direct naar inhoud van Regels
Plan: Wilsveen 17
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1916.wilsveen17-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Wilsveen 17 met identificatienummer NL.IMRO.1916.wilsveen17-VG01 van de gemeente Leidschendam-Voorburg;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken door een bewoner van die desbetreffende woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;

1.4 aan- of uitbouw

een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat in bouwkundig dan wel architectonisch opzicht te onderscheiden is van en ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, waarbij een aanbouw een toevoeging is van een afzonderlijke ruimte en een uitbouw een vergroting van een bestaande ruimte;

1.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.6 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.7 aangrenzende woning

een woning, die zich bevindt op een aangrenzend bouwperceel;

1.8 achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

1.9 achtergevel

de van de weg en/of water afgekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één van de weg of water afgekeerde gevel, niet zijnde de voor- of zijgevel;

1.10 archeologie, Programma van Eisen (PvE)

een inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van een archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan, alsook de randvoorwaarden van het onderzoek, bijvoorbeeld met betrekking tot de omgang met het vondstmateriaal: voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd;

1.11 archeologisch advies

een advies, opgesteld door de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag, waarin de kaders voor een uit te voeren archeologisch onderzoek zijn aangegeven en aan de hand waarvan opdrachtverstrekking kan plaatsvinden aan de instantie die het archeologisch onderzoek verricht;

1.12 archeologisch adviseur van het bevoegd gezag

een door de gemeente aangewezen adviseur die het bevoegd gezag adviseert op archeologisch gebied;

1.13 archeologische begeleiding

begeleiding van de graafwerkzaamheden door een archeoloog;

1.14 archeologisch onderzoek

diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

1.15 archeologisch rapport

rapportage waarin de restultaten van een archeologisch onderzoek als bedoeld in lid 1.14 worden vastgelegd;

1.16 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het in dat gebied voorkomen van archeologische relicten;

1.17 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden;

1.18 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.19 bebouwingsgebied

achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

1.20 bedrijf

een onderneming, waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren en/of verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als niet-zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel van goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;

1.21 begane grond

de onderste bouwlaag van een gebouw;

1.22 behoud ex situ

de ontsluiting of opgraving van een vindplaats met als doel de daar aanwezige archeologische informatie te verzamelen en te documenteren volgens de voorwaarden die zijn vastgelegd in een hiervoor opgesteld Programma van Eisen;

1.23 behoud in situ

behoud in situ is het duurzaam in stand houden van archeologische waarden in de bodem, als bron van kennis en beleving door middel van technische maatregelen en/of inpassing en vrijwaring van de archeologische waarden in de inrichting van het plangebied;

1.24 beperkt kwetsbaar object

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden;

1.25 bestaand

de sitiuatie (bouwwerk, gebruik, maatvoering, etc.) zoals die rechtens bestaat of mag bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;

1.26 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.27 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.28 bevoegd gezag

het bestuursorgaan dat bevoegd is omtrent een zaak besluiten te nemen of beschikkingen af te geven;

1.29 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.30 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw, dat gesitueerd is bij, in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een op hetzelfde (bouw)perceel gesitueerd hoofdgebouw;

1.31 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.32 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.33 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van de kelder en de zolder;

1.34 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.35 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

1.36 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarop ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.37 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.38 cultuurhistorie
  • historische (stede)bouwkunde / bovengrondse monumentenzorg;
  • archeologie, en
  • cultuurlandschap / historische geografie.
1.39 cultuurhistorische waarde

de aan een gebied en/of bouwwerk toegekende waarde in verband met ouderdom of gaafheid, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied;

1.40 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw of -indien en voor zover daarbij sprake is van een bovenbeëindiging van enige relevante omvang- een bouwwerk;

1.41 daknok

hoogste punt van een schuin dak;

1.42 dakvoet

laagste punt van een schuin dak;

1.43 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de goot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van deze constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.44 dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijde(n) van de constructie in één of meer dakvlakken van het dak zijn geplaatst;

1.45 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt.

1.46 ecologische waarden

de aan een gebied toegekende waarden die verband houden met de samenhang tussen dieren en planten en hun leefomgeving of tussen dieren en planten onderling;

1.47 eengezinswoning

een zelfstandig, al dan niet zijdelings aaneengebouwd gebouw dat één woning omvat;

1.48 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

1.49 erfafscheiding:

een afscheiding op en rond een erf, waarmee de gronden worden begrensd die in ruimtelijk opzicht direct bij, in functioneel opzicht ten dienste staan van en/of in feitelijk opzicht direct aansluiten op het (hoofd)gebouw op dat erf; de eigendomsgrenzen zijn hierbij niet van doorslaggevende betekenis.

