| Plan: | Wilsveen 10 - 10a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1916.wilsveen10en10a-VG01 |
Initiatiefnemers hebben een verzoek ingediend bij de gemeente om de huidige bedrijfsbestemming van percelen Wilsveen 10 en 10a te wijzigen in een woonbestemming. Als compensatie voor de te slopen bedrijfsbebouwing en verharding is verzocht om een nieuwe woning op deze locatie te bouwen. Daarnaast heeft het verzoek betrekking op het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. De nieuwe ontwikkeling sluit beter aan op zijn omgeving dan de oorspronkelijke situatie met bedrijvigheid en betekent een verbetering van de ruimtelijke situatie.
Deze voorgenomen ontwikkeling past niet in het ter plaatse vigerende bestemmingsregime. Het voorliggende postzegelbestemmingsplan 'Wilsveen 10-10a' is het juridisch planologisch kader dat voorziet in de gewenste woonbestemming.
Het bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen Wilsveen 10 en 10a te Leidschendam, kadastraal bekend als de gemeente Stompwijk, sectie D, perceelnummer 1869, 1870 en 1707.
Het plangebied ligt in het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg. In de onderstaande afbeelding is de ligging en begrenzing van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan aangegeven.
Figuur 1.1: plangebied Wilsveen 10- 10a
Voor het plangebied geldt momenteel het bestemmingsregime 'Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg' die inhoudelijk het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Leidschendam, gedeeltelijke herziening 1987' van toepassing verklaart. De beheersverordening is op 22 juli 2017 voor onderhavige locatie (onherroepelijk) in werking getreden.
Na het in werking treden van het voorliggende bestemmingsplan vervalt voor het onderhavige plangebied de beheersverordening.
Het bestemmingsplan "Wilsveen 10 - 10a" bestaat uit een drietal onderdelen, te weten de toelichting, de regels en de verbeelding.
In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau. De relevante onderdelen worden benoemd en waar nodig vertaald naar het bestemmingsplan. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder meer wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke analyse van de omgeving van het plangebied en de functionele opbouw ter plaatse. In Hoofdstuk 4 wordt het toekomstbeeld voor het plangebied geschetst. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de ruimtelijke onderbouwing voor de herontwikkeling in het plangebied. In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op diverse relevante omgevingsaspecten, waaronder bodem, externe veiligheid, water, lucht- en geluidskwaliteit en worden verder de resultaten van de quickscan Flora en Faunawet besproken. Hoofdstuk 6 gaat in op het cultureel erfgoed. In Hoofdstuk 7 is opgenomen hoe de in het bestemmingsplan benoemde keuzes juridisch worden vormgegeven in de regels en op de verbeelding. Tenslotte wordt in Hoofdstuk 8 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven en onderbouwd. Hierbij wordt ingegaan op het vooroverleg met andere overheden en instanties, de maatschappelijke en de financieel-economische uitvoerbaarheid.
De regels en de verbeelding ('plankaart') vormen tesamen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Zij leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden en opstallen in het plangebied vast en vormen het formele beoordelingskader voor aanvragen om omgevingsvergunning en overige aanvragen op het gebied van bouwen en gebruik.
De regels en de verbeelding zijn opgesteld in overeenstemming met de geldende verplichte standaarden voor digitaal vergelijkbare en uitwisselbare bestemmingsplannen, die onder meer zijn vastgelegd in de IMRO2012 en de SVBP2012.
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor onderhavig plangebied relevante ruimtelijk beleid op provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleidskader vormt de formele basis voor de gewenste herontwikkeling in het plangebied en is daarnaast een onderbouwing voor de beleidskeuzes die in het plan zijn gemaakt.
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van Zuid Holland de "Visie Ruimte en Mobiliteit" (hierna: VRM) vastgesteld. Deze visie geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde te brengen en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
De VRM bestaat uit de 'Visie ruimte en mobiliteit', de 'Verordening ruimte 2014', het 'Programma ruimte' en het 'Programma mobiliteit'.
In het Visiedocument worden vier thema's onderscheiden.
Het programma ruimte beschrijft de operationele doelen en de realisatiemix om doelen te (doen) bereiken. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio's en provincie. De realisatiemix uit het programma ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet.
In het programma mobiliteit staan de ambities en de provinciale belangen. Het programma mobiliteit kent een grotere dynamiek dan de visie. Het kan hierdoor bijvoorbeeld in samenhang met een nieuw collegeprogramma, elke vier jaar worden geactualiseerd. Daarbij wordt verbinding gelegd met de verschillende uitvoeringsprogramma's, beleidsuitwerkingen en verordeningen zoals deze al bestaan voor mobiliteit.
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan een verordening er 1 is. De Verordening ruimte 2014 stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening ruimte 2014 daarom onder meer regels opgenomen over kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw, boom- en sierteelt, bollenteelt, ruimtelijke kwaliteit, agrarische bedrijven, waterkeringen, provinciale vaarwegen, recreatieve vaarwegen, windenergie, archeologie en molen - en landgoedbiotopen.
Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ('AMvB Ruimte') van het Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan provinciale verordeningen moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort uit de AMvB Ruimte, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur en de Romeinse Limes.
De Cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) geeft een overzicht van cultureel erfgoed in de provincie Zuid-Holland. Het cultureel erfgoed wordt hier opgevat als het geheel van overblijfselen uit het verleden in de bodem (archeologie), de ongebouwde omgeving (landschap) en de gebouwde omgeving (nederzettingen). Wanneer deze overblijfselen nog voldoende herkenbaar zijn als een kenmerk van de regionale bewonings- en ontginningsgeschiedenis, zijn ze op kaart gezet: de zogenoemde cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland.
De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht op hoofdlijnen van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Deze kaart kent 3 verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder thema bestaat weer uit 2 kaarten, de kenmerkenkaart en de waardenkaart, die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom.
Bij het opstellen van de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart is gebruik gemaakt van de cultuurhistorische hoofdstructuur bij het indentificeren en waarderen van archeologische (verwachtings)zones. De cultuurhistorische kaart is een belangrijke onderlegger voor ruimtelijke planvorming. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden blijft en/of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De provincie Zuid-Holland draagt medeverantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van het cultuurhistorisch erfgoed op en in haar grondgebied. De archeologische waarden die zich (vrijwel) onzichtbaar in de grond bevinden, zijn onderdeel van dat cultuurhistorisch erfgoed. Met de ontwikkeling van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) in 2001 en de herziening daarvan in 2007 heeft de provincie de archeologische waarden in kaart gebracht. De bescherming van het bodemarchief is wettelijk geregeld in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen.
