direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Schenkel 2, Berkenwoude
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

De eigenaar van het perceel aan de Schenkel 2 in Berkenwoude (hierna initiatiefnemer) heeft de wens om op zijn perceel een nieuwe woning te realiseren. De huidige woning is te klein en voldoet niet aan de wensen van een modern wooncomfort. De situering van het pand maakt dat uitbreiding niet mogelijk is.

De gemeente heeft akkoord gegeven voor de bouw van een nieuwe woning. Deze zal, van de weg af gezien, achter de bestaande woning worden gebouwd. Het bestaande pandje zal een functie krijgen voor bed & breakfast.

Om realisatie van de nieuwe woning mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Schenkel 2 in Berkenwoude in het buitengebied van de gemeente Krimpenerwaard. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0002.png"

Globale ligging plangebied in de omgeving (bron: openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Schenkel 2 ten oosten van de kern Berkenwoude in het buitengebied van de gemeente Krimpenerwaard. Het plangebied ligt in een veenlandschap en maakt onderdeel uit van transparante lintbebouwing. Langs de Schenkel zijn woningen en agrarische bedrijven gevestigd met regelmatige doorzichten naar het open slagenlandschap daarachter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0003.png"

Bestaand pand Schenkel 2

De woning op het perceel Schenkel 2 betreft een karakteristiek pandje, dat op zeer korte afstand van de weg staat. Het is gesitueerd op een smalle veenstrook, ingeklemd tussen twee verkeersbestemmingen (zie paragraaf 3.3.5). In het verlengde van het pand staan een hooiberg en een bijgebouw.

Langs de Schenkel is veel opgaande beplanting aanwezig. Slechts incidenteel is er zich op het achterliggende veenlandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0004.png"

Luchtfoto van het plangebied met de huidige woning (W) met daarachter de hooiberg (H). Op de locatie van de huidige bijgebouwen (aangegeven met een ster) wordt de nieuwe woning gebouwd.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Inrichting

Het plan voorziet in de bouw van een nieuwe woning op het perceel westelijk van het pand op nr. 2. Dit perceel is nu in gebruik als tuin van nummer 2. De percelen worden van elkaar gescheiden door een brede sloot en groenstrook.

De woning wordt gebouwd op de plek van een bestaand bijgebouw dat zal worden gesloopt. Een nieuw bijgebouw, behorend bij de nieuwe woning, wordt zodanig gesitueerd dat deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. Om de perceel te ontsluiten wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit, die wordt doorgetrokken naar het achterliggende perceel.

Het huidige pandje op nr. 2 blijft in stand en krijgt een functie als bed & breakfast. Ook de hooiberg en het bestaande schuurtje blijft bewaard.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

In de huidige situatie is er veel, nogal verwilderde begroeiing aanwezig. Onderdeel van het plan is om groot onderhoud te plegen aan de elzenhagen en zo de zichtlijnen in de richting van het achterliggende veenlandschap te herstellen. De positionering van de nieuwe woning is zodanig gekozen dat deze de zichtlijnen niet doorkruist maar juist bijdraagt aan een versterking van het beeld.

Bijgevoegde schets geeft de globale inrichting van het plangebied weer. Weergegeven is de situering van de nieuwe woning met bijgebouw, als ook de te realiseren zichtlijnen naar het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0005.png"

Globale inrichtingsschets van het plangebied (bron: Verstoep)

2.2.3 Beeldkwaliteit

Qua architectuur zal worden gestreefd naar het beeld van een 'schuurwoning'. Dit komt tot uitdrukking in de bouwvorm, de gebruikte materialen, de detaillering en kleurstelling van de woning. De maatvoering van de woning sluit aan op de maatvoering die ook elders in het buitengebied wordt gehanteerd.

Door de nieuwe woning te plaatsen achter het bestaande pand en te kiezen voor een bescheiden architectuur en kleurstelling wordt voorkomen dat de nieuwe woning gaat domineren boven het reeds bestaande karakeristieke pand op nummer 2.

