direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Molenlaan 42A Sommelsdijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Ten westen van Sommelsdijk ligt tussen de Oudelandsedijk en het voet- en fietspad in het verlengde van de Rozenlaan een gebied met cultuurhistorische betekenis voor Sommelsdijk. Vroeger vond in dit gebied kleinschalige landbouwactiviteiten plaats in de vorm van tuinbouw, fruitteelt en boomkwekerijen. De inrichting van het gebied herinnert zich aan het vroegere gebruik. Veel nutstuinen, restanten van vroegere boomgaarden en boomkwekerijen bieden een gevarieerd beeld van verschillende soorten groen, hoge en lage begroeiing, openheid en beslotenheid. Tegenwoordig fungeert het gebied als tuin van het dorp waarin wordt gewandeld, getuinierd, gesport en gewoond.

De gemeente heeft als doel het karakter van het gebied te behouden alsook het gebruik van dit gebied als dorpstuin. Het karakteristieke, afwisselende, groene karakter van het gebied wil de gemeente behouden en versterken met nieuwe groen- en waterlementen. Maar ook door beeldverstorende bebouwing af te breken en groen te verwijderen, in ruil voor het realiseren van gebiedseigen groenvoorzieningen en gebouwtypen (rood voor rood en groen voor groen). Kleinschalige gebiedsontwikkeling wordt ingezet om, stap voor stap, de landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West te versterken.

Eén van de locaties waar een kwaliteitsverbetering gewenst is en woningbouw mogelijk is, is het perceel Molenlaan 42A. Als voorwaarde moet alle bebouwing gesloopt worden, inmiddels is dat gebeurd, en is het toevoegen van één vrijstaande woning mogelijk. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bouw van één vrijstaande woning op het perceel mogelijk gemaakt.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de westzijde van Sommelsdijk en betreft het perceel Molenlaan 42A. Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen binnen de kadastrale gemeente SMD00, sectie B:

  • 2987
  • 2988
  • 2989
  • 2990
  • 6129

Het plangebied heeft een oppervlakte van 3.495 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0001.png"

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: www.zeeland.nl, bewerking Juust BV)

1.3 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Het project

2.1 Beschrijving project

2.1.1 Huidige situatie

Sommelsdijk West
Het perceel is gelegen in een cultuurhistorsich waardevol gebied voor Sommelsdijk. De inrichting van het gebied herinnert aan het vroegere gebruik als kleinschalig landbouwgebied waar ook tuinbouw, fruitteelt en boomkwekerijen aanwezig waren. De huidige nutstuinen en restanten van vroegere boomgaarden en boomkwekerijen bieden een gevarieerd beeld van verschillende soorten groen, hoge en lage begroeiing, openheid en beslotenheid.

Momenteel fungeert het gebied als tuin van het dorp. Een tuin waarin wordt gewandeld over de besloten groene Molenlaan, over de Molenweg met een weids zicht op de bebouwde dorpsrand, over de paden tussen de nutstuinen door, langs de kreek en over de begraafplaats. Ook wordt in het gebied gesp ort op het veld ten noorden van de begraafplaats. Verspreid in het gebied zijn er woningen aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0002.png"

Afbeelding 2 | Ligging in groter verband. Plangebied is aangeduid als 1A (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

Molenlaan 42A
Het plangebied bestond deels uit weiland waar hobbymatig dieren werden geweid en deels uit moestuin. Nu is het gebied grotendeels braakliggend. Bij de oprit aan de Molenlaan staan enkele bomen. Op het perceel was diverse bebouwing aanwezig in de vorm van schuurtjes. Deze bebouwing is reeds gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0004.png"

Afbeelding 3 en 4 | Huidige situatie plangebied, gezien vanaf de Molenlaan (bron: Streetsmart )

2.1.2 Toekomstige situatie

Stedenbouwkundig kader
Voor het perceel is in opdracht van de gemeente door Dorp, Stad & Land een stedenbouwkundig kader opgesteld. Het document is als Bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. De gemeente heeft als doel het karakter van het gebied te behouden als ook het gebruik van dit gebied als dorpstuin. Het karakteristieke, afwisselende en groene karakter van het gebied wil de gemeente behouden en versterken met nieuwe groen- en waterelementen, die de structuur van het gebied versterken. Maar ook door beeldverstorende bebouwing af te breken en groen te verwijderen, in ruil voor het realiseren van gebiedseigen groenvoorzieningen en gebouwtypen (rood voor rood en groen voor groen).