1.50 extensieve weidegang (door paarden)

weidegang door paarden, waarbij het grasland niet intensief gebruikt wordt. In veengebieden is van extensieve weidegang sprake als voldaan wordt aan het volgende aantal benodigde hectare per veulen en/of volwassen paard: 0,30 ha grasland per veulen, 0,5 ha grasland per volwassen paard;

1.51 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.52 geluidsbelasting
  • a. vanwege een industrieterrein: de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen en toestellen, aanwezig op het industrieterrein, het geluid van niet tot de inrichtingen behorende motorvoertuigen op het terrein daaronder niet begrepen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, c.q. het Besluit geluidhinder;
  • b. vanwege een spoorweg: de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijke spoorwegverkeer of op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, c.q. het Besluit geluidhinder;
  • c. vanwege het wegverkeer: de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een combinatie van weggedeelten, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, c.q. het Besluit geluidhinder;
1.53 geluidsgevoelige functie

bewoning of andere geluidsgevoelige functies binnen zones rond industrieterreinen, wegen en spoorwegen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, c.q. het Besluit geluidhinder;

1.54 geluidsgevoelig gebouw

gebouw welke dient ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidsgevoelige functie binnen zones rond industrieterreinen, wegen en spoorwegen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder;

1.55 geluidzoneringsplichtige inrichting

een inrichting waarvoor ingevolge de Wet geluidhinder (zoals deze luidt ten tijde van de vaststelling van dit plan) rondom het terrein van vestiging in dit bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;

1.56 gevellijn

een als zodanig op de verbeelding aangegeven lijn die de ligging van de voorgevel(rooilijn) als bedoeld in lid 1.88 respectievelijk lid 1.89 van een gebouw aanduidt;

1.57 hogere grenswaarde

een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld binnen zones rond industrieterreinen, wegen en spoorwegen op grond van de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder;

1.58 hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.59 hoofdmassa van een gebouw

de massa van een gebouw, met uitzondering van aan- en/of uitbouwen en aangebouwde bouwwerken;

1.60 huishouding

een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voeren;

1.61 kap

een gesloten en (al dan niet gedeeltelijk) hellende bovenbeëindiging van een bouwwerk;

1.62 KNA

kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. De kwaliteitsnorm, bestaande uit een omvangrijke set van algemeen geaccepteerde eisen, specificaties en protocollen. Tevens wordt in de KNA de minimum opleidings- en ervaringseisen beschreven waaraan personen moeten voldoen om bepaalde archeologische werkzaamheden te mogen uitvoeren;

1.63 landschapsdeskundige

een bij de gemeente in dienst zijnde of een door burgemeester en wethouders aangewezen of aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen, op het gebied van landschapsinrichting, landschapswaarden en daarmee samenhangende aspecten;

1.64 meetverschil

een door de feitelijke terreininrichting aanwezig verschil tussen het beloop van lijnen in het veld en een op de kaart aangegeven bestemmings- of bouwgrens;

1.65 milieuplanologische effecten

planologisch relevante effecten op het milieu ten aanzien van de luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, flora en fauna, geluid en water;

1.66 nieuwe ontwikkeling

ruimtelijke ontwikkeling, herontwikkeling en/of functieverandering van een perceel en/of pand niet passend binnen de vigerende bestemming zoals geldend op grond van het plan;

1.67 nota parkeernormen

Nota parkeernormen Leidschendam-Voorburg geldend op het moment van vaststelling van het plan;

1.68 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals onder meer transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, apparatuur voor telecommunicatie en daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

1.69 omgevingsvergunning

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.70 onderbouw

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven peil is gelegen;

1.71 ontsluitende weg

weg en/of langzaam verkeersroute waaraan de hoofdtoegang tot het bouwperceel is gesitueerd: bij bouwpercelen welke (de mogelijkheid tot) twee hoofdtoegangen hebben wordt, voor het bepalen van wat de ontsluitende weg is, aansluiting gezocht bij de aangrenzende bouwpercelen;

1.72 openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is;

1.73 opslag

het bedrijfsmatig of in aard en omvang alsof zij bedrijfsmatig is opslaan van partijen goederen;

1.74 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.75 pand

een bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden, betreedbaar en afsluitbaar is;

1.76 peil

voor het peil gelden de volgende regels tenzij in de bestemmingsregels anders is bepaald:

  • a. indien het bouwwerk in of op de grond wordt gebouwd wordt het peil gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld ter plaatse van het bouwwerk, zulks gezien in relatie met de hoogte van de omliggende terreinen;
  • b. indien het bouwwerk in of op de grond wordt gebouwd, wordt, daar waar een gevellijn is aangegeven op de verbeelding, het peil gemeten vanaf de gevellijn;
  • c. indien het bouwwerk in of op het water wordt gebouwd wordt het peil gemeten vanaf het waterpeil ter plaatse van het bouwwerk;
1.77 prostitutie

het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander;

