| Plan: | Lageweg 39, Ouderkerk a/d IJssel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1931.BP1708BG025-vg01 |
Aan de Lageweg 39 in Lageweg (Ouderkerk a/d IJssel) ligt een voormalig agrarisch bedrijf, bestaande uit een woning met drie bedrijfsgebouwen. De initiatiefnemer wil de bestaande gebouwen, inclusief de woning, slopen en vervolgens drie nieuwe woningen terugbouwen.
De bouw van drie woningen past niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie wordt medewerking verleend. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Lageweg 39 in de kern Lageweg. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging van het plangebied (rode stip) in de omgeving (bron: Openstreet Map)
Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en wat daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels.
Toelichting
De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:
Omdat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd:
Verbeelding
De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.
Planregels
De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Lageweg.
Het plangebied is een smal, langgerekt terrein, gelegen aan de noordrand van het dorp. Ten zuiden van het plangebied staat De Oosterkerk, een kerkgebouw van de Hervormde Gemeente Ouderkerk. Aan de noordzijde ligt de begraafplaats Lageweg. De percelen worden van elkaar gescheiden door afwateringssloten. Aan de overzijde van de Lageweg staan woningen en ligt er ten hoogte van het plangebied een agrarisch melkvee- bedrijf.
Luchtfoto van het plangebied (bron: openstreetmap.nl)
Binnen het plangebied zijn een woning en een drietal voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. Het perceel wordt ontsloten vanaf de Lageweg. Aan de achterzijde ligt een kleine boomgaard.
Te slopen gebouwen (bron: Verstoep bouwadvies en architectuur)
De huidige woning en de schuren worden gesloopt. In plaats daarvan worden drie nieuwe vrijstaande woningen gebouwd, bestaande uit één bouwlaag met een kap.
Impressie van de mogelijke toekomstige situatie (bron, Verstoep bouwadvies, architectuur en ontwikkeling)
Bij de stedenbouwkundige opzet is aandacht besteed aan de inpassing van het initiatief binnen het bebouwingslint. Hierdoor blijft het karakteristieke lint van de Lageweg behouden.
De architectuur woning aan de zijde van de weg is duidelijk afwijkend van de twee achterliggende woningen. Dit komt tot uitdrukking in de bouwhoogte, de gebruikte materialen en de detaillering van de woning. De twee achterliggende woningen zijn soberder qua aanzicht en kunnen worden getypeerd als 'schuurwoning'. Het bijgebouw behorend bij de voorste woning is geïntegreerd in de bouwmassa van het middelste gebouw. De overige bijgebouwen zijn geprojecteerd tussen de twee achterliggende woningen in.
De kleine boomgaard aan de achterzijde van het perceel blijft gehandhaafd.
Mogelijke nieuwe kavelindeling (bron, Verstoep bouwadvies, architectuur en ontwikkeling)
De drie woningen worden via de bestaande inrit vanaf de Lageweg ontsloten. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om op eigen terrein te parkeren.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking:
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van nationaal ruimtelijk belang.
Ladder duurzame verstedelijking
Het initiatief omvat de bouw van drie nieuwe woningen, waarvan één ter vervanging van de vroegere bedrijfswoning. Het plan is dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de regionale behoefte. Bij een ontwikkeling van twee nieuwe woningen is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro, zo blijkt inmiddels uit vast jurisprudentie. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde. Het plan voldoet aan het rijksbeleid.
Visie ruimte en mobiliteit provincie Zuid-Holland
De 'Visie ruimte en mobiliteit provincie Zuid-Holland' (actualisatie, januari 2017) is een structuurvisie op provinciaal niveau en bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. De visie biedt geen vast omlijnd eindbeeld, maar wel ambities en doelen die de provincie samen met anderen wil realiseren. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkelingen en het handelen van de provincie:
De verordening ruimte 2017 is een van de instrumenten om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren. De verordening stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. In de Verordening zijn onderwerpen opgenomen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang.