Voor de toekomst wil de gemeente het groene beeld in stand houden en waar mogelijk versterken vanaf zowel de Molenweg als de Molenlaan. De hoofdopzet bestaat uit een verdeling van open 'hoven' en besloten 'kamers'. De nieuw te ontwikkelen percelen worden, net zoals bestaande percelen onderverdeeld in hoven en kamers. Het hof bestaat uit een erf omgeving door lage hagen en/of 'boeren/ hekken. Een kamer bestaat uit een erf omgeven door hoog opgaande beplanting met onderbeplanting. In de hoven of kamers kunnen één of meerder woningen worden gebouwd.
De nieuwe bebouwing op de percelen refereert in vorm, kleur, materialisering en detaillering aan de karakteristieke schuren in Sommelsdijk West. Bebouwing langs de Molenweg refereert ofwel aan de schuren ofwel aan een eenvoudige boerenwoning. De inrichting en de erfafscheidingen van de ontwikkellocaties passen naadloos bij de kleinschalige informele inrichting van de percelen in de omgeving.

Voor de ontwikkeling gelden voorts de volgende uitgangspunten:

  • Aanleggen van een hoge gemengde haag op de zijdelingse perceelsgrenzen.
  • Aanleggen van een haag in hetzelfde sortiment als andere hagen langs de Molenlaan met een hoogte van minimaal 1,5 meter.
  • Afstand van de bebouwing tot aan de noordelijke perceelsgrens aan de Molenlaan van minimaal 20 meter en afstand van de bebouwing tot aan de zuidelijke perceelsgrens van minimaal 12 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0005.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0006.png"

Afbeelding 5 | Stedenbouwkundige opzet deelgebied 1A (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

Bovenstaande afbeelding is afkomstig uit het stedenbouwkundig kader van 9 maart 2020. Dit stedenbouwkundig heeft ter inzage gelegen. Momenteel wordt gewerkt aan de vaststelling van dit kader. Vooruitlopend op deze vaststelling is door de gemeente aangegeven, dat het hoofdgebouw ook op het zuidelijke deel van het perceel gebouwd mag worden. Daarmee is het onderscheid 'bouwvlak hoofdgebouwen op perceel' en 'bouwvlak bijgebouwen op perceel' komen te vervallen. Dit is dan ook niet doorvertaald in de regels en op de verbeelding.

Voor het volume van het hoofdgebouw gelden twee ontwerpvarianten. Deze zijn hieronder schematisch afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0007.png"

Afbeelding 6 | Stedenbouwkundige randvoorwaarden hoofdgebouw (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

2.2 Juridische regeling

2.2.1 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Sommelsdijk' van de gemeente Goeree-Overflakkee. Dit bestemmingsplan is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Recreatie - Paardenweide'. Binnen deze bestemming zijn paardenweiden, paden en dagrecreatieve voorzieningen toegestaan. De gezamenlijke grondoppervlakte van gebouwen per perceel mag ten hoogste 30 m2 zijn. Ter plaatse van het plangebied geldt ook een wijzigingsbevoegdheid. Met deze wijzigingsbevoegdheid zijn burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen in de bestemming Wonen ten behoeve van de realisatie van één woning. In deze wijzigingsbevoegdheid zijn diverse randvoorwaarden opgenomen (zoals het bouwen van de woning op een afstand van minimaal 90 meter vanaf de Molenlaan, een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale inhoud van 650 m3). Deze stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn met het Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk (d.d. 9 maart 2020) herzien en daarom niet meer van toepassing en niet meer wenselijk. Er wordt daarom geen gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid en is er gekozen voor het vaststellen van een zelfstandig bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0008.png"

Afbeelding 7 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)

2.2.2 Planuitwerking

2.2.3 Juridische planbeschrijving

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding

De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

Regels

Algemeen

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

Wonen
Het gehele perceel heeft een woonbestemming. Binnen de woonbestemming is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen het hoofdgebouw en de erfbebouwing (aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen) gebouwd dienen te worden. Voor het hoofdgebouw geldt een maximaal bebouwingspercentage van 25% van het perceel. Voor de erfbebouwing bedraagt het bebouwingspercentage 6%. De onderstaande stedenbouwkundige randvoorwaarden ten aanzien van de bouwvolumes (hoogte, breedte en diepte van de gebouwen) zijn vertaald in de regels. Voor de bouwvolumes zijn twee opties: of een kleinere grondoppervlakte met een hogere bouw- en goothoogte of een grotere grondoppervlakte met een lagere goot- en bouwhoogte. Hieronder zijn de opties schematisch weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0009.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1924.SMDmolenlaan42a-BP30_0010.png"

Afbeelding 8 | stedenbouwkundige uitgangspunten bebouwing (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers. Daarnaast zijn regels ten aanzien van ondergronds bouwen opgenomen.

