direct naar inhoud van Regels
Plan: Landgoed Middelblok en Ruimte voor Ruimte
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BP1504BG005-VG02

Regels

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begrippen

  • 1. plan:

het bestemmingsplan "Landgoed Middelblok en Ruimte voor Ruimte" van de gemeente Krimpenerwaard, vervat in de plankaart , deze planregels en de daarbij behorende bijlagen;

  • 2. bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1931.BP1504BG005-VG02 met de bijbehorende regels en bijlagen;

verbeelding:

de verbeelding, bestaande uit een kaartblad (met tek.nr. BP-01), met de bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven;

  • 3. aan- of uitbouw:

een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een woning dat door haar indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van een woning;

  • 4. aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

  • 5. aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

  • 6. algemene wet bestuursrecht:

Wet van 4 juni 1992, Stb. 315, houdende algemene regels van bestuursrecht, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

  • 7. bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

  • 8. bedrijfsactiviteiten in en bij een woning:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, geen zakelijke dienstverlening zijnde, en ambtelijke bedrijvigheden geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van bedrijfsactiviteiten in een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.

  • 9. bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten;

  • 10. bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op dan wel bij een terrein bestemd voor de huisvesting van één huishouden waarvan huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering in overeenstemming met de bestemming, noodzakelijk is;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten:

  • 1. afstand van een gebouw tot een perceelsgrens;

de afstand van een gebouw tot een perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand in meters van enig punt van het gebouw tot aan de perceelsgrens;

  • 2. breedte van een gebouw:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt opgenomen van de kleinste en de grootste maat;

  • 3. bebouwingspercentage:

het bebouwingspercentage wordt bepaald door het meten van het percentage van het bouwperceel voor zover gelegen binnen het bouwvlak; een en ander met dien verstande dat vergunningvrije bouwwerken als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet niet worden meegenomen bij de berekening van het bebouwingspercentage; 

  • 4. bouwhoogte van gebouwen:

de bouwhoogte van gebouwen wordt bepaald door het meten van de hoogte in meters vanaf het peil tot het hoogste punt van de gebouwen, waarbij ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing kunnen blijven;

  • 5. dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

  • 6. goot- en/of boeihoogte van gebouwen:

de goot- en/of boeihoogte van gebouwen wordt bepaald door het meten van de hoogte in meters vanaf het

tot aan de druiplijn, de bovenkant van de goot, het boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij ondergeschikte bouwdelen alsmede dakkapellen en andere beperkte dakopbouwen buiten beschouwing blijven;

  • 7. hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt bepaald door het in meters meten van het hoogste punt van bouwwerken tot aan het peil;

  • 8. oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 BESTEMMINGEN

Artikel 3 Natuur

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. extensief recreatief medegebruik;
  • d. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder waterberging, -aanvoer en -afvoer;
  • e. sloten, beken, poelen en daarmee gelijk te stellen water;
  • f. een droogschuur, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - droogschuur'.
  • g. wegen en paden;

met daaraan ondergeschikt:

  • h. infrastructurele voorzieningen;
  • i. openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels

De bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de goothoogte en/of bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedraagt ten hoogste:
bouwwerken   max. goothoogte   max. bouwhoogte  
antennes   n.v.t.   5 m  
lichtmasten en overige masten   n.v.t.   10 m  
overige bouwwerken, geen gebouw zijnde   n.v.t.   2m  

  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - droogschuur' is een schuur toegestaan met een maximale oppervlakte van 286 m2.

3.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik in de zin van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of doen of laten gebruiken van de gronden binnen deze bestemming voor:

  • a. het aanleggen van wandelpaden ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik ten noodwesten van de Bakwetering;
  • b. het toepassen van verlichting door middel van lichtmasten in het openbare gedeelte van landgoed.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.4.1 Verbod

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het verlagen van de bodem of afgraven van gronden;
  • c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 30 cm;
  • d. het aanleggen van boomgaarden;
  • e. het bebossen van gronden;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur (voor zover geen bouwwerken zijnde).

3.4.2 Uitzonderingsbepaling

Het in artikel 3.3.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werkzaamheden die dienen ter uitvoering van de in het beeldkwaliteitsplan Landgoed Middelblok d.d 21 november 2016 genoemde inrichtings- en beheersdoelstellingen;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • c. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in uitvoering zijn;
  • d. werken en/of werkzaamheden die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

3.4.3 Toelaatbaarheid

Werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden welke het plan beoogt te beschermen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

3.4.4 Procedureregel

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden verkrijgen burgemeester en wethouders een advies van Rijkswaterstaat.

