direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Beneden Toldijk Hekelingen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om op het perceel tussen Toldijk 7 en Toldijk 7a, twee vrijstaande woningen te ontwikkelen. Het plangebied is ca. 2040 m2 groot. De twee vrijstaande woningen sluiten qua situering aan op de lintbebouwing op de Toldijk en zijn onderdeel van het stedenbouwkundig plan Heer&Meester.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de ontwikkeling. Op dit perceel rust momenteel de bestemming 'Verblijfsrecreatie - Volkstuinen' (bestemmingsplan Hekelingen). Dit maakt de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan nodig.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied bevindt zich ten zuiden, net buiten de landelijke kern Hekelingen (gemeente Nissewaard). Het perceel wordt aan de oostzijde begrensd door de Toldijk en aan de zuidzijde door de manege Willemshof. Het plangebied is gelegen in agrarisch gebied en maakt deel uit van de dijklintbebouwing aan de Toldijk en het stedenbouwkundig plan Heer&Meester.

In figuur 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0001.png"

Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (bron: Bingmaps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0002.png"

Figuur 1.2 Globale ligging plangebied (bron: Bingmaps)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Hekelingen' (1986). Dit is een verouderd bestemmingsplan, zie figuur 1.2.

De voorziene ontwikkeling past voor wat betreft gebruiks- en bouwmogelijkheden niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Voor de beoogde situatie moet een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden met de bestemming 'Wonen'. Het plangebied is onderdeel van het stedenbouwkundig plan Heer&Meester.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0003.png"

Figuur 1.3 Uitsnede bestemmingsplan (www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en wordt vervolgens ingegaan op de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 is de gewenste ontwikkeling getoetst aan het relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Vervolgens is in hoofdstuk 4 de toetsing van de gewenste ontwikkeling aan de relevante omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. Ten slotte is in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid nader toegelicht.

 

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

2.1.1 Plangebied en omgeving

Hekelingen is op korte afstand van de stedelijke voorzieningen van Spijkenisse gelegen. Hekelingen ligt nabij diverse parken en vooral ook dicht bij de natuur langs het Spui. Direct rondom het dorp liggen polders. Het woningaanbod in Hekelingen bestaat vooral uit eengezinswoningen, vrijstaand of half vrijstaand. Het plangebied is onderdeel van het stedenbouwkundig plan Heer&Meester. Het oostelijke deel van plan Heer&Meester is deels herontwikkeld tot Park Waterrijk. De kleine schaal van Hekelingen zorgt voor een klein voorzieningenaanbod. Het betreft enkele winkels voor de dagelijkse boodschappen, een restaurant en een dorpshuis.

Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Toldijk. Aan de noordzijde wordt de nieuwe woonwijk Park Waterrijk ontwikkeld.
Aan de zuidzijde van het perceel ligt manege Willemshof.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0004.png"

Figuur 2.1 Plangebied vogelvlucht (bron: Arcgis)

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0005.png"

Figuur 2.2: Plangebied begrenzing (bron: Arcgis)

2.2 Beoogde situatie

Op ruime kavels komen woningen langs de Toldijk, zodat de dijklintbebouwing wordt versterkt.
Bij het positioneren van de woningen is rekening gehouden met het patroon van naastgelegen percelen.

Op de kavels is voldoende ruimte voor een bijgebouw en om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien, zodat niet geparkeerd hoeft te worden in de openbare ruimte. Elke kavel heeft een eigen ontsluiting richting de Beneden Toldijk en via een voetgangersbrug richting manege de Willemshof.
De hoofdwatergang die het plangebied begrensd, wordt aan de zuidoost zijde verbreedt.

In figuur 2.3 is een globale tekening te zien van de beoogde situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0006.png"

Figuur 2.3 Beoogde situatie Beneden Toldijk, Hekelingen

2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

In heel Zuid-Holland, zowel in stedelijk als in landelijk gebied, zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, onder de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit behouden of versterkt wordt. In het gebiedsprofiel Voorne Putten zijn kwaliteitscriteria geformuleerd voor mooie, functionele en duurzame plannen. Het vormt een handreiking om ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de ruimtelijke planvorming en gaat vooral uit van ambitie. Het gebiedsprofiel geeft aan met welke kwaliteiten rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. In april 2016 is daarnaast het Werkboek ruimtelijke kwaliteit opgesteld waarin de provincie als inhoudelijk advies verder heeft uitgewerkt hoe ruimtelijke kwaliteit kan worden behouden en versterkt in een aantal werkstappen.

Toetsing aan het gebiedsprofiel Voorne Putten

Herkenbare open zeekleipolder

Het plangebied is aangeduid als nieuwe zeekleipolder. De maat en schaal van de nieuwe zeekleipolders verschillen. Aan de noordzijde van Voorne-Putten zijn de dijken vaak beplant en is er lintbebouwing. Door de omsluitende dijkstructuren en lege binnenruimtes ontstaan omkaderde gebieden. De zuidelijke nieuwe zeekleipolders zijn opener. De poldereenheden zijn groter, met minder bebouwing en beplanting.

Ambities

  • Behoud van het regelmatige grootschalige verkavelingspatroon in de polder.
  • Behouden van de openheid en uitgestrektheid van de polder.
  • Eventuele nieuwe ontwikkelingen doen geen afbreuk aan de openheid en de weidsheid van de polder.

Uitwerking in het bestemmingsplan

Deze kleinschalige ontwikkeling (toevoeging 2 woningen) aan de rand van de polder heeft vrijwel geen invloed op het verkavelingspatroon, de openheid en de uitgestrektheid van de polder. Het plangebied is onderdeel van het stedenbouwkundig plan Heer&Meester.

Weg door stad en land / Linten blijven linten

De Toldijk is aangeduid als dijkweg. De dijkwegen vormen de informele ontsluiting van het gebied. Het labyrintachtige karakter van het wegenstelsel zorgt voor een aantrekkelijke beleving van Voorne-Putten. De wegen over de dijken zijn vergroeid met het landschap en zijn vaak voorzien van beplanting. Hier en daar is er bebouwing aan de dijk aanwezig in de vorm van losse huizen of als lint. Tussendoor is er zicht over de polders.