Algemene gebruiksregels 
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.

Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

Overige regels
In deze regels zijn regels opgenomen ten behoeve van voldoende parkeergelegenheid.

Overgangs- en slotregels

In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

 

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.

Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd.

De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. In dit geval is er sprake van de ontwikkeling van één woning en daarmee is het dus niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder kan derhalve achterwege blijven.

Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het project is lokaal en kleinschalig.

Nationale Omgevingsvisie (Ontwerp)

Gemeenten, provincies en het Rijk worden verplicht om een omgevingsvisie op te stellen vanuit de nieuwe Omgevingswet. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Het ontwerp van de NOVI is in juni 2019 verschenen. De NOVI kent ondermeer de volgende vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het beleid uit de NOVI bevat geen specifieke zaken die betrekking hebben op de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland
In de 'Omgevingsvisie Zuid-Holland' en 'Omgevingsverordening Zuid-Holland' beschrijft de provincie Zuid-Holland haar doelstellingen en provinciale belangen. Met het omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkeling en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie zet in de Omgevingsvisie in op veel thema`s welke niet allemaal relevant zijn in het kader van dit bestemmingsplan. De volgende thema`s zijn relevant:

Verstedelijking en wonen
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over woningen zo te bouwen, in samenhang met investeringen in infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving dat dit bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Woningbouw als de enige of primaire oplossing voor de sociaal-economische vitaliteit is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijn strategie.

Conform het woningbouwprogramma (zie paragraaf 3.3) is er een kwalitatieve opgave in het duurdere koopsegment (grondgebonden woningen vanaf € 250.000,-). Het plan voorziet hierin.

Kwaliteitskaart
In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Op het gebied van wonen zet de provincie in op voldoende (bouwen naar behoefte) en passende woningen voor verschillende doelgroepen, bij voorkeur naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied. In het kader van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid wordt getoetst aan de kwaliteitskaart. Deze bestaat uit een viertal lagen met bijbehorende richtpunten. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt de ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving.

Laag 1 - De ondergrond

Rivierdeltacomplex
Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden.

Jonge zeeklei
De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.

Richtpunt:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Bijzonder reliëf en aardkundige waarden
Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand.

De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap.

Richtpunten:

  • Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.
  • Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Laag 2 - De cultuur- en natuurlandschappen

Zeekleipolderlandschap

Zeekleipolders
Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken.

De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf.

Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken.

Richtpunten:

Zeekleipolders algemeen:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen.
  • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.
  • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder.
  • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap.
  • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.
  • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.

Rivierdeltalandschappen

Eilanden en (voormalige) zeearmen

Een aantal Zuid-Hollandse eilanden kent nog steeds een eilandkarakter: omlijst door deltawateren met beperkte verbindingen met de andere eilanden of het vasteland. Ze zijn gelegen in de luwte van de Randstad en vormen landschappelijk een geheel met Zeeland. IJsselmonde en het Eiland van Dordrecht zijn daarentegen meer onderdeel van het stedelijk netwerk.

De drie eilanden Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard en Voorne-Putten hebben elk een eigen karakter. Dit karakter wordt mede gevormd door de verschillen in afstand tot en de verbinding met het stedelijk gebied, de landschappelijke opbouw van de eilanden zelf en de aard van het omringende water. Versterken van het deltakarakter en vergroten van de diversiteit van karakters van de eilanden draagt bij aan het behoud van diversiteit in de Delta. Een opgave is het om de recreatieve gebruikswaarde van de eilanden te vergroten in combinatie met een gebiedsspecifieke, in de omgeving passende inrichting. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren.

Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in Voorne-Putten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden.

Laag 3 - De stedelijke occupatie

Stads- en dorpsranden
De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit waarbij onderscheid wordt gemaakt in front, contact en overlap.

  • 1. De kwaliteit van het front (contrast)
    Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap. De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’.
  • 2. Contactkwaliteit
    Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.
  • 3. De kwaliteit in de overlap
    Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes.

Richtpunt

  • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Laag 4- Laag van de beleving
Deze laag is niet van toepassing op de onderhavige locatie.