Artikel 4 Water

4.1 Bestemmingsomschrijving

4.1.1 De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterpartijen en (primaire) waterlopen, zoals sloten, watergangen, taluds, bermstroken, oevers, bruggen, ondergeschikte groenvoorzieningen en andere tot de bestemming behorende watervoorzieningen.


4.1.2 Op de gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in artikel 4, lid 1.1 genoemde doeleinden worden gebouwd:

  • a. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

4.2 Bouwregels

De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter.

4.3 Afwijken van de bouwregels

4.3.1 Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4, lid 1.1 onder a voor het bouwen van een brug, met dien verstande dat de visueel-ruimtelijke belevingswaarde van de langs de dijk gelegen watergang niet onevenredig mag worden aangetast.

4.3.2 Procedureregel

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4, lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.4.1 Omgevingsvergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, dempen, verdiepen of verleggen van waterlopen;
  • b. het aanleggen van dammen.

 

4.4.2 Uitzonderingsbepaling

Het in artikel 4, lid 4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. van werken en/of werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van de landschappelijke inrichting van het landgoed conform het, in bijlage 1 van de regels opgenomen, beeldkwlaiteitsplan;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • c. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in uitvoering zijn;
  • d. werken en/of werkzaamheden die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

 

4.4.3 Toelaatbaarheid

Werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 4, lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden welke het plan beoogt te beschermen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

 

4.4.4 Procedureregel

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden verkrijgen burgemeester en wethouders een advies van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

5.1.1 De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woningen, met inbegrip van beroepsactiviteiten in en bij de woning;
  • b. aan- of uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken, zoals pergola's en erfafscheidingen;
  • c. wegen, parkeervoorzieningen, waterlopen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming;

met dien verstande dat:

  • d. de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening beroepsactiviteiten binnen een woning en de daarbij horende aan- of uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 35% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, en in ieder geval niet meer dan 50 m2;
  • e. een paardenbak niet is toegestaan.

5.1.2 Op de gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in artikel 5.1.1 genoemde doeleinden worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. overkappingen.

5.2 Bouwregels

De bouwwerken geen gebouw zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan;
  • b. de inhoud van een woning, inclusief aan- en uitbouwen en exclusief bijgebouwen en ondergrondse kelders (met uitzondering van ruimten aanwezig tussen de begane grondvloer en het aansluitend afgewerkt terrein) bedraagt ten hoogste 650 m3, of niet meer dan de inhoud ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, indien deze meer dan 650 m3 bedraagt;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 150 m2;
  • d. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • e. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 5 meter boven de toegestane goothoogte;
  • f. de goothoogte en/of bouwhoogte van een aan- of uitbouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:
bouwwerken   maximale goothoogte   maximale bouwhoogte  
aan- of uitbouwen en bijgebouwen   3,30 m   6 m  
overkappingen en pergola's   n.v.t.   3 m  
erfafscheidingen achter de voorgevel van de woning   n.v.t.   2 m  
overige erfafscheidingen   n.v.t.   1 m  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   n.v.t.   5 m  

5.3 Voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het bouwen

De bouwwerken zoals genoemd in artikel 5.2 mogen niet eerder worden gebouwd dan nadat:

  • ecologisch aanvullend onderzoek is uitgevoerd;
  • uit dit nader onderzoek moet blijken dat als gevolg van de bouw beschermde soorten niet in het geding zijn / dan wel dat deze diersoorten niet in het plangebied zijn aangetroffen;
  • indien een beschermde soort / beschermde soorten wel in het plangebied aanwezig is / zijn, dan kan niet eerder gebouwd worden dan nadat ontheffing van de Flora en Faunawet is verleend.

5.4 Nadere eisen

5.4.1 Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering, de vorm, de afmetingen, dakbeëindiging, kapvorm en bouwhoogte van de bebouwing.

