. De situering en omvang van de beoogde woningen is passend bij de huidige korrel, het profiel, de transparantie en de historische gaafheid van het lint. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de huidige bebouwing niet past bij het lint en er daardoor per definitie een verbetering optreedt. Het lineaire karakter van het lint wordt versterkt.
Op de 'Laag van de stedelijke occupatie' is de westelijke deellocatie aangeduid als 'steden en dorpen'. Ontwikkelingen dienen hier bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. De bestaande groen- en waterstructuur blijft ten minste behouden en aan de noordzijde van de westelijke deellocatie versterkt door het aanleggen van een speel- en/of groenvoorziening.
Het gehele plangebied is gelegen in een 'stads- en dorpsrand'. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand moeten bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Dit is met name voor de oostelijke deellocatie relevant. Bij het voorgenomen plan wordt contactkwaliteit nagestreefd door het creëren van zichtlijnen (bijvoorbeeld kavelsloten). Het oorspronkelijke landschappelijke kavelpatroon wordt hiermee voortgezet.
De 'Laag van de beleving' geeft weer dat het plangebied in een stiltegebied is gelegen, wat ook is vastgelegd in de Provinciale milieuverordening. In de stiltegebieden is alleen ruimte voor 'gebiedseigen' geluid. Het voorgenomen plan resulteert in een verbetering ten aanzien de hoeveelheid geluid die geproduceerd wordt, omdat alle bedrijvigheid verdwijnt.
De beoogde ontwikkeling past binnen de VRM, draagt bij aan de provinciale ambities en ondersteunt de rode draden 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' en 'verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit'. De richtpunten die voortkomen uit de kaartlagen worden in acht genomen. Daarmee vormt de VRM geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.2.2 Verordening ruimte 2014
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 31 januari 2019 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.
In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
- de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
- indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Ruimtelijke kwaliteitBij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient volgens de Verordening voldaan te worden aan de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
- de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
- als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
- zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
- het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
- als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
- een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
- het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
PlanspecifiekLadder voor duurzame verstedelijking
Voorgaande provinciale ladder voor duurzame verstedelijking komt overeen met de ladder voor duurzame verstedelijking die in
toelichting paragraaf 3.1.1 aan de orde is gekomen. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor ook een nadere toetsing aan de provinciale ladder niet vereist is.
Ruimtelijke kwaliteit
De verordening stelt ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling eisen. De voorgenomen ontwikkeling is een vorm van inpassing, omdat de ontwikkeling betrekking heeft op de kavels van de (voormalige) bedrijven. Wanneer de wijzigingen worden gezien als wijzigingen op structuurniveau dan geldt dat deze een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit met zich mee brengen. De bestaande gebiedsidentiteit wordt daarbij versterkt, zoals ook uit de toetsing aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (zie
toelichting paragraaf 3.2.1 en
toelichting paragraaf 3.2.3) blijkt. Daarmee is sprake van een zorgvuldige inbedding.
Molenbiotoop
In de nabijheid van het plangebied is molen De Bachtenaar gesitueerd. Molenbiotopen zijn in de verordening beschermd om voldoende windvang te waarborgen. Binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting. Het plangebied bevindt zich op 370 m afstand van het middelpunt van de molen. Alleen in het zuidelijke deel van de westelijke deellocatie vinden op circa 390 m afstand van het middelpunt van de molen wijzigingen ten aanzien van bebouwing plaats. De bouwhoogte van de nieuwe bebouwing is echter niet hoger dan in de huidige situatie aanwezig is. De maximaal toegestane bouwhoogte op 390 m afstand van de molen is, conform de molenbiotoop, 13 m (390/30). Het voorliggende bestemmingsplan maakt op 390 m afstand van de molen bouwwerken met een maximale bouwhoogte van 11 m mogelijk. De aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' is opgenomen voor de gronden binnen een straal van 400 m gerekend vanuit het middelpunt van de molen.
Conclusie
De verordening ruimte stelt verder geen eisen op de betreffende locatie en levert daarmee geen belemmeringen op voor het plan.
3.2.3 Gebiedsprofiel Krimpenerwaard
Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel Krimpenerwaard. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken:
Herkenbaar waterrijk veen(weide)
De gronden in het plangebied zijn aangeduid als 'veenweide met rivierinvloed' en deels als 'kade'. Hiervoor gelden de volgende ambities:
- behouden van het bestaande tracé en profiel en de oriëntatie haaks op de kavelrichting;
- behouden van de openheid en het groene karakter, de kade als contramal van het lint: geen bebouwing;
- onverharde kades koesteren en in principe onverhard laten, de toegankelijkheid voor wandelaars handhaven en verbeteren;
- bij de overige, reeds verharde kades de toegankelijkheid voor fietsers handhaven of verbeteren met zo min mogelijk verharding;
- bestaande beplanting langs kades handhaven en zo nodig aanvullen;
- contrast verdichte dijklinten op oeverwal en open veenweidegebied beleefbaar houden;
- doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk zoveel mogelijk behouden.