Gebiedsprofiel
In het gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee zijn de volgende ambities opgenomen ten aanzien van de dorpsrand aan het open polderlandschap:

  • Er wordt ingezet op het contrast tussen kleinschalige compacte dorpen en het weidse polderlandschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan een heldere landschappelijke afronding van het dorp.
  • Er wordt rekening gehouden met landschappelijk waardevolle elementen zoals dijken en kreken. Deze structuren lopen in het dorpsgebied door.
  • De dorpen liggen als groene massa’s in het open polderlandschap. Dit betekent dat de dorpsrand groen wordt ingericht. Dit kan zowel door private tuinen, als door openbaar groen of een beplante dorpstraat. Deze afwisseling is belangrijk, want dit draagt bij aan het dorpse karakter.
  • De toegankelijkheid en beleefbaarheid van de dorpsrand verbeteren door fysieke en visuele relaties te handhaven dan wel te versterken. Daarnaast is het belangrijk dat de dorpsrand gebruikswaarde en betekenis heeft voor de bewoners. Hierbij kan gedacht worden aan een kinderboerderij, een dorpsbosje, maar ook aan waterberging.
  • De inrichting van de dorpsrand, met name rond de dorpsentree, draagt bij aan de oriëntatie van bewoners en recreanten. Dit betekent bijvoorbeeld dat hogere bebouwing zorgvuldig, met inachtneming van de andere ambities en in relatie tot het dorp als geheel ingepast moet worden.
  • Nieuwe ontsluitingswegen in samenhang met landschap en het dorp ontwerpen. Hierbij worden grotere infrastructurele werken vermeden, zodat het dorp niet afgesneden raakt van het aanliggend landschap.

 

Het plangebied ligt binnen het gebied dat is aangewezen als bestaand stads- en dorpsgebied. Op basis van het geldende bestemmingsplan was de bouw van een woning reeds mogelijk op basis van een wijzigingsbevoegdheid. Door eisen te stellen aan de stedenbouwkundige opzet en uitstraling van de nieuwe bebouwing wordt de landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West versterkt. Er wordt voldaan aan de kwaliteitskaart. De visie op Sommelsdijk West sluit aan bij het uitgangspunt 'de kwaliteit in de overlap' van stads- en dorpsranden in de laag van de stedelijke occupatie.

Provinciaal beleid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

3.3 Gemeentelijk beleid

Regionale structuurvisie Goeree - Overflakkee
Op 26 oktober 2017 heeft de gemeente Goeree-Overflakkee de herziening op de regionale structuurvisie Goeree-Overflakkee vastgesteld met als titel 'Vitaal belevingseiland in de Delta'. In deze structuurvisie is beleid opgenomen voor het thema wonen. De gemeente heeft als doel meer variatie aan te bieden en specifieke woonmilieus en woningtypen die een aanvulling zijn op het bestaande aanbod. De gemeente verwacht van initiatiefnemers dat nieuwe woningen iets toevoegen aan het bestaande en voorzien in woningtypes en woonmilieus die er nog niet zijn. De gemeente heeft voor nieuwe initiatieven een zestal basisprincipes opgesteld. Eén daarvan is 'overgangskwaliteit dorpsrand'. Ontwikkelingen aan de dorpsrand moeten bijdragen aan het realiseren van een rand met overgangskwaliteit.

Onderhavig plan voorziet in het toevoegen van een woning in een specifiek woonmilieu, namelijk Sommelsdijk West. Dit gebied fungeert als tuin van het dorp. Het toevoegen van een zeer bescheiden hoeveelheid bebouwing is onderdeel van de gebiedsontwikkeling om de landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West te versterken.

De ontwikkeling past binnen de beleidsdoelen van de structuurvisie.

Eilandvisie Goeree-Overflakkee
Op 12 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee de toekomstvisie voor de gemeente vastgesteld. Centraal in de visie staan behoud en versterking van de leefbaarheid en van de identiteit van het eiland, de eilanditeit. De visie schetst Goeree-Overflakkee als eiland van rust en ruimte waar mensen naar volle tevredenheid wonen werken en recreëren. Vanuit de visie zijn zes strategische kernthema's geformuleerd als de leidraad voor de toekomst. Deze thema's hebben elk een toetsvraag. Deze kernthema's fungeren als zeef voor alle beleidsplannen, beleidsvoornemens en initiatieven, zodat toekomstige plannen altijd binnen de Eilandvisie vallen.