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie is beschreven in de provinciale Verordening Ruimte en de daarbij behorende 'Visie Ruimte en Mobiliteit', welke door Provinciale Staten van Zuid Holland op 9 juli 2014 is vastgesteld.
De Provincie stelt in haar Verordening Ruimte dat het haar wens is, duidelijker aan te geven hoe de verdeling van de verantwoordelijkheid is tussen provincie en gemeenten bij het beschermen van bekende en potentiële archeologische waarden. Uitgangspunt is dat de gemeenten meer ruimte krijgen om hun eigen archeologiegebied in relatie tot de ruimtelijke ordening beter uit te voeren.
De gemeenten krijgen het voortouw bij de gebieden met verwachte archeologische waarden. Het gaat om de gebieden met een redelijk tot hoge trefkans op archeologische sporen en gebieden met een zeer hoge trefkans op archeologische sporen. Gemeenten kunnen voor die gebieden gemotiveerd afwijken van het provinciaal beleid op basis van een archeologische waardenkaart die gestoeld is op archeologisch onderzoek. De provincie zal zich dan terughoudend opstellen. Het provinciaal belang is het grootst in de gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden. Deze gebieden zijn daarom benoemd als planologische aandachtsgebieden. De daar aanwezige archeologische waarden hebben een relatie met de in de POA benoemde provinciale onderzoeksthema's. Deze waarden moeten goed beschermd worden in het bestemmingsplan. Daarom worden de archeologische aandachtsgebieden vastgelegd in de verordening. Door vaststelling van eigen archeologiebeleid en een gemeente dekkende archeologische beleidskaart kan een gemeente op basis van lokale omstandigheden gemotiveerd afwijken (naar beneden en naar boven) en een eigen planologisch regime ontwerpen.
Op het concrete wettelijke beoordelingskader en de archeologische onderzoeksresultaten voor het plangebied wordt verder ingegaan in Hoofdstuk 6.
De herijking (vastgesteld op 25 september 2012) vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers:
De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Plangebied van het voorliggende bestemmingsplan ‘Wilsveen 10-10A’ valt binnen het zogenaamde buitengebied. Voor het landelijk gebied zijn de onderstaande opgaven geformuleerd:
Buitengebied:
De in de herijkte structuurvisie geformuleerde ambities voor dit gebied, zijn in dit bestemmingsplan zo veel mogelijk in de overwegingen meegenomen.
Figuur 2.1: Structuurbeeld 2040
Het groenstructuurplan geeft op hoofdlijnen aan welk groen van belang is op gemeentelijk niveau en waar het groen versterkt kan worden. Het garandeert het groene karakter van de gemeente in de toekomst door de hoofdgroenstrucuur duidelijk te benoemen, verbindingen te maken en de ligging aan het buitengebied te versterken.
Om het groen in de gemeente te versterken wordt er ingezet op drie niveaus:
Om de ambities te verwezelijken, wordt in het Groenstructuurplan gesteld dat bij nieuwe ruimtelijke projecten het groen vanaf de initiatieffase een serieus onderdeel moet zijn van de planvorming. Voor elk ruimtelijk plan dient daarom, als onderdeel van de planvorming, een groene paragraaf geschreven te worden. Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn in paragrafen 4.3 en 4.4. aandacht besteed aan het groene karakter op het erf.
De Wro strekt ter bevordering van een “duurzame” ruimtelijke kwaliteit. Waar mogelijk wordt bij ruimtelijke ingrepen rekening gehouden met dit streven.
In het in 2009 vastgestelde Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 (zie raadsbesluit 2009/11053) staan uitgangspunten voor de doelgroep woningen geformuleerd. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt behoort echter niet tot deze doelgroep.
De ambities en afspraken op het gebied van duurzaam bouwen zijn vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam bouwen (Dubo) van de gemeente, geactualiseerd op het onderdeel energie door het Klimaatplan 2009-2020. Hierin zijn de ambities en doelstellingen op rijks-, provinciaal- en regioniveau vertaald naar het gemeentelijk werkveld.
De in de beleidsnota genoemde maatregelen worden waar mogelijk vastgelegd in intentie- of samenwerkingsovereenkomsten met andere ontwikkelende partijen. De beleidslijn is dat de gemeente werkt met het instrument GPR-gebouw. De gemeente gebruikt dit meetinstrument om de Dubo-prestatie van eigen projecten zichtbaar te maken en bevordert het gebruik van het instrument door derden. GPR-gebouw is een veelgebruikt hulpmiddel voor het maken van duurzaamheidkeuzen bij nieuwbouw en renovatie van woningen, utilitaire gebouwen en scholen. GPR-gebouw is een praktische en gebruiksvriendelijke online applicatie om plankwaliteit en milieubelasting van een project is samenhang te optimaliseren. De prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers. Hierbij behaal je een 6 als je bouwt volgens het Bouwbesluit. Het steven naar een maximale duurzaamheid wordt vertaald in een score van 10. Welke score behaald dient te worden is vooralsnog afhankelijk van het project.
Conform de herziene Monumentenwet moeten gemeenten het archeologische belang meewegen in ruimtelijke projecten vanaf 100 m². Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar archeologie beleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009.
In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, 'archeologienota herijking 2013. In de Nota archeologie wordt een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd. De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels.
De bodem van de Gemeente Leidschendam-Voorburg is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Op de kaart wordt vermeld welke eventuele beperkende maatregelen van toepassing zijn en welk archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten verplicht is gesteld. De gemeente Leidschendam-Voorburg voert een actief beleid om de bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen te actualiseren indien er nieuwe of aanvullende gegevens bekend worden. Het wordt daarom aangeraden de gemeentelijke website te bezoeken voor de meest actuele versie van de archeologische beleidskaart.
Het is voor iedere gemeente verplicht om een verordening vast te stellen waarin de inschakeling is geregeld van een monumentencommissie. Deze commissie adviseert op het gebied van de monumentenzorg en heeft in elk geval tot taak om te adviseren over omgevingsvergunningen voor wijziging aan (van) rijks- en/of gemeentelijke monumenten. Gemeentelijke monumenten worden aangewezen en beschermd op basis van de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010. Daarnaast vormt de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010 de basis voor het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten en gemeentelijke groenmonumenten. Ook is het mogelijk op basis van de verordening een gebouw, groenelement of structuur aan te wijzen als een beeldbepalende zaak. De gemeentelijke monumenten of beeldbepalende zaken worden geregistreerd op een gemeentelijke monumentenlijst.
