Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Capelleweg 1 Oude- Tonge - 2020
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1924.OTCapelleweg1-BP30
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1.1 Plan
het bestemmingsplan ‘Capelleweg 1 Oude- Tonge - 2020’ met identificatienummer
NL.IMRO.1924.OTCapelleweg1.BP30 van de gemeente Goeree- Overflakkee.
 
1.2 Bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij
behorende bijlagen.
 
1.3 Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge
de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze
gronden.
 
1.4 Aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.5 Aan huis verbonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridische,
medisch, therapeutisch, kunstzinnig, vastgesteldtechnisch of hiermee gelijk te stellen
gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daar bijbehorende bouwwerken,
met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.
 
1.6 Agrarisch hulp- en nevenbedrijf
een bedrijf, gericht op het verlenen van diensten en/of het leveren van dieren of
goederen aan agrarische bedrijven, dan wel op het verwerken, opslaan en/of
verhandelen van dieren of producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven.
 
1.7 Agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van
gewassen en/of het houden van dieren; nader te onderscheiden in:
  1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, met uitzondering van sierteelt en bosbouw; onder akker- en vollegrondstuinbouw wordt mede witlofteelt verstaan;
  2. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee geheel of nagenoeg geheel op open grond;
  3. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
  4. bollenteelt: de teelt van bollen.
1.8 Atelier
Werkplaats voor beeldende kunst.
 
1.9 Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Bestemmingsplan - Capelleweg 1 Oude- Tonge
 
1.10 Bebouwingspercentage
het percentage van de oppervlakte van een bouwperceel, dat mag worden bebouwd.
 
1.11 Bed & breakfast
een activiteit waarbij het verstrekken van logies en ontbijt plaatsvindt in de woning of
woonschip en ondergeschikt is aan de woonfunctie.
 
1.12 Bedrijf
elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch
zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van
goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier
bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing
van deze planregels eveneens als bedrijf aangemerkt.
 
1.13 Bedrijfsmatige activiteiten
bedrijfsmatige activiteiten - geen dienstverlening zijnde - en ambachtelijke verzorgende
bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk
 
1.14 Bedrijfs- of dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bedoeld voor de
huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de
bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet
worden geacht.
 
1.15 Bedrijfsgebouw
een gebouw dat noodzakelijk is voor de uitoefening van ter plaatse toegestane (bedrijfs-)
activiteiten, hieronder wordt geen bedrijfs- of dienstwoning verstaan;
 
1.16 Bedrijfsmatige activiteiten
bedrijfsmatige activiteiten - geen dienstverlening zijnde - en ambachtelijke verzorgende
bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk.
 
1.17 Bestaand
  1. bestaande bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als vastgesteld, dan wel mogen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  2. bestaand gebruik: bestaand ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan.
1.18 Bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.19 Bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak van gronden met eenzelfde bestemming.
 
1.20 Bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel
bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of
ander bouwwerk met een dak.
 
1.21 Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of
veranderen van een standplaats.
 
1.22 Bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
1.23 Bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke
hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit
gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te
maken is.
 
1.24 Bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar
behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.25 Bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel
 
1.26 Bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels
bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
1.27 Bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij
direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of
op de grond.
 
1.28 Categorie
een groep bedrijfsactiviteiten, die een gelijke of nagenoeg gelijke invloed hebben op een
nabij gelegen of omringende woonomgeving;
 
1.29 Dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
1.30 Dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich boven de dakgoot bevindt,
waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie
in het dakvlak is geplaatst.
 
1.31 Dakopbouw
een ondergeschikte constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich boven de
dakgoot bevindt waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke nok uitkomt en
de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) van het dak is (zijn)
geplaatst.
 
1.32 Detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen,
verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor
gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit, waaronder een tuincentrum.
 
1.33 Erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een
hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat
gebouw.
 