Ambities

  • Behouden van het typerende profiel van de dijkweg: een smalle weg, grastalud (eventueel met beplanting) en een teensloot.
  • Behouden van het informele, lokale en labyrintachtige karakter van het stelsel van dijkwegen.
  • Geen grootschalige ontwikkelingen aan de dijkwegen koppelen; behouden van zicht over het landschap.
  • Eventuele nieuwe ontwikkelingen liggen als losse elementen aan de dijk, dus geen nieuwe lintbebouwing.
  • Dijkwegen als belangrijk onderdeel van de recreatieve routestructuur.

Uitwerking in het bestemmingsplan

Het aangeduide dijklint ligt buiten het plangebied. Binnen het plangebied wordt wel rekening gehouden met de ambities van het dijklint. Zo liggen de nieuwe woningen op voldoende afstand tot het dijklint en heeft de kleinschalige ontwikkeling (toevoegen van 2 woningen aan de rand van het dorp) vrijwel geen invloed op het karakter van de dijkweg, doordat de woningen als losse elementen 'aan de dijk' komen te liggen.

Kwaliteit stads- en dorpsrand

Een deel van het plangebied is aangeduid als Polderrand (zuid- westzijde). De uitstraling van de stads- en dorpsranden grenzend aan de polders, loopt uiteen. Soms zijn er zachte overgangen met een overlap van bebouwd gebied en agrarische polder; soms liggen bebouwing en polderland koud naast elkaar.
De stad inlopende wegen, dijkstructuren en dijklinten zorgen voor contact en uitwisseling met het omliggende landschap. Openbare groenvoorzieningen en boomgaarden versterken de diversiteit van de rand.

Ambities

  • Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen;
  • Het bebouwde gebied van stad of dorp heeft een heldere rand ten opzichte van de open polder;
  • Gestreefd wordt naar ‘zachte’ stads- en dorpsranden door bebouwing aan de rand laag te houden en ontwikkelingen goed landschappelijk in te passen.

Uitwerking in het bestemmingsplan

Het plangebied ligt langs de Toldijk tussen de nieuwe woonwijk Park Waterrijk, oostelijk deel Heer&Meester en bebouwing van manege het Willemshof. De twee woningen dragen bij aan een "zachte" dorpsrand.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, wordt onderzocht of deze niet in strijd is met de verschillende beleidskaders. In dit hoofdstuk is getoetst aan het nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Alle onderdelen van beleidskaders die betrekking hebben op ruimtelijke kwaliteit zijn nader uiteengezet in hoofdstuk 3.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Doelen

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Waarborgen kwaliteit leefomgeving

Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze ladder is een procesvereiste. Dit houdt in dat bij ruimtelijke besluiten moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.

Toetsing

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kent een dusdanig hoog abstractieniveau dat er geen directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma’s op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het gaat om kaders voor bijvoorbeeld rijksvaarwegen, het kustfundament, project Mainportontwikkeling Rotterdam en grote rivieren.

Toetsing

Het Barro kent geen concrete kaders, directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma’s die op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). De ladder is gewijzigd per 1 juli 2017. Vanaf dat moment moet voor alle stedelijke ontwikkelingen de behoefte worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling (onderdeel van het stedenbouwkundig plan Heer&Meester) voorziet in het toevoegen van 2 nieuwe woningen en betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Visie Ruimte en Mobiliteit (geconsolideerd, in werking per 19 januari 2018)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014 en meermaals (gedeeltelijk) herzien, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

In de VRM zijn voor ruimte en mobiliteit vier rode draden benoemd:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Wonen en werken

De woningmarkt is een voorraadmarkt. In een gedeelte van de vraag kan worden voorzien door (her)gebruik, vernieuwbouw, renovatie, verhuur en verkoop van de bestaande voorraad. In een deel van de behoefte aan eengezinswoningen kan bijvoorbeeld worden voorzien doordat woningen vrijkomen door verhuizing. De provincie verwacht van gemeenten dat zij met elkaar in regionale visies vanuit dat perspectief vertrekken. Dat wil zeggen dat inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden die de bestaande voorraad en doorstroming bieden, dat voorraad- en huisvestingsbeleid worden vastgesteld en dat daaruit volgende acties worden geformuleerd. Het bouwprogramma is het sluitstuk, dat volgt uit kwalitatieve en kwantitatieve behoefteramingen en uit de voorziene ontwikkeling van voorraad en de bewoning daarvan.

De provincie biedt de gemeenten hiervoor een referentiekader aan via woningmarktverkenningen. Voor de regio Voorne-Putten is tevens een specifieke woningmarktverkenning uitgevoerd (ABF Research, 25 april 2017). Woningbouw zal binnen de provincie Zuid-Holland voor het grootste deel plaats moeten vinden in de stedelijke agglomeratie (Rotterdam en andere grote steden). Het grootste deel van de woningbehoefte betreft woningen in een centrumstedelijk, buitencentrum- of centrumdorps milieu. Maar ook in andere milieus moet worden bijgebouwd. De provinciale kwantitatieve en kwalitatieve behoefteramingen, die eens per drie jaar worden geactualiseerd, vormen een referentiekader voor het gesprek tussen provincie en regio's over de actualisering van regionale woonvisies.

Niet alle vraag naar wonen en werken kan binnen het 'bestaand stads- en dorpsgebied'. Een deel van die vraag past qua omvang niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwalitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Ook kan de kwaliteit van de groene ruimte aanleiding zijn om een kwaliteitsverbetering te realiseren door middel van het toevoegen van stedelijke functies. Kortom: wonen en werken buiten het aangewezen 'bestaand stads- en dorpsgebied' is mogelijk en wenselijk om alle vraag op te kunnen vangen. Voor gebiedseigen ontwikkelingen, die de bestaande ruimtelijke kwaliteit in stand houden of verbeteren, beslist de gemeente voortaan zelf. Bij gebiedsvreemde ontwikkelingen blijft de provincie betrokken.