5.4.2 Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is vanuit:

  • a. het behoud van de bebouwingskarakteristiek van de omgeving;
  • b. het behoud van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

5.5 Specifieke gebruiksregels

5.5.1 De uitoefening van bedrijfsactiviteiten, andere dan beroepsactiviteiten in of bij een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen, bijgebouwen en vrijkomende agrarische bebouwing als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, is uitsluitend toegestaan indien:

  • a. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor de beroepsactiviteiten;
  • b. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet;
  • c. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens bewoner van de woning;
  • d. er wordt geen afbreuk gedaan aan het woonkarakter van de buurt;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit die verband houdt met de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten alsmede goederen die ter plaatse in het kader van diezelfde activiteiten zijn vervaardigd;
  • f. er ontstaat geen ernstige of onevenredige hinder voor het woonmilieu en er vinden geen activiteiten plaats waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van milieuwetgeving verplicht is;
  • g. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
    • 1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden;
    • 2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
  • h. er is geen sprake van buitenopslag.

Artikel 6 Wonen - Landgoed

6.1 Bestemmingsomschrijving

6.1.1 De voor Wonen - Landgoed aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een landhuis bestaand uit maximaal drie (geschakelde) wooneenheden, met inbegrip van beroepsactiviteiten in en bij de woning;
  • b. aan- of uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken, zoals pergola's en erfafscheidingen;
  • c. wegen, parkeervoorzieningen, waterlopen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming;

met dien verstande dat:

  • d. de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening beroepsactiviteiten binnen een woning en de daarbij horende aan- of uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 35% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, en in ieder geval niet meer dan 50 m2;
  • e. een paardenbak niet is toegestaan.

6.1.2 Op de gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in artikel 6.1.1 genoemde doeleinden worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. overkappingen.

6.2 Bouwregels

De bouwwerken geen gebouw zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak zijn maximaal 3 wooneenheden toegestaan;
  • b. de woningen hebben een gezamenlijke maximale vloeroppervlakte van 1.000 m2, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen en ondergrondse kelders (met uitzondering van ruimten aanwezig tussen de begane grondvloer en het aansluitend afgewerkt terrein);
  • c. de woningen hebben een gezamelijke inhoud van maximaal 5.000 m3;
  • d. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 meter meter;
  • e. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10 meter;
  • f. de goothoogte en/of bouwhoogte van een aan- of uitbouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:
bouwwerken   maximale goothoogte   maximale bouwhoogte  
aan- of uitbouwen en bijgebouwen   3,30 m   6 m  
overkappingen en pergola's   n.v.t.   3 m  
erfafscheidingen achter de voorgevel van de woning   n.v.t.   2 m  
overige erfafscheidingen   n.v.t.   1 m  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   n.v.t.   5 m  

6.3 Voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het bouwen

De bouwwerken zoals genoemd in artikel 6.2 mogen niet eerder worden gebouwd dan nadat:

  • ecologisch aanvullend onderzoek is uitgevoerd;
  • uit dit nader onderzoek moet blijken dat als gevolg van de bouw beschermde soorten niet in het geding zijn / dan wel dat deze diersoorten niet in het plangebied zijn aangetroffen;
  • indien een beschermde soort / beschermde soorten wel in het plangebied aanwezig is / zijn, dan kan niet eerder gebouwd worden dan nadat ontheffing van de Flora en Faunawet is verleend.

6.4 Nadere eisen

6.4.1 Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering, de vorm, de afmetingen, dakbeëindiging, kapvorm en bouwhoogte van de bebouwing.

6.4.2 Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is vanuit:

  • a. het behoud van de bebouwingskarakteristiek van de omgeving;
  • b. het behoud van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. het bepaalde in Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan, behorend bij deze regels.

6.5 Specifieke gebruiksregels

6.5.1 De uitoefening van bedrijfsactiviteiten, andere dan beroepsactiviteiten in of bij een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen, bijgebouwen en vrijkomende agrarische bebouwing als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, is uitsluitend toegestaan indien:

  • a. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor de beroepsactiviteiten;
  • b. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet;
  • c. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens bewoner van de woning;
  • d. er wordt geen afbreuk gedaan aan het woonkarakter van de buurt;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit die verband houdt met de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten alsmede goederen die ter plaatse in het kader van diezelfde activiteiten zijn vervaardigd;
  • f. er ontstaat geen ernstige of onevenredige hinder voor het woonmilieu en er vinden geen activiteiten plaats waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van milieuwetgeving verplicht is;
  • g. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
    • 1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden;
    • 2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
  • h. er is geen sprake van buitenopslag.