1.34 Gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.35 Hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het
perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
 
1.36 Kantoor
voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel,
architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, niet zijnde
openbare dienstverlening, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate
rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
 
1.37 Kassen:
bouwwerken, geheel of grotendeels van glas of ander doorschijnend materiaal (ten
behoeve van de agrarische bedrijfsvoering) met een bouwhoogte van 1.50 m. of meer;
 
1.38 Kavel
de bij een bestaand of te realiseren gebouw behorende gronden, samenvallend met de
eigendomsgrens of met de grens van het gehuurde.
 
1.39 landschappelijke waarde:
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare
verschijningsvorm van dat gebied;
 
1.40 manege:
een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden
en/of pony's houdt, zulks in combinatie met een of meer van de navolgende activiteiten
of voorzieningen, het in pension houden van paarden en pony's, horeca-activiteiten
(kantine, foyer e.d.), logies- en of verenigingsaccommodatie, een verkooppunt voor
paardrijartikelen en het houden van wedstrijden of andere evenementen;
 
1.41 mestsilo:
een bouwwerk dat kennelijk is bestemd voor de opslag van dunne dierlijke meststoffen;
 
1.42 molenbiotoop
aangewezen gebied waarbinnen het zicht op de molen en de vrije windtoetreding
beschermd worden.
 
1.43 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt;
 
1.44 Nutsvoorzieningen
voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van
elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van
riolering en afvalinzameling.
 
1.45 Ondersteunende horeca
horeca waarbij de horeca-activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit.
 
1.46 Overkapping
een constructie die maximaal drie wanden heeft waarvan er maximaal twee tot de
constructie behoren.
 
1.47 Paardenfokkerij of -houderij
een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette fokkerij of houderij voor paarden;
 
1.48 Paardenstalling
het houden van paarden en pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede
het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen
en te weiden; onder paardenstalling worden geen paardrijscholen en maneges verstaan;
 
1.49 Paardrijschool:
een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden
en/of pony's;
 
1.50 Peil
  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van de kruin van die weg;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;.
1.51 Permanente bewoning
het gebruik van een ruimte, daaronder begrepen kampeermiddelen, chalets, stacaravans
en recreatiewoningen, als woonadres als bedoeld in de Wet Gemeentelijke
Basisadministratie Persoonsgegevens (Wet GBA);
 
1.52 Plattelandswoning
een woning in de vorm van een voormalige agrarische bedrijfswoning, die bewoond mag
worden door een persoon of diens huishouden die geen functionele binding heeft met het
nabijgelegen agrarisch bedrijf, waartoe de woning in het verleden als bedrijfswoning
heeft behoord.
 
1.53 Prostitutie
het zich ten behoeve van een ander tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het
verrichten van seksuele diensten.
 
1.54 Staat van Bedrijfsinrichtingen
de Staat van Bedrijfstypen behorende bij dit plan.
 
1.55 Voorgevel
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als
belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
 
1.56 Voorgevelrooilijn
de lijn, welke aansluit aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
hoofdgebouwen en een zo gelijkmatig beloop overeenkomstig de weg heeft.
 
1.57 Waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer,
waterberging en waterkwaliteit;
 
1.58 Werk
een werk, geen gebouw of bouwwerk zijnde.
 
1.59 Woning
een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
 
1.60 Woongebouw
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar
gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid
beschouwd kan worden.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 Goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een
daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.2 Inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het
hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.3 Bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals
schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.4 Oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren,
neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter
plaatse van het bouwwerk.
 
2.5 Horizontale diepte van een gebouw
De lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
 
2.6 Verticale diepte van een gebouw
de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.
 
2.7 Grondoppervlakte van bebouwing
de oppervlakte van de grond, in beslag genomen door de horizontale projectie van een
gebouw.
 