1.78 selectiebesluit

besluit van het bevoegd gezag, nadat er een waardering (volgens de protocollen van de KNA) heeft plaatsgevonden van aanwezige archeologische waarden in relatie tot de geplande bodemingreep;

1.79 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen: een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.80 slagenlandschap

een landschap, meestal gekenschetst als een landschap met een strokenverkaveling, waarbij verkaveling heeft plaatsgevonden in smalle banen die slagen of stroken worden genoemd;

1.81 slopen

geheel of gedeeltelijk afbreken;

1.82 speeltoestel

een inrichting, bedoeld voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;

1.83 tuin

tuin, behorende bij en ten dienste van de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;

1.84 verbeelding

de digitaal raadpleegbare verbeelding bestaande uit geometrisch bepaalde planobjecten, waarin de informatie uit het plan in elektronische vorm is vastgelegd;

1.85 verkoop via internet

Het bedrijfsmatig en uitsluitend via het internet aanbieden en verkopen van goederen aan derden, zonder uitstalling ten verkoop, opslag, bezichtiging en/of afhaal van de goederen ter plaatse;

1.86 vloerafscheiding

een bouwtechnische voorziening, zoals een balkon- of terrashekwerk of borstwering, die wordt aangebracht om (val)ongelukken te voorkomen;

1.87 voorerfgebied

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

1.88 voorgevel

de naar de weg en/of water gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of water gekeerde gevel, de meest beeldbepalende gevel van dat gebouw, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven;

1.89 voorgevelrooilijn

een denkbeeldige lijn in het verlengde van de voorgevel die in de richting van de openbare weg en/of water niet door bebouwing mag worden overschreden;

1.90 voorkeursgrenswaarde

de maximale waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen (zoals deze luiden ten tijde van de vaststelling van dit plan);

1.91 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen.

1.92 woonboerderij

een ruimtelijk relevant ensemble van bebouwing met uitsluitend een woonfunctie op een voormalig agrarisch (bouw)perceel, dat naar zijn aard, vormgeving, situering en inrichting landschappelijke en kwalitatief-ruimtelijke kenmerken vertoont die karakteristiek zijn voor agrarische erven: in dit ensemble is visueel sprake van een 'bedrijfswoning' met daarachter 'bedrijfsgebouwen', waarbij de 'bedrijfswoning' voor de overige gebouwen uitsteekt en de 'bedrijfsgebouwen' haaks op de weg zijn gesitueerd;

1.93 zijgevel

de zijdelingse gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één van de weg of water afgekeerde gevel, niet zijnde de voor- of achtergevel;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Afstanden

De kortste afstand tussen bouwwerken onderling alsmede van bouwwerken tot de perceelsgrens, gemeten vanaf elk deel van het bouwwerk.

2.2 Bebouwingspercentage

Een percentage, dat de grootte van het deel van een bestemmingsvlak, bouwvlak respectievelijk (gedeelte van een) bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. Ondergronds bouwen wordt hier niet meegerekend.

2.3 Bedrijfsvloeroppervlak

De totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor de uitoefening van een bedrijf of dienstverlenende instelling, met inbegrip van de daartoe behorende opslag- en administratieruimten, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren.

2.4 Bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen, antennes, technische installaties en naar de aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 Breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren.

2.6 Brutovloeroppervlak
  • a. Algemeen: binnen de gevels van het bouwwerk inclusief kolommen, trappenhuizen, gangen, liften en toiletten, waarbij de oppervlaktes van de diverse verdiepingen bij elkaar opgeteld moeten worden;
  • b. detailhandel ondersteunende horeca: het voor publiek toegankelijke gedeelte binnen de gevels van het pand waarin de detailhandel is gevestigd inclusief de ruimte achter de kassa, maar exclusief opslagruimten en personeelsruimten.
2.7 Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.8 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.9 Hoogte van een windmolen

Vanaf het peil tot aan het middelpunt van de (wieken)as van de windmolen.

2.10 Hoogte van een windturbine

Vanaf het peil tot aan het middelpunt van de (wieken)as van de windturbine.

2.11 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.12 Overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,75 meter bedraagt.