Er wordt de volgende beeldkwaliteit nagestreefd:

Massa

  • een eenvoudige en langwerpige hoofdvorm
  • bouwvolume maximaal 700 m3
  • breedte 8-10 m, diepte tot 16 m
  • nokhoogte maximaal 10 meter
  • goothoogte maximaal 4 meter

Kapvorm

  • zadeldak
  • nok evenwijdig langs de weg

Detaillering

  • eenvoudige detaillering
  • aanbouwen zijn niet toegestaan
  • dakkapellen zijn onderdeel van de hoofdvorm en bij voorkeur inpandig

Kleur- en materiaalgebruik

  • gebruik van natuurlijke materialen: steen, hout
  • andere materialen zijn ondergeschikt
  • gevels hebben een donkere kleur
  • kap van riet of gebakken pannen

Bijgebouwen

  • er is één bijgebouw toegestaan
  • uitgevoerd met een kap
  • nokhoogte 5 meter, goothoogte 3 m
  • uitgevoerd in donker hout en met donkere kap

Erfinrichting

  • erfinrichting maakt deel uit van het landschap
  • erfbeplanting sluit aan op het landschapstype, streekeigen beplanting
  • bestrating is (half)open, bijvoorbeeld grastegels of alleen verharding van rijsporen

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0007.png"

Referentiebeelden bijgebouw

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0008.png"

Referentiebeelden bestrating

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'acute regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Op circa 270 m afstand van het plangebied ligt een gasleiding van nationaal belang. In paragraaf 4.1.6 wordt hier nader op ingegaan.

Ladder duurzame verstedelijking

Met onderhavig plan wordt per saldo geen woning toegevoegd, waardoor geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.

3.2 Provinciaal beleid

Visie ruimte en mobiliteit provincie Zuid-Holland

De 'Visie ruimte en mobiliteit provincie Zuid-Holland' (actualisatie, januari 2017) is een structuurvisie op provinciaal niveau en bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. De visie biedt geen vast omlijnd eindbeeld, maar wel ambities en doelen die de provincie samen met anderen wil realiseren. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkelingen en het handelen van de provincie:

  • beter benutten en opwaarderen van wat er is
  • vergroten van de agglomeratiekracht
  • verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit
  • bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving

De Verordening ruimte 2017 is een van de instrumenten om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren. De verordening stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. In de Verordening zijn onderwerpen opgenomen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang.

Regels voor ruimtelijke kwaliteit

Gebiedsgericht sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van het gebied en moeten voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Planspecifiek

De regels uit de Verordening Ruimte die voor onderhavig plan gelden, zijn hieronder uitgewerkt.

Regels voor ruimtelijke kwaliteit

De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. In die hoedanigheid leveren ze een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het in stand houden van de specifieke waarden.

Op basis van de kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland behorende bij de structuurvisie zijn een drietal landschapstypen relevant voor het plangebied. Dit zijn het veen(weide)landschap, de linten en het kroonjuweel cultureel erfgoed.

De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid.

Richtpunten:

  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. Er worden drie typen linten onderscheiden: dijklinten, polderlint, boerenervenlint.

Richtpunten:

  • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.
  • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
  • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Het middengebied van de Krimpenerwaard is aangeduid als 'kroonjuweel cultureel erfgoed' en wordt begrensd door landscheidingskaden, vaarten en vlieten. De oude opstrekkende verkaveling en het watersysteem zijn nog grotendeels intact en bepalend voor het regelmatige en de oostwest georiënteerde nederzettingsstructuur. Erfbeplanting, rijen knotwilgen en het opgaand groen van kades en eendenkooien en geriefbosjes zijn accenten in het vlakke en waterrijke veenweidelandschap. De lange bebouwingslinten zijn rijk aan historische boerderijen en hebben door de vele open ruimtes tussen de bebouwing een sterke relatie met het landschap.


Richtpunt:

  • Herkenbaar houden en versterken van de kwaliteiten (ontginningspatroon met verkaveling, waterlopen, kades, monumentale boerderijlinten, beplanting, profiel van wegen en waterlopen), alsook hun onderlinge samenhang.