2.8 De hoogte van een windturbine
Vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
 
2.9 De tiphoogte van een windturbine
Vanaf het peil tot aan de top van het rotorblad in de hoogste positie.
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Agrarisch
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. Een agrarisch bedrijf;
  2. Een landbouwschuur;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenhandel en paardenfokkerij' tevens voor een paardenhandel en paardenfokkerij;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kantoor' een kantoor zonder baliefunctie voor zakelijke dienstverlening als nevenfunctie;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' een plattelandswoning;
met daarbij behorende:
  1. erftoegangswegen en parkeervoorzieningen;
  2. groenvoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.2 Bouwregels
 
Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden
gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:
 
3.2.1 Gebouwen
  1. ten aanzien van gebouwen gelden de volgende regels:
    1. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
    2. de bouwhoogte van kassen mag maximaal 6 m bedragen;
    3. de oppervlakte van kassen mag niet meer dan 100 m2 bedragen;
    4. de goot- en bouwhoogte van overige gebouwen mag respectievelijk maximaal 6 m en 10 m bedragen;
    5. de goot- en bouwhoogte van mestsilo's mag respectievelijk maximaal 5,5 m en 7 m bedragen;
    6. de inhoud van mestsilo's mag niet meer dan 2500 m3 bedragen, met een maximum van 40 m3 per hectare bedrijfsbestemming;
    7. de maximale bouwhoogte van silo's mag maximaal 10 m bedragen;
  2. de boog- en gaaskassen en sleufsilo's hoeven niet aan de gestelde regels onder 3.2.1 a te voldoen;
  3. ten aanzien van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
    1. bedrijfswoningen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden;
    2. het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan één per agrarisch bedrijf tenzij anders is aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' ;
    3. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 6 m en 10 m bedragen;
    4. de inhoud mag niet meer dan 750 m3 bedragen;
    5. voor een uitbouw mag de goot- en bouwhoogte respectievelijk maximaal 3 m en 6 m bedragen;
    6. de dakhelling bedraagt minimaal 20 graden;
    7. de oppervlakte van alle bijgebouwen mag maximaal 75 m2 bedragen;
    8. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3 m en 6 m bedragen;
    9. bijgebouwen dienen minimaal 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
    10. de bouwhoogte van overkappingen mag maximaal 2,7 m bedragen.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijne
Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de gestelde regels onder 3.2.1 sub a gelden niet voor terreinafscheidingen en kuilvoerplaten;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van:
    1. maximaal 7 m voor palen en masten;
    2. maximaal 130 m voor de masthoogte van een windturbine uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'windturbine';
    3. maximaal 2 m voor terreinafscheidingen;
    4. maximaal 3 m voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.3 Afwijken van de bouwregels
 
Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het
bepaalde in lid 3.2 met inachtneming van de volgende regels:
  1. het vergroten van het bouwvlak is toegestaan mits:
    1. dit noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering;
    2. het bouwvlak grenst aan het huidige bouwvlak;
    3. de totale maximale oppervlakte 2 ha wordt;
    4. de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden geschaad;
  2. de vorm van het bouwvlak mag worden gewijzigd mits:
    1. de totale toegestane maximale oppervlakte ongewijzigd blijft;
    2. dit noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering;
    3. de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden geschaad;
  3. het realiseren van voorzieningen voor de opslag van mest, mits:
    1. de opslag van mest plaatsvindt in aansluiting op het bouwvlak;
    2. ruimtegebrek in fysiek of milieuhygiënisch opzicht hiertoe noodzaken;
    3. de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving niet onevenredig wordt of kan worden aangetast;
    4. een afwijking van de gebruiksregels als bedoeld in lid 3.5.1 tevens is toegestaan.
3.4 Specifieke gebruiksregels
 
3.4.1 Mestopslag
Op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden is het verboden de gronden buiten de
bouwvlakken te gebruiken voor mestopslag.
 