Het onderhavige plangebied is niet gelegen in een (gemeentelijk of rijks) beschermd stads- en dorpsgezicht.
Het gemeentelijk parkeerbeleid is nader uitgewerkt in de gemeentelijke Parkeernota uit 2005. In de nota komen verschillende vormen van parkeerregulering, inclusief bijbehorend afwijkingsbeleid, aan de orde. Daarnaast wordt onder andere aangegeven hoe wordt omgegaan met parkeren voor diverse doelgroepen, parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen en de handhaving van het parkeerbeleid. Op basis van een inventarisatie van parkeerknelpunten biedt de nota een overzicht van oplossingsrichtingen voor de korte, middellange en lange termijn.
Eén van de uitgangspunten van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bouwplannen niet mogen leiden tot extra parkeerdruk in de directe omgeving. De te hanteren parkeernormen bij nieuwbouw, functiewijziging of verbouw zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg.
Vanaf 1 juli 2004 is het toetsen van bouwplannen 'aan redelijke eisen van welstand' alleen nog mogelijk op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota. Daartoe heeft de gemeenteraad op 14 juni 2004 de "Welstandsnota Leidschendam-Voorburg" vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven op welke welstandsgerelateerde aspecten gelet wordt bij het beoordelen van vergunningaanvragen. De nota is gewijzigd bij besluiten van 31 januari 2006, 2 februari 2010 en 13 september 2011.
De redelijke eisen van welstand zijn daarbij geobjectiveerd door de gemeente onder te verdelen in een aantal gebiedstypen. Elk gebiedstype kent eigen welstandseisen voor zowel bouwwerken op zichzelf als in relatie tot de omgeving, aan de hand waarvan bouwplannen worden beoordeeld. Elk gebiedstype kent eigen welstandaspecten voor het bouwwerk op zichzelf en voor het bouwwerk in relatie tot de omgeving waarop beoordeeld wordt.
Figuur 2.2: gebiedstypen welstandsnota
Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan ‘Wilsveen 10-10a’ valt onder het gebiedstype 'Buitengebied'.
Het landelijk gebied van Stompwijk is landschappelijk een relatief jong agrarisch gebied. De veenpolders zijn in de 17e tot 19e eeuw voor turfwinning vergraven en vervolgens als droogmakerij ingericht. De dijkprofielen volgen nog de eerdere polderstructuur.
Het buitengebied heeft een grotendeels oorspronkelijk ogend landschappelijk karakter, met overwegend kleinschalige traditionele bebouwing. De Stompwijkse polders hebben een openheid die nu als bijzonder wordt ervaren temidden van de omringende steden. De dijkprofielen zijn in die openheid het meest markante landschappelijke element. In paragraaf 3.2 van de toelichting is de ruimtelijke analyse van de omgeving van het plangebied beschreven waarnaar verwezen wordt.
Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied op basis van de bestaande situatie. Aan bod komen de ruimtelijke hoofdstructuur van de omgeving van het plangebied en de aanwezigheid van functies binnen het plangebied.
Het plangebied is gelegen aan het Wilsveen aan de zijde van de Nieuwe Driemanspolder, een polder die ondanks de verstedelijking in de omgeving veel van zijn oude karakteristiek heeft weten te behouden. Kenmerkend is het landschapspatroon bestaande uit oude ontginningswegen (Veenweg; Den Haag, Wilsveen; Leidschendam en Voorweg; Zoetermeer) met de hierlangs gelegen 'losse' lintbebouwing en de lager gelegen poldereenheden met hun karakteristieke, opstrekkende kavels. Veenwinning gevolgd door een continu proces van inklinking en bemaling heeft geresulteerd in een polderlandschap met relatief grote hoogteverschillen tussen het polderpeil en zijn omgeving.
Gedurende de veenontginning zijn in het plangebied de eerste nederzettingen ontstaan. In oorsprong was er sprake van relatief intensieve lintbebouwing langs de oude landwegen met Wilsveen als belangrijkste 'kern' rond een kerk. Vanaf de 17e eeuw is het overwegend natte gebied stapsgewijs drooggemalen en geschikt gemaakt voor landbouwkundig gebruik. Voor deze drooglegging is onder andere de huidige Molendriegang langs de Molenvaart van Wilsveen aangelegd (destijds een Molenviergang) en een inmiddels verdwenen Molengang in Potteveen. Gedurende de droogmaking verschoof het accent van de bebouwing naar Stompwijk en resteerde slechts een beperkt aantal boerderijen en arbeiderswoningen langs het Wilsveen.
De bodemgesteldheid van het gebied is van grote invloed geweest op de vormen van grondgebruik die zich in de loop der tijd hebben ontwikkeld. Grenzend aan het plangebied betreft dat vrijwel alleen grasland.
Komende jaren wordt het projectgebied Nieuwe Driemanspolder getransformeerd tot waterbergingsgebied met een recreatieve en natuurfunctie. Dat betreft ook het deel van het gebied wat in de gemeente Zoetermeer gelegen is. Als gevolg van deze beplanting zal de oorspronkelijke openheid van de polder kleiner worden. Het agrarisch gebruik binnen het projectgebied zal in zijn geheel verdwijnen. De boerenbedrijven die de betreffende gronden nu nog in gebruik hebben, zullen bedreigd raken in hun bestaanszekerheid.
Figuur 3.1: Projectgebied waterbergingsgebied Nieuwe Driemanspolder
De traditionele bebouwing langs het Wilsveen bestaat uit de boerderijclusters en wat kleinere woonhuizen oorspronkelijk bedoeld voor landarbeiders of boeren in ruste. De boerderijen hebben over het algemeen langgerekte agrarische opstallen met een oriëntatie 'loodrecht' op de weg. De gebouwen bestaan over het algemeen uit één laag met een schuine kap. Een aantal boerenerven kent fraaie solitaire of oude bomen, die als baken en herkenningspunt functioneren.
Algemene kenmerken boerenerven:
Burgerwoningen hebben over het algemeen een kleinere maat. Meestal bestaat de bebouwing uit één laag met kap met een relatief groot kapvlak. De woningen staan over het algemeen dichter op de weg dan de boerenerven.