Conclusie

Met onderhavig plan wordt de structuur van het veenlandschap en lintbebouwing versterkt. Ten noorden van de te realiseren woning is op dezelfde veenstrook reeds een burgerwoning gevestigd die onderdeel uitmaakt van de lintbebouwing. Door aan de zijde van de Schenkel de beplanting terug te snoeien worden extra zichtlijnen gecreëerd in de richting van het veenlandschap. Hiermee wordt de beleefbaarheid van het gebied versterkt.

De woning wordt in de lengterichting van de kavel gesitueerd. Bijzonder aan de Schenkel is dat de verkaveling hier niet haaks op de weg staan, maar er evenwijdig aan loopt. De Schenkel is een verbindingsweg tussen twee oude ontginningsassen.

Conclusie is dat het plan aansluit op de karakteristiek van de omgeving en daarmee past in het 'kroonjuweel cultureel erfgoed' dat middengebied van de Krimpenerwaard is.

Op basis van de volgende aspecten van artikel 2.2.1 lid 1a en 3a van de Verordening sluit onderhavige ontwikkeling aan bij de Structuurvisie:

  • het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit;
  • voorziet niet in een wijziging op structuurniveau;
  • past bij de aard en schaal van het gebied;
  • voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart;
  • het voegt kenmerkende landschapselementen toe.

Provinciale Milieuverordening

De provincie Zuid-Holland heeft in de provinciale milieuverordening 16 stiltegebieden aangewezen. Om de stilte in deze gebieden te behouden en beschermen gelden een aantal regels. Gemotoriseerd verkeer, grootschalige evenementen of andere bronnen van lawaai zijn verboden. Gebiedseigen geluiden zijn wel toegestaan.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in het stiltegebied Krimpenerwaard - Alblasserwaard. Aangezien het gaat om de realisatie van een woonhuis, wordt verwacht dat de rust in het gebied gewaarborgd blijft.

3.3 Gemeentelijk beleid

Het plangebied ligt in de gemeente Krimpenerwaard, precies op de grens van de voormalige gemeente Bergambacht en de gemeente Vlist. Het bestaande pand Schenkel 2 ligt op grondgebied van Bergambacht, de nieuwbouwlocatie valt binnen de voormalige gemeente Vlist.

3.3.1 Structuurvisie 'Beleef Bergambacht'

In 2008 is de gemeentelijke structuurvisie 'Beleef Bergambacht' vastgesteld. De ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Bergambacht wordt grotendeels gevormd door de cultuurhistorische waarde van de historische lintbebouwing en het slagenlandschap in het buitengebied. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden behouden blijven en beschermd worden en dat de transparantie van het lint door de doorzichten naar het open landschap zoveel mogelijk worden behouden. Nieuwe bebouwing en functies moeten passen in deze karakteristiek.

In de structuurvisie worden mogelijkheden gezien om de recreatieve sector te intensiveren door het benutten van kansen en het ontwikkelen van nieuwe vormen van recreatie passend bij het gebied: routegebonden en aan het landelijk gebied gerelateerde extensieve recreatie zoals een theetuin, bed & breakfast, kamperen bij de boer, verkoop van streekeigen producten en boerengolf. Ook kleinschalige verblijfsaccommodaties bij agrarische bedrijven passen in het beleid.

Planspecifiek

Het bestaande pandje Schenkel 2 is niet aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol object, maar het heeft door zijn verschijningsvorm en ligging zeker een karakteristieke waarde. Naar de huidige maatstaven is de omvang echter te klein voor een moderne woning. Uitbreiding van de woning zal ten koste gaan van de karakteristiek. Door de eigenaar de mogelijkheid te bieden om op het naastgelegen perceel een nieuwe woning te bouwen en het bestaande pand een recreatieve functie te geven, blijft het karakteristieke beeld in tact. Daarnaast draagt het bij aan een versterking van de recreatieve sector.

3.3.2 Structuurvisie Vlist 2020

Met deze structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente op hoofdlijnen weergegeven. Het is daarmee het ruimtelijk afwegingskader voor nieuwe initiatieven. Het beleid voor het buitengebied is gericht op behoud en herstel van landschap, cultuurhistorie en natuur, in balans met de ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame grondgebonden veehouderij. Voor overige functies wordt een consoliderend beleid voorgestaan.

Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kwaliteiten van het gebied. Indien deze verder gaan dan het bestemmingsplan mogelijk maakt, moet een nieuwe afweging worden gemaakt. Voorwaarden binnen die afweging zijn:

  • het betreft een duurzame ontwikkeling;
  • er is sprake van toevoeging van kwaliteit (op het gebied van cultuurhistorie, landschap en/of natuur);
  • de ontwikkeling past bij de identiteit en schaal van de omgeving;
  • draagt bij aan de economie van het buitengebied.

Het beleid Vernieuwend Ondernemen biedt voor (voormalige) agrarische bedrijven en als karakteristiek aangemerkte panden recreatieve mogelijkheden.

Planspecifiek

Binnen de structuurvisie is het plangebied aangeduid als agrarisch gebied. Bijgevoegd een uitsnede van de Structuurvisie 2020.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0009.png"

Uitsnede structuurvisiekaart (bron: voormalige gemeente Vlis)

Het beleid voor agrarische gronden is gericht op behoud en versterking van de aanwezige kwaliteiten. Deze kwaliteiten betreffen openheid, verkavelingsstructuur, aan het veenweidegebied gebonden natuur, productielandschap voor de grondgebonden veehouderij en recreatief medegebruik.

De contramal van het agrarisch gebied wordt gevormd door de bebouwingslinten. Het beleid in de linten is gericht op behoud van cultuurhistorische kwaliteiten (karakteristieke bebouwing, verkavelingspatroon). Of er aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen medewerking kan worden verleend hangt er onder meer af van of er sprake is van een substantiële kwaliteitsverbetering.

Onderhavig plan sluit aan op de karakteristiek van de omgeving. Juist door de initiatiefnemer mogelijkheid te geven om een nieuwe woning te bouwen, blijft de bestaande karakteristiek in stand. De huidige woning is naar moderne maatstaven te klein. Volgens de regels van het bestemmingsplan mag de woning worden vergroot, maar dat is ruimtelijk niet inpasbaar op deze locatie.

Door de nieuwe woning te plaatsen achter het bestaande pand en te kiezen voor een bescheiden architectuur en kleurstelling blijft het een geheel: de huidige woning karakteristiek en door zijn ligging in het oog springend, de nieuwe woning ingetogen op de achtergrond. Door ingrepen in de beplanting en het creëren van zichtlijnen in de richting van de veenweiden vindt een landschappelijke versterking plaats. Mede door deze ingrepen sluit het plan aan bij de uitgangspunten van de Structuurvisie 2020.

3.3.3 Structuurvisie K5 Gemeenten

Vijf gemeenten in de Krimpenerwaard hebben in 2009 een structuurvisie vastgesteld, waarin de hoofdlijnen voor de gewenste ontwikkeling van het gebied staan. De centrale opgave voor de K5 is het voeren van een evenwichtige koers in het spanningsveld tussen het versterken van sociaal-economische aspecten enerzijds en het waarborgen van de cultuurhistorische, natuur- en landschapskwaliteiten anderzijds. Met name het patroon van dijk- en dorpslinten en het waterrijke slagenlandschap zijn kenmerkend voor de regio. In een groot deel van het gebied blijft de grondgebonden melkveehouderij de belangrijkste functie. In de bepaalde gebieden zal natuur ontwikkeld worden met recreatief medegebruik. In het zuiden van de Krimpenerwaard zijn ook beperkte mogelijkheden voor hervestiging van bedrijven die in het kader van natuurontwikkeling worden uitgekocht. Daarnaast wordt, binnen bestaande opstallen, ruimte geboden aan activiteiten op het vlak van verbrede landbouw en vernieuwend ondernemerschap.

De belangrijkste uitgangspunten voor de kernen zijn leefbaarheid, bereikbaarheid van voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in de eigen woningbehoefte te voorzien. Daarbij is het de inzet om enerzijds zuinig om te springen met de ruimte en anderzijds woon- en werkmilieus te creëren van een schaal en ruimtelijke kwaliteit die passen bij de schaal van de kernen. De K5 structuurvisie voorziet in een kernenprofilering, die een kader biedt voor de afstemming en sturing van investeringen tussen kernen.