Beter benutten en opwaarderen bebouwde ruimte
De provincie wijst in de structuurvisie gebieden aan die vallen onder de bebouwde ruimte. Hieronder vallen de stedelijke agglomeraties, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. De provincie wenst de bebouwde ruimte beter te benutten en de leefkwaliteit van deze ruimtes te verbeteren.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen zoveel mogelijk op te worden gevangen binnen de bebouwde ruimte, maar dit is geen harde eis. De kwaliteit buiten de bebouwde ruimte kan bijvoorbeeld aanleiding zijn om een kwaliteitsverbetering te realiseren doormiddel van het toevoegen van stedelijke functies.
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
De provincie streeft aan de hand van richtpunten o.a. naar het behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Tevens moeten ontwikkelingen rekening houden met het behoud van de landschapselementen en dient nieuwe bebouwing te worden geplaatst binnen de bestaande structuren / linten en niet in de veenweidepolders.
Stads- en dorpsranden
De zones op de grens van bebouwd gebied en landschap duidt de provincie aan als stads- en dorpsranden. Deze gebieden hebben een potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu door de samenkomst van de sterke aspecten van stad en land.
Planspecifiek
Het initiatief is voor een deel gelegen in het aangewezen gebied bebouwde ruimte. De provincie biedt de mogelijkheid om bebouwing buiten de bebouwde ruimte toe te laten. Door de sloop van de agrarische schuren is er sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Het ruimtebeslag neemt niet toe. Het initiatief past in het beleid voor een betere benutting van de bebouwde ruimte.
Het plangebied is voor een deel gelegen in de bebouwde ruimte (bron, visie ruimte en mobiliteit, provincie Zuid-Holland)
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het beleid uit de structuurvisie 'Visie ruimte en mobiliteit provincie Zuid-Holland'.
De voormalige gemeente Ouderkerk heeft in 2011 de 'Structuurvisie 2030' vastgesteld. Met betrekking tot de kern van Lageweg gaat de visie in op de strategische ligging die de kern inneemt. De ligging van Lageweg wordt benut om een bijzonder recreatief knooppunt te ontwikkelen met voornamelijk kleinschalige ontwikkelingen. In de visie worden maatregelen genoemd die hieraan bijdragen.
Daarnaast wordt gestreefd naar een versterking van de groene basisstructuur. Een ontwikkeling die wordt gesignaleerd is dat (enkele) agrarische bedrijven worden beëindigd en plaatsmaken voor woningen.
Planspecifiek
Het initiatief behelst de vervanging van agrarische schuren door woningen. De bestaande boomgaard blijft aanwezig en draagt bij aan het instandhouden en versterken van de groene basisstructuur.
Het initiatief past binnen de Structuurvisie 2030.
De Nota Ruimtelijke kwaliteit is een nota die voortkomt uit de fusie van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist in de nieuwe gemeente Krimpenerwaard. In de Nota is het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten geïntegreerd en waar nodig geactualiseerd. Met de herziening wil de gemeente daarnaast het ruimtelijk kwaliteitsbeleid dereguleren, waar mogelijk vereenvoudigen en afstemmen op de beleving van de burger.
Bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit horen twee kaarten; de niveaukaart en de gebiedenkaart. Op de niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën.
Planspecifiek
Op navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de Niveaukaart. Zoals is te zien ligt het plangebied aan een lint met de aanduiding 'bijzonder' (oranje aanduiding). Het achterste deel van het plangebied ligt in een gebied met de aanduiding 'gewoon' (groene aanduiding).
Uitsnede van de niveaukaart met het plangebied aangeduid met een rode stip (bron, niveaukaart Nota Ruimtelijke kwaliteit)
Bijzonder
De gebieden met de aanduiding 'bijzonder' zijn de gebieden waar het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de Krimpenerwaard. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld.