3.4.2 Kantoorfunctie
Ten aanzien van de als zodanig in artikel 3.1 aangeduide kantoorfunctie geldt:
  1. dat deze uitsluitend mag worden uitgeoefend binnen bestaande bebouwing;
  2. het gebruik van de kantoorruimte kan worden uitgeoefend door de gebruikers van de plattelandswoning in de vorm van een aan huis gebonden beroep;
  3. dat de oppervlakte van de kantoorfunctie niet meetelt bij de toegestane oppervlakte bijgebouwen.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
3.5.1 Mestopslag
Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het
bepaalde in lid 3.4 ten behoeve van het opslaan van mest buiten het bouwvlak, mits:
  1. de opslag van mest plaatsvindt in aansluiting op het bouwvlak;
  2. ruimtegebruik in fysiek of milieuhygiënisch opzicht hiertoe noodzaken;
  3. de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving niet onevenredig wordt of kan worden aangetast.
3.5.2 Nevenactiviteiten
Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het
bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het uitoefenen van ondergeschikte nevenactiviteiten
in de bestaande bedrijfsgebouwen naast de agrarische bedrijfsfunctie, waarbij de
volgende functies zijn toegestaan:
  1. loonbedrijf;
  2. foeragehandel;
  3. viskwekerij;
  4. dierenartsenpraktijk;
  5. opslag;
  6. bed & breakfast, in een ander bedrijfsgebouw dan de woning;
  7. extensieve poldersport en boerengolf op omliggende weilanden mits niet begrensd als natuurgebied;
  8. overige dagrecreatie, zoals bezoektuinen, tentoonstellingsruimte, museum en sauna;
  9. educatie en voorlichting;
  10. zorgboerderij met dagverblijf;
  11. (para)medische dienstverlening, zoals een privékliniek, een kuuroord of een groepspraktijk;
  12. overige ambachtelijke bedrijven, voor zover deze werkzaamheden vallen onder de milieucategorieën 1 en 2 en verkeerscategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  13. paardenhouderij met uitzondering van rijscholen en maneges;
  14. kleinschalige camping met een standplaats voor ten hoogste 25 seizoenstandplaatsen met de daarbij behorende voorzieningen;
  15. andere niet agrarische activiteiten die naar aard en omvang gelijk te schakelen zijn aan de activiteiten genoemd onder a tot en met n en beperkt worden tot de categorieën 1 en 2 en verkeerscategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3 indien de activiteit qua aard en schaal gelijk is te stellen aan categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
3.5.3 Voorwaarde
De onder lid 3.5.2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend onder de
voorwaarde dat:
  1. de gezamenlijke oppervlakte van het gebruik voor de nevenactiviteiten niet meer mag bedragen dan 500 m2 per bouwvlak tenzij anders is aangeduid;
  2. de bedrijfsvloeroppervlakte van een kleinschalige horecagelegenheid niet meer mag bedragen dan 40 m2;
  3. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet mag worden belemmerd;
  4. in vergelijking met het agrarische gebruik geen onevenredig grote verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden mag plaatsvinden;
  5. het parkeren op eigen terrein en binnen het bouwvlak plaatsvindt;
  6. geen opslag van goederen, behorende bij het andere gebruik, in de openlucht plaatsvindt;
  7. het andere gebruik qua aard en schaal past bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten;
  8. detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of -geteelde producten is toegestaan;
  9. voor een kleinschalige camping, zoals bedoeld onder n, geldt dat:
    1. de seizoenstandplaatsen uitsluitend binnen het bouwvlak of buiten het bouwvlak tot een afstand van maximaal 50 m van de bestaande bebouwing mag worden gesitueerd;
    2. het bouwen van sanitaire ruimtes uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan;
    3. de openheid niet onevenredig wordt aangetast;
    4. de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt;
    5. uitsluitend sprake is van recreatief nachtverblijf.
3.5.4 Huisvesting buitenlandse werknemers
Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het
bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van wonen ten behoeve van de
huisvesting van buitenlandse werknemers met inachtneming van de volgende regels:
  1. er is een door de eigenaar bewoonde bedrijfswoning aanwezig;
  2. de semipermanente bebouwing mag maximaal 150 m² bedragen, exclusief een gemeenschappelijke woonkamer en keuken;
  3. de bebouwing mag niet langer staan dan 5 jaar en niet bestaan uit (sta)caravans;
  4. er mogen per bedrijf niet meer dan 15 personen worden gehuisvest;
  5. er dient een gemeenschappelijke woonkamer en keuken aanwezig te zijn;
  6. er is op het eigen terrein voldoende parkeergelegenheid;
  7. de semipermanente bebouwing past in het agrarisch bouwperceel en het landschap om verrommeling tegen te gaan;
  8. er moet een nachtregister aanwezig zijn met de gegevens van de personen die ter plaatse verblijven.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk
zijnde, of van werkzaamheden
 