  • a. De eilanditeit, het behoud van de unieke identiteit van het eiland
    Toetsvraag: Past het voorstel of plan bij onze identiteit?
  • b. De maatschappelijke balans, de versterking van de sociaaleconomische vitaliteit en het behoud van een voldoende zorg- en voorzieningenniveau.
    Toetsvraag: Draagt het voorstel of plan bij aan de sociale structuur op ons eiland?
  • c. De kwaliteit, van leven en van groei.
    Toetsvraag: Heeft het voorstel of plan het hoogst haalbare en betaalbare kwaliteitsniveau?
  • d. Duurzaamheid, Goeree-Overflakkee kan en wil het meest duurzame eiland worden.
    Toetsvraag: is het plan of voorstel duurzaam en levert het daarmee een bijdrage aan de ambities van Energy Island?
  • e. Innovatie, de vestigingsvoorwaarde voor bedrijven en onderwijs en dus als bron voor werkgelegenheid.
    Toetsvraag: Is het plan of voorstel zo innovatief dat we het kunnen uitdragen en het uiteindelijk ook banen oplevert?
  • f. Verbindingen, de versterking daarvan op het eiland en met de metropolen Rotterdam en Antwerpen, zowel sociaal, fysiek als digitaal.
    Toetsvraag: Verbindt het plan of voorstel mensen op het eiland met elkaar of verbindt het ons eiland met de (stedelijke) omgevingen?

Met het plan wordt de unieke identiteit van Sommelsdijk West behouden en versterkt door de bouw van een woning in een opzet die past bij de karakteristieke kenmerken van het gebied. Sommelsdijk West draagt bij aan de sociale structuur van Sommelsdijk, omdat het fungeert als tuin van het dorp. Door kwaliteitsverbetering in het gebied, wordt deze functie versterkt. Het plan voldoet aan het specifiek voor dit deelgebied opgestelde stedenbouwkundige kader en heeft daarmee het hoogst haalbare kwaliteitsniveau. Het plan levert geen bijdrage aan de ambities van Energy Island en is niet innovatief, maar doet hieraan ook geen afbreuk. Met het plan vindt er een landschappelijke kwaliteitsverbetering plaats van "de tuin van Sommelsdijk". Daarmee kan het indirect mensen met elkaar verbinden, omdat het voor bewoners van Sommelsdijk aantrekkelijker wordt om het gebied te gebruiken voor ontspanning en recreatie.

Woonvisie 2018-2024
Op 7 november 2017 heeft de gemeente Goeree-Overflakkee haar woonvisie 2018-2024 vastgesteld. De woonvisie is een belangrijke basis voor de gemeentelijke beleidsuitvoering. Belangrijke thema`s zijn betaalbaarheid van woningen, wonen met zorg en duurzaamheid. De volgende onderwerpen spelen een grote rol bij de woonvisie:

  • Goeree-Overflakkee is een aantrekkelijk eiland om te wonen. De regionale visie Smart Water geeft Goeree-Overflakkee een duidelijke focus voor de ontwikkeling en het stimuleren van de lokale economie.
  • De groei van de bevolking en de daling na 2030.
  • De vergrijzing en ontgroening en de daarbij horende uitdagingen voor het leefbaar en vitaal houden van de kernen.
  • Het passend wonen voor de meest kwetsbare inwoners van Goeree-Overflakkee.
  • De verduurzaming van de woningvoorraad.

Volgens het WoON-onderzoek (onderzoek van de Rijksoverheid naar woonwensen) is er onder andere behoefte aan woningen in het duurdere koopsegment (vanaf € 250.000,-). Dan gaat het om tweekappers en vrijstaande woningen. Kwalitatief zet de gemeente primair in op realisatie van nieuwe kwaliteiten die nu nog niet of onvoldoende in de gemeente Goeree-Overflakkee aanwezig zijn. Dit zijn onder andere woningen die een specifieke kwaliteit toevoegen aan het eiland, zoals variatie op een locatie (diverse woningtypen, financieringscategorieën en prijsklassen), collectieve woonvormen, nul-op-de-meterwoningen of andere innovatieve duurzaamheidsconcepten. De prioriteitsvolgorde is als volgt: projecten waarin rotte plekken worden opgeruimd, transformatielocaties, uitbreidingslocaties.

Op de locatie is detonerende bebouwing reeds gesloopt en vindt er kwaliteitsverbetering plaats. Daarmee wordt met de bouw van de woning (die voldoet aan een stedenbouwkundig kader passend bij de locatie) een specifieke kwaliteit toegevoegd.

Onderhavig plan past daarmee binnen het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.
Op basis van de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Goeree-Overflakkee zijn ter plaatse van het plangebied geen archeologische verwachtingswaarden. Een archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering om het plan mogelijk te maken.

Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.