2.13 Oppervlakte van een bouwwerk (= footprint)

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.14 Verkoopvloeroppervlak

De voor het publiek toegankelijke ruimte waar goederen zijn tentoongesteld en/of uitgestald ten behoeve van verkoop.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding, versterking en/of het herstel van de ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen landschappelijke en cultuurhistorische waarden, bestaande uit de openheid, het verkavelings- en slotenpatroon en de karakteristieke landschapselementen;
  • b. het behoud van graslandvegetaties en de daarmee samenhangende vogelkundige en cultuurhistorische waarden van het gebied;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen': ten hoogste één bijgebouw in de vorm van een schuur met aangebouwde orangerie, (mede) ten behoeve van de aangrenzende woonbestemming;

met de daarbij behorende:

  • d. bermen;
  • e. duikers en bruggen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. in- en uitritten;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. ontsluitingswegen;
  • j. paden en verhardingen;
  • k. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • l. waterlopen en waterpartijen.
3.1.2 Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', met uitzondering van één bijgebouw als bedoeld in artikel 3.1.1, sub c., uitsluitend overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

3.2.2 Bouwregels bijgebouw

Voor het bouwen van een bijgebouw, (mede) ten behoeve van de aangrenzende woonbestemming, gelden de volgende bouwregels:

  • a. het bijgebouw dient te bestaan uit ten hoogste één bouwlaag, al dan niet geheel of gedeeltelijk afgedekt met een kap;
  • b. de goot- respectievelijk bouwhoogte van het bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,0 meter respectievelijk 4,0 meter;
  • c. de oppervlakte c.q. footprint van het bijgebouw mag niet meer bedragen dan 110 m2;
3.2.3 Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. mag niet meer bedragen dan de maximale hoogte zoals aangegeven in onderstaande tabel:

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Max. hoogte  
Van erf- en terreinafscheidingen   1,0 m.  
Van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   1,5 m.  
3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, in aanvulling op het bepaalde in lid 3.2, nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken, in verband met:

  • a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing in het gebied;
  • b. het behoud, het herstel dan wel de versterking van de karakteristieken dan wel waarden van het gebied en/of de cultuurhistorische waarde van bebouwing;
  • c. het concentratiebeginsel, waarbij bebouwing zodanig wordt gesitueerd dat er sprake is van een functionele en/of ruimtelijke eenheid;
  • d. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken;
  • e. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten.
3.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik van gronden en/of bouwwerken, strijdig met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden, wordt in ieder geval, overminderd het bepaalde in artikel Artikel 10, gerekend:

  • a. het (laten) plaatsen en geplaatst houden van -niet als bouwwerk aan te merken- (opslag)voorzieningen, zoals mestbassins, sleufsilo's en overige daarmee vergelijkbare voorzieningen, behoudens wanneer daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5 is verleend;
  • b. het (laten) gebruiken van gronden voor (de aanleg van) voorzieningen ten behoeve van paardenactiviteiten, zoals een paardenbak of een draf-/renbaan, voor zover deze voorzieningen niet bestaand zijn dan wel niet met een bestaande omgevingsvergunning kunnen worden gerealiseerd;
  • c. het (laten) scheuren van grasland, behoudens wanneer daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5 is verleend, met dien verstande dat hieronder niet wordt verstaan het scheuren van grasland ten behoeve van verbetering van de grasmat waarbij na het scheuren direct herinzaai plaatsvindt;
  • d. het (laten) gebruiken van gronden voor bosbouw (behoudens landschapselementen, indien en voor zover de waarden genoemd in lid 3.1.1 onder b. en c. niet in onevenredige mate worden aangetast), boomgaarden, Boskoopse cultures en bollenteelt.
3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.5.1 Algemeen

Het is, onverminderd het bepaalde in Artikel 6, verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en/of in de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgronden, ophogen en/of egaliseren van de gronden (meer dan 10 cm.) in verband met grootschalige verwerking van bagger;
  • c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoels, tot een oppervlakte van 250 m²;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport- energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg (kunnen) hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepwoelen of diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 m. of meer diep);
  • g. het beplanten met houtopstanden of het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of diepwortelende beplanting, waaronder begrepen rietplanting (landschapselementen);
  • h. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor normaal onderhoud, graslandverbetering of voor ruwvoederteelt;
  • i. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • j. het aanleggen/plaatsen van -niet als bouwwerk aan te merken- (folie)mestbassins, sleufsilo's en daarmee vergelijkbare voorzieningen;
  • k. het aanleggen van draf-/renbanen, paardenbakken, longeerruimten en/of andere vergelijkbare voorzieningen voor paarden, alsmede het opbrengen van een laag zand voor het houden van paarden;
  • l. het opbrengen van zand en/of ander materiaal ten behoeve van een ander gebruik van het grasland.
3.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 3.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden;
  • b. (legale) werken en/of werkzaamheden die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan al in uitvoering waren dan wel waarvoor ten tijde van de terinzagelegging van van het ontwerp van dit plan reeds een omgevingsvergunning (aanlegvergunning) was verleend;
  • c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurlijke oevers.
3.5.3 Toelaatbaarheid omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1 wordt slechts verleend indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft:

  • a. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de landschappelijke, cultuurhistorische, vogelkundige en/of archeologische waarden van de gronden;
  • b. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen;
  • c. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming, waaronder ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering;
  • d. geen belemmering met zich meebrengen voor bestaande agrarische bedrijfsvoeringen en/of de inrichting dan wel uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijfspercelen.

en indien:

een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang en/of, voor zover aan de orde, de belangen die gediend worden met de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 3 en Waterstaat - Waterkering, tot uitkomst heeft dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

3.5.4 Advies omtrent omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan alvorens omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning te beslissen advies inwinnen bij een landschapsdeskundige of een met betrekking tot de betreffende werken, werkzaamheden en/of gronden meest aangewezen instantie.