3.6.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren
van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken of
werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen of verharden van (kavel)wegen of paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2;
  2. het ontgronden, bodemverlagen, afgraven of ophogen van de bodem;
  3. het wijzigen van het profiel van sloten, dan wel het graven of dempen hiervan;
  4. het aanleggen van transport-, energie- of communicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
3.6.2 Uitzondering
Het in lid 3.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:
  1. die het normale onderhoud betreffen;
  2. ten behoeve van extensief recreatief medegebruik;
  3. die uit een oogpunt van ruimtelijke ordening van niet-ingrijpende betekenis zijn;
  4. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  5. die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
3.6.3 Voorwaarden
  1. een vergunning als bedoeld in lid 3.6.1 wordt uitsluitend verleend indien de agrarische waarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, versterking en/of herstel van die waarden niet worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen leidt tot de conclusie dat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden in redelijkheid niet kan worden geweigerd.
  2. burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in lid 3.6.1 advies ter zake deskundigen.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
 
3.7.1 Ruimte voor Ruimte
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ter plaatse van een agrarisch
bedrijf te wijzigen ten behoeve van de bouw van één of meer burgerwoningen onder de
voorwaarde dat:
  1. de bedrijfsactiviteiten van het betreffende agrarisch bedrijf zijn beëindigd;
  2. voor volwaardige bedrijven wordt aangetoond dat de agrarische functie ter plaatse niet kan worden vervuld, hetgeen mede moet blijken uit een daaromtrent uit te brengen advies door een onafhankelijke agrarisch deskundige;
  3. de opstallen van het betreffende agrarisch bedrijf volledig worden gesloopt, eventueel met uitzondering van een behoudenswaardige, aan de woning gebouwde schuur;
  4. aangegeven karakteristieke bebouwing of monumenten niet mogen worden gesloopt;
  5. voor de sloop of sanering op één of meerdere percelen van iedere 1000 m2 gebouwen (geen kassen zijnde) of iedere 5000 m2 kassen één woning mag worden teruggebouwd;
  6. het aantal nieuwe woningen per locatie maximaal drie bedraagt;
  7. de inhoud van een woning niet meer mag bedragen dan 750 m³;
  8. de goot en bouwhoogte van een woning niet mag bedragen dan respectievelijk 4,5 m en 8 m.
  9. de eventueel aanwezige bedrijfswoning wordt gewijzigd in een burgerwoning.
  10. de woningen uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen met zich mee brengen voor de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven;
  11. de te slopen gebouwen of kassen zijn opgericht voor 1 januari 2003;
  12. de woning(en) voldoen aan het bepaalde in de bestemming "Wonen" van deze regels;
  13. de verschijningsvorm van de nieuw te bouwen woning past binnen, dan wel geen onevenredige afbreuk doet aan de karakteristiek van het buitengebied;
  14. voldaan wordt aan de Wet geluidhinder;
  15. in het wijzigingsplan een verantwoording is opgenomen ten aanzien van beleid en wetgeving rond externe veiligheid, geurhinder en hoogspanningsverbindingen.
3.7.2 Bedrijfsbeëindiging
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden gelegen
binnen een bouwvlak te wijzigen, bij algehele bedrijfsbeëindiging van agrarische
bedrijven, ten behoeve van één of meer van de volgende functies in categorie 1 of 2 van
de Staat van bedrijfsactiviteiten of categorie 3 indien de activiteit qua aard en schaal
gelijk is te stellen aan categorie 2:
  1. loonbedrijf;
  2. foeragehandel;
  3. sierviskwekerij;
  4. dierenartspraktijk;
  5. kampeerboerderij binnen het hoofdverblijf:
  6. educatie en voorlichting;
  7. zorgboerderij met nachtverblijf;
  8. (para)medische dienstverlening, zoals een privékliniek, een kuuroord of een groepspraktijk;
  9. commerciële dienstverlening, zoals een, een geluidsstudio of
  10. overige ambachtelijke bedrijven, voor zover deze werkzaamheden vallen onder de milieucategorieën 1 en 2 en verkeerscategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  11. kinderopvang;
  12. paardenfokkerij of houderij:
  13. veehandelsbedrijf;
  14. extensieve agrarische dagrecreatie, zoals boerengolf, agrarische kinderfeestjes, kinderboerderij en excursies;
  15. paarden-, kano-, roeiboot-, fluisterboot- of fietsenverhuur;
  16. overige dagrecreatie, zoals bezoektuinen, bezoekerscentrum, tentoonstellingsruimte, museum en sauna;
  17. bewerking en opslag van agrarische producten;
  18. hoefsmederij;
  19. ambachtelijke landbouwproductverwerkende bedrijven, zoals slachterij, vlees-, zuivel- en plantaardige productverwerking, imkerij, palingrokerij, wijnmakerij, bierbrouwerij en riet- en vlechtwerk;
  20. opslag en stalling van niet-milieugevaarlijke, niet agrarische goederen die geen risico's voor de omgeving opleveren, alsmede opslag voor internetverkoop;
  21. theeschenkerij;
  22. wooneenheden (tot een maximum aantal van 3) in bestaande karakteristieke bebouwing, onder voorwaarde van sloop van alle niet karakteristieke bebouwing. (Nieuwe) bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 75 m2 per wooneenheid;
  23. andere niet agrarische activiteiten die naar aard en omvang gelijk te schakelen zijn aan de activiteiten genoemd onder a tot en met w.
  24. een dierenasiel in maximaal categorie 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten.
Onder de voorwaarde dat:
  1. voor volwaardige bedrijven wordt aangetoond dat de agrarische functie ter plaatse niet kan worden vervuld, hetgeen mede moet blijken uit een daaromtrent uit te brengen advies door een onafhankelijke agrarisch deskundige;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van de vrijkomende agrarische bebouwing binnen het betreffende bouwvlak niet mag worden vergroot;
  3. de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering mogen worden belemmerd;
  4. de hoeveelheid extra verkeer moet passen bij de wegenstructuur;
  5. het parkeren behorende bij het ander gebruik dient binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden;
  6. er geen opslag van goederen in de open lucht plaatsvindt;
  7. het gebruik qua aard en schaal past bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties;
  8. detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of –geteelde producten is toegestaan;
  9. per bouwvlak maximaal één bedrijf is toegestaan.
  10. in het wijzigingsplan een verantwoording is opgenomen ten aanzien van beleid en wetgeving rond externe veiligheid, geurhinder en hoogspanningsverbindingen.
3 Algemene regels
    