Onderscheidend rivierengebied en water als structuurdrager
De gronden in het plangebied zijn aangeduid als 'veenweide met rivierinvloed' en deels als 'Vlist'. Hiervoor gelden de volgende ambities:
- contrast verdichte dijklinten op oeverwal en open veenweidegebied beleefbaar houden;
- doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk zoveel mogelijk behouden;
- zicht vanaf de wegen op het water handhaven en versterken;
- handhaven van het karakteristieke profiel met groene kades en kleine voorlanden.
Weg door stand en land
De gronden in het plangebied zijn deels aangeduid als 'lokale weg op dijk'. Hiervoor gelden de volgende ambities:
- behoud van het profiel en continuïteit van de dijk, zorgvuldige inpassing van de weg;
- voor de beleefbaarheid van het landschap, de weg op de kruin van de dijk houden;
- wegen op dijken waar mogelijk vormgeven voor lokaal verkeer en fietsers.
Linten blijven linten en identiteitsdrager van Zuid-Holland
De gronden in het plangebied zijn aangeduid als 'Beschermd gezicht' en deels als 'Vlist lint'. Hiervoor gelden de volgende ambities:
- koesteren van de gaafheid van het historische ensemble en de karakteristieke bebouwing van het beschermde gezicht Vlist;
- koesteren van de onbebouwde kavels in het lint met brede doorzichten op het landschap;
- contrast tussen het verdichte lint en de aan weerskanten daar achterliggende grote open veenweidegebieden behouden;
- zicht vanaf de wegen op het water behouden en versterken;
- groen karakter door boomgaarden, overtuinen, rietlanden koesteren.
Rust en stilte
De gronden in het plangebied zijn aangeduid als 'stiltegebied'. Hiervoor gelden de volgende ambities:
- de stille gebieden stil houden als belevingskwaliteit van het buitengebied.
Planspecifiek
Ten aanzien van het gebiedsprofiel Krimpenerwaard geldt dat er een grote overlap is met de richtpunten van de kwaliteitskaart (zie
toelichting paragraaf 3.2.1). Aanvullend worden er in het gebiedsprofiel eisen gesteld aan de relatie met het water (rivier de Vlist) en de weg (Oost-Vlisterdijk). In het onderhavige geval verbetert de beleefbaarheid van de rivier, omdat de bebouwingsmogelijkheden niet toenemen en er meer woningen in het gebied komen. De kade zal ook een groener karakter krijgen. Daarmee samenhangend heeft de ontwikkeling een positieve invloed op de beleefbaarheid van het landschap vanaf de weg. Het beeld vanaf de weg zal door het verdwijnen van de bestaande bedrijfsbebouwing en de realisatie van openbaar groen aan de noordzijde van de westelijke deellocatie veranderen in een meer bij het lint passend beeld, met doorzichten vanaf de weg naar het landschap. Dit versterkt de recreatieve mogelijkheden van de Oost-Vlisterdijk voor met name fietsers. Door het verdwijnen van zwaar verkeer verbetert de verkeerssituatie voor fietsers en overig recreatief verkeer.
Gezien het voorgaande is de ontwikkeling in overstemming met het gebiedsprofiel Krimpenerwaard.
3.3.1 Structuurvisie Vlist 2020
De Structuurvisie Vlist 2020, waarvan de voormalige gemeente Vlist de herziening op 3 juli 2012 heeft vastgesteld, is opgesteld met als doel om gewenste ruimtelijke ontwikkelingen te stimuleren en te faciliteren en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen.
De visie voor de voormalige gemeente Vlist bestaat uit algemene uitgangspunten voor vier deelgebieden: het landelijk gebied, de kern Haastrecht, de kern Stolwijk en de kern Vlist.
Landelijk gebied
De visie voor het landelijk gebied is behoud en herstel van landschap. Cultuurhistorie en natuur moeten in balans zijn met ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame grondgebonden veehouderij. Dit beleid gaat goed samen met recreatief medegebruik. Voor overige bestaande functies wordt een consoliderend beleid voorgestaan.
Nieuwe ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan de kwaliteiten van het gebied, waarbij aan de hand van de volgende voorwaarden een afweging gemaakt moet worden:
- er is sprake van toevoeging van kwaliteit (op het gebied van cultuurhistorie, landschap en/of natuur);
- de ontwikkeling past bij de identiteit en schaal van de omgeving;
- draagt bij aan de economie van het buitengebied.
Specifieke aandachtspunten binnen het beleid voor het buitengebied die nog verdere uitwerking behoeven zijn het veenweidepacten de zone langs de Vlist.
Naast een gebiedsgerichte visie zijn in de structuurvisie thematische keuzes voor de voormalige gemeente Vlist verwoord. Dat is gedaan aan de hand van de volgende thema's:
- wonen;
- werken;
- voorzieningen;
- recreatie en toerisme;
- landbouw
- cultuurhistorie;
- natuur;
- water;
- mobiliteit;
- duurzaamheid.