Artikel 4 Water

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemeen

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bruggen;
  • b. oevers;
  • c. water;
  • d. waterkeringen;
  • e. waterlopen en waterpartijen;
  • f. voorzieningen ten behoeve van de bestemming zoals oeverbeschoeiingen, remmingswerken, dukdalven, stuwdammen, duikers en inlaatwerken;
4.1.2 Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming Water uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:

4.2.2 Nadere bouwregels

Voor het bouwen als bedoeld in artikel 4.2.1 gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  • b. onverminderd het bepaalde onder a. geldt voor het bouwen van een brug dat de benodigde minimale doorvaarhoogte alsmede de maximale bouwhoogte door het bevoegd gezag in overleg met de vaarwegbeheerder en/of de waterbeheerder wordt bepaald;
  • c. alvorens te beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de vaarwegbeheerder en/of de waterbeheerder.
4.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, ter bescherming en/of versterking van de ruimtelijke kwaliteit, nadere eisen stellen ten aanzien van de plaats en de afmetingen van bouwwerken in relatie tot:

  • a. de instandhouding van een in stedenbouwkundig opzicht samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de instandhouding van aan de gronden eigen zijnde cultuurhistorische waarden;
  • c. de instandhouding van aan de gronden eigen zijnde natuur- en landschapswaarden, zoals accidentatie, waterstructuren, bosstructuren, open weiden en beplantingsstructuren, in samenhang met de landschappelijke hoofdstructuur.
4.4 Specifieke gebruiksregels

Tot gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gronden en/of bouwwerken op een wijze die de waterhuishouding dan wel het waterbergend vermogen op enige wijze negatief beïnvloedt.

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemeen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. aan huis verbonden beroepen, overeenkomstig het bepaalde in lid 5.4.1;
  • c. verkoop via internet, overeenkomstig het bepaalde in lid 5.4.2 ;

met de daarbij behorende:

  • d. groenvoorzieningen;
  • e. in- en uitritten;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. ontsluitingswegen;
  • h. paden en verhardingen;
  • i. ongebouwde parkeervoorzieningen;
  • j. tuinen en erven;
  • k. waterlopen en waterpartijen.
5.1.2 Ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit
  • a. Bij het verwezenlijken van de bestemming 'Wonen' dient sprake te zijn van een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de functies met daarbij behorende voorzieningen als bedoeld onder 5.1.1 en/of bouwwerken als bedoeld onder 5.2, waarbij tenminste de terreininrichting zoals weergegeven in de van deze regels deel uitmakende Verbeelding Ruimtelijk Kader als uitgangspunt dient te worden genomen;
  • b. Het bevoegd gezag kan over de goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de onder a. bedoelde functies, voorzieningen en bouwwerken advies inwinnen bij een landschapsdeskundige.
5.1.3 Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

5.1.4 Algemene aanduiding

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de algemene aanduidingsregel(s) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op deze gronden mag ten behoeve van de bestemming uitsluitend één woonboerderij worden gebouwd, bestaande uit:

  • a. één hoofdgebouw in de vorm van een woning boven aan de dijk ('Diensthuis');
  • b. één hoofdgebouw in de vorm van een woning onder aan de dijk ('Schuurhuis');
  • c. één bijgebouw ('Koetshuis'), bestemd voor gebruik als bijgebouw ten behoeve van de onder a. en/of b. bedoelde hoofdgebouwen.
5.2.2 Situering gebouwen / inrichting bestemmingsvlak

Voor de inrichting van het bestemmingsvlak respectievelijk de situering van de gebouwen als bedoeld in lid 5.2.1 gelden de volgende regels:

  • a. de op grond van deze bestemming toegestane gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
  • b. de situering van de gebouwen binnen het bestemmingsvlak en de inrichting van het perceel dienen zodanig te zijn dat de open zichtlijn tussen de gebouwen onderling naar het achterliggend landschap, zoals aangegeven op de van deze regels deel uitmakende Verbeelding Ruimtelijk Kader, maar ook een open zichtlijn tussen de gebouwen en (bebouwing op) aangrenzende percelen tot stand wordt gebracht en in stand wordt gehouden;
  • c. de situering van de gebouwen binnen het bestemmingsvlak en de inrichting van het perceel dienen zodanig te zijn dat de te realiseren situatie aansluit bij de situering en inrichting zoals aangegeven op de van deze regels deel uitmakende Verbeelding Ruimtelijk Kader;
  • d. in geval van sloop en vervangende nieuwbouw van de gebouwen dienen de nieuwe gebouwen te worden gesitueerd op de plaats van de te slopen gebouwen die door de nieuwbouw worden vervangen en blijft het bepaalde onder a. tot en met c. onverkort van toepassing.
5.2.3 Specifieke bouwregels 'Diensthuis'