Toetsing

Het plangebied ligt buiten het 'bestaand stads- en dorpsgebied', zoals zichtbaar is in figuur 3.1. Dit leidt tot extra eisen vanuit de Verordening Ruimte en Mobiliteit, zie 3.3.2. De provincie heeft als visie dat wonen en werken buiten het aangewezen 'bestaand stads- en dorpsgebied' niet mogelijk is. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0007.png"

Figuur 3.1. Ligging plangebied ten opzichte van 'bestaand stedelijk- en dorpsgebied' (bron: Provincie Zuid-Holland)

3.3.2 Verordening ruimte 2014 (geconsolideerd, in werking per 11 april 2018)

In samenhang met de structuurvisie Ruimte en Mobiliteit is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.

Artikel 2.1.1, lid 1: Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Toetsing

Voor wonen geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf zeven woningen, sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ontwikkeling (onderdeel van stedenbouwkundig plan Heer&Meester) van twee woningen is dus niet Ladderplichtig.

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën

  • a. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op de kaart Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden.
  • b. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op de kaart Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit , kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

Toetsing

Lid 1: Er is sprake van aanpassen, omdat de ontwikkeling invulling geeft aan relevante richtpunten van de kwaliteitskaart ('Lint' en 'Stads- en dorpsranden'). De ruimtelijke kwaliteit per saldo zal ten minste gelijk blijven door een zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn niet nodig. Zie paragraaf 2.2.1 waarin de ruimtelijke kwaliteit nader wordt toegelicht.

Lid 2: Het plangebied ligt binnen beschermingscategorie 2. Maar voorziet niet in transformatie maar aanpassen. Voldaan wordt dus aan lid 2.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Verstedelijkingsprogramma, 'Dat spreken we af' (2014) en Woonvisie Voorne - Putten 2016-2020 (actualisatie 2017)

In 2010 zijn verstedelijkingsafspraken gemaakt met de regiogemeenten in de subregio Voorne-Putten, de regio Rotterdam en de Provincie Zuid-Holland. Deze zijn uitgewerkt, vernieuwd en vastgelegd in het verstedelijkingsprogramma 'Dat spreken we af' (2014) gemaakt over het bouwprogramma in de periode 2014-2020. In aanvulling op de woningmarktafspraken, die nog in hoofdzaak kwantitatief van aard zijn, wordt in de Woonvisie Voorne-Putten 2016 – 2020 (november 2015) ingespeeld op de bestaande en gewenste kwaliteiten van het woningaanbod, als ook de te verwachten bevolkingstransitie, zodat het toekomstig aanbod aan woningen zo veel mogelijk aansluit bij de huidige en toekomstige vraag van de inwoners.

Op basis van de huidige woningvoorraad, woonmilieus en de toekomstige vraag, is er vooral behoefte aan dorpse en landelijke woonmilieus. De dorpse toevoegingen vinden vooral plaats in de kleinere kernen of aan de rand van de grotere kernen. Dit is een gewild woonmilieu bij woningzoekenden waarbij wel het aanwezige voorzieningenniveau van de kleine kernen een aandachtspunt is.

Toetsing

Regio Voorne-Putten voorziet met het woningbouwprogramma 2015-2025 in woningen in het dorpse woonmilieu. Dit is een gewild woonmilieu bij woningzoekenden. Het planvoornemen sluit aan op het regionale beleid.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Woonvisie gemeente Nissewaard

Eén van de grootste uitdagingen voor de gemeente Nissewaard is de huidige inwoners te behouden. Tegelijkertijd is het van belang mensen van elders te verleiden zich in Nissewaard te vestigen. Om die ambities waar te maken, is een opwaardering van het woonaanbod en de woonomgeving nodig. De vraag naar suburbaan, dorps en landelijk wonen aan de rand van Rotterdam zal namelijk blijven. Veel mensen zullen ook in de toekomst in een rustige, veilige omgeving willen wonen, dicht bij de grootstedelijke gebieden van de Randstad, het haven-industrieelcomplex en voorzieningen, en het liefst in een huis met een tuin en een eigen parkeerplaats. In figuur 3.3 is een prognose te zien van de woningbehoefte in gemeente Nissewaard en Zuid-Holland. Deze laat zien dat vanaf 2024, de woningbehoefte binnen gemeente Nissewaard groter is dan het gemiddelde van Zuid-Holland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0008.png"

Figuur 3.3 Prognose Gemeente Nissewaard t.o.v. Zuid-Holland (bron: Woonvisie gemeente Nissewaard)

Om de ambities waar te maken, is een opwaardering van het woonaanbod en de woonomgeving nodig. Woonvormen met meer ruimte voor eigenheid, flexibiliteit en eigen initiatief zijn gewenst. Het gaat om bewoners die lagere lasten willen in ruil voor meer vrije tijd, een werkplek aan huis en belang hechten aan duurzaamheid en de kwaliteit van de buitenruimte. De openbare ruimte als sociale ontmoetingsplek en als ruimte voor recreatie zijn trends die de nieuwe woonwensen bepalen. Nieuwe ontwikkelingen moeten de tweedeling tussen stedelijk en dorps wonen overbruggen; ze moeten het open landschap, de kleine kernen en de stad op harmonieuze wijze met elkaar en de inwoners verbinden, met behoud van contrasten en variatie in woonmilieus. De gemeente Nissewaard heeft in een structuurkaart aangegeven welke woonmilieus op welke kernen van toepassing zijn. Hekelingen is hierin beschreven als dorps woonmilieu, zie figuur 3.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0009.png"

Figuur 3.4 Woonmilieus gemeente Nissewaard

Toetsing

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de toevoeging van 2 vrijstaande woningen in een groene omgeving. Hiermee wordt voldaan aan de kernwaarden voor de toekomst zoals opgenomen in de gemeentelijke woonvisie.

3.5.2 Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021

In het GRP is weergegeven hoe de gemeente haar rioleringstaak vorm wil geven. Het GRP betreft de beleidsmatige integratie van de wettelijke zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater.

De volgende speerpunten worden door de gemeente Nissewaard aangehouden:

• Lozen en beheer van aansluitleidingen

• Klimaatadaptatie

• Integraal programmeren

• Continueren beschermen van de volksgezondheid en het milieu

• De verantwoordelijkheden ten aanzien van grondwater

• Samenwerking in de afvalwaterketen Voorne Putten

Gemeente Nissewaard heeft daarbij beleid opgesteld voor het rioleringsstelsel voor zowel bestaande als nieuwe situaties, zie figuur 3.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0010.png"

Figuur 3.5 Rioleringsplan bestaande- en nieuwe situaties (bron: Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021)

Toetsing

De beoogde woningen zullen met het huishoudelijke afvalwater worden aangesloten op het drukrioleringssysteem. Hemelwaterafvoer mag hier niet op worden aangesloten.