Gewoon
Uitgangspunt voor de gebieden met de aanduiding 'gewoon' is het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterzijden kunnen hier veelal eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan voorzijdes.
Zoals opgenomen in paragraaf 2.2 van deze toelichting is bij de beeldkwaliteit van de voorste woning rekening gehouden dat dit gebouw aansluit op de kwaliteitsaspecten die gelden voor locaties met de aanduiding 'bijzonder'. Dit komt onder andere terug in de historiserende bouwstijl, bouwhoogte, de materialisering en detaillering van de woning. Op deze wijze draagt het initiatief bij aan het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. De achterliggende woningen zijn in hun vormgeving ondergeschikt.
Uitsnede van de gebiedenkaart met het plangebied aangeduid met een rode stip (bron, niveaukaart Nota Ruimtelijke kwaliteit)
Op de Gebiedenkaart is het plangebied voor een deel gelegen in het gebied de 'Dorpskern' (bruine aanduiding). Het achterste deel van het plangebied hoort tot het landschapstype 'Landelijk gebied'.
Dorpskern
Het beleid voor 'dorpskernen' is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, het gegroeide bebouwingspatroon en de cultuurhistorische bebouwing. Het uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van het gevarieerde straatbeeld.
Landelijk gebied
Voor het landelijk gebied is het welstandsniveau 'gewoon'. Het uitgangspunt is dat bouwplannen geen afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.
In paragraaf 2.2 is aandacht besteed aan de inpassing van het initiatief. Het initiatief houdt nadrukkelijk rekening met de cultuurhistorische bebouwing in de omgeving, voornamelijk door het onderscheid in bouwmassa en beeldkwaliteit tussen de voorste woning en de woningen erachter.
Het initiatief sluit aan op het beleid uit de Nota Ruimtelijke kwaliteit 2017.
Op 1 november 2016 heeft de gemeente Krimpenerwaard de erfgoednota 2017 - 2022 'Rijker met Erfgoed' vastgesteld. Om de unieke landschappelijke en cultuurhistorische waarden die de gemeente rijk is, voor de toekomst te behouden en waar mogelijk te versterken, is deze beleidsnota opgesteld. Om de taken die voortvloeien uit regelgeving van het rijk en de provincie voor de gemeente concreet te maken zijn er in 8 ambities opgesteld.
Planspecifiek
De inpassing van het plan in een omgeving die rijk is aan cultuurhistorische waarden speelt een belangrijke rol bij de totstandkoming. Zoals in paragraaf 2.2 reeds is beschreven sluit de stedenbouwkundige opzet aan bij de typische kavelindeling uit de omgeving en krijgt de bebouwing fysieke eigenschappen die typisch zijn voor de streek. Het historische bebouwingslint van de Lageweg blijft daardoor in stand. Het plan sluit daarmee aan op de ambities uit de Erfgoedverordening.
In relatie tot de Erfgoednota heeft de gemeente tevens een Erfgoedverordening opgesteld. In artikel 21 van de verordening is vastgelegd dat in de toelichting van een bestemmingsplan ten minste opgenomen dient te worden:
Planspecifiek
In de paragrafen 2.2 en 4.5 is beschreven op welke wijze voorliggend plan aansluit op de cultuurhistorische waarden van het gebied.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Lageweg', vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Ouderkerk op 28-01-2010. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van het geldend bestemmingsplan opgenomen.
Uitsnede van het bestemmingsplan 'Lageweg' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied heeft reeds de bestemming Wonen. Er is één bouwvlak opgenomen voor de huidige woning. De bestaande schuren zijn specifiek aangeduid als bijgebouw.