Planspecifiek
Landelijk gebied
De oostelijke deellocatie is gelegen in het landelijk gebied en is specifiek aangewezen als lint en beschermd dorpsgezicht. In dit gebied is het beleid gericht op behoud van de cultuurhistorische kwaliteiten van de rivier de Vlist en het historische dorpsbeeld. In het plangebied ontbreken deze cultuurhistorische kwaliteiten vrijwel volledig, omdat er altijd bedrijvigheid aanwezig is geweest. De ontwikkeling van vrijstaande woningen langs de dijk op diep landinwaarts strekkende kavels zorgt ervoor dat de oostelijke deellocatie meer in overeenstemming met de omgeving komt en resulteert in een verbetering van de kwaliteit van het gebied.
Kern Vlist
De westelijke deellocatie is gelegen in de kleine woonkern Vlist. Voor deze kern worden in de structuurvisie een aantal ontwikkelingen voorgesteld. Eén van deze ontwikkelingen is verplaatsing van het bedrijf Kruiswijk. Een herontwikkeling van de oostelijke deellocatie is reeds juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. De verkeersdruk door zwaar verkeer op de Oost-Vlisterdijk is daardoor afgenomen. De potentie van deze weg als recreatieve as is hierdoor toegenomen en zal als gevolg van het verdwijnen van de bedrijfsfunctie verder verbeteren.
Wonen
Het woningbouwprogramma voor de periode 2011-2020 van de voormalige gemeente Vlist bedraagt volgens de structuurvisie 328 woningen. Daarbij wordt ingezet op zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties, waarbij de prioriteit wordt gegeven aan locaties binnen het bestaand bebouwd gebied. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand bebouwd gebied. De locatie van Kruiswijk is in de structuurvisie als woningbouwlocatie aangewezen.
3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard
Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Binnen de nieuwe gemeente is nu behoefte aan een gezamenlijke woonvisie. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030. Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020.
Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt:
- Positionering in de regio; onderscheidend zijn.
- Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen.
- Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing.
- Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten.
- Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.
Groeiperspectief
In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen.
Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is.
Planspecifiek
Het voorgenomen plan is een voorbeeld van inbreiding. Inbreiding is een uitwerking van thema 5. Het benutten van inbreidingslocaties draagt bij aan de vitaliteit en de kwaliteit van de kernen. Inbreiding moet gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering. Dat is bij het voorgenomen plan het geval.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt twee woningen meer mogelijk dan de geldende bestemmingsplannen. Daarmee wordt er voorzien in de gemeentelijke woningbouwopgave.
Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.
3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit
De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen.
Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'.
Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt.
Planspecifiek
Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een bijzonder welstandsniveau geldt. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als het landschapsgebied 'Vlist' en ontwikkelskader. Om voldoende sturing te kunnen geven aan de architectonische invulling en de inrichting van het openbaar gebied, om zo een hoogwaardige plankwaliteit te realiseren, is een beknopt beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie
toelichting paragraaf 2.3). Het beeldkwaliteitsplan zal vastgesteld worden door de gemeenteraad van Krimpenerwaard en zal, als aanvulling op de Nota Ruimtelijke Kwaliteit, het welstandskader vormen bij de omgevingsvergunning(en) voor bouwen.
Het voorgenomen plan en het beeldkwaliteitsplan (concept) zijn op 1 april 2019 besproken in de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. In haar advies vraagt de commissie aandacht voor de referentiebeelden in het beeldkwaliteitsplan. Daarnaast vraagt de commissie om meer variatie in de rooilijnen van de woningen op de oostelijke deellocatie. Naar aanleiding van dit advies zijn de referentiebeelden in het beeldkwaliteitsplan gedeeltelijk vervangen. De variatie in de rooilijnen dient gezocht te worden binnen de mogelijkheden die het voorliggende bestemmingsplan biedt.
4 Milieu- en omgevingsaspecten
In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
- het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
- de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
- door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
- het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
- de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat negen woningen, waarmee het aantal wooneenheden ten opzichte van de huidige planologische situatie met twee toeneemt. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
- belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
- belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn:
- kenmerken van het project;
- plaats van het project;
- kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken van het project worden in
toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot een deel van de (voormalige) bedrijfspercelen zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. Op lange termijn zullen de effecten die in de oorspronkelijke situatie optreden verminderen. Deze effecten hebben met name te maken met verkeer en de emissie die daardoor veroorzaakt wordt. Deze effecten verminderen daar de verkeersgeneratie als gevolg van de functies in het plangebied afneemt. Er treden daarmee geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling.