Voor het bouwen van het hoofdgebouw in de vorm van een 'Diensthuis' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. de voorgevel van het Diensthuis dient te worden gesitueerd in dan wel achter de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn';
  • b. het Diensthuis dient te bestaan uit ten hoogste één bouwlaag, afgedekt met een schuine kap;
  • c. het Diensthuis dient uitgevoerd te zijn met een kaprichting parallel aan de weg Wilsveen;
  • d. de goot- respectievelijk bouwhoogte van het Diensthuis mag niet meer bedragen dan 4,5 meter respectievelijk 9,0 meter, gemeten vanaf het peil ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn';
  • e. de oppervlakte c.q. footprint van het Diensthuis mag niet meer bedragen dan 150 m2;
  • f. de inhoud van het Diensthuis, aangebouwde bijbehorende bouwwerken daaronder mede begrepen, mag niet meer bedragen dan 600 m3.
5.2.4 Specifieke bouwregels 'Schuurhuis'

Voor het bouwen van het hoofdgebouw in de vorm van een 'Schuurhuis' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. de voorgevel van het Schuurhuis dient te worden gesitueerd in dan wel achter de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn';
  • b. het Schuurhuis dient te bestaan uit ten hoogste één bouwlaag, afgedekt met een steile kap;
  • c. het Schuurhuis dient uitgevoerd te zijn met een kaprichting haaks op de weg Wilsveen resp. parallel aan de richting van het ter plaatse karakteristieke slagenlandschap;
  • d. de goot- respectievelijk bouwhoogte van het Schuurhuis mag niet meer bedragen dan 3,5 meter respectievelijk 9,0 meter, gemeten vanaf het peil ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn';
  • e. de oppervlakte c.q. footprint van het Schuurhuis mag niet meer bedragen dan 300 m2;
  • f. de inhoud van het Schuurhuis, aangebouwde bijbehorende bouwwerken daaronder mede begrepen, mag niet meer bedragen dan 1.200 m3.
5.2.5 Specifieke bouwregels 'Koetshuis'

Voor het bouwen van het bijgebouw in de vorm van een 'Koetshuis' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. het Koetshuis dient achter de Dienstwoning respectievelijk naast het Schuurhuis te worden gesitueerd;
  • b. het Koetshuis dient te bestaan uit ten hoogste één bouwlaag, afgedekt met een steile kap;
  • c. het Koetshuis dient te zijn uitgevoerd met een kaprichting haaks op de weg Wilsveen resp. parallel aan de richting van het ter plaatse karakteristieke slagenlandschap ;
  • d. de goot- respectievelijk bouwhoogte van het Koetshuis mag niet meer bedragen dan 3,0 meter respectievelijk 5,5 meter, gemeten vanaf het peil ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn' ;
  • e. de opppervlakte c.q. footprint van het Koetshuis mag niet meer bedragen dan 150 m2;
  • f. de inhoud van het Koetshuis mag niet meer bedragen dan 600 m3.
5.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend achter de op de verbeelding opgenomen gevellijn(en) worden gebouwd, met dien verstande dat erf- en perceelafscheidingen en ten hoogste één vlaggenmast ook vóór de gevellijn(en) mogen worden gebouwd.
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale bouwhoogte  
Erf- en perceelafscheidingen vóór de gevellijn   1,0 meter  
Erf- en perceelafscheidingen achter de gevellijn   2,0 meter  
Vlaggenmasten   6,0 meter  
Schotelantennes   3,0 meter  
Tuinmeubilair   2,5 meter  
Speeltoestellen voor particulier gebruik   5,0 meter  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3,0 meter  
5.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, aanvullend aan het bepaalde in lid 5.2, nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in verband met:

  • a. een goede ruimtelijke en/of landschappelijke inpassing van bebouwing op het perceel en/of in de omgeving;
  • b. het behoud, herstel en/of de versterking van de gebiedseigen karakteristieken en waarden en/of van de (cultuurhistorische waarde van de) bebouwing;
  • c. de situering, de gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzenden gronden en/of bouwwerken;
  • d. de geluidsaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten.
5.4 Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Beroep aan huis

Voor het uitoefen van een aan huis verbonden beroep gelden de volgende regels:

  • a. het vloeroppervlak van een woning, dat wordt gebruikt ten behoeve van een aan huis verbonden beroep, mag niet meer bedragen dan 30% van het vloeroppervlak van de betreffende woning, bijbehorende bouwwerken daaronder mede begrepen;
  • b. het aan huis verbonden beroep mag uitsluitend worden uitgeoefend door (een) bewoner(s) van de desbetreffende woning;
  • c. de uitoefening van het aan huis verbonden beroep mag geen nadelige invloed hebben op de parkeersituatie en de verkeersafwikkeling ter plaatse;
  • d. de uitoefening van het aan huis verbonden beroep mag niet gepaard gaan met buitenopslag van goederen, met horeca en/of met detailhandel, behoudens detailhandel in beperkte omvang die ondergeschikt en direct gerelateerd is aan de aard van het aan huis verbonden beroep.
5.4.2 Verkoop via internet

Verkoop via internet in/en of bij de woning wordt geacht in overeenstemming te zijn met de woonbestemming en is toegestaan, mits:

  • a. ter plaatse alleen de elektronische transactie plaatsvindt en geen opslag en/of verzending van producten in, bij dan wel vanuit de woning plaatsvindt;
  • b. ter plaatse geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt en de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en/of afgehaald kunnen worden;
  • c. er geen buitenopslag van te verkopen producten plaatsvindt.
5.4.3 Strijdig gebruik

Tot gebruik van gronden en/of bouwwerken, strijdig met de bestemming 'Wonen', wordt in ieder geval en overminderd het bepaalde in Artikel 10 gerekend het (laten) uitoefenen van horeca(bedrijf) en/of detailhandel, met uitzondering van vormen van gebruik als bedoeld in en in overeenstemming met lid 5.4.1 en/of lid 5.4.2;

5.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.4.1 onder f ten behoeve van het vergroten van het vloeroppervlak tot een maximum van 65m², mits er geen sprake is van onevenredige verkeersaantrekkende werking en in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, ook ten behoeve van de uitbreiding.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 3

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m², waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 75 cm beneden maaiveld;
  • c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
6.2.2 Selectiebesluit

De uitzonderingen, zoals genoemd in artikel 6.2.1 onder b, zijn niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologisch waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van artikel 6.3 onder b zijn van overeenkomstige toepassing.

6.2.3 Advies

Indien er sprake is van het bouwen van een bouwwerk waarvoor en omgevingsvergunning is vereist, dient de aanvrager vooraf schriftelijk archeologisch advies in te winnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag.

6.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.1 indien:

  • a. de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de archeologische waarden, zoals onder lid 6.3 sub a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden:
    • 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    • 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek);
    • 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ);
    • 4. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1 Werkzaamheden

Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in artikel 6.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen van oude funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het ondergronds slopen waarbij er funderingspalen verwijderd, getrokken of afgebroken worden;
  • c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • d. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • f. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
6.4.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 6.4.1, is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 6.3, sub a. en b. in acht is genomen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m² en niet dieper reiken dan 75 cm beneden maaiveld;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
  • e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door de houder van een certificaat zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet;
  • f. worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten;
  • g. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.
6.4.3 Selectiebesluit

De uitzonderingen zoals genoemd in artikel 6.4.2 onder b zijn niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van artikel 6.4.5 onder c zijn van overeenkomstige toepassing.

6.4.4 Advies

Indien er sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, dient de aanvrager vooraf schriftelijk een archeologisch advies in te winnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag.

6.4.5 Voorwaarden

De omgevingsvergunning wordt verleend, indien:

  • a. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt;
  • b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. de betrokken archeologische waarden, gelet op artikel 6.4.5 onder b bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden:
    • 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    • 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek);
    • 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ);
    • 4. doen van opgravingen waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen;
    • 5. begeleiding van de activiteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen.
6.5 Beoordeling

Alvorens de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3 en 6.4 te verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag.

Artikel 7 Waterstaat - Waterkering

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemeen

De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de waterkering, met de daarbij behorende bouwwerken.

7.2 Bouwregels

Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming Waterstaat - Waterkering uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bedoelde leiding(en), met een maximale hoogte van 5 meter en
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
7.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 7.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de waterkering door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad. Alvorens toepassing te geven aan deze afwijking dient schriftelijk advies te worden gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1 Werkzaamheden

Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming Waterstaat - Waterkering zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende en/of hoogopstaande beplanting en/of bomen;
  • b. het aanleggen of wijzigen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • d. het aanleggen van kabels en (drainage)leidingen en daarmee verbandhoudende constructies;
  • e. het aanleggen van watergangen of het graven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
  • f. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals de fundering van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • g. het veranderen van het maaiveldniveau door ontginnen, ontgronden, bodemverlagen, egaliseren, diepploegen, afgraven of ophogen.
7.4.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 7.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • b. die betrekking hebben op regulier onderhoud en beheer;
  • c. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten en
  • d. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
7.4.3 Advies

Alvorens te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de waterkering met de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de waterkering niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld om eventuele schade te voorkomen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Bestaande maten
9.1.1 Afwijkende hogere maten

De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven én niet in strijd zijn met het voorheen geldend plan, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.