Het voorgenomen initiatief voor de vervanging van de bestaande bebouwing door drie nieuwe woningen past niet binnen dit bestemmingsplan. Om die reden is deze herziening opgesteld.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
In overeenstemming met de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Hiermee wordt in beeld gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
In het kader van voorliggend plan is een bodemonderzoek uitgevoerd. Het complete rapport is te vinden in bijlage 2. De belangrijkste conclusies uit het rapport zijn dat op het terreindeel tussen de schuur en de voormalige hooiberg op het westelijk deel van de locatie een plaatselijke verontreinigingskern met asbest is aangetroffen, welke wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van stukken asbesthoudend plaatmateriaal in de grond. Ook ter plaatse van de afwateringszone van de dakranden van de schuur is asbest aangetroffen. Dit wordt getypeerd als een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het kader van de voorgenomen herinrichting van de locatie geldt hiervoor een saneringsnoodzaak. Voor de aanpak van sterke verontreiniging zal een saneringsplan / BUS-melding worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
Op basis van de verkregen resultaten voor het overige gedeelte van de locatie bestaat, conform de
richtlijnen van de Wet bodembescherming, geen aanleiding tot nader onderzoek.
Het initiatief is, indien wordt voldaan aan de saneringsvoorwaarden, uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
Voor het onderwerp lucht zijn twee aspecten van belang: de luchtkwaliteit ter plaatse en de bijdrage van het initiatief aan de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde hiervan bedraagt 40 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen (in paragraaf 5.2). De Wet kent onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15826509 (aan de Lageweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) | PM10 (Fijn stof) | PM2,5 (Fijn stof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2016 (µg/m3) | 22,0 µg/m3 | 18,4 µg/m3 | 11,2 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Ten aanzien van de bijdrage aan de luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). De conclusie is dat het project 'niet in bekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Verder gaat de Wgh onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Voor dit initiatief is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de gevolgen van het geluid van wegverkeer op de toekomstige woningen te onderzoeken. Het rapport is te vinden in bijlage 4. De belangrijkste conclusies uit het rapport zijn:
Gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure wordt een procedure voor het verlenen van een hogere waarde doorlopen. Het Besluit hogere waarden is opgenomen in bijlage 9.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
Als het een bedrijf is waar geen geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen speelt de vraag of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen.
De gemeente Krimpenerwaard heeft een eigen geurbeleid, vastgesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017. Hierin zijn de afstandsnormen voor dieren zonder geuremmissiefactor gehalveerd. Hierbij is sprake van een eenzijdige werking, dat wil zeggen dat deze alleen van toepassing is bij het oprichten, uitbreiden of veranderen van een veehouderij.
Planspecifiek
Het is moeilijk te achterhalen of het plangebied in het kader van het geurbeleid binnen of buiten de bebouwde kom ligt. In de geurverordening Krimpenerwaard wordt verwezen naar een overzichtskaart in een bijlage, maar deze bijlage is niet beschikbaar. Hoewel het dus niet duidelijk is of het strikt noodzakelijk is, is ervoor gekozen om het plan in deze paragraaf te toetsen als zijnde een bebouwdekomsituatie.
Aan de overzijde van de Lageweg ligt ter hoogte van het plangebied een agrarisch bedrijf waar 145 stuks melkvee (RAV A1.100), 197 stuks jongvee (RAV A3.100) en 250 vleeskalveren tot 8 maanden (RAV A4.100) zijn vergund. Melkvee en jongvee behoren tot de zogeheten vaste afstandsdieren. Conform het geurbeleid van de gemeente Krimpenerwaard geldt een minimale afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. De afstand tussen de dichtstbijzijnde stal en de dichtstbijzijnde gevel van nieuwe woning bedraagt ca. 80 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de minimale afstand van 50 meter.
Uitsnede van een onderlegger die is gebruikt voor de kaartbijlage van de geurverordening Krimpenerwaard, met de ligging van het plangebied (blauw) en het agrarische bedrijf (geel) (bron: gemeente Krimpenerwaard)
Voor vleeskalveren geldt wel een geuremissienorm. Om te beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geur is op de toekomstige woningen is een V-stacks gebied berekening uitgevoerd. Het resultaat van deze berekening is opgenomen in bijlage 3. Uit de berekening blijkt dat de maximale geurbelasting op de dichtstbijzijnde woning 1,79 odeur units per m3 is. Daarmee wordt voor het plangebied voldaan aan de norm van 2,0 odeur units voor de bebouwde kom. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat voor het aspect geur een goed woon- en leefklimaat is verzekerd.