In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in
toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Planspecifiek
Westelijke deellocatie
Voor de westelijke deellocatie is er een verkennend asbest- en bodemonderzoek (RSK, nr. 514526.001, 3 augustus 2018, zie
bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. De onderzoeksresultaten geven aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek op de volgende punten:
- Vaststellen van aard en omvang van de matige tot sterke verontreinigingen met lood en zink ter plaatse van de boringen B6, B7 en B10. Er lijkt sprake te zijn van een heterogene en diffuse verontreiniging op het noordelijke terreindeel rondom de woningen op 33 en 34. Tevens is ter plaatse van boring B10 mogelijk sprake van een gedempte sloot.
- Vastgesteld is dat de puinlaag ter plaatse van boring/inspectiegat B5 sterk verontreinigd is met asbest. Middels aanvullend onderzoek dient de aard en omvang van de verontreiniging met asbest te worden vastgesteld.
- In de werkplaats ter plaatse van de boringen B16 en Pb18 is sprake van een verontreiniging met minerale olie. Door het hoge percentage organisch stof betreffen het 'slechts' lichte verontreinigingen die formeel geen aanleiding geven voor aanvullend onderzoek. Gelet op de herontwikkeling en het toekomstige gebruik is het wel wenselijk de omvang van de olieverontreiniging vast te stellen.
Uit het uitgevoerde nader asbest- en bodemonderzoek (RSK, nr. 516008.001, 18 maart 2019, zie
bijlagen bij toelichting) blijkt het volgende:
- Ter plaatse van het terreindeel achter het garagepand en rondom (en vermoedelijk onder) de woningen 33 en 34 is sprake van een opgebrachte grindige en puinhoudende laag van circa 80 cm die heterogeen en diffuus is verontreinigd met zware metalen en PAK. De verontreinigingsgraad varieert hierbij van licht tot sterk. Op basis van het totale bodemvolume van circa 360 m³ blijkt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
- Sterke verontreinigingen met asbest worden enkel aangetoond ter plaatse van boring/inspectiegat B5 in de puinlaag onder het asfalt (geen bodem) en in de kleiige bodemlaag van 0,6 tot 0,8 m-mv ter plaatse van sleuf A4. Ter plaatse van sleuf A4 betreft het grote stukken asbesthoudend plaatmateriaal, welke bij het asbestonderzoek reeds zijn verwijderd en bij nog uit te voeren graafwerkzaamheden eenvoudig van de stroom kunnen worden gescheiden. Ter plaatse van boring/inspectiegat B5 is het asbest zowel in de grove fractie als in de fijne fractie aangetoond. In de overige ter afperking gegraven sleuven wordt asbest zowel zintuiglijk als chemisch-analytisch niet aangetoond.
- De onderzoeksresultaten bevestigen de aanname dat er in de grond onder het garagepand maximaal lichte verontreinigingen met minerale olie in de grond aanwezig zijn. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Lichte verontreinigingen zijn ter plaatse van de boringen B16 en B223 aanwezig in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv en ter plaatse van boring Pb18 in de bodemlaag van 1,3 tot 2,3 m-mv.
Om de westelijke deellocatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik (wonen) zullen saneringswerkzaamheden uitgevoerd worden. Voorafgaand aan de herinrichting van deze locatie dient een saneringsplan of een BUS-melding ingediend te worden bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Midden-Holland). In zijn exploitatie heeft de initiatiefnemer rekening gehouden met de saneringkosten. Na de sloop van de aanwezige opstallen moet eveneens worden nagegaan of de bodem onder de opstallen voldoende is onderzocht.
Oostelijke deellocatie
Voor de oostelijke deellocatie zijn in het verleden in verband met de ontmanteling en herontwikkeling van de (voormalige) bedrijfslocatie voor diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan zijn een plan van aanpak (AquaTerra-KuiperBurger BV, Plan van aanpak herontwikkeling bedrijfsterrein Kruiswijk Vlist Oost Vlisterdijk 32 te Vlist, nr. 20110598/rap01 versie 2, 27 mei 2011) en een aanvulling hierop (RSK Netherlands, Aanvulling op plan van aanpak herontwikkeling locatie Oost Vlisterdijk 32 te Vlist, nr. 514038.004, 19 april 2018) opgesteld. Daarnaast is een asbestonderzoek (RSK Netherlands, nr. 514038.003, 18 april 2018, zie
bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. Uit onderzoek blijkt dat asbest heterogeen verspreid voorkomt in de funderingslaag. Gelet echter op de heterogeniteit van de asbestverontreinigingen in de funderingslaag en het feit dat de aangetroffen asbestverontreiniging die plaatselijk de interventiewaarde overschrijdt of benaderd wordt veroorzaakt door duidelijk waarneembaar asbesthoudend plaatmateriaal, wordt aanvullend onderzoek niet zinvol geacht.
Aan de hand van eerdergenoemde documenten heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland geadviseerd dat het verwijderen van het asfalt en de bovenste meter van de puinlaag volgens het plan van aanpak (2011) en de aanvulling op het plan van aanpak (2018) worden uitgevoerd. Na afloop van de herinrichting ontvangt de Omgevingsdienst Midden-Holland een evaluatieverslag van de uitgevoerde werkzaamheden ter registratie.