3.5.3 Erfgoedverordening Nissewaard 2016

Op 9 november 2016 heeft de gemeenteraad van Nissewaard de Erfgoedverordening 2016 vastgesteld. Deze erfgoedverordening geeft inzicht in de wijze waarop gemeentelijke monumenten aangewezen worden en op welke wijze zij beschermd zijn. Ook zijn regels opgenomen ter bescherming van in de bodem aanwezig cultureel erfgoed.

Toetsing

In de Erfgoedverordening Nissewaard 2016 zijn de archeologische waardenkaart van de voormalige gemeente Spijkenisse en Bernisse geïntegreerd. In paragraaf 4.11 Archeologie en cultuurhistorie wordt nader in gegaan op de archeologische en cultuurhistorische waarde van het plangebied.

3.5.4 Welstandsnota Nissewaard 2017

De welstandsnota Nissewaard bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden, het zogenaamde beoordelingskader. In de welstandsnota staat beschreven aan welke kwaliteitscriteria een bouwwerk moet voldoen. De kwaliteitscriteria gaan over het uiterlijk en de verschijningsvorm van een gebouw. De gehele gemeente is opgedeeld in zogenaamde welstandsniveaus. Met de vastlegging van welstandsniveaus wordt aangegeven in welke gebieden in de gemeente meer regulering is gewenst en welke gebieden met een minder strenge toetsing afkunnen.

Toetsing

Het plangebied is grotendeels gelegen in een gebied aangewezen als "'zorgvuldig'', zie figuur 3.6. Het regime 'zorgvuldig' wordt toegepast in gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten en samenhang van belang zijn, maar die ook enige dynamiek kunnen verdragen. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is gericht op behoud, herstel of verbetering van de waardevolle (landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische) elementen en structuren, waardoor een extra inspanning dient te worden geleverd tot voordeel van de ruimtelijke kwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0011.png"

Figuur 3.6 Uitsnede kaart welstandsniveaus (bron: Welstandnota Nissewaard 2017).

Toetsing

Plangebied bevindt zich in zorgvuldig tot regulier welstandsniveau.

In de gebieden waar een zorgvuldige toetsing van kracht is wordt gevraagd om een zorgvuldige afstemming van nieuwe bouwkundige ingrepen om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke karakteristieken te behouden dan wel te versterken. Naast de basis toets wordt daarom gekeken naar aspecten die te maken hebben met de gevelaanzichten en de belangrijkste detaillering van het bouwwerk.

Gebieden die een regulier toetsingsniveau hebben, zijn gebieden die beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur of ingrepen in de architectuur zonder al te veel problemen kunnen verdragen. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel in relatie tot zijn omgeving. Bij de inrichting van het plangebied is reeds rekening gehouden met de nieuwe gebouwen in relatie tot de omgeving. De nieuwe bebouwing wordt op voldoende afstand tot de dijk gebouwd. Een nadere toetsing zal plaatsvinden bij het indienen van de omgevingsvergunning voor bouwen.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

3.6 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen het gestelde in het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan en er is geen wijzigingsbevoegdheid bij de betreffende bestemmingen opgenomen om de gewenste ontwikkeling te realiseren. Voor onderhavig plan dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Het beleid staat de uitvoering van deze ontwikkeling niet in de weg.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de onderzoeken met conclusies. Ten aanzien van de milieuaspecten is voor de toetsing van het plan uitgegaan van de maximale variant die planologisch mogelijk gemaakt wordt.

4.2 Bodem

Normstelling en beleid

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd.

Onderzoek en conclusie

Door IDDS is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 1). Het doel van deze onderzoeken was het vaststellen van de kwaliteit van de grond in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de locatie en het bepalen of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde ontwikkeling.

Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

  • In de grond zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen (puin e.d.) waargenomen.
  • Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • De bovengrond is licht verontreinigd met kobalt, PAK, heptachloorepoxide en chloordaan.
  • De ondergrond is licht verontreinigd met minerale olie.
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen.

Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden gehandhaafd. De gemeten waarden zijn dermate gering dat milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn in het kader van de beoogde bouwplannen en het bodemgebruik.

4.3 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van voorliggend plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Waterschap Hollandse Delta en de gemeente Nissewaard nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

Waterbeheerprogramma 2016 - 2021

Het huidige waterbeheer programma van het Waterschap Hollandse Delta is vanaf 2016 ingegaan. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren.

De strategie en het beleid van het Waterschap Hollandse Delta is gericht op:

  • het bieden van veiligheid tegen wateroverlast
  • veilige (vaar)wegen
  • voldoende en schoon oppervlaktewater

Daarnaast werkt het waterschap ook actief aan de ruimtelijke inbedding van "water", met oog voor ecologie en het landschap en dat water mee bepalend wordt voor de gewenste ruimtelijk economische ontwikkelingen.

Gemeentelijk beleid

In grote lijnen blijft de invulling van de gemeentelijke watertaken gelijk aan het niveau

van de afgelopen jaren. Op enkele onderdelen is dit aangescherpt of krijgt extra

aandacht:

• Lozen en beheer van aansluitleidingen

• Klimaatadaptatie

• Integraal programmeren

• Continueren beschermen van de volksgezondheid en het milieu

• De verantwoordelijkheden ten aanzien van grondwater

• Samenwerking in de afvalwaterketen Voorne Putten

Huidige situatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland.
Het plangebied wordt aan twee zijden begrensd door een sloot. Er bevindt zich geen verharding op het plangebied. Het plan is onderdeel van het stedenbouwkundig plan Heer&Meester, waarvoor een waterschapsvergunning is verleend.

Bodem en grondwater

Volgens de bodematlas van de provincie Zuid-Holland bestaat de bodem ter plaatse uit veengronden van rond de 1.00 meter dikte, met een kleidek van 30 cm. Er is sprake van grondwatertrap (lla). Dat wil zeggen dat de hoogste grondwaterstand zich boven de 25 cm beneden de maaiveldhoogte bevindt en de laagste tussen de 50 - 80 cm beneden het maaiveld.