Planspecifiek

De koers van de Structuurvisie voor de K5 gemeenten komt op hoofdlijnen overeen met de visies voor Bergambacht en Vlist. Voor inpassing van voorliggend plan in dit beleid wordt kortheidshalve verwezen naar de paragrafen 3.3.1 en 3.3.2.

3.3.4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit

De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de "Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard" vastgesteld. De nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Doel van de Nota Ruimtelijke kwaliteit is het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist te harmoniseren en dereguleren met behoud van kwaliteit.

Bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit horen twee kaarten; de Niveaukaart en de Gebiedenkaart. Op de Niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de Gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën.

Planspecifiek

Onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Niveaukaart. Het plangebied ligt in een lint met de aanduiding 'bijzonder' (oranje).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0010.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0011.png"  

Uitsnede van de Niveaukaart (links) en de Gebiedenkaart (rechts) met het plangebied aangeduid met een rode stip (bron: Nota Ruimtelijke kwaliteit)

De gebieden met de aanduiding 'bijzonder' zijn de gebieden waar het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de Krimpenerwaard. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld.

Onderhavig plan draagt bij aan de kwaliteit van het straatbeeld juist door het bestaande pand niet te verbouwen en een andere functie te geven. Voor de nieuwe woning worden eisen gesteld voor de beeldkwaliteit en de landschappelijke inpassing. De ruimtelijke kwaliteit is daarmee geborgd.

Op de Gebiedenkaart ligt het plangebied in de 'polderlinten' (groen). De polderlinten hebben een bijzonder welstandsniveau. De waarde is in ieder geval gelegen in het goed behouden historische karakter met als basis de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten op het achterland.

Het uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.

In paragraaf 2.2 is aandacht besteed aan de inrichting, de beeldkwaliteit en de landschappelijke inpassing van het plan. Belangrijke uitgangspunten in het ontwerp, welke ook zijn vastgelegd in dit bestemmingsplan, zijn de situering van de woning en bijgebouwen en het creëren van de gewenste doorzichten in het landschap.

Het initiatief sluit aan op het beleid volgens de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017.

3.3.5 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van de bestaande woning in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' van de voormalige gemeente Bergambacht, vastgesteld op 13 december 2011. Het perceel is hier bestemd voor 'Wonen'. Tevens hebben de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

De beoogde bouwlocatie valt binnen het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)', vastgesteld op 15 december 2015. Deze gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn onder andere bestemd voor reële grondgebonden graasdierbedrijven. In onderstaande afbeelding zijn beide gebieden rood omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0012.png"

Uitsnede vigerende bestemmingsplannen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Tussen beide percelen ligt de bestemming 'Verkeer'. Dit betreft een groene kade, die in het verleden eigendom was van het Hoogheemraadschap maar is gekocht door initiatiefnemer.

Het realiseren van een nieuwe woning is niet mogelijk binnen de bestaande regels. Omdat de gemeente wel medewerking wil verlenen aan het initiatief is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Om te kunnen beoordelen of de gronden geschikt zijn voor woningbouw heeft er een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden (zie bijlage 1). De resultaten van dit onderzoek geven geen milieutechnische bezwaren voor het toekomstige gebruik van de locatie als woonkavel.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodemkwaliteit.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening.


Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).


Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.


Planspecifiek

Met het initiatief wordt een woning gerealiseerd en een bestaande woning omgezet naar een recreatieve functie. De omvang van het project is dusdanig dat het 'niet in betekende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.


De uitvoerbaarheid van het initiatief voor lucht is hiermee aangetoond.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Voor de voorgenomen ontwikkeling is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van de geluidsbelasting op de gevels van de nieuwe woning ten gevolgen van wegverkeerslawaai. Het plan voorziet met de bouw van een woning in een nieuw geluidgevoelig object, gelegen langs de Schenkel. De Schenkel is een smalle landweg met bestemmingsverkeer naar de aanliggende percelen en enig doorgaand verkeer tussen Berkenwoude en Stolwijk. De maximumsnelheid bedraagt 60 km/u.