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan
uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere
bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 5 Algemene bouwregels
 
5.1 Bestaande afwijkingen
 
Indien maten met betrekking tot afstanden, hoogten, oppervlakten en volumes van
bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of
krachtens de Woningwet dan wel de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het
tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld van dit plan de bouwregels uit hoofdstuk
2 te boven gaan, mogen deze maten ter plaatse als maximaal toelaatbaar worden
aangehouden.
 
5.2 Vergroten inhoud woning
 
Woningen die op het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld van dit plan reeds
een grotere inhoud dan 750 m3 bevatten, mogen eenmalig worden vergroot met maximaal
10 %.
 
5.3 Aangrenzende terreinen
 
Het is verboden enig terrein of bouwperceel zodanig te bebouwen, dat daardoor op een
aangrenzend terrein, bouwvlak of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die aldaar niet
meer met de regels van dit plan zou overeenstemmen, of voor zover er reeds aldaar een
afwijking van de regels bestaat, zodanig te bebouwen, dat deze afwijking zou worden
vergroot.
Artikel 6 Algemene gebruiksregels
 
6.1 Vormen van verboden gebruik (onbebouwd)
 
Als een verboden gebruik, als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval beschouwd een gebruik van gronden
en/of water:
  1. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, dan wel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen c.q. onderdelen daarvan, die bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens voor zover het betreft parkeren en overigens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. als opslagplaats van hout en/of aannemersmaterialen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, of ten behoeve van bouw of andere tijdelijke werkzaamheden; d. voor het (doen) uitoefenen van prostitutie.
6.2 Vormen van verboden gebruik (gebouwen)
 