Waterkwantiteit

Het plan maakt verbreding van de hoofdwatergang mogelijk. Ten zuiden van het plangebied is een primaire watergang gelegen. Het betreft een watergang met een beschermingszone die ook binnen het plangebied ligt. Binnen deze beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden.

Veiligheid en waterkeringen

Op circa. 450 meter van het plangebied ligt de Spui, een primaire watergang. De overschrijdingsfrequentie van deze dijk is 1: 3000 jaar, zie figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0012.png"

Figuur 4.1 Uitsnede primaire waterkeringen en waterveiligheid (bron: Nationaal Waterplan)

Plangebied ligt op circa. 450 meter gelegen van een primaire waterkering categorie A, zie figuur 4.2.

Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0013.png"

Figuur 4.2 Uitsnede waterkeringen (bron: Waterschap Hollandse Delta)

Watersysteemkwaliteit en ecologie

De primaire watergang (de Spui) ten zuiden van het projectgebied is niet aangewezen als Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichaam.

Afvalwaterketen en riolering

Naastgelegen woningen zijn aangesloten op een drukrioleringssysteem, zie figuur 4.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0014.png"

Figuur 4.3 Rioleringsstelsels Hekelingen (bron: Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021)

Toekomstige situatie

Toekomstige situatie voorziet in de ontwikkeling van twee vrijstaande woningen, met ruimte voor een bijgebouw op iedere kavel. De ontwikkeling is onderdeel van het stedenbouwkundige plan Heer&Meester.

Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden.

In de toekomstige situatie vindt een toename in verharding plaats van circa 356 m2. Verder zal een deel van de tuin en oprit verhard oppervlak worden. Dit blijft ruim onder de opgelegde marge en hoeft dus niet gecompenseerd te worden. Echter zal de watergang aan zuidwestelijke zijde wel verbreed worden.

De toekomstige woningen binnen het plangebied zullen worden aangesloten op het al bestaande drukrioleringssysteem. Voor de gehele ontwikkeling van het stedenbouwkundig plan Heer&Meester is een waterschapsvergunning afgegeven.

Conclusie

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.4 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Er is geen specifieke wetgeving met betrekking tot het aspect verkeer en vervoer. Wel wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid en parkeerbehoefte beschreven.

Voor de berekening van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de kencijfers van het CROW (publicatie 317: kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. De gemeente heeft een niet stedelijk karakter. Als parkeernorm hanteert de gemeente de gemiddelde kencijfers van het CROW. Voor de verkeersgeneratie worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd.

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied wordt ontsloten op de Toldijk. Beide kavels hebben een eigen ontsluiting. De Toldijk in noordelijke richting komt uit op Spijkenisse. De Toldijk in zuidelijke richting komt uit op de Aaldijk, langs het Spui. Hier is ook de Veerdienst richting Nieuw-Beijerland.

Langzaam verkeer

Bij beide ontsluitingen van het plangebied deelt zowel de fietser als voetganger de weg met het gemotoriseerde verkeer. In de aangelegen woonwijken zijn voetpaden aanwezig.

Openbaar vervoer

Dichtstbijzijnde bushalte ten opzichte van het plangebied bevindt zich op circa. 1,3 km. Vanaf deze halte rijden bussen richting Spijkenisse, Rozenburg en Brielle.

Parkeren

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0015.png"

Figuur 4.4 Parkeernormen CROW (bron: CROW publicatie 317)

Plangebied ligt in een niet stedelijk / weinig stedelijk buitengebied.

De parkeerbehoefte per woning bedraagt volgens de kencijfers van het CROW min 2,0 parkeerplaatsen per woning, zie figuur 4.4. Deze parkeerbehoefte wordt op eigen terrein voorzien. In de omgeving van het plangebied ligt geen parkeerdruk op het openbare gebied. Bezoekersparkeren kan in het openbare gebied worden voorzien.

Verkeersgeneratie en - afwikkeling

De nieuwe woningen hebben een verkeersgeneratie. Deze verkeersgeneratie is echter dusdanig beperkt dat het zal opgaan in het heersende verkeersbeeld van de Toldijk.

Conclusie

Plangebied is goed ontsloten. Er zijn geen belemmeringen die de toekomstige ontwikkelingen tegen kunnen gaan staan. De beoogde situatie draagt niet bij aan extra parkeerdruk in de openbare ruimte rondom het plangebied.

4.5 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.

Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In het Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 vrijstaande woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Toldijk (als maatgevende doorgaande weg ten oosten van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn 18,73 µg/m³ voor NO2, 17,42 µg/m³ voor PM10 en 10,41 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 7 dagen.

Conclusie

Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het projectgebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6 Wegverkeerslawaai

Normstelling en beleid

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/u-wegen. Binnen de geluidzone van een weg dient de geluidbelasting aan de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen aan wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk).

Binnen het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is wonen een geluidgevoelige functie.

Onderzoek en conclusie

De woningen zijn niet gelegen in de geluidzone van gezoneerde wegen. De woningen worden ontsloten op de Toldijk, wat een inrijdverbod heeft voor niet-bewoners. De verkeersintensiteit op deze weg is daarmee dermate beperkt dat het akoestisch leefklimaat ten gevolge van het wegverkeer goed is. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.7 Externe veiligheid

Normstelling en beleid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek

Uit de risicokaart blijkt dat binnen en in de directe omgeving van het projectgebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, zie figuur 4.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0016.png"

Figuur 4.5 Relevante bronnen Hekelingen (bron: Provincie Zuid-Holland)

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Onderzoek

Vanuit de haven van Rotterdam en diens bijbehorende industrie, lopen verschillende pijpleidingen het land in. In tabel 4.3 staan de pijpleidingen opgesomd die mogelijk relevant zijn voor het plangebied.