Er zijn voor deze weg geen tellingen of prognoses bekend. Daarom is een geluidberekening uitgevoerd volgens de omgekeerde rekenmethode. Dat houdt in dat met de gegeven afstand van de woning tot de weg, het wegdektype en een "worst case" scenario voor andere aspecten de verkeersintensiteit is berekend waarbij nog juist aan de grenswaarde voor geluid (48 dB) wordt voldaan. Deze berekening is opgenomen in bijlage 2.

Uit de berekening blijkt dat bij een verkeersintensiteit van 2500 motorvoertuigen/etmaal de geluidbelasting op de gevel van de nieuwe woning 48 dB bedraagt. Die intensiteit ligt ruim hoger dan de raming van de huidige intensiteit (1000-1500 mvt/etmaal, zie bijlage 2). Het is niet realistisch dat de verkeersintensiteit op de Schenkel hoger zal liggen dan 2500 mvt/etmaal, het wegprofiel is daar ook niet geschikt voor.

De conclusie is dat het geluidsniveau op de gevel van de nieuwe woning onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft. Derhalve is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het bestaande pandje krijgt een recreatieve functie als B&B en is daarmee geen geluidgevoelig object.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

geurgevoelig object gelegen in:   maximaal toegestane geurbelasting
(odour units per m3 lucht)  
concentratiegebied binnen bebouwde kom   3,0 ouE/m3   
concentratiegebied buiten bebouwde kom   14,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom   2,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom   8,0 ouE/m3  

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeente Krimpenerwaard heeft een eigen geurbeleid, vastgelegd in de Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017. Hierin zijn de afstandsnormen voor dieren zonder geuremissiefactor gehalveerd, waarbij sprake is van een eenzijdige werking. Dat betekent dat bij het oprichten, uitbreiden of veranderen van een veehouderij buiten de bebouwde kom een afstand van 25 meter wordt gehanteerd tussen de dichtstbijzijnde gevel van de stal en het geurgevoelige object. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 50 meter. Woningen in het buitengebied dienen wel op 50 meter afstand te blijven.

Planspecifiek

In de omgeving van het plangebied liggen aan de Schenkel meerdere agrarische bedrijven. Op circa 70 m, 170 m, 220 m en 280 m liggen rundveebedrijven met vaste afstandsdieren. Voor deze bedrijven geldt in de gemeente Krimpenerwaard een richtafstand van 25 m. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.

Op circa 145 m ten noorden het plangebied is een intensieve veehouderij gevestigd. De nieuwe woning heeft geen invloed op de bedrijfsvoering van deze bedrijven, omdat er op kortere afstand al woningen aanwezig zijn, die in dat geval bepalend zijn. Er mag redelijkerwijs vanuit gegaan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woning, omdat het bedrijf reeds rekening dient te houden met andere burgerwoningen op kortere afstand.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

In de omgeving van het plangebied (< 1km) zijn geen niet-agrarische bedrijven aanwezig die mogelijk hinder zouden kunnen opleveren. Voor het plangebied is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Er worden geen bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd.


In paragraaf 4.1.4 is de mogelijke geurhinder van de omliggende agrarische bedrijven toegelicht.


Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG009-vg01_0013.png"

Uitsnede risicokaart plangebied (bron: risicokaart.nl)

Uit de uitsnede van de risicokaart is op te maken dat op circa 250 m, 340 m en 450 m afstand gasleidingen liggen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Met onderhavig plan neemt de persoonsdichtheid in het plangebied niet toe, omdat het gaat om de verplaatsing van een woonbestemming. Incidenteel kunnen er door de aanwezigheid van de B&B meer personen aanwezig zijn. Aangezien personen binnen het plangebied doorgaans in een stenen gebouw verblijven en zelfredzaam zijn kan worden aangenomen dat het plan geen significante invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico.

Het plan is uitvoerbaar uit oogpunt van externe veiligheid.