Algemene kenmerken burgerwoningen:
Karakteristiek voor de lintbebouwing is verder dat tussen de verspreide bebouwing veel doorkijkjes zijn naar het weidse landschap. Het Wilsveen is door de opgaande erfbeplantingen een groene lijn in het landschap en zorgt voor het opdelen van dit landschap in verschillende ruimtes. Bebouwing buiten deze linten komt in het gebied nauwelijks voor.
De belangrijkste economische activiteit in de omgeving van het plangebied is landbouw. Als gevolg van de aanleg van de waterberging in de Nieuwe Driemanspolder zal een deel van de bedrijven deze functie verliezen, waarbij de individuele bedrijfssituatie bepalend is voor het nieuwe toekomstperspectief.
Op het onderhavige perceel hebben vanaf de jaren '60 van de vorige eeuw bedrijfsactiviteiten plaatsgehad. De oorspronkelijke boerderij is toentertijd verkocht aan een aannemersbedrijf en het achterliggende perceel kreeg een invulling als opslagterrein van bouwmaterialen. In de daaropvolgende jaren zijn verschillende kleinere en grotere bedrijfsgebouwen bijgebouwd. In 1983 is de betreffende woning bij het bedrijf volledig herbouwd met een zwembad.
Door het vertrek van het aannemersbedrijf rond de eeuwwisseling heeft het terrein nieuwe invulling gekregen als opslagterrein voor verschillende kleinere bedrijven. Naast de bestaande gebouwen zijn ook zeecontainers geplaatst om goederen in op te slaan.
Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Leidschendam, gedeeltelijke herziening 1987' de bestemming 'niet-agrarische bedrijven' met de specifieke aanduiding ‘Aannemersbedrijf’ toegekend gekregen. Deze bestemming staat één bedrijfswoning toe. In 2013 is de bestaande (bedrijfs)woning op het perceel verkocht waarna het perceel in drie delen is gesplitst. Het derde perceel is enkele jaren later verkocht aan het Hoogheemraadschap Rijnland/provincie Zuid-Holland om medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van de Driemanspolder. Daarbij zijn enkele van de bedrijfspanden alvast gesloopt.
Op de derde gesplitste perceel, de locatie waar de nieuwe woning geprojecteerd is, staan diverse opstallen in de vorm van een bedrijfspand, een garage en bergingen. De bebouwing bestaat uit twee lagen met kap en de bijgebouwen en garage uit één laag met kap.
Dit hoofdstuk gaat in op de voorgestelde ontwikkeling, de beoordeling hiervan aan het gemeentelijk en provinciaal beleid als mede de keuze om de ontwikkeling middels onderhavige bestemmingsplan mogelijk te maken.
Initiatiefnemers hebben een verzoek ingediend om de huidige bedrijfsbestemming binnen het plangebied te wijzigen in een woonbestemming. Het initiatief betreft het omzetten van de bestaande bedrijfswoning in de burgerwoning. Als compensatie voor de te slopen bedrijfsbebouwing is verzocht om een tweede woning op het naastgelegen perceel te mogen bouwen. Per saldo komen er twee burgerwoningen in plaats van de huidige bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing.
Figuur 4.1: Huidige situatie plangebied
De komst van één nieuwe woning in ruil voor de sloop van in totaal 730 m2 bedrijfsbebouwing en de omzetting van een bedrijfsbestemming naar woonbestemming van de bestaande woning, is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Met dit voorstel wordt het bebouwd oppervlak drastisch verkleind. Ook het bedrijfsmatige karakter en de daaraan verbonden rommeligheid van het perceel zal verdwijnen. Zeker met het verlies aan een functie, ligt ook verwaarlozing van de bedrijfsgebouwen voor de hand. Dat zou een extra achteruitgang van de ruimtelijke kwaliteit van het lint betekenen. Naast de sanering van de bedrijfsmatige bebouwing, wordt er ook veel verharding (waaronder stelconplaten) gesaneerd en omgevormd tot groen/tuin.
Met deze ontwikkeling ontstaan er doorzichten over het erf naar de Nieuwe Driemanspolder. Tevens zal de verkeersbelasting van dit perceel afnemen, wat de recreatieve beleving van het Wilsveen ten goede komt.
Een (nieuwe) woning past goed in de structuur die het Wilsveen nu kenmerkt, namelijk een afwisseling van open grasland, (voormalige) boerderijen en burgerwoningen. Een tweede vrijstaande woning op het perceel Wilsveen 10 geeft voldoende garantie voor het behoud en (op betreffende locatie) een verbetering van het open, landschappelijke karakter van dit lint. Het karakter en de korrelgrootte van een woning past daarin beter dan de industriële uitstraling van de (huidige) grote bedrijfsopslag met containers.
Bovenstaande sluit ook aan op het provinciaal beleid aangezien het initiatief een 'inpassing' betreft conform artikel 2.2.1 van de Verordening Ruimte 2014. Met deze ontwikkeling wordt het lineaire karakter van het lint immers versterkt, wordt de korrelgrootte verkleind en wordt (dit deel van) het lint transparanter. Beleidsmatig sluit de invulling met een woning ook aan bij de bedoeling van het bestemmingsplan ‘Nieuwe Driemanspolder 2009’ dat voor de directe omgeving van het plangebied geldt. Hierin wordt immers de transformatie van 'agrarisch' en 'bedrijvigheid' naar 'woningbouw' gestimuleerd door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid van het college. Dat de van toepassing zijnde bestemming uit het bestemmingsplan ‘Nieuwe Driemanspolder 2009’ voor het onderhavige plangebied door de uitspraak van de Raad van State is vernietigd, doet niet af aan het beleidsvoornemen om een dergelijke transformatie naar woningbouw mogelijk te maken.
De bestaande burgerwoningen liggen langs het Wilsveen over het algemeen relatief dicht op de weg en hebben veelal een langs-oriëntatie. Als gevolg van de (wettelijke) geluidscontour moet de betreffende nieuwbouwwoning minimaal 27 meter uit de weg-as liggen. Als gevolg hiervan is ervoor gekozen om de woning in de lengterichting op het perceel te plaatsen. Hierbij sluit het aan op de oriëntatie van de agrarische bebouwing die over het algemeen (i.t.t. de burgerwoningen) wat verder naar achteren op de percelen is gesitueerd.
Als gevolg van deze oriëntatie blijven de zichtlijnen naar het achterliggende landschap optimaal open. Dit draagt bij aan het gewenste groene karakter van dit lint. De hoogte en inhoudsmaat van de nieuwe woning zijn overeenkomstig de overige burgerwoningen langs het lint.