Tabel 4.3 Mogelijk relevante leidingstroken

Buisleiding
(omschrijving)  
Product   Diameter Leiding   Ontwerp druk   Belemmer-ingen
strook  
Risico-afstand (PR10-6)  
Petrochemical Pipeline Services   nafta   8 inch   80 bar   5 meter   12 meter  
Total opslag en pijpleiding Ned N.V.   olie   24 inch   60 bar   5 meter   24 meter  
Rotterdam-Rijn pijpleiding maatschappij N.V.   olie   36 inch   43 bar   5 meter   42,5 meter  
Rotterdam-Antwerpen pijpleiding   olie   34 inch   52 bar   5 meter   34 meter  

Voor het invloedsgebied van de leidingen wordt de grootste afstand bepaald door de Rotterdam-Antwerpen pijpleiding, waarbij het invloedsgebied op een afstand van 45 meter van de leiding ligt. Het invloedsgebied van de totale leidingstrook is in de structuurvisie buisleidingen van het ministerie van I&M bepaald op 70 meter.
Deze leidingstrook ligt op circa. 650 meter van het plangebied, zie figuur 4.6.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0017.png"

Figuur 4.6 Meest relevante leidingstrook ten opzichte van plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Conclusie

In de omgeving van het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig die van invloed zijn op de ontwikkeling. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering.

4.9 Bedrijven en milieuzonering

Normstelling en beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Onderzoek en conclusie

Manege Willemshof

Naastgelegen perceel ten zuiden van het plangebied is manege Willemshof.
De handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de VNG geeft indicatieve afstanden aan die aangehouden kunnen worden tussen woningen en bedrijven ter voorkoming van hinder. Voor paardenfokkerijen en voor maneges wordt voor het aspect geluidhinder een richtafstand van 30 meter aangegeven in de betreffende handreiking. Voor de bestaande woningen Toldijk 9 en 11 wordt voor de bestaande paardenhouderij niet voldaan aan deze richtafstand. Het betreft hier echter een bestaande situatie. Voor de overige woningen in de omgeving wordt (ruimschoots) voldaan aan de minimale afstand van 30 meter.


Mestopslag

In verband met geurhinder wordt tussen de opslag van mest en woningen in principe een afstand aangehouden van 100 meter. Deze afstand is vastgelegd in het Besluit algemene regels voor inrichtingen (activiteitenbesluit) Wet milieubeheer. Hoewel dit besluit niet van toepassing is op de manege Willemshof, aangezien het een vergunningsplichtig bedrijf betreft, kan deze afstand als richtlijn worden aangehouden. Het bouwvlak van de nieuwe woningen ligt op 100 meter afstand tot de mestopslag. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstand met betrekking tot geurhinder.

Grondverzet
Naast het paardenbedrijf voert de manege Willemshof ook op beperkte schaal grondverzetwerkzaamheden uit. De ruimte voor het grondverzetbedrijf is beperkt tot maximaal 500 m2. De betreffende loods wordt ook gebruikt ten behoeve van de paardenhouderij (boxen, opslag e.d.).

Op basis van de voorgenoemde handreiking Bedrijven en Milieuzonering wordt voor kleinschalige loonbedrijvigheid (waarmee hier aansluiting is gezocht) een richtafstand geadviseerd van 30 meter tot aan woningen. Dit in verband met mogelijke geluid- en geurhinder. Gezien de aard en de omvang van de activiteiten en het feit dat er in het verleden geen klachten zijn geweest wordt er ook voor de woningen op kortere afstand geen significante hinder verwacht.

4.10 Ecologie

Normstelling en beleid

Wet natuurbescherming

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;
  • en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • c. overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Plangebied ligt niet in een Natura-2000 gebied. Dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ligt op circa. 2,3 km, genaamd de Oude Maas. In zuidelijke richting van het plangebied ligt het Spui. Het water en de oevers zijn een belangrijk natuurnetwerk, zie figuur 4.7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0018.png"

Figuur 4.7 Natuurnetwerken nabij plangebied (bron: Provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

Op 17 oktober 2017 is een Quick scan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage 2). Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels het van belang is om werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Het plangebied bezit geen mogelijkheden voor vleermuizen om er te verblijven. Mogelijk vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid-Holland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen.

Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen van Beneden Toldijk te Hekelingen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Conclusie

Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

4.11 Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1 Archeologie

Toetsingskader

Rijksbeleid

De Wet op de archeologische monumentenzorg (een wijzigingswet van de Monumentenwet 1988) is het eindresultaat van de implementatie van het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse wetgeving. De wet bevat 3 belangrijke uitgangspunten:

  • het streven naar behoud in situ van archeologische waarden;
  • het tijdig betrekken van de archeologische waarden in de ruimtelijke ordening door het opnemen van harde juridische eisen in bestemmingsplannen;
  • de verstoorder betaalt voor het onderzoek en de documentatie van archeologische waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Regionaal beleid

Uit de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet in een zone ligt die van bijzondere archeologische waarde is.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Nissewaard heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld (vastgesteld in 2011), waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd.

Ook worden bestemmingsplannen voorzien van een archeologieparagraaf. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

Onderzoek

Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Nissewaard, blijkt dat het plangebied aangeduid staat als archeologisch waardevol, zie figuur 4.8. Een deel van het plangebied, gelegen aan de dijk, wordt aangeduid als gebied met een hoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m² en tevens dieper reiken dan respectievelijk 50 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Overig deel van het plangebied wordt aangemerkt als

gebied met een redelijk hoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m² en tevens dieper reiken dan respectievelijk 50 cm, 80 cm of 100 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.BPBENEDENTOLDIJK-3001_0019.png"

Figuur 4.8 Uitsnede archeologische waardenkaart (bron: gemeente Nissewaard)

In 2009 is reeds een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het BOOR heeft deze rapportage in het kader van dit plan beoordeeld, zie bijlage 3. Conclusie is dat het onderzoek in 2009 geen indicaties met goede zeggingskracht voor de aanwezigheid van archeologische waarden heeft opgeleverd. De kans dat bij de komende inrichting waardevolle archeologische waarden zullen worden aangetast wordt dan ook als zeer klein ingeschat. Beoogde ontwikkeling wordt dan ook uitvoer geacht.

Geadviseerd wordt wel de archeologische dubbelbestemming(en) van het gebiedsbestemmingsplan te handhaven. Dit in verband met eventueel meer ingrijpende plannen in de toekomst.

Conclusie

Het areaal van het plangebied kan worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkeling zonder verdere archeologische bemoeienis.