4.1.7 Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

  • in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;
  • een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
  • op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling

Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:

  • als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;
  • als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek

Het onderhavige plan behelst de bouw van één nieuwe woning waarbij de bestaande woning een functie krijgt als B&B. Het aantal woningen blijft onveranderd. Het plan blijft daarmee ver onder de drempel van 2000 woningen zoals opgenomen in bijlage D (D11.2). De stedelijk bebouwde omgeving wordt met voorliggend plan ook niet uitgebreid. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' is in hoofdstuk 2 van deze toelichting ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 4 zijn de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven is in de toelichting van het bestemmingsplan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Waterbeheerplan 2016-2021

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK houdt het land veilig en bewoonbaar, nu en in de toekomst, en draagt bij aan de leefbaarheid van het gebied. Het beheer en onderhoud zijn gericht op het vergroten van de toekomstbestendigheid van het (afval)watersysteem. Bij grote investeringen in nieuwe infrastructuur en de aanleg van woon- of werkgebieden, denkt het Hoogheemraadschap actief mee met initiatiefnemers over de mogelijke gevolgen van hun plannen voor overstromingsrisico's, wateroverlast, de waterkwaliteit en de afvalwaterketen.

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit veengrond, waarbij de percelen van elkaar worden gescheiden door watergangen, die zorgen voor de afwatering van het gebied. De sloten grenzend aan het plangebied behoren niet tot de KRW-waterlichamen.

Onderhavig plan voorziet in het slopen van enkele bijgebouwen en het realiseren van een nieuwe woning. Op het te bebouwen perceel is in de huidige situatie ca. 60 m² bebouwd/verhard. Per saldo zal er sprake zijn van een toename van het verhard oppervlak. De totale oppervlakte aan bebouwing (woonhuis en bijgebouw) en verharding is echter minder dan de 500 m² die door het Hoogheemraadschap wordt gehanteerd bij nieuwe ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van verharding onder deze grens blijft, wordt de negatieve invloed op het watersysteem beperkt geacht. Hierdoor is compensatie in de vorm van vervangend water niet nodig.

De vuilwaterafvoer van de woning zal worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Voor het plan is een digitale watertoets doorlopen. Het Hoogheemraadschap heeft hierop een positief wateradvies afgegeven. Weliswaar is er sprake van een waterstaatkundig belang (i.c. de groene kade, gelegen tussen beide plandelen, die in het verleden eigendom was van HHSK), maar het Hoogheemraadschap concludeert dat de waterstaatkundige belangen door het uitvoeren van dit plan niet of slechts nauwelijks wordt beïnvloed. Het wateradvies is opgenomen in bijlage

Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Om inzicht te krijgen in het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten in het plangebied, als ook de eventuele effecten op beschermde gebieden, is een Quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd. De conclusies uit het rapport zijn hieronder samengevat. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 4.

  • De afstand tot Natura 2000-gebieden en tot het Nationaal Natuurnetwerk (vml. EHS) is dermate groot dat geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, er geen effecten te verwachten zijn op de doelstellingen voor deze beschermde gebieden. Evenmin wordt er effect verwacht op de belangrijke weidevogelgebieden.
  • Tijdens het onderzoek zijn geen indicaties verkregen omtrent het daadwerkelijk voorkomen van beschermde soorten en situaties. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op alle onderdelen veilig kan worden uitgevoerd binnen de Wet Natuurbescherming.

Voor de uitvoering van de ontwikkeling is een aantal aandachtspunten geformuleerd:

  • Indien het slopen van de opstal en/of het zagen/rooien van houtgewassen plaatsvindt in de periode tussen 01 maart en 31 juli, dient voordat er wordt gestart een controle te worden uitgevoerd op de aanwezigheid van nesten middels een zogenaamde broedvogelcheck.
  • In het projectgebied zijn een of enkele nestkasten aan bomen en opstal aanwezig. Deze nestkasten kunnen niet in het broedseizoen (01 maart - 31 juli) worden verplaatst.
  • Indien een deel van de sloot wordt gedempt of van een toegangsdam wordt voorzien, dient mogelijk aanwezige flora en fauna verplaatst te worden, waarbij gewerkt wordt van de gesloten kant in de richting van de open slootverbinding. Op deze wijze kan mogelijk aanwezige fauna worden verdreven in de richting van een open slootverbinding met aangrenzend oppervlaktewater.