Wanneer de herinrichting van het terrein wordt uitgevoerd conform het plan van aanpak (2011) en de aanvulling hierop uit 2018 zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect bodem en is het bestemmingplan uitvoerbaar voor de oostelijke deellocatie.
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit twee woningen meer dan in de geldende bestemmingsplannen is toegestaan. Aangezien de bedrijfsactiviteiten op de westelijke deellocatie verdwijnen neemt de verkeersgeneratie naar verwachting af. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool (2018) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 18,3 μg/m³, 11,0 μg/m³ en 19,0 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen);
- andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoorweg. De West-Vlisterdijk en Oost-Vlisterdijk zijn 60 km/uurwegen op relatief korte afstand van het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van deze wegen. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeer vereist.
Uit het onderzoek naar de geluidbelasting van wegverkeer op de beoogde woningen (Adviesburo Van der Boom, nr. 18-221r1, 8 januari 2019, zie
bijlagen bij toelichting) blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de Oost-Vlisterdijk in het hoogst geluidbelaste rekenpunt ten hoogste 31 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt. De geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de West-Vlisterdijk bedraagt in het hoogst geluidbelaste rekenpunt ten hoogste 43 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Omdat de geluidbelasting door wegverkeer op beide wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, is geen hogere waarde voor wegverkeer nodig.
Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De hoogst geluidbelaste gevel van de woningen ondervindt een geluidbelasting van 50 dB zonder aftrek. Voor woninggevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woningen zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.
Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid.
4.5 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar.
Planspecifiek
Het plangebied kan getypeerd worden als het omgevingstype 'gemengd gebied', omdat sprake is van een matige tot sterke functiemenging. In de lintbebouwing aan de Oost-Vlisterdijk komen direct naast woningen (agrarische) bedrijven voor. De richtafstanden uit de VNG-publicatie kunnen daarom, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap verlaagd worden.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt gevoelige bestemmingen (woningen) mogelijk. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze milieugevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan.
Met behulp van de bestemmingsplannen 'Dorpskernen 2014' en 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' is bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Aan de hand van de VNG-publicatie is bepaald of aan de relevante richtafstanden wordt voldaan (zie navolgende tabel).
Adres | Activiteit | SBI-2008 | Milieucategorie | Richtafstand in gemengd gebied (m) | Afstand tot woningen in het plangebied (m) |
West-Vlisterdijk 57 | horeca | 561 | 1 | 0 | 30 |
West-Vlisterdijk 62a | bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 1 en 2 | n.v.t. | 2 | 10 | 15 |
Oost-Vlisterdijk 37 | nutsvoorzieningen (transformatorhuis) | 35 C1 | 2 | 10 | 0 |
West-Vlisterdijk 64 | paardenhouderij | 01431 | 3.1 | 30 | 100 |
Oost-Vlisterdijk 27 | reële grondgebonden graasdierbedrijven | 0141, 0142, 0143, 0145 | 3.2 | 50 | 80 |
Bij het transformatorhuis aan de Oost-Vlisterdijk 37 wordt niet voldaan aan de richtafstand. Dit geldt voor de bestaande bedrijfswoning aan de Oost-Vlisterdijk 36, die wordt omgezet naar een burgerwoning. Een bedrijfswoning geniet bescherming ten opzichte van milieubelastende activiteiten buiten de inrichting. Daarmee dient geconcludeerd te worden dat er geen verslechtering optreedt vergeleken met de huidige (planologische) situatie.
Aan de Oost-Vlisterdijk 38-38a is een voormalig agrarisch bedrijf aanwezig. Het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' staat op deze locatie wonen, niet-reële grondgebonden agrarische bedrijven en nevenactiviteiten toe. Deze activiteiten zijn vergelijkbaar met een bedrijf aan huis. De hinder en het gevaar hiervan is dusdanig beperkt dat deze verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten en niet in de tabel zijn opgenomen.
Gezien het voorgaande staat de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten in de omgeving een goed woon- en leefklimaat in het plangebied niet in de weg en worden milieubelastende activiteiten niet in hun mogelijkheden beperkt. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn in het kader van milieuzonering.
4.6 Geur
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Hierin wordt bepaald wat geuroverlast vanwege dierenverblijven van veehouderijen is en in hoeverre sprake mag zijn van geuroverlast bij geurgevoelige objecten als woningen.
Bij het voorbereiden en opstellen van een ruimtelijk plan dienen voor wat betreft geurhinder van veehouderijen tot gevoelige objecten als woningen de volgende vragen te worden beantwoord:
- Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
- Worden omliggende veehouderijen niet onevenredig in hun belangen geschaad?
Op grond van de Wgv dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom een afstand van 50 m te worden aangehouden. De vereiste afstand bij een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom bedraagt 100 m. Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. Of de veehouderij binnen of buiten de bebouwde kom ligt, maakt niet uit.