Figuur 4.2: concept kavelindeling nieuwe situatie
De nieuwe woning krijgt een eigen inrit vanaf het Wilsveen. Dit is karakteristiek voor dit lint aangezien de grote meerderheid van de woningen een eigen inrit heeft. Bij onderhavig erf wordt de inrit zo gesitueerd dat de twee bestaande oude bomen die vooraan in de tuin staan, maar een belangrijke bijdrage leveren aan het groene beeld van dit lint als geheel, gehandhaafd blijven.
Het parkeren bij de nieuwe woning vindt evenals bij de bestaande woning, op eigen terrein plaats. Om de ruimtelijke impact van het parkeren vanaf de openbare weg te minimaliseren, wordt bij de nieuwe woning gesteld dat het parkeren achter de voorgevelrooilijn opgelost moet worden en dat de verharding ten behoeve van de oprit beperkt moet blijven tot wat noodzakelijk is om op een adequate wijze te kunnen parkeren. Omdat de voorgevel rooilijn op minimaal 27 meter uit de wegas ligt, geldt die afstand ook voor het parkeren. Het terrein tussen de openbare weg en de voorgevelrooilijn wordt geheel ingericht als (sier)tuin zonder opstanden en parkeervoorzieningen. Initiatiefnemers hebben daarnaast ook aangegeven de inrichting van de parkeerplaatsen (achter de voorgevelrooilijn) mee te willen nemen in het ontwerp van de gehele (voor)tuin, waardoor de parkeerplaatsen op een logische manier ingepast zullen worden in het geheel. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat de woning een representatieve uitstraling krijgt. Dit is geheel in lijn met het wenselijke beeld langs dit lint.
In het bestemmingsplan is naast stedenbouwkundige uitgangspunten en bestaand ruimtelijk beleid ook rekening gehouden met verschillende omgevingsaspecten, zoals de bodemgesteldheid, geluid, luchtkwaliteit en de milieucategorisering van bedrijven.
Om milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten te voorkomen, worden grenzen gesteld aan de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in het toelaten van nieuwe bedrijvigheid noch in het positief bestemmen van bestaande bedrijfsfuncties. Het naastgelegen perceel waarop voorheen agrarische activiteiten werden ontplooid, heeft sindskort de functie wonen toekend gekregen. In de directe omgeving van het plangebeid zijn er verder geen andere bedrijfsactiviteiten zodat de nieuwe ontwikkeling geen bestaande milieurechten van derden raakt.
In verband met een grondtransactie heeft de gemeente in november 2010 een historisch onderzoek uitgevoerd. Daarnaast heeft het milieukundig adviesbureau BK, in opdracht van de aanvrager in november 2012 in verband met de voorgenomen bouw van een woning een drietal milieukundig bodemonderzoeken uitgevoerd.
Uit de bovengenoemde onderzoeken blijkt dat de olieverontreiniging binnen het plangebied afdoende is verwijderd. In 2013 heeft de gemeente door middel van een brief ingestemd met de uitgevoerde bodemsanering en aangegeven dat de locatie geschikt is voor de functie “wonen met tuin”.
Uit het bovengenoemd rapport van milieukundig adviesbureau BK van 2012 blijkt dat er binnen het plangebied geen aanwijzingen zijn gevonden inzake mogelijke ernstige bodemverontreiniging. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning is een nieuw bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Bij de bouw van een woning en graafwerkzaamheden dient men in het kader van de arbo-wet wel rekening te houden met enige onzekere factoren. Zo is de grond plaatselijk puinhoudend. Het rijk heeft in 2017 aangegeven dat puinhoudende grond mogelijk verhoogde gehalten aan asbest kan bevatten en de puinhoudende grond nader onderzocht dient te worden. Dus bij graafwerkzaamheden ter plaatse van puinhoudende grond is in het kader van de arbo een aanvullend onderzoek wenselijk.
De waterparagraaf is een vast onderdeel van het bestemmingsplan en is in samenspraak met de waterbeheerders tot stand gekomen.
In dit hoofdstuk komen alle relevante water aspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de polder- en boezemwatergangen in en om het plangebied als ook voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het boezemwater. Het Hoogheemraadschap is tevens de beheerder van de waterkeringen. De gemeentelijke taken zijn o.a. het riool- en oeverbeheer.
Het plangebied bevindt zich niet binnen de kern- en/of beschermingszone van de waterkering. De realisatie van het plan is dus niet van invloed op het functioneren van een waterkering.
Het gebied waar onderhavige projectlocatie binnen valt, is een gebied met landelijke doeleinden. Het plan ligt in de Nieuwe Driemanspolder. Het oppervlaktewater in hiervoor bedoeld plangebied heeft een belangrijke functie in de ont- en afwatering van het landelijke gebied. Rondom het plangebied is een aantal watergangen aanwezig waaronder een primaire hoofdwatergang ten westen van het plangebied. Het watersysteem staat op onderstaande afbeelding.
Figuur 5.1: Watersysteem rondom het plangebied
| Naam polder | Zomerpeil/Winterpeil NAP |
| Nieuwe Driemanspolder | - 5,72/- 6,02 m |
Figuur 5.2: peil polder
Op basis van het bouwplan, ten behoeve van de nieuwbouwwoning komt een nieuwe ontsluiting waarbij een watergang doorkruist dient te worden. Dit kan door middel van een brug of dam met duiker.
Wanneer de bruggenhoofden niet binnen het profiel van de watergang vallen, hoeft er voor de brug geen watervergunning te worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Wanneer de ondersteunende constructie van de brug binnen het profiel van de watergang geplaatst wordt, wordt dit gezien als demping. De demping dient gecompenseerd te worden. Zowel voor de demping als de compensatie moet een vergunning worden aangevraagd.
Wanneer een dam met duiker in de watergang wordt gelegd, moet er een watervergunning worden aangevraagd. De demping die wordt veroorzaakt door de aanleg van een dam moet worden gecompenseerd. De diameter van de duiker moet minimaal 1000 mm zijn.
In het kader van de aanleg van het waterbergingsproject in de Nieuwe Driemanspolder komt ten zuiden van het plangebied een watergang. Deze watergang is in het bestemmingsplan ‘Nieuwe Driemanspolder 2009’ aangegeven middels de bestemming Water (art.15). Het plangebied is een kwetsbaar kwelgebied.
