direct naar inhoud van Regels
Plan: Kreken van Nibbeland te Zuidland
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1930.WPZLDKVNFASE1B-3001

Regels

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Van toepassing verklaring

Op dit wijzigingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan "Kreken van Nibbeland te Zuidland", vastgesteld op 11 juni 2013 door de gemeenteraad van Bernisse, van toepassing, voor zover in de regels van dit wijzigingsplan niet anders is bepaald en met dien verstande dat in geval van discrepantie tussen de regels van het bestemmingsplan "Kreken van Nibbeland te Zuidland" en het wijzigingsplan, de regels van het wijzigingsplan van toepassing zijn.

Artikel 2 Aanvullende begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

2.1 plan:

het wijzigingsplan 'Kreken van Nibbeland te Zuidland' met identificatienummer NL.IMRO.1930.WPZLDKVNFASE1B-3001 van de gemeente Nissewaard;

2.2 wijzigingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en daarbij behorende bijlagen.

2.3 bestaand

ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

2.4 bestaande situatie
  • a. ten aanzien van bebouwing:
    bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het wijzigingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning;
  • b. ten aanzien van gebruik:
    het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop het wijzigingsplan rechtskracht heeft verkregen;

Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS

Artikel 3 Tuin

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen, erven en verhardingen;
  • b. groenvoorzieninigen;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'pad' tevens voor een langzaamverkeerroute;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van op deze gronden geldt dat uitsluitend erkers, balkons, luifels of ingangspartijen ten behoeve van aangrenzende gebouwen mogen worden gebouwd, ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming, waarbij de volgende bepalingen gelden;

  • a. de horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1,00 m;
  • b. de afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 2,00 m;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw + 0,30 m;
  • d. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming;
  • b. de afstand tot de bestemmingsgrens met de bestemming 'Water' bedraagt minimaal 1,50 meter;
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen van 1,00 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 2,00 m;

Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
  • b. parkeervoorzieningen;
  • c. groen- en speelvoorzieningen;
  • d. afvalverzamelvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 4.1 genoemde bestemming;
  • b. de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, kunstobjecten en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6,00 m;
  • c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4,00 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtname van het bepaalde in lid 5.4;
  • c. tuinen, groenvoorzieningen, erven en paden;
5.2 Bouwregels
5.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemming en zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van aaneengebouwde, twee-aaneengebouwde, drie-aaneengebouwde, vrijstaande, gestapelde en geschakelde gebouwen, alsmede als patiowoning;
  • b. aaneengebouwde, tweeaaneengebouwde, drie-aaneengebouwde hoofdgebouwen, alsmede patiowoningen, mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘aaneengebouwd’;
  • c. vrijstaande, geschakelde, twee-aaneengebouwde en drie-aaneengebouwde hoofdgebouwen, alsmede patiowoningen, mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak 'specifieke bouwaanduiding – 1';
  • d. binnen de 'specifieke bouwaanduiding - 2' mogen uitsluitend vrijstaande of uitsluitend gestapelde hoofdgebouwen worden gebouwd:
  • e. voorzover binnen de 'specifiek bouwaanduiding - 2' gestapelde hoofdgebouwen worden gebouwd, dient de afstand van het hoofdgebouw tot de erfgrens van de naastgelegen kavels minimaal 10 meter te zijn;
  • f. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
  • g. binnen de 'specifieke bouwaanduiding – 2' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan aangegeven door de maatvoering 'maximum bebouwingspercentage';
  • h. binnen de 'specifieke bouwaanduiding – 2' mag de goothoogte voor vrijstaande hoofdgebouwen niet meer bedragen dan 6 m;
  • i. de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij vrijstaande hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 1' minimaal 3,00 m aan beide zijden;
  • j. de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij twee-aaneengebouwde en geschakelde hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 1' minimaal 3,00 m aan één zijde;
  • k. de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij drie-aaneengebouwde hoofdgebouwen minimaal 2,00 m aan één zijde, uitgezonderd de middelste woning;
  • l. ter plaatse van de het aanduidingsvlakken 'aaneengebouwd' en specifieke bouwaanduiding-1 dient bij een patio per hoofdgebouw minimaal 25 m2 van het bouwperceel onbebouwd te blijven, waarbij de onbebouwde ruimte door wanden van minimaal 2,00 m hoog wordt omsloten;
  • m. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 66.
5.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemming;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal 5,00 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd met dien verstande dat deze afstand minimaal 3,00 m is bij vrijstaande hoofdgebouwen en twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen ter plaatse van het aanduidingsvlak 'specifieke bouwaanduiding – 1';
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 60 m², met dien verstande dat de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd;
  • d. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m respectievelijk maximaal 6,00 m, met dien verstande dat de goothoogte nimmer hoger kan zijn dan de goothoogte van het hoofdgebouw;
  • e. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd zowel binnen als buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
  • f. de afstand van aan- en uitbouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 1' en de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 2' minimaal 2,00 m aan één zijde;
  • g. de afstand van aan- en uitbouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt bij twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 1' minimaal 2,00 m aan één zijde;
  • h. voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen:
  • 1. per bouwperceel mag niet meer dan één overkapping worden gebouwd;
  • 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²;
  • 3. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 m;
  • 4. de overkapping wordt minimaal 3,00 m achter de voorgevellijn gebouwd.
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemming;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gerealiseerd;
  • c. de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 m bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
5.3 Nadere eisen
5.3.1 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
  • b. de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;
  • c. de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
5.3.2 Voorwaarde
  • a. De in lid 5.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
  • b. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundig en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
5.4 Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten

Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten in een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw is respectievelijk zijn bij wijze van medebestemming toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;
  • b. het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²;
  • c. op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;
  • d. het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • e. De beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat:
  • 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • 2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt;
  • 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn;
  • 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit;
  • 5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wabo.
5.4.2 Voorwaardelijke verplichting
  • a. Het gebruik van de gronden met de bestemming 'Wonen' conform de bestemming is alleen dan toegestaan indien de bodemsaneringen zijn goedgekeurd door het College van Gedeputeerde Staten (Bijlage 1);
  • b. Met de bouw van een hoofdgebouw als bedoeld in lid 5.2.1 wordt pas gestart als de bodemsaneringen zijn goedgekeurd door het College van Gedeputeerde Staten (Bijlage 1).

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 3

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie - 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  • a. het behoud en de bescherming van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden;

met inachtneming van het volgende:

  • b. in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
6.2 Bouwregels
  • a. In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  • b. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 0,40 m beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m² hebben.
  • c. Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden:
  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de hierna in lid 6.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,40 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan.

6.3.2 Werken c.q. werkzaamheden

Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden:

  • a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
  • e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
6.3.3 Uitzonderingsregel

Het in lid 6.3.1 vervatte verbod geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

6.3.4 Omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

6.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Hoofdstuk 3 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Artikel 7 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het Kreken van Nibbeland te Zuidland.