Artikel 7 Leiding - Brandstof

7.1 Bestemmingsomschrijving

7.1.1 De voor Leiding - Brandstof aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse brandstofleiding (druk 80 bar, diameter 12”) met een belemmerende strook van 10 meter, 5 meter naar weerszijde gerekend vanuit het hart van de leiding.

7.1.2 Voor zover op de verbeelding dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:

  • a. primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering;
  • b. secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemmingen Leiding - Brandstof;
  • c. tertiair geldt het bepaalde in de onderliggende bestemming.

7.1.3 Op de gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in artikel 7.1.1 genoemde doeleinden worden gebouwd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2 Bouwregels

De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ten behoeve van andere bestemmingen mag in afwijking van het bepaalde in de andere bestemmingen niet worden gebouwd;
  • b. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een bouwhoogte van ten hoogste 2 m.

Artikel 8 Waterstaat - Waterkering

8.1 Bestemmingsomschrijving

8.1.1 De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. werken ten behoeve van de waterkering;
  • b. de waterhuishouding met de daarbij behorende voorzieningen;
  • c. voorzieningen ten dienste van de geleiding en beveiliging van het scheepvaartverkeer.

8.1.2 Voor zover op de verbeelding dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:

  • a. primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering;
  • b. secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemmingen Leiding - Brandstof;
  • c. tertiair geldt het bepaalde in de onderliggende bestemming.

8.1.3 Op de gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in artikel 7.1.1 genoemde doeleinden worden gebouwd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.2 Bouwregels

De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ten behoeve van deze bestemming mogen uitsluiten bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd tot een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  • b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag niet worden gebouwd.

8.3 Afwijken van de bouwregels

8.3.1 Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.2, onder b indien de bij de betrokken bestemming(en) behorende bouwregels in acht worden genomen en geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterstaatsbelangen of de belangen van de waterkering.

8.3.2 Procedureregels

  • a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij Rijkswaterstaat en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.4.1 Omgevingsvergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven of ophogen van gronden met meer dan 0,3 m;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • c. het aanleggen van oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanleggen van een vooroeverconstructie.

8.4.2 Uitzonderingbepaling

Het in artikel 8.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in uitvoering zijn;
  • c. werken en/of werkzaamheden die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

8.4.3 Toelaatbaarheid

Werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 8.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden welke het plan beoogt te beschermen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

8.4.4 Procedureregel

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden verkrijgen burgemeester en wethouders een advies van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en Rijkswaterstaat.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Algemeen verbod op strijdig gebruik

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken, op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming(en).

10.2 Bijzonder gebruiksverbod

Het is in ieder geval verboden bouwwerken en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken:

  • a. als seksinrichting;
  • b. als standplaats voor onderkomens, alsmede wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel;
  • c. als kampeerterrein, caravanterrein en dagcamping;
  • d. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  • e. als terrein voor het al dan niet ten verkoop opslaan en opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, danwel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorvoertuigen of aanhangwagens c.q. onderdelen daarvan, welke bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn;
  • f. voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport, alsmede voor het crossen met motorvoertuigen en bromfietsen;
  • g. voor volkstuinen;
  • h. voor (mest)bassins;
  • i. voor bewoning ter plaatse van vrijstaande bijgebouwen.

10.3 Uitzonderingen bijzonder gebruiksverbod

Het in het artikel 10.2 bepaalde is niet van toepassing op:

  • a. het (tijdelijke) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden;
  • b. het gebruik van gebouwen ten behoeve van detailhandel in goederen, die in het kader van het agrarisch bedrijf geproduceerd zijn of gewonnen worden, mits de detailhandel een niet-zelfstandig onderdeel uitmaakt van het agrarisch bedrijf.

10.4 Algemene ontheffing

Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde onder artikel 10.1 indien strikte toepassing van die bepalingen zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

10.5 Procedureregel

Bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 10.4 zijn de algemene procedureregels van toepassing zoals opgenomen in Artikel 14 van deze planregels.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

11.1 Geluidzone - industrielawaai

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Geluidzone - industrielawaai gelden de volgende regels:

  • a. De bouw van een woning of een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, alsmede in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder, is binnen deze geluidzone niet toegestaan, tenzij:
    • 1. een besluit tot vaststelling van een hogere grenswaarde voor de betrokken woning of voor het betrokken gebouw vóór de vaststelling van dit plan is verleend;
    • 2. uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op enige gevel van de betrokken woning of het betrokken gebouw niet hoger zal zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde.rkeursgrenswaarde of een vastgesteld hogere grenswaarde.