4.11.2 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Rijksbeleid

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Provinciaal beleid

Uit de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet in een zone ligt waar cultureel erfgoed aanwezig is.

Gemeentelijk beleid

Nissewaard kent 196 monumenten, waarvan 97 zijn aangewezen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (‘rijksmonumenten’). De andere 99 monumenten zijn aangewezen door het college van B&W van Nissewaard (‘gemeentelijke monumenten’).

De regelgeving met betrekking tot de rijksmonumenten is verwoord in de Erfgoedwet. De regelgeving m.b.t. de gemeentelijke monumenten is verwoord in de Erfgoedverordening Nissewaard 2016.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied ligt niet in een zone met bijzondere cultuurhistorische waarde.

4.12 Vormvrije-mer

Normstelling en beleid

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Per 7 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de oprichting van twee nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. In de huidige situatie zijn de gronden dus al bestemd voor woningbouw.

Bij de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in het bestemmingsplan is nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving.

De woningbouwlocatie heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. Te verwachten effecten hangen samen met de verkeersaantrekkende werking en mogelijk veranderingen in de waterhuishouding (toename verharding).

Plaats van het project

Het plangebied is gelegen binnen Hekelingen. Hekelingen is op korte afstand van Spijkenisse gelegen. Direct rondom het dorp liggen polders. Het woningaanbod in Hekelingen bestaat vooral uit eengezinswoningen, vrijstaand of half vrijstaand. De kleine schaal van Hekelingen zorgt voor een klein voorzieningenaanbod.

Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Toldijk. Aan de noordzijde wordt de nieuwe woonwijk Park Waterrijk ontwikkeld.
Aan de zuidzijde van het perceel ligt manege Willemshof.

Kenmerken van het project

Op twee ruime kavels worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd.
Bij het positioneren van de woningen is rekening gehouden met het patroon van naastgelegen percelen, zodat de dijklintbebouwing versterkt wordt.

Op de kavels is voldoende ruimte voor een bijgebouw en om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien, zodat niet geparkeerd hoeft te worden in de openbare ruimte. Elke kavel heeft een eigen ontsluiting.
De hoofdwatergang die het plangebied begrensd, wordt aan de zuidoost zijde verbreedt.

Kenmerken van de milieueffecten

Binnen de getoetste milieuaspecten vinden geen belemmeringen plaats ten aanzien van de realisatie van de nieuwbouw woningen. De realisatie van de woningen heeft ook geen negatieve uitstraling op de verschillende omgevingsaspecten. Ter plaatse van het hele projectgebied kan gesproken worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, kan worden geconcludeerd dat geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

 

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van I&M een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend.

De hoofdstukindeling bestaat uit:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.

Het bestemmingsplan is gedetailleerd van aard.

5.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen 

De in de regels gebruikte begrippen zijn hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.

5.3 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

In overeenkomst met omliggende plannen hebben de gronden tussen de nieuwe percelen en de ontsluiting de bestemming 'Groen'. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

Artikel 4 Tuin

De gronden tussen het bouwvlak en de bestemming 'Groen' hebben de bestemming 'Tuin'. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en parkeren bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Artikel 5 Verkeer

De Beneden Toldijk heeft de bestemming 'Verkeer'. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn met name bestemd voor wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook en fiets- en voetpaden en andere verhardingen en bermen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Artikel 6 Water

Aan de zuidoost- en westzijde is een watergang aanwezig. In overeenkomst met de omliggende plannen hebben deze gronden de bestemming 'Water'.

Artikel 7 Wonen

De bouwpercelen hebben de bestemming 'Wonen'. Op deze gronden zijn hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan binnen het bouwvlak. Per bouwvlak mag uitsluitend één vrijstaande woning worden gebouwd. De nokrichting is op de verbeelding weergegeven, net als de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte.

Artikel 10 Waterstaat - Waterstaatkundige functie

De duiker tussen 2 hoofdwatergangen is beschermd door middel van de dubbelbestemming Waterstaat - Waterstaatkundige functie. Dit betreft een hoofdwatergang.

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een bouwvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels

Deze algemene regels zijn van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Het betreft hier onder andere de overschrijding van bouwgrenzen. Ook is duidelijk vastgelegd hoe met ondergronds bouwen moet worden omgegaan.

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen bijvoorbeeld het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, het overschrijden van bebouwingsgrenzen, beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen én het oprichten van masten en antennes tot een bepaalde bouwhoogte.

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel zijn algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, het overschrijden van bebouwingsgrenzen en beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen mogelijk te maken.

Overige regels

In deze regels wordt bepaald dat waar naar wettelijke regelingen wordt verwezen, de regelingen bedoeld worden zoals bepaald op het moment van vaststelling van het plan. Ook is hier een parkeerregeling opgenomen.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht en Slotregel

De overgangsbepalingen zijn conform het Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het wettelijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het bestemmingsplan naar de benodigde overlegpartners gestuurd. In die periode zijn twee overlegreacties ingediend.

1. Waterschap Hollandse Delta

Reactie

De belangen van het waterschap zijn in het voorontwerpbestemmingsplan opgenomen. De waterstaatsbelangen zijn hierin voldoende gewaarborgd. Wij hebben dan ook geen opmerkingen op het voorontwerpbestemmingsplan en gaan akkoord met het wijzigen van het bestemmingsplan.

Tekstueel hebben wij echter wel een opmerking onder de paragraaf 'water'.

Antwoord

De tekstuele opmerking is aangepast in het bestemmingsplan. Hiermee is tegemoet gekomen aan deze inspraakreactie.

2. Archeologie Rotterdam BOOR

Reactie

Hetgeen wat over archeologie wordt gezegd in de toelichting is correct. Wij (Archeologie Rotterdam) adviseren echter altijd om de archeologische dubbelbestemming(en) van het gebiedsbestemmingsplan te handhaven. Dit in verband met eventueel meer ingrijpende plannen in de toekomst (archeologisch onderzoek dat is uitgevoerd reikt maar tot een aantal meters onder maaiveld) én om te voorkomen dat een bepaald grondgebied een lappendeken wordt met verschillende bestemmingen.