9.1.2 Afwijkende lagere maten

De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven én niet in strijd zijn met het voorheen geldend plan, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.

9.1.3 Herbouw

In geval van herbouw is het bepaalde in artikel 9.1.1 en 9.1.2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

Als gebruik van gronden en/of bouwwerken, strijdig met het plan, wordt in ieder geval aangemerkt:

  • a. het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor andere doeleinden dan voor de doeleinden behorende bij de bestemming;
  • b. het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken op een wijze of tot doel, leidend tot aantasting van de belangen die samenhangen met de doeleinden behorende bij de bestemming;
  • c. het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor de opslag en/of stalling van machines, goederen, materieel, (motor)voertuigen, vaartuigen, vliegtuigen, caravans, aanhangers, paardentrailers en/of overige zaken;
  • d. het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken als opslag-, stort- en/of bergplaats van grond en andere, al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en.of producten;
  • e. het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor de opslag van vuurwerk;
  • f. het (laten) splitsen van een (bedrijfs)woning in meerdere woningen, wooneenheden en/of appartementen, dan wel het het (laten) gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bewoning;
  • g. het (laten) plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen of enig ander onderkomen dan wel voorziening ten behoeve van recreatief nachtverblijf;
  • h. het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor het uitoefenen van een bedrijf, anders dan een aan huis verbonden beroep als bedoeld in artikel 1.3 of de verkoop via internet als bedoeld in artikel 1.85;
  • i. het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

één en ander anders dan ten dienste van de bestemming dan wel toegestaan krachtens een omgevingsvergunning en uitsluitend indien en voor zover de regels van de betreffende bestemming respectievelijk de voorschriften verbonden aan de betreffende omgevingsvergunning zich tegen dit gebruik niet verzetten.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

11.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop
11.1.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden primair bestemd voor het beschermen van de functie, de vrije windvang daaronder mede begrepen, van de in de nabijheid van het plangebied aanwezige molen(s) als werktuig(en) en van zijn respectievelijk hun waarde als beeldbepalend(e) element(en).

11.1.2 Verhouding vrijwaringszone vs. bestemming

Daar waar een bestemming samenvalt met de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' geldt primair het bepaalde ten aanzien van die aanduiding. De regels van de onderliggende bestemming zijn uitsluitend van toepassing indien en voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de aanduiding.

11.1.3 Bouwregels

Om de vrije windvang en het zicht op de molen(s) te waarborgen gelden, tenzij de vrije windvang van en het zicht op de molen(s) in de bestaande situatie al is beperkt, ten aanzien van het bouwen op de gronden die zijn voorzien van de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' de volgende bepalingen:

  • a. binnen een afstand van 100 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht of beplanting worden aangebracht waarvan de hoogte meer bedraagt dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;
  • b. binnen een afstand van 100 tot 400 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht of beplanting worden aangebracht waarvan de hoogte meer bedraagt dan 1/30 van de afstand, gemeten tussen de bebouwing en/of beplanting en de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen.
11.1.4 Afwijken van de bouwregels
  • a. Het bevoegd gezag kan voor het oprichten van bebouwing bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11.1.3, met inachtneming van het bepaalde in de bij de desbetreffende bestemming behorende regels;
  • b. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. wint het bevoegd gezag advies in bij een molendeskundige.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Parkeernormen

In geval van nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied dient de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg te worden gehanteerd. Uitgangspunt daarbij is dat parkeervoorzieningen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
13.3 Hardheidsclausule

Indien en voor zover toepassing van het Overgangsrecht bouwwerken dan wel het Overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens één of meer natuurlijke personen kan het bevoegd gezag besluiten ten behoeve van die natuurlijke persoon of personen:

  • a. van dat overgangsrecht af te wijken, of
  • b. dat overgangsrecht buiten toepassing te laten.
13.4 Bouwwerken
13.4.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
13.4.2 Afwijken algemene regel

Het bevoegd gezag kan eenmalig afwijken van het bepaalde in artikel 13.4.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 13.4.1 met maximaal 10%.

13.4.3 Uitzonderingen

artikel 13.4.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

13.5 Gebruik
13.5.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

13.5.2 Verandering gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 13.5.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

13.5.3 Voorwaarde

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 13.5.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

13.5.4 Uitzondering

artikel 13.5.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

13.5.5 Hardheidsclausule

Indien toepassing van het in 13.5 opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor één of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan grond en/of opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kan het bevoegd gezag met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie ten behoeve van die natuurlijke persoon of personen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 13.5 .

Artikel 14 Slotregel

deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Wilsveen 17'