Planspecifiek
De raad van de gemeente Krimpenerwaard heeft, met toepassing van artikel 6 lid 3 van de Wet geurhinder en veehouderij, op 1 november 2016 de 'Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017' vastgesteld. Op grond van artikel 2 van deze verordening geldt voor een agrarische inrichting met dieren zonder geuremissiefactor, waartoe melkkoeien worden gerekend, een afstandsnorm tot geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom van respectievelijk ten minste 50 m en ten minste 25 m.
De beoogde woningen bevinden zich binnen de bebouwde kom. De afstand van het bouwvlak behorende bij de melkveehouderij aan de Oost-Vlisterdijk 27 zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' tot de beoogde woningen bedraagt ten minste 80 m. Op kleinere afstand zijn geen veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor aanwezig. Daarmee wordt er voldaan aan de afstandsnorm uit de Wet geurhinder en veehouderij en de 'Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017'.
In de huidige planologische situatie zijn er op kleinere afstand tot de melkveehouderij aan de Oost-Vlisterdijk 27 reeds geurgevoelige objecten (woningen) toegestaan. Ook binnen het plangebied zijn reeds woningen toegestaan.
In de omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen aanwezig waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld.
Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat ter plaatse van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geurhinder die veroorzaakt wordt door veehouderijen gegarandeerd is. Omliggende veehouderijen worden niet in hun belangen geschaad.
4.7 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd.
Uitsnede risicokaart (plangebied is zwart omkaderd)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor en geen buisleiding aanwezig zijn.
Ten zuidwesten van het plangebied is een risicovolle inrichting aanwezig. Dit betreft de tank met een inhoud van 3.000 l voor opslag van propaan of een ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas op de locatie aan de West-Vlisterdijk 64. Deze tank bevindt zich op 100 m afstand van het plangebied, terwijl de risicocontour PR 10
-6 6 m bedraagt.
Propaantanks met een inhoud kleiner dan 13 m³ vallen niet onder de werking van het Bevi. Bovengrondse propaanreservoirs met een inhoud tot en met 13 m³ waaraan propaan uitsluitend in de gasfase wordt onttrokken, vallen sinds 2007 onder het Activiteitenbesluit. Voor dergelijke reservoirs zijn in het activiteitenbesluit wettelijke veiligheidsafstanden opgenomen. Deze veiligheidsafstanden zijn gebaseerd op de afstanden tot de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Omdat bij de propaantank voldaan wordt aan de plaatsgebonden risicocontour, is verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningskabels.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
4.8.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.8.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Waterbeheerplan
Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:
- waterveiligheid;
- voldoende water;
- gezond water;
- gezuiverd afvalwater;
- genieten van water.
Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing.
Gezond water is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.
Het laatste thema betreft genieten van water. Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan.
Keur en uitvoeringsregels
Per 21 oktober 2010 is de Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
Voor oppervlakken tot 500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied gelden algemene regels (zie Algemene regels Keur nr.14). Wordt er nieuwe verharding of uitbreiding van bestaande verharding aangebracht boven de gestelde ondergrens (500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied), moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. In de watervergunning worden hierover voorwaarden opgenomen.
Beleid hemel- en afvalwater
Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
4.8.3 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
PlanspecifiekWatercompensatie
De gronden op de westelijke deellocatie zijn in de bestaande situatie grotendeels verhard. De bestaande bedrijfsbebouwing en de twee noordelijke woningen worden gesloopt. In de toekomstige situatie wordt er minder bebouwing teruggebouwd en zal het verhardingsoppervlak afnemen.
De oostelijke deellocatie was in de oorspronkelijke situatie vrijwel volledig verhard. In de toekomstige situatie zal een aanzienlijk kleiner oppervlak verhard zijn. Zoals op de situatieschets in
toelichting paragraaf 2.2 is weergegeven is er een kavelsloot voorzien, waarmee het waterbergend vermogen in het plangebied toeneemt.
Er dient geconcludeerd te worden dat er op beide deellocaties een verbetering (afname aan verharding, geen demping van wateroppervlak) op zal treden. Daarmee is er ten minste sprake van het 'stand still beginsel'. Er is daarmee geen noodzaak tot watercompensatie.
Riolering en afkoppeling
Het hemelwater infiltreert in de toekomstige situatie in de bodem. Er wordt hierbij geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater worden de beoogde woningen aangesloten op de bestaande riolering.
Waterkeringen
Uit de kaarten van het hoogheemraadschap blijkt dat het plangebied deels is gelegen in de waterstaatswerkzone van de waterkering Oost-Vlisterdijk. De waterkering en de waterstaatswerkzone zijn in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. In de waterstaatswerkzone wordt niet gebouwd en vinden geen wijzigingen plaats die tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie leiden. Bij ingrepen in de beschermingszone, die een bredere zone dan de waterstaatswerkzone betreft, dient er een vergunning bij het hoogheemraadschap aangevraagd te worden.