Als een verboden gebruik, als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval beschouwd het gebruik:
  1. van gebouwen voor het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen als detailhandel, met uitzondering van het verkopen of ten verkoop aanbieden van:
    1. goederen, waarvan de verkoop deel uitmaakt van de normale dienstverlening behorende bij het op hetzelfde perceel uitgeoefende bedrijf;
    2. agrarische producten afkomstig van en geteeld op het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf;
  2. van niet voor bewoning bestemde gebouwen of ruimten, daaronder begrepen kampeermiddelen, voor permanente bewoning; met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk/mantelzorgwoning binnen 75 m van de plattelandswoning;
  3. van gebouwen ten behoeve van het (doen) exploiteren van een seksinrichting, een escortbedrijf of (het laten uitoefenen van) prostitutie.
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels
 
7.1 Vrijwaringszone- molenbiotoop
 
In afwijking van hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone -
molenbiotoop ' de volgende regels:
  1. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht of mag geen beplanting aanwezig zijn hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  2. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht of mag geen beplanting aanwezig zijn met een hoogte die meer bedraagt dan 1/100 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  3. het bevoegd gezag kan afwijken van dit lid onder a en b, indien:
    1. er sprake is van een situatie waarin vrije windvang en het zicht op de molen al beperkt zijn door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, óf:
    2. zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd;
  4. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m c, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels
 
8.1 Bevoegdheid tot het afwijken
 
Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van de regels van het plan, voor:
  1. het oprichten van bouwwerken voor algemeen nut mits de oppervlakte van een gebouw niet meer bedraagt dan 20 m² en de bouwhoogte van de bouwwerken niet meer zal bedragen dan 3,5 m;
  2. het overschrijden van in deze regels genoemde maten en percentages, zoals goothoogte, hoogte en oppervlakte van gebouwen en bebouwingspercentages, met niet meer dan 10%;
  3. het overschrijden van de regels inzake de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met niet meer dan 20%;
  4. beneden peil gelegen kelders alsmede erkers, balkons, galerijen, luifels, buitentrappen en soortgelijke onderdelen, waarbij de grenzen van het bouwvlak met niet meer dan 2 m mogen worden overschreden;
  5. het in geringe mate, doch met niet meer dan 3 m afwijken van een bestemmingsgrens of van het profiel van een weg, voor zover dit noodzakelijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen;
  6. geluidwerende voorzieningen.
8.2 Voorwaarden waaronder kan worden afgeweken
 
Er kan niet worden afgeweken als bedoeld in lid 1, indien de bouw- en
gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen percelen in onevenredige mate worden beperkt
en/of indien ter plaatse aanwezige waarden op onevenredige wijze worden of kunnen
worden aangetast.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels
 
9.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid
 
Burgemeester en wethouders zijn, met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke
ordening, bevoegd het plan te wijzigen, met inachtneming van de volgende regels:
  1. het in geringe mate, doch met niet meer dan 10 m afwijken van een bestemmingsgrens of van het profiel van een weg, voor zover dit noodzakelijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen.
Artikel 10 Algemene procedureregels
 
10.1 Toepassing uniforme voorbereidingsprocedure Awb
 
Op de voorbereiding van de in deze regels bedoelde beslissingen omtrent nadere eisen
en afwijkingen is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 11 Overige regels
 
11.1 Verwijzing naar andere regelgeving
 
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een wet, een algemene maatregel
van bestuur, een verordening, een richtlijn of een andere (wettelijke) regeling, dan geldt
deze wet, algemene maatregel van bestuur, verordening, richtlijn of andere (wettelijke)
regeling zoals die luidt dan wel van kracht is op het moment van de tervisielegging van
het vastgesteld van dit plan.
 
11.2 Bedrijfs- en dienstwoningen
 
Bedrijfs- en dienstwoningen worden gerekend te blijven behoren tot het bedrijf of tot de
instelling, waartoe zij behoorden op de eerste dag dat het bestemmingsplan in vastgesteld ter
inzage is gelegd.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Capelleweg 1 Oude-Tonge’.