Uitsnede bestemmingsplan IJsseldijk Noord 2005
Planologisch gezien is een verdere uitbreiding alleen mogelijk aan de achterzijde van het bedrijf, omdat het bouwblok aan de voorzijde strak om de bestaande bebouwing is gelegd. De afstand tussen de nieuwe woningen en veestallen kan derhalve niet kleiner worden. Er wordt voldaan aan de regels van het geurbeleid.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
Planspecifiek
Een aantal functies in de omgeving zijn van belang in het kader van milieuzonering.
Kerk
Voor de kerk geldt met betrekking tot het aspect geluid een minimale afstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere functies aanwezig, zoals de kerk, de begraafplaats, een aantal woningen en een agrarisch bedrijf, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van een gemengd gebied. De richtafstand mag daarmee met 1 stap worden verkleind naar 10 meter. De kortste afstand tussen de kerk en de nieuwe bouwvlak woningen bedraagt ca. 11 meter, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan.
In de afweging speelt bovendien mee dat de kerk niet dagelijks intensief wordt gebruikt. Alleen op zondag worden er in de kerk 2 diensten gehouden. De rest van de week is er weinig of geen activiteit. De ingang van de kerk en de oprit voor het autoverkeer bevinden zich aan de andere kant van het gebouw waardoor de geluidproducerende activiteiten zich vooral daar concentreren.
Geconcludeerd kan worden dat met betrekking tot het aspect milieuzonering de kerk geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat in het plangebied.
Begraafplaats:
Voor begraafplaatsen geldt een richtafstand van 10 meter vanwege geluid. Aan deze afstand wordt voldaan.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen.
Toetsingskaders zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en een (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Voor inrichtingen geldt daarnaast dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
|
|
Het plangebied (groene punt) en de externe risico's uit de omgeving (bron: risicokaart.nl)
Uit voorgaande kaart is op te maken dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De afstand tot de dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen bedraagt meer dan 800 meter. De afstand tot de spoorlijn en de Schielandweg Nieuwerkerk aan de IJssel bedraagt 1370 resp. 1245 meter. Ten noordoosten van het plangebied liggen twee gastransportleidingen op ca. 1500 meter. Genoemde afstanden zijn allen dermate groot dat de nieuwe woningen niet in het invloedsgebied van deze risicobronnen liggen. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig.
De Hollandsche IJssel is niet aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen.
Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:
M.e.r.-beoordeling
Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:
Planspecifiek
Het onderhavige plan omvat de verplaatsing van een woning en de bouw van twee nieuwe woningen in combinatie met de sloop van enkele agrarische bedrijfsbouwen. Het blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2000 woningen zoals opgenomen in bijlage D (D11.2). Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze is opgenomen in bijlage 5.
In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in de vormvrije m.e.r.-beoordeling ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.
Uit de beoordeling in bijlage 5 blijkt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
Waterbeheerplan 2016-2021
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2016-2021. Dit waterplan is een vervolg op het Waterbeheerplan 2010-2015 'Goed voor elkaar'. Voor een groot deel zijn de doelen uit het eerste plan behaald. In het Waterbeheerplan 2016-2021 zijn er enkele resterende opgaven samen met nieuwe doelen opgenomen.
Het streven van HHSK is om het watersysteem zo goed mogelijk geschikt te houden voor alle functies die binnen het verantwoordelijk gebied vallen. Daarnaast is er aandacht voor de aantrekkelijkheid van het woon- en leefgebied voor alle gebruikers. De HHSK staat voor doelmatig en duurzaam waterbeheer, toegespitst op de waterveiligheid, de watersystemen, afvalwaterketens en emissies en wegen. Deze doelen zijn praktisch uitgewerkt in een aantal primaire opgaven voor de aankomende zes jaar, onderverdeeld naar gebiedsbrede opgaven en locatiegebonden opgaven.
Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012
De Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het ''Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen' vastgesteld. Dit beleid heeft als doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren.
Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen.
1. Kleine plannen : Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2.
2. Middelgrote plannen : Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m2 en kleiner dan 10 hectare bruto oppervlak.
3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto oppervlak.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Door het initiatief treden er geen grote wijzigingen op in de oppervlakte aan bebouwing en verharding. De bestaande bebouwing heeft een oppervlakte van ca. 600 m². Daarnaast is het erf grotendeels verhard. In de nieuwe situatie zijn er 3 woningen met bijgebouwen met een totale oppervlakte van c.a. 420 m², waarbij ook een deel van het terrein wordt verhard. Per saldo zal de oppervlakte bebouwing en verharding niet substantieel veranderen.
Het plan valt hierdoor onder de kleine plannen volgens het 'Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen' van het Hoogheemraadschap. Het effect van het initiatief op de waterhuishouding is daarmee gering. Compensatie is niet nodig.
De vuilwaterafvoer van de woning zal worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Voor het initiatief is de digitale watertoets doorlopen. Een verslag daarvan is opgenomen in bijlage 8. De conclusie is dat de waterstaatkundige belangen van dit plan niet of slechts beperkt worden beïnvloed. Het Hoogheemraadschap geeft daarom een positief wateradvies.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermt. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voor dit initiatief is een Quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd, welke is te vinden in bijlage 6 met een aanvulling in bijlage 7. De belangrijkste conclusies van het rapport zijn:
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling veilig kan worden uitgevoerd binnen de Wet Natuurbescherming.
Met betrekking tot de feitelijke uitvoering van we werkzaamheden worden de volgende adviezen voorgesteld:
Het initiatief is haalbaar met betrekking tot het aspect Ecologie.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied ligt aan de Lageweg. De Lageweg is een lokale weg die door de gemeente wordt beheerd. Ter hoogte van het plangebied ligt de bebouwde komgrens en wijzigt de maximum snelheid van 50 naar 60 km/u. Door het initiatief zal het aantal verkeersbewegingen licht toenemen. De Lageweg heeft voldoende capaciteit om deze beperkte verkeerstoename op te vangen.
De gemeente Krimpenerwaard heeft geen specifiek parkeerbeleid. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig om minimaal 2 parkeerplaatsen per woning te realiseren.
Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling.
In elk ruimtelijk plan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 overgegaan in de Erfgoedwet. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten, indien mogelijk, in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
In het veenlandschap is het behoud en versterking van het waterrijke en open karakter van belang. Het initiatief is hiermee niet in strijd.
Archeologie
Volgens de 'Archeologienota Krimpenerwaard 2016' is de archeologische waarde van het plangebied beperkt. Het plangebied valt in de laagste categorie met 'archeologische waarde 7'.
De archeologische status van het plangebied en omgeving (bron, Archeologienota Krimpenerwaard 2016, bijlage 3: beleidskaart)
Dit betekent dat er een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 3 meter en een plangebied groter dan 10.000m². Hiervan is geen sprake bij het initiatief.
Het plan is uitvoerbaar op het aspect archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Voor wat betreft de plansystematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Lageweg' van de voormalige gemeente Ouderkerk.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt dit vooroverleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegestuurd aan het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Het Hoogheemraadschap heeft in een reactie aangegeven dat het plan geen nadelige invloed heeft op het watersysteem. Gevraagd werd om kort in te gaan op de rioleringsaspecten. Dit is verwerkt in paragraaf 4.2.
Het plan is niet toegestuurd aan de provincie omdat er geen sprake is van een bovenlokaal belang.
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 20 juni 2018 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen inspraakreacties ingediend.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 19 september 2018 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.