De westelijke deellocatie bevindt zich in het boezemland. Deze gronden genieten geen bescherming van een waterkering en grenzen direct een boezem (de Vlist). Bij bepalen van het bouwpeil zal hiermee rekening worden gehouden.
4.9 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de huidige tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2018/438/r, 4 januari 2019, zie
bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. Hierin zijn tevens de resultaten van de quickscan flora en fauna en het aanvullende vleermuisonderzoek uit 2012, die zijn uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan 'Oost-Vlisterdijk 28a-32, Vlist' (vastgesteld op 25 november 2014), meegenomen. Voor de laatste te saneren loods in het zuiden van het plangebied dient nogmaals vleermuisonderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd tussen april en oktober 2019. Gedurende deze periode vinden 5 veldbezoeken plaats.
In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft echter aannemelijk geen essentiële functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De rugstreeppad kan mogelijk de planlocatie bevolken gedurende de ontwikkeling indien er geen maatregelen getroffen worden. De planlocatie en het omliggende terrein heeft (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels.
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt.
Het saneren van het kantoorpand (Oost-Vlisterdijk 32), twee burgerwoningen (Oost-Vlisterdijk 33 en 34) en de garage (Oost-Vlisterdijk 35) en de realisatie van woningen en bijgebouwen leidt (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen) niet tot aantasting van beschermde gebieden en beschermde natuurwaarden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels een aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te saneren loods een relevante functie heeft voor vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient verder rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen, algemene zoogdieren en amfibieën. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit).
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen uitvoerbaar zijn zoals bepaald in artikel 3.1.6 Bro.
4.10 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Planspecifiek
Westelijke deellocatie
De gemeente Krimpenerwaard heeft een archeologische beleidskaart (RAAP, nr. 3168, 2017) voor haar grondgebied op laten stellen. De westelijke deellocatie bevindt zich op de beleidskaart grotendeels in de zone WA-4 (zie navolgende afbeelding). In deze zone is er een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 0,30 m -mv en groter dan 1.000 m². De oppervlakte van de nieuwe bebouwing overschrijdt deze oppervlakte niet. Bovendien is deze grotendeels voorzien ter plaatse van de bestaande bebouwing, waardoor het aannemelijk is dat deze gronden reeds verstoord zijn. Derhalve is er geen archeologisch onderzoek vereist.
Uitsnede archeologische beleidskaart (westelijke deellocatie is zwart omkaderd)
Gelijk aan het geldende bestemmingsplan zijn de gronden op de westelijke deellocatie in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Hiermee is vastgelegd dat bij bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm onder het bestaande maaiveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.
Oostelijke deellocatie
Voor de oostelijke deellocatie is er een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IDDS, nr. 1427, januari 2013, zie
bijlagen bij toelichting) uitgevoerd.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat in de ondergrond van het plangebied (op meer dan 3,5 m -mv) een stroomrug aanwezig kan zijn, waarvan de rivier actief was in het Midden en Laat Neolithicum. Op deze stroomrug zouden archeologische resten aanwezig kunnen zijn uit het Neolithicum of de Bronstijd. In hoeverre deze stroomrug werkelijk aanwezig is of geërodeerd is door het ontstaan van de stroomrug van de Vlist is onduidelijk. Buiten de stroomrug is de verwachting voor deze perioden laag, omdat het hier lager lag en er sprake was van veenvorming. Het veen was pas bewoonbaar na de ontginning.
Langs de huidige loop van de Vlist ontstond, op de stroomrug van de Vlist, bebouwing vanaf de Late Middeleeuwen. Deze bebouwing werd geplaatst op kunstmatige verhogingen, de huisterpen, die zo het bebouwingslint van Vlist vormden. In het plangebied is een dergelijke ophoging niet bekend, noch zichtbaar in het landschap. Wel zijn fosfaatvlekken aangetroffen, waardoor er een verwachting is voor bewoning voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. De delen van het plangebied die verder van het bebouwingslint vandaan liggen, waren waarschijnlijk vanaf de ontginning in gebruik voor de landbouw, waarvoor ook voor deze delen een lage verwachting geldt voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd, waarbij met name sporen worden verwacht die met de ontginning te maken hebben.
Het veldonderzoek, dat alleen voor het zuidelijke perceel van de oostelijke deellocatie is uitgevoerd, heeft uitgewezen dat er in de ondergrond geen stroomrug aanwezig is, met uitzondering van de stroomrug van de Vlist. Op deze stroomrug met het bovenliggende veen is bewoning mogelijk vanaf de Late Middeleeuwen op huisterpen. In het plangebied zijn dergelijke kunstmatige verhogingen niet (meer) aanwezig, maar wel zijn baksteenfragmenten aangetroffen die wijzen op bebouwing in de Nieuwe tijd. Bij de sloop van deze bebouwing is het oude maaiveld bedekt geraakt met een laag klei of kleiig veen met veel baksteenpuin. Daarna is het terrein in recente tijden verder opgehoogd om het hoogteverschil met de weg te verkleinen. Voor deze ophoging is klei en zand gebruikt en in het noordelijke deel van het plangebied ook een tweede puinlaag.