Omdat het plangebied een kwetsbaar kwelgebied betreft, gelden er op basis van het Beleid / keur Hoogheemraadschap van Rijnland aanvullende eisen ten aanzien van het verwijderen van heipalen en damwanden;
De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt dan als absoluut minimum. Indien mogelijk dient bij een herontwikkeling de bergingscapaciteit vergroot te worden. De Nieuwe Driemanspolder kent geen historisch bergingstekort.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden dat er voldoende watercompensatie plaatsvindt als de hoeveelheid verharding toeneemt. Ruimtelijke ontwikkelingen zullen het watertoetsproces met het hoogheemraadschap moeten doorlopen.
Het plangebeid is gelegen in het buitengebied van Leidschendam. Voor het perceel waar de nieuwe woning gerealiseerd wordt, neemt de bestaande verhouding bebouwing / verharding sterk af. Los van een aan te leggen dam of brug ten behoeve van de ontsluiting hoeft er hoeft geen watercompensatie plaats te vinden.
Om (toekomstige) grondwateroverlast tegen te gaan is een minimale drooglegging van 80 cm noodzakelijk. Het gemeentelijke grondwatermeetnet bevat geen gegevens van het gebied rondom de planlokatie. Geadviseerd wordt om aan de hand van de situatie ter plaatse van het bouwkavel het juiste bouwpeil te kiezen. Indien een kelder onderdeel uitmaakt van het bouwplan, dient deze waterdicht te worden uitgevoerd.
Het rioleringsbeheer en het baggerbeheer hebben een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Daarnaast speelt de aanwezigheid van bomen, vogels als eenden en ganzen en de visstand een rol in de waterkwaliteit. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het onderhoud van het hoofdwatersysteem. Dit betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud.
Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een drukrioleringsstelsel. Het nieuwbouwplan wordt hierop aangesloten. In het plangebied is geen afvalwater(pers)transportleiding aanwezig. De gemeente stelt als eis dat nieuwbouwplannen voorzien in het gescheiden aanbieden van vuilwater en schoon hemelwater. Het vrijkomende hemelwater vanuit het plangebied moet worden geïnfiltreerd of afgevoerd naar de naastgelegen watergang. Voor zover in het plan uitlogende materialen worden toegepast (lood, zink voor de dakgoot), worden deze voorzien van een coating. Op die manier wordt verontreiniging zoveel mogelijk voorkomen.
De inrichting en het onderhoud van watergangen hebben grote invloed op de biologische waterkwaliteit, dat wil zeggen de aanwezigheid van vissen, macrofauna en waterplanten. Rijnland streeft naar biologisch gezond water dat voldoet aan de eisen die er vanuit de toegekende functie aan gesteld worden. Aantasting van het aquatisch ecosysteem moet worden vermeden. Een natuurvriendelijke inrichting van de oevers en het benadrukken van de netwerkfunctie van het water dragen bij aan de ecologische en landschappelijke infrastructuur.
Er is geen natte ecologische verbindingszone in het plangebied gelegen. In het plangebied zijn geen specifieke doelstellingen voor de aanleg van extra natuurvriendelijke oevers. Nieuwe oevers dienen bij voorkeur als natuurvriendelijke oevers uitgevoerd te worden.
Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt, is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft.
Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen.
De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren, bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van water naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd en opgeslagen mag worden. De toestemming voor het uitvoeren van deze werkzaamheden is geregeld in de watervergunning.
Hiermee is de Keur een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen.
Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Ten behoeve van de voorwaarden, die in het kader van de Watervergunning kunnen worden gesteld, dient bij werkzaamheden in of nabij een watergang de initiatiefnemer in overleg te treden met de vergunningverlenende afdelingen van het betreffende Hoogheemraadschap. Op deze wijze kunnen de voorwaarden waaraan het bouwplan zal moeten voldoen worden besproken.
Het plan voldoet aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden gesteld. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft d.d. 6 oktober 2017 positief geadviseerd over dit bouwplan.
De Wet milieubeheer en bijbehorende besluiten (waaronder het Besluit 'niet in betekende mate bijdragen') bevatten de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In deze wet zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is bepaald onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders onder meer een bestemmingsplan mogen vaststellen of wijzigen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van deze bevoegdheid:
Indien aannemelijk gemaakt kan worden dat aan tenminste één van bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, is het uitvoeren van een uitgebreid luchtkwaliteitsonderzoek wettelijk niet meer verplicht.
Uit de landelijke 'Monitoringstool’ kan worden afgeleid, dat de heersende en toekomstige luchtkwaliteit in het plangebied voldoet aan de grenswaarden (jaargemiddelde van 40 microgram/m³) in de toetsjaren 2015, 2020 en 2030. Nergens in het plangebied is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de wettelijke grenswaarden. Daarmee wordt voldaan aan de bovengenoemde voorwaarde onder 1.
Het plan ligt met een omvang van twee woningen ver beneden de planomvang van 1500 woningen waarboven sprake kan zijn van een 'in betekenende mate bijdrage' aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat betekent dat ook wordt voldaan aan voorwaarde 3.
Het plan is niet in strijd met het wettelijk kader omtrent luchtkwaliteit. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is om die reden niet nodig. De luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.
De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de in de wet bepaalde norm, die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Voor het voorliggende plan is alleen wegverkeerslawaai relevant.
Met een bestemmingswijziging van de huidige 'bedrijfswoning' van het perceel Wilsveen 10 naar 'burgerwoning' is geen sprake van het toevoegen van een nieuwe geluidsgevoelige bestemming, zodat toetsing aan de Wgh niet aan de orde is.
De beoogde nieuwe woning op het naastgelgen perceel Wilsveen 10a betreft een nieuwe geluidsgevoelige bestemming in de zin van Wgh en is geprojecteerd binnen de wettelijke geluidszone vanwege wegverkeerslawaai van het Wilsveen. Het plan is niet gelegen binnen andere wettelijke geluidszones.
Overeenkomstig artikel 76a Wgh is akoestisch onderzoek verplicht om te bepalen of voor het bouwplan wordt voldaan aan de geluidsnormen voor wegverkeerslawaai.