Het plangebied ligt in een gebied wat een grote cultuurhistorische betekenis heeft voor Sommelsdijk. In het gebied vonden vroeger de typische Sommelsdijkse landbouwactiviteiten plaats zoals tuinbouw, fruitteelt, boomkwekerijen en het houden van kleinvee.

De gemeente heeft als doel het karakter van het gebied te behouden als ook het gebruik van dit gebied als dorpstuin. De gemeente wil het karakteristieke, afwisselende, groene karakter van het gebied behouden en versterken met nieuwe groen- en waterelementen. De structuur van het gebied moet versterkt worden door gebiedseigen groenvoorzieningen en gebouwtypen toe te voegen. Het toevoegen van een zeer bescheiden hoeveelheid bebouwing is onderdeel van de gebiedsontwikkeling omdat er vanuit het gebied steeds meer vragen komen naar ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom is voor het deelgebied een stedenbouwkundig kader opgesteld. Dit kader houdt rekening met de cultuurhistorische aspecten in het gebied. Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering om het plan mogelijk te maken.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies gelegen die relevant zijn in het kader van bedrijven en milieuzonering. Door de verscheidenheid aan functies, zoals onderwijs, kleinschalige bedrijvigheid, volkstuinen en een begraafplaats, is er sprake van matige functiemenging. Het gebied is daarmee aan te merken als een gemengd gebied (in plaats van een rustige woonwijk).

Aan de zuidoostzijde van het plangebied is een bedrijf gevestigd dat zich richt op het restaureren van antieke meubels. Daarnaast is het bedrijf een groothandel voor houtbewerkingsmaterialen. Voor een dergelijk bedrijf geldt volgens de richtlijnen, zoals opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. Aan deze afstand wordt voldaan. Het maatgevende aspect betreft geluid. Op het bedrijfsperceel is een grote nieuwe loods aanwezig. Deze loods is op een afstand van circa 27 meter van de grens van het woonperceel gelegen en nog verder van het hoofdgebouw van de woning. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het restaureren van antieke meubels. Deze werkzaamheden vinden inpandig plaats. Ook de activiteiten ten aanzien van de groothandel (voornamelijk opslag) vinden plaats in de nieuwe loods. Er is dus sprake van een ruime afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe woning. Aannemelijk is dat door de komst van de nieuwe woning het bedrijf niet belemmerd wordt in de bedrijfsvoering.

Aan de zuidzijde is een loods aanwezig waar bedrijfsmatige opslag plaatsvindt. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Ten westen van deze opslagloods is reeds een woning met een woonbestemming aanwezig. Deze ligt op een kortere afstand dan de nieuw te bouwen woning. Het bedrijf wordt met de komst van de nieuwe woning daarmee niet belemmerd in de bedrijfsvoering.

Verder zijn in de omgeving geen functies aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor de uitvoering van het plan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

In de huidige situatie heeft het plangebied de bestemming 'Recreatie-Paardenweide'. Dit betekent dat met de bestemming 'Wonen' een gevoeligere functie wordt mogelijk gemaakt. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door ATKB (zie Bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt de zandige bovengrond licht verontreinigd is met metalen, DDD, DDT, DDE, OCD, en PAK. In de zintuigelijke schone ondergrond is een lichte verontreiniging met PCB vastgesteld. De lichte verontreiniging met DDD, DDE, DDT en OCB zijn waarschijnlijk gerelateerd aan het mogelijk gebruik van bestrijdingsmiddelen ter plaatse van de moestuin. In de ondergrond is alleen een lichte verontreiniging vastgesteld met PCB.

De bovengrond bij de stookplek is sterk verontreinigd met zink en koper. De omvang van de verontreiniging is in een nader onderzoek vastgesteld. Uit toetsing van de analyseresultaten van het nader onderzoek blijkt rondom de stookplek geen tot maximaal licht verhoogde gehalten van koper en zink zijn aangetroffen. Alleen te noorden van de stookplek is een matig verhoogd gehalte zink aangetroffen. De verwachting is dat het verhoogd gehalte zink niet gerelateerd is aan de brandactiviteiten op de stookplaats. Ook ruim buiten de stookplaat worden licht (tot matig) verhoogde gehalten zink aangetroffen. Uit de ervaring met bodemonderzoeken die door de bodemdeskundige zijn uitgevoerd in een brede zone langs het Haringvliet blijkt, dat plaatselijk tot sterk verhoogde gehalten zink worden aangetroffen. Mogelijk heeft dit een relatie met het opbrengen van verontreinigende specie uit het Haringvliet of de afzetting van dit materiaal tijdens overstromingen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het niet aannemelijk geacht dat op de locatie sprake is van een geval van bodemverontreiniging waaruit humane of ecologische risico`s volgen. Nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met molybdeen vastgesteld, maar deze vormen verder geen belemmering.