Tijdens het veldonderzoek voor het zuidelijke perceel is geconstateerd dat het plangebied geen archeologisch niveau bevat en bovendien is verstoord en opgehoogd. Er worden dan ook vrijwel uitsluitend verstoorde resten uit de Nieuwe tijd verwacht. Hiervoor wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Gelijk aan het geldende bestemmingsplan is in het voorliggende bestemmingsplan aan de oostelijke deellocatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Hiermee is vastgelegd dat bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder het bestaande maaiveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek
De linten Vlist en Bonrepas zijn tot 100 à 200 m uit de oevers van de rivier de Vlist aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het plangebied is dan ook volledig binnen het beschermd dorpsgezicht gelegen. Het gemeentelijk beleid is gericht op behoud van de cultuurhistorische waarde van de rivier de Vlist en het historische dorpsbeeld. Dit beeld wordt bepaald door boerderijen langs de dijken met achtergelegen smalle, diep landinwaarts, strekkende kavels. Daarbij dient cultuurhistorisch waardevolle bebouwing behouden te blijven. In de directe nabijheid van het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. De woning aan de Oost-Vlisterdijk 28, die als rijksmonument is aangewezen, is op 50 m afstand van het plangebied gelegen. De cultuurhistorisch waarden van deze woning gaan niet verloren door het plan. Met het voorgenomen plan wordt een bijdrage geleverd aan de cultuurhistorische waarde van de Oost-Vlisterdijk. Het feit dat verouderde en/of niet in het gebied passende bebouwing aan beide zijden van de Oost-Vlisterdijk plaats maakt voor vrijstaande woningen versterkt dit effect.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
- bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
In het voorliggend bestemmingsplannen is aangesloten bij de planregels zoals deze zijn opgenomen in de geldende bestemmingsplannen 'Dorpskernen 2014' en 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)'. Voor de hoofdstukken 1 en 3 is het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' het uitgangspunt. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, waarbij per (dubbel)bestemming is aangegeven in welk bestemmingsplan deze (dubbel)bestemming zijn oorsprong heeft:
- 'Groen' ('Dorpskernen 2014');
- 'Wonen - Dorpskernen' ('Dorpskernen 2014');
- 'Wonen - Landelijk gebied' ('Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)');
- 'Waarde - Archeologie 3' ('Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)');
- 'Waarde - Archeologie 4' ('Dorpskernen 2014');
- 'Waarde - Cultuurhistorie 1' ('Dorpskernen 2014' en 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)');
- 'Waterstaat - Waterkering' ('Dorpskernen 2014' en 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)').
De bestemming 'Groen' is toegekend aan de gronden in het noorden van de westelijke deellocatie, die worden ingericht als speel- en/of groenvoorziening.
Voor de woonbestemmingen is ervoor gekozen twee verschillende bestemmingen op te nemen. Dit biedt ten eerste als voordeel dat de planregeling in overeenstemming is met de aangrenzende gronden aan respectievelijk de westzijde en oostzijde van de Oost-Vlisterdijk. Ten tweede wordt er in de planregels een onderscheid gemaakt tussen het landelijk gebied en de dorpskern.
De beoogde woningen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. De maximum goot- en bouwhoogte is aangeduid op de verbeelding wanneer deze afwijkt van de woonbestemmingen uit de bestemmingsplannen 'Dorpskernen 2014' en 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)'. Dit geldt ook voor de maximum inhoud van woningen op de oostelijke deellocatie.
Bij de woningen aan de oostzijde van de Oost-Vlisterdijk zijn bijgebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'.
Aan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' is, ten opzichte van hoe deze zijn opgenomen in de geldende bestemmingsplannen, toegevoegd dat van een archeologisch onderzoek afgezien kan worden wanneer de gemeente beschikt over (schriftelijke) informatie waaruit blijkt dat archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad door de voorgenomen ontwikkeling.
Omdat het plangebied onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht van de Vlist, zijn de gronden in het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1'.
Voor de gronden die gelegen zijn binnen de beschermingszone van de waterkering ter hoogte van de Oost-Vlisterdijk is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het voorgenomen plan betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is om die reden in beginsel vereist. In het onderhavige geval wordt hiervan afgeweken middels een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkelingen heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. In zijn exploitatie heeft de initiatiefnemer rekening gehouden met saneringskosten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Het voorliggende bestemmingsplan wordt als voorontwerp ter inzage worden gelegd, wat voortkomt uit de Inspraakverordening gemeente Krimpenerwaard 2017.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Verslag inspraak en vooroverleg
Het voorontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 10 april 2019 gedurende vier weken ter inzage gelegen. In de Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg (gemeente Krimpenerwaard, zie
bijlagen bij toelichting) zijn de vooroverleg- en inspraakreacties op het voorontwerp bestemmingsplan samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.
6.2.2 Verslag zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 26 juni 2019 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.