De uitgevoerde akoestische onderzoeken ten behoeve van de woningen Wilsveen te Leidschendam, worden bruikbaar geacht om de geluidsbelasting vanwege het Wilsveen voor dit plan te beoordelen. Op basis van die onderzoeken is voldoende aannemelijk dat de toekomstige geluidsbelasting (10 jaar na vaststelling plan) op tenminste 27 meter van de wegas van het Wilsveen op de onderhavige locatie hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), maar niet hoger dan de maximaal vast te stellen hogere grenswaarde van 53 dB die geldt voor nieuwe woningen in buitenstedelijk gebied.
Door vaststelling van een hogere grenswaarde Wet geluidhinder van 53 dB (bijlage 1) is realisatie van een nieuwe woning mogelijk op de locatie Wilsveen 10a, onder de voorwaarde dat de afstand van de woning tot de as van het Wilsveen tenminste 27 meter bedraagt.
Bij ruimtelijke ingrepen dient te worden nagegaan of er planten en dieren voorkomen of worden verwacht, die bedreigd zijn dan wel beschermd zijn in het kader van Wet natuurbescherming (voorheen Fora en faunawet). Daarnaast moet worden onderzocht of het plangebied is gelegen in of in de directe omgeving van beschermde natuurgebieden.
Ten behoeve van het plangebied is op basis van de Flora- en faunawet een QuickScan verricht naar eventuele belemmeringen vanwege te beschermen flora en fauna (bijlage 2).
Per 1 januari 2017 is de Flora en Faunawet en de Natuurbeschermingswet (1998), samen met de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. Met de nieuwe wet hebben wijzigingen plaatsgevonden maar deze zijn niet relevant voor het verrichte onderzoek of voor de locatie van het plangebied. Derhalve is aanpassing van onderhavig onderzoek niet nodig.
Binnen het plangebied en/of de directe omgeving daarvan komen geen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of bijzondere nationaal beschermde soorten. De locatie en omgeving ervan worden incidenteel betreden door algemene amfibieën en zoogdieren. Op de planlocatie zijn geen geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels aanwezig. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot Natura2000-gebieden is van externe werking geen sprake.
De werkzaamheden en toekomstige situatie leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit).
De realisatie van een nieuwe burgerwoning aan de Wilsveen 10a te Leidschendam is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
Te treffen maatregelen:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten:
Tevens is rekening gehouden met het beleid Externe Veiligheid van stadsgewest Haaglanden d.d. december 2012 en de notitie "Advisering EV d.d. jan 2015" dat door de Veiligheidsregio Haaglanden is opgesteld.
Risicovolle objecten zijn o.a.:
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.
Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek.
Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn:
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse aardgas-transportleidingen. De dichtstbijzijnde leiding bevindt zich ten noorden van het plangebied op een afstand van ca. 370 meter. De kenmerken van de aardgas trasportleiding is in onderstaande tabel weergegeven.
| nummer | diameter | druk | 1%-letaliteit | 100%-letaliteit | ligging |
| W-517-KR-013 | 30 inch | 66 bar | 380 | 160 |
Figuur 5.4: kenmerken van de aardgas trasportleiding
De ligging van de gasleidingen met de letaliteitscontouren zijn op onderstaand plaatje weergegeven.
Figuur 5.4: Ligging aardgastransportleiding en letaliteitscontouren
Legenda
Aangezien het plangebied zich binnen het invloedsgebied van de ondergrondse aardgastransportleiding bevindt, is formeel gezien het aspect Externe Veiligheid aan de orde. Echter aangezien de woning net buiten het invloedsgebied wordt gebouwd waarbij het realiseren van één nieuwe woning het GR niet zal beïnvloeden, is het aspect 'Externe Veiligheid' in relatie tot de aardgastransportleiding geen belemmerende factor voor het voorliggende plan.
Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, het water of het spoor heeft het rijk normen vastgesteld in de nota 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' en diverse sectorale wetten. Transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en de omgeving in de nabijheid van deze routes moet aan speciale eisen voldoen. De 'Regeling Basisnet' maakt het mogelijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen blijft plaatsvinden op een zo veilig mogelijke manier.
Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg zijn de onderstaande wegen aangewezen als routering voor het transport van gevaarlijke stoffen (Staatsblad 2013, 307):
A4 (Rotterdam-Leiden)
De berekeningen voor de A4 hebben niet geleid tot een contour voor de grenswaarde van 1,0 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor het plangebied. Het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) ligt binnen de grenzen van de rijksweg. Het groepsrisico is bepaald op 0,030 x de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico blijft daarmee onder de 0,1 x de oriëntatiewaarde. Volgens de circulaire RnVGS is een verantwoording van het groepsrisico dan niet nodig. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt.
Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt.
De ligging van de autowegen met diverse contouren zijn op onderstaande kaart weergegeven (bron: geoweb maart 2018).
Figuur 5.5: Afstand A4 tot het plangebied
Legenda
De afstand van het hart van de A4 tot het plangebied bedraagt ca. 1100 meter. Bij een ongeluk met LPG-transport kan binnen een zone van 355 meter schade aan gebouwen en mensen worden toegebracht. Het plangebied bevindt zich (ruim) buiten deze zone. Vanuit oogpunt van Externe Veiligheid vormt het transport van gevaarlijke stoffen over de weg daarom geen belemmerende factor.
De spoorbaan Den Haag – Leiden ligt op meer dan 3 km ten noorden van het plangebied. Over deze spoorbaan vindt in principe geen transport van gevaarlijke afvalstoffen plaats. Wanneer incidenteel transport van gevaarlijke stoffen over het spoor plaatsvindt, zijn er geen risico's die van belang zijn om in het onderhavige plangebied op te nemen. Tevens is de afstand tussen het plangebied en de spoorbaan meer dan 1 km.
Over de Vliet, gelegen ter plaatse van de noordelijke plangrens vindt incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De Vliet is niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van externe veiligheid.
Aangezien bij transport van gevaarlijke stoffen over het spoor of over water alleen binnen een afstand van 200 meter vanaf de bron het aspect Externe Veiligheid een rol kan spelen, is ook hier geen sprake van een belemmerende factor.
Ter plaatse en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Het aspect 'Externe Veiligheid' vormt gelet op de bovenstaande bevindingen en overwegingen geen belemmering voor de vaststelling en verwezenlijking van het voorliggende plan.
De gemeente heeft in de periode 2013-2015 op basis van dossiers over WO-2 een kaart gemaakt met daarop aangegeven de oorlogshandelingen, bomkraters, loopgraven, stellingen, etc. Tevens heeft adviesbureau AVG in september 2015 conform de landelijke norm een explosievenonderzoek uitgevoerd.