11.2 Overige zone - landgoed

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - landgoed gelden de volgende regels:

  • a. Voor de op de plankaart voor landgoed aangewezen gronden geldt in aanvulling op de bestemmingsomschrijving van de onderliggende bestemming(en), dat de gronden ter plaatse van deze aanduiding mede zijn bestemd voor een samenhangend beheer van de gronden, met daarbij behorende bouwwerken.
  • b. Ter plaatse van deze aanduiding mogen naast de toegestane bebouwing ingevolge de basisbestemmingen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden bebouwd ten dienste van het samenhangend beheer van het landgoed, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 2,50 m mag bedragen.

11.2.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen, indien en voor zover het betreft een landgoed als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder a van de Natuurschoonwet 1928, het plan wijzigen en de binnen de aanduiding landgoed voorkomende bestemmingen onderling wijzigen met dien verstande dat de rangschikking als bedoeld in het Rangschikkingenbesluit Natuurschoonwet 1928 niet wordt aangetast.

Artikel 12 Algemene ontheffingsregels

12.1 Ontheffingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van de regels in dit bestemmingsplan voor:

  • a. het afwijken van de op de plankaart of in de planregels gegeven maten, afmetingen en percentages met in totaal ten hoogste 10%, indien deze aanpassingen in verband met ingekomen bouwplannen nodig zijn;
  • b. het aanbrengen van geringe aanpassingen in de plaats en de richting van bebouwingsgrenzen, geen bestemmingsgrens zijnde, mits deze nodig zijn in verband met afwijkingen en onnauwkeurigheden van de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie, dan wel nodig zijn in verband met de juiste inpassing van de gebouwen binnen bebouwingsvlakken, waarbij de grenzen met niet meer dan 5 m worden verschoven;
  • c. het overschrijden van de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelings perceelsgrens bepaalde minimumafstand door:
    • 1. erkers, balkons en bordessen tot maximaal 2 meter;
    • 2. ingangspartijen tot maximaal 2 meter, mits de bebouwde maximaal 6 m2 en de bouwhoogte maximaal 3 meter zal bedragen;

voor zover deze overschrijding van grenzen niet leidt tot wijziging van bestemmingen of onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

  • d. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 25 m2 en een goothoogte van niet meer dan 4 m ten dienste van het openbaar nut, zoals schakelhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen en gasdrukregel- en gasdrukmeetstations;
  • e. het oprichten van antennes en masten tot een bouwhoogte van 15 meter.

12.2 Procedureregels
  • a. bij toepassing van de onder artikel 12.1 genoemde ontheffingsbevoegdheden worden belanghebbenden tevoren gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen omtrent het verlenen van de ontheffing naar voren te brengen.
  • b. bij de verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 12.1 kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.
  • c. bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 12.1 zijn de algemene procedureregels van toepassing zoals opgenomen in Artikel 14 van deze planregels.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels

13.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van:

  • a. een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bouwpercelen dan wel bouwvlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat verschuivingen in verband met de ingekomen bouwaanvragen nodig zijn, ter uitvoering van een bouwplan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwvlak, met niet meer dan 10% wordt gewijzigd;
  • b. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bestemmingsgrens te veranderen, indien bij definitieve uitmeting en verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan redelijk gewenst of noodzakelijk is, mits de grenzen met niet meer dan 10 m worden verschoven.

13.2 Procedureregels
  • a. Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13.1 kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.
  • b. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13.1 is het bepaalde in Artikel 14 van toepassing.

Artikel 14 Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een ontheffing dan wel het toepassen

van een wijzigingsbevoegdheid en voor zover in deze planregels wordt verwezen naar dit artikel is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Artikel 15 Overgangsregel

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10 %.
  • c. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

15.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

15.3 Persoonsgebonden overgangsrecht
  • a. voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht ontheffing verlenen.

15.4 Ten aanzien van bestaande afstanden en maten
  • a. indien afstanden ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
  • b. in die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.

in het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 15.4, onder a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

Artikel 16 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan "Landgoed Middelblok en Ruimte voor Ruimte" van de gemeente Krimpenerwaard.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Krimpenerwaard, gehouden op

De griffier, De voorzitter,

Bijlagen bij regels