In aanvulling op de Quickscan in bijlage 4 is een beoordeling gemaakt van de geschiktheid van het plangebied voor de huismus en de rugstreeppad:

  • Huismussen worden in de te slopen bebouwing uitgesloten. Er is geen voornemen tot het wijzigen van de ruimtelijke omgeving rond de nieuwe woning. De directe omgeving betreft een open bebouwingslint met veel beplanting, hagen en ruige gazons. Indien er in de omgeving huismussen voorkomen blijft er ruim voldoende foerageer- en verblijfshabitat beschikbaar.
  • Rugstreeppadden worden dit moment binnen het plangebied uitgesloten. Indien bij de bouw ontgraven grond in depot wordt gezet, dient te worden voorkomen dat rugstreeppadden zich hier vestigen om te overwinteren. Dit kan door de grondhopen voor eind september te verwijderen of door een amfibieënraster rond de in depot geplaatste grond aan te brengen.

Het plan is uitvoerbaar op het aspect ecologie.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Met voorliggend plan (nieuwbouw van een woning en gebruik van bestaand pand als B&B) neemt het aantal verkeersbewegingen niet noemenswaardig toe. De Schenkel heeft voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen op te vangen.

Op eigen erf is voldoende ruimte aanwezig om te parkeren. Voor de ontsluiting van de nieuwe woning wordt de bestaande inrit verder doorgetrokken.

 

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor verkeer is hiermee aangetoond.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van de Wamz zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Het plangebied ligt in een cultuurhistorisch waardevol veenlandschap. In paragraaf 3.3 is toegelicht op welke wijze het plan rekening houdt met cultuurhistorische aspecten.

Juist door de initiatiefnemer de mogelijkheid te geven om een nieuwe woning te bouwen, blijft het bestaande karakteristieke beeld in stand. De huidige woning is naar moderne maatstaven te klein. Volgens de regels van het bestemmingsplan mag de woning worden vergroot, maar dat is ruimtelijk niet inpasbaar op deze locatie.

Door de nieuwe woning te plaatsen achter het bestaande pand en te kiezen voor een bescheiden architectuur en kleurstelling blijft het een geheel: de huidige woning karakteristiek en door zijn ligging in het oog springend, de nieuwe woning ingetogen op de achtergrond. De nieuwe woning met bijgebouw wordt in de lengterichting van het perceel gesitueerd. De ligging van de bebouwing wordt in het bestemmingsplan vastgelegd. Door ingrepen in de beplanting en het creëren van zichtlijnen in de richting van de veenweiden vindt een landschappelijke versterking plaats.

Archeologie

Het gebied waar de woning wordt gerealiseerd heeft geen specifieke archeologische verwachtingswaarde. Een nader archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig. Ter bescherming van de eventuele aanwezige archeologische waarden in het gebied ter plaatse van de bestaande woning blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' behouden.


De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor het initiatief.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I: Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

In de regeling is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)', vastgesteld door de raad van de gemeente Krimpenerwaard op d.d. 15-12-2015.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Wonen'. Deze bestemming geldt voor zowel het bestaande als het nieuwe woonperceel. Met de aanduiding 'relatie' is aangegeven dat de bestemmingsvlakken bij elkaar horen. Er is één woning toegelaten. Met een bouwvlak is de situering van de nieuwe woning vastgelegd. De gronden zijn onder andere bestemd voor wonen, erven, tuinen, water en groenvoorzieningen. Op een deel van het woonperceel wordt de bouw van bijgebouwen uitgesloten om zo de zichtlijnen in stand te houden. Met de 'specifieke bouwaanduiding - Schenkel 2' is een regeling openomen dat bestaande bebouwing op het adres (huidige woning, hooiberg en schuurtje) niet meetelt in de oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen. Deze mogen in de huidige vorm en oppervlakte in stand blijven. Tevens is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning pas mag worden verleend als het landschapsplan, zoals is opgenomen in de bijlage bij de regels, is uitgevoerd.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De bestemming geldt voor het perceel waarop de recreatiewoning is gelegen.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Omdat het plan niet meer dan een kleine lokale impact heeft is geen vooroverleg gevoerd.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Het plan is bekend in de omgeving, daarom is afgezien van inspraak.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 22 augustus 2018 gedurende een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.