Indien van de locatie grond wordt afgevoerd dient hierbij rekening te worden gehouden met de daarop van toepassing zijnde regelgeving van onder meer de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. De vrijkomende grond is buiten de onderzoekslocatie niet zonder meer herbruikbaar.

4.5 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.

Het plangebied ligt niet binnen een invloedgebied van een risicovolle inrichting. Bovendien ook niet binnen invloedsgebieden van wegen (weg, spoor en water) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Op grote afstand, op circa 500 meter, ligt een aardgastransportleiding. Het plangebied ligt buiten het invloedgebied van deze leiding.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.6 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.

Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

Met dit bestemmingsplan wordt een gevoelige functie mogelijk gemaakt. Aan de westzijde van het plangebied ligt de Molenweg en een de noordzijde de Molenlaan. Deze wegen hebben een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plangebied ligt binnen de zones van deze wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau (zie Bijlage 2).

Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege zowel de Molenlaan als de Molenweg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van het bouwvlak. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de gecumuleerde geluidbelasting berekend. Uit de rekenresultaten na cumulatie van geluid vanwege wegverkeerslawaai blijk dat deze ten hoogste 50 dB bedraagt (zonder aftrek art. 110g Wgh). Het akoestisch woon- en leefklimaat bij de woningen dient daaruit voortvloeiend als goed tot zeer goed te worden beoordeeld volgens de Milieukwaliteitsmaat.

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan. Aanvullend onderzoek kan achterwege blijven.

4.7 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

Aan de westzijde van het plangebied ligt een planologisch relevante aardgastransportleiding. Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van deze leiding. Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.8 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.

In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderhavig plan maakt de bouw van één woning mogelijk en blijft daarmee ruim onder de NIBM-grens. Het project draagt daardoor niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet nodig.

4.9 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op een afstand van circa 2,5 kilometer van het Natura-2000 gebied Haringvliet en op een afstand van circa 6 kilometer afstand van het Natura-2000 gebied Grevelingen. Het Haringvliet bevat geen stikstofgevoelige habitattypes. De Grevelingen ligt op een ruime afstand van het plangebied. Conform de 'Handreiking woningbouw en AERIUS' van de Rijksoverheid (januari 2020) is de stikstofdepositie van 50 woningen op een Natura2000-gebied op een afstand van 6 kilometer 0,00 mol/ha/jaar in de gebruiksfase en 0,01 mol/ha/jaar in de aanlegfase. Conform de handreiking bedraagt de stikstofdepositie van de aanleg van 50 woningen op een Natura2000-gebied op 7 kilometer afstand 0,00 mol/ha/jaar. Omdat in onderhavig plan slechts sprake is van de bouw van 1 woning, stikstofgevoelige habitattypen op circa 7 kilometer afstand zijn gelegen en zeer gevoelige habitattypen op meer dan 10 kilometer afstand, zal de stikstofdepositie in de aanlegfase ter plaatse van het Natura2000-gebied De Grevelingen 0,00 mol/ha/jaar bedragen. Daarmee kan op voorhand significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet nodig.

Soortenbescherming
Het plangebied bestaat uit een voormalige dierenweide en volkstuintje. De bebouwing is reeds gesloopt. De bouw van de woning kan samen gaan met de effecten op beschermde plant en diersoorten. Op grond hiervan is door Adviesbureau Mertens B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten (zie Bijlage 4).

In verband met de aanwezigheid van de algemene broedvogels is het noodzakelijk om opgaand groen te rooien buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van verblijfsplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste- rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieven aanwezig. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de provincie Zuid-Holland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.

Op grond van het onderzoek kan gesteld worden dat effecten op beschermde plant- en diersoorten zijn uit te sluiten. Nader onderzoek is niet nodig.

4.10 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Parkeren
Bij een nieuwe ontwikkeling dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Als leidraad wordt hiervoor de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' gebruikt. Uitgangspunt voor het bepalen van de parkeernorm is het gebiedstype 'buitengebied' en stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk gebied'. Voor een vrijstaande woning is de parkeernorm minimaal 2,0 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen. Vanuit de gemeente is aangegeven dat er rekening moet worden gehouden met minimaal 2,5 parkeerplaats op eigen terrein.