Antwoord

De dubbelbestemmingen zijn in de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan opgenomen. De tekst in de toelichting is aangevuld. Hiermee is tegemoet gekomen aan deze inspraakreactie.

6.1.2 Inspraak

Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis van Nissewaard van 31 mei tot 13 juli 2018. De procedure van afdeling 3.4 Awb is van toepassing. In deze periode is de gelegenheid geboden een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. Hieronder valt onder meer de bouw van een of meer woningen, alsmede de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. In het voorliggende bestemmingsplan wordt het realiseren van twee vrijstaande woningen beoogd.

Echter in de Wro is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke koopovereenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. Voor het onderhavige bestemmingsplan is gekozen voor een koopovereenkomst.

6.3 Handhaving

6.3.1 Inleiding

Handhaving van regelgeving vraagt om actuele regels. Regels die zijn gebaseerd op verouderde inzichten hebben hun geloofwaardigheid verloren en kunnen in redelijkheid niet meer worden afgedwongen. Door verouderde regels neemt de kans op misbruik daarvan toe. Door de actualisering van bestemmingsplannen worden actuele ruimtelijke kaders aangegeven en worden de grenzen bepaald waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. De regels van het bestemmingsplan leggen een ruimtelijk relevante norm vast, met daaraan gekoppelde afwijkingsmogelijkheden, die het bestuur de mogelijkheid geven in te spelen op de dynamiek van de samenleving. Op die wijze wordt de gelegenheid geboden een belangenafweging te maken van individuele belangen ten opzichte van het algemeen belang.

De term handhaving wordt vaak eng uitgelegd als uitsluitend het toepassen van sancties achteraf, zoals bestuursdwang en dwangsommen. Dit wordt de repressieve vorm van handhaving genoemd. Handhaving bestaat echter ook uit het stellen van normen, het geven van voorlichting en het houden van toezicht op een goede uitvoering. Dit is de preventieve invalshoek. In de meest optimale situatie zou sanctionering niet nodig moeten zijn.

Handhaving van bestemmingsplannen en ruimtelijke regelgeving is de laatste jaren steeds meer in de belangstelling komen te staan van bestuurlijk Nederland. Dankzij enkele ingrijpende incidenten is de handhaving in een stroomversnelling gekomen. In toenemende mate spreken burgers de gemeente aan op het handhaven van de (eigen) regels. Ook in de jurisprudentie is een verandering tot stand gekomen. De rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over het handhaven van de regelgeving en neemt zelfs in beginsel een plicht tot handhaving aan. Daarnaast krijgt de rechtszekerheid van bestemmingsplannen bij de rechterlijke toetsing een steeds belangrijkere rol.

6.3.2 Handhavingsbeleid

Algemeen

Binnen de gemeente Nissewaard bestaat de uitdrukkelijke wens om concreet werk te maken van de handhaving en te komen tot een beleidsmatige aanpak. Tot nu toe wordt handhaving niet binnen een structuur toegepast, maar wordt veelal ingespeeld op incidenten en excessen en wordt er gereageerd naar aanleiding van klachten. Het handhavingsbeleid zal zich moeten ontwikkelen tot het vastleggen van een structuur, waarbinnen van tevoren door het bestuur vastgelegde doelen nagestreefd worden. In principe dient tegen alle geconstateerde overtredingen te worden opgetreden. Het vaststellen van prioriteiten is echter onvermijdelijk.

Als belangrijke handhavingsdoelen kunnen worden genoemd: het tegengaan van het bouwen zonder omgevingsvergunning, waarbij legalisatie achteraf niet mogelijk is en het optreden in gevallen waar sprake is van een grove afwijking van reeds verleende (omgevings)vergunningen.

Ook in de gevallen waar de veiligheid in het geding is en/of aantasting van het milieu plaatsvindt, dient prioriteit te worden gegeven aan de handhaving. Het tegengaan van strijdig gebruik van gronden en/of gebouwen is eveneens een belangrijke doelstelling. Als nevengeschikte doelen van de handhaving kunnen worden genoemd: het ongedaan maken van de gevolgen van een overtreding of een daarmee behaald voordeel en het straffen van de overtreder. Het actualiseren van bestemmingsplannen is op zichzelf reeds een vorm van handhaving. Zoals hiervoor al is aangegeven, is handhaving namelijk niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders, maar ook voor een belangrijk deel het maken van heldere en hanteerbare regels en het verschaffen van inzicht daarin, zodat eenieder het vanzelfsprekend acht zich aan de gestelde norm te houden.

Bijzondere aandacht dient besteed te worden aan zogenaamde 'oude' gevallen. Bij de opstelling van bestemmingsplannen dient nagegaan te worden welke situaties uitdrukkelijk gehandhaafd moeten worden, welke zaken onder de werking van het overgangsrecht kunnen worden gebracht en welke zaken positief bestemd kunnen worden. In het kader van de actualisering van het bestemmingsplan wordt hier daarom uitdrukkelijk bij stil gestaan. Zo nodig zal wraking van de illegale situatie plaats moeten vinden, zodat in principe handhaving mogelijk blijft.

Gestructureerd toezicht

De afgelopen jaren heeft handhaving van het ruimtelijk beleid veelal plaatsgevonden op basis van het piepsysteem en toevallige controle. De doelstelling binnen de gemeente Nissewaard is om te komen tot een integrale structurele vorm van toezicht en opsporing. Daartoe is een concept beleidsplan handhaving omgevingsrecht opgesteld.

Uitvoering

Daar waar een overtreding wordt geconstateerd en legalisatie niet mogelijk is, moet in eerste instantie toepassing worden gegeven aan de bestuursrechterlijke handhaving. Het proces van bestuursrechtelijke handhaving wordt vastgelegd in een stappenplan, waarin de verschillende stadia van de besluitvorming en procedures tot uitdrukking komen. Naast de bestuursrechtelijke mogelijkheden van handhaving wordt een duidelijke taak gezien voor de strafrechtelijke handhaving. In die zin biedt de aankondiging dat een overtreding van het bestemmingsplan tevens een overtreding is op grond van de Wet Economische Delicten, perspectief. De uitvoering en voortgang van de handhaving kan jaarlijks worden vastgelegd in een verslag, dat bestuurlijk dient te worden vastgesteld.