Conform de stedenbouwkundige randvoorwaarden dient de woning op een afstand van 20 meter te worden gebouwd vanaf de Molenlaan. Hierdoor ontstaat er een ruim voorterrein waar voldoende ruimte aanwezig is voor het parkeren van minimaal drie auto's. Het parkeren kan daarmee volledig op eigen terrein worden opgelost. Hiermee wordt voldaan wordt aan de parkeernorm. De inrit voor de woning wordt apart aangevraagd.

Verkeersgeneratie
Voor de verkeersgeneratie (weekdag gemiddelde) is de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' toegepast. Uitgegaan wordt van het gebiedstype 'buitengebied' en stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk gebied'. Voor een vrijstaande woning bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie 8,2 motorvoertuigen per etmaal. De Molenlaan verbind de Dorpsweg/Westelijke Achterweg met de Molenweg. Vanaf de Groene Zoom tot de Molenweg heeft de Molenlaan een smaller profiel. Aan dit deel van de Molenlaan zijn geen verkeersaantrekkende functies gelegen, met uitzondering van de begraafplaats. De verkeersintensiteit ter plaatse van dit deel van de Molenlaan is zeer laag (534 motorvoertuigen per weekdag). De extra verkeersgeneratie als gevolg van het toevoegen van één woning heeft geen invloed op de huidige verkeersstructuur en vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.11 Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Bestaande situatie
Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en grotendeels onverhard. In het verleden waren enkele gebouwen in de vorm van schuurtjes aanwezig. De aanwezige verharding bestaat uit een deel tegelpad met een breedte van circa 2,5 meter.

Toekomstige situatie
In het plangebied wordt één nieuwe vrijstaande woning gebouwd met een maximale grondoppervlakte van 360 m2. Voor de verharding van de tuin is rekening gehouden met 25% van het perceel. De oppervlakte aan verharding in de toekomstige situatie bedraagt daarmee in totaal circa 1.230 m2.

Watercompensatie
Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem. Als gevolg van deze versnelde afvoer wordt het oppervlaktewatersysteem meer belast. Om deze belasting te reduceren moeten compenserende voorzieningen worden aangebracht. Conform de voorschriften van het Waterschap Hollandse Delta dient 10% van het verhard oppervlak aan waterberging te worden aangebracht. Hierbij wordt de oppervlakte van de voetprint van de woning voor 100% meegerekend en de oppervlakte van tuinen bij vrijstaande woningen voor 25%. In sommige gevallen is de eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied via een algemene regel, vrijgesteld van compensatieplicht. Indien in het plangebied bestaande verharding wordt verwijderd, mag deze worden verrekend met de toename in verhard oppervlak als gevolg van de bouw van de woning. De watercompensatie dient plaats te vinden binnen het peilgebied waar de toename aan verharding plaatsvindt.

Sommelsdijk West betreft een overgangsgebied tussen het dorp Sommelsdijk en het landelijk gebied. Daarmee is het gebied lastig onder te brengen in de categorie stedelijk gebied of landelijk gebied. Gezien de beperkte oppervlakte aan bebouwing en verharding in het gebied kan het gebied gekwalificeerd worden als landelijk gebied. Hier geldt een vrijstelling voor watercompensatie bij plannen met een verhardingstoename onder de 1.500 m2. Zoals onder 'toekomstige situatie' is aangegeven blijft de verharding onder deze grens. Watercompensatie is daarmee niet aan de orde.

Waterkwaliteit
Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit. Het ontstaan van vervuilingsbronnen wordt zoveel mogelijk voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten of pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben).

Bodemdaling
Het (grond)waterpeil wordt niet aangepast als gevolg of ten behoeve van dit plan. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed.

Veiligheid
Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering.

Afvalwaterketen
Op het terrein zal een septictank worden geplaatst. Hiervoor is toestemming verkregen van de gemeente. Van het Waterschap is toestemming verleend om huishoudelijk afvalwater na zuivering op het oppervlaktewater te lozen.

4.12 Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.  Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..

De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of 2000 of meer woningen. In onderhavig plan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Daarmee ligt de ontwikkeling ruim lager dan de drempelwaarde. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling in een gebied dat is aangewezen als bestaand stedelijk gebied en gezien de beperkte milieu-effecten (zie paragraaf 4.2 t/m 4.11), zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Het opstellen van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie is niet nodig.

4.13 Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

Dit plan voorziet in de bouw van één vrijstaande woning. Dit betreft een bouwplan, zoals dat hierboven is benoemd. In voorkomende gevallen sluit de gemeente Goeree-Overflakkee met de initiatiefnemer een overeenkomst waarin onder andere het kostenverhaal is geregeld. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele planschade wordt op de initiatiefnemer verhaald. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg 
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.

Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.