Figuur 5.6: Feitenkaart, opgesteld door AVH in maart 2015
De kans dat in de bodem ter plaatse van het plangebied niet gesprongen conventionele explosieven aanwezig zijn is gering, hoogstens klein kaliber.
Figuur 5.7: Luchtfoto omgeving plangebied
Bovenste twee kaarten zijn afkomstig van het gemeentelijk GIS. Met rode lijnen zijn de loopgraven aangegeven uitmondend in blauwe cirkels geschut en daaromheen prikkeldraad. Aan het einde van de Kostverlorenweg was in 1944-1945 mogelijk een mijnenveld aanwezig. Op 11 april 1945 is een vliegtuig gecrasht (Haliffax) in een weiland achter Wilsveen.
Door het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan lopen geen hoofdgastransportleidingen en ook geen andere leidingen (water, electriciteit, e.d.) die planologisch relevant zijn, dat wil zeggen: leidingen waarvoor in het bestemmingsplan een beschermend regime dient te worden opgenomen. Het aspect 'kabels en leidingen' vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan resp. de verwezenlijking van de beoogde woonfunctie.
De vroegste geschiedenis van Leidschendam gaat terug tot ca. 4000 v.Chr. Door de daling van de zeespiegel vormde zich toen een strandwal waarop duinen ontstonden. Achter deze duinen ontwikkelde zich een soort binnenzee waarin zich hoogveen vormde. Via diverse kreken waterde dit hoogveengebied af naar de Oude Rijn. Al snel na de komst van de Romeinen (rond het begin van de jaartelling) werd de Oude Rijn in de periode tussen ca. 50 en 250 n.Chr. de noordgrens van het Romeinse Rijk.
Tussen ca. 4000 v.Chr. en 1000 n.Chr. vormde zich een dik veenpakket, alleen toegankelijk via kleine rivierstroompjes. Vanaf de 10de- eeuw namen de graven van Holland het initiatief om deze woeste gronden te ontginnen. In ruil voor wederdiensten droegen zij ter ontginning stukken grond over aan pioniers en er werden sloten gegraven om het veen te ontwateren. In enkele eeuwen werd het gehele gebied ontgonnen en akkers en weilanden aangelegd. De hogere oeverwallen langs de vroegere rivierstroompjes waren hoog genoeg om te bewonen en in de loop van de 12de-eeuw ontstonden op deze oeverwallen nederzettingen met linten van agrarische bebouwing. Door het droogmalen van de veengebieden klonk het veen in en zakte geleidelijk de bodem. Vanaf de 14de-eeuw werd het gebied daardoor te nat voor akkerbouw en schakelden de boeren over op het weiden van vee en turfsteken.
Door de voorspoedige economische ontwikkeling van de Nederlanden in de 17de-eeuw werden investeringsprojecten opgezet, waarin rijke burgers hun geld konden beleggen. Het omdijken en met windmolens droogmalen van natte gebieden vormde een lucratieve investering De veenlagen werden afgestoken en de onderliggende kleigronden werden ontgonnen. Talrijke nieuwe polders werden op een dergelijke wijze in cultuur gebracht en de investeerders verkavelden vervolgens de nieuwe polder.
In 1999 werd de Rijksnota Belvedere opgesteld. Gebieden werden geïnventariseerd en geselecteerd op basis van archeologische, historisch-(steden)bouwkundige en historisch-geografische kenmerken. Uiteindelijk werden 17 zogenaamde Belvedere gebieden als zodanig aangewezen en in kaart gebracht. In deze gebieden zijn cultuurhistorie en nieuwe antwoorden op ontwikkelingen van groot belang. Een van die gebieden was het Duin, Horst en Weidegebied, de landelijke bufferzone tussen de stedelijke gebieden van Den Haag, Leiden en Zoetermeer. Het Belvedere gebied Duin, Horst en Weidegebied omvat drie landschappelijke zones:
Doelstelling bij de selectie was het beschermen van historisch gezien rijk en nog gaaf bewaarde landschappen en deze gebied een impuls te geven. Niet door ontwikkelingen tegen te gaan maar door de kernkwaliteiten te benutten en te versterken.
Het plangebied Wilsveen 10-10a ligt in het Belvederegebied Zoeterwoude / Stompwijk. Dit gebied vormt de meest westelijke rand van het veenpolder- en droogmakerijenlandschap van Midden-Holland. De kwaliteit van het gebied ligt vooral in het herkenbare open, agrarische cultuurlandschap en in de contrastrijke overgangen van dit landschap naar de stedelijke omgeving. Het zuidelijke gedeelte van dit gebied, waar Wilsveen onderdeel van uitmaakt, bestaat uit voormalige natuurlijke meren en -als gevolg van het afsteken van veen ontstane- plassen, die in de loop van de 17e-eeuw zijn drooggemalen. Door grootschalige veenwinning tot op de klei gevolgd door droogmaking is het kenmerkende hoogteverschil ontstaan. Dit is in de loop der tijd nog eens versterkt door een continu proces van inklinking en bemaling, hetgeen uiteindelijk in een polderlandschap heeft geresulteerd met grote hoogteverschillen tussen het polderpeil en de rechtstreekse omgeving.
Gedurende de veenontginning zijn in het plangebied vanzelfsprekend ook de eerste nederzettingen ontstaan. In oorsprong was er sprake van relatief intensieve lintbebouwing langs de oude landwegen met Wilsveen als belangrijkste kern rond een kerk. Deze kerk, gebouwd in 1684 is gesloopt, alleen het naast de voormalige kerk gelegen kerkhof resteert nog. Vanaf de 17e-eeuw is het overwegend natte gebied stapsgewijs drooggemalen en geschikt gemaakt voor landbouwkundig gebruik. Gedurende de droogmaking verschoof het accent van de bebouwing naar Stompwijk en resteerde een beperkt aantal boerderijen en arbeiderswoningen langs de hoofdwegen en hoofdweteringen (Voorweg, Wilsveen en Stompwijksevaart). De structuur van dit bebouwingspatroon is thans nog steeds waarneembaar.
Kenmerkend voor het gebied is het landschapspatroon bestaande uit oude ontginningswegen, de hierlangs gelegen losse lintbebouwing en de laag gelegen poldereenheden met hun karakteristieke langgerekte kavelstructuur. Het huidige landschapsbeeld is het resultaat van een ontwikkelingsproces dat al enkele eeuwen geleden is begonnen. De bebouwingslinten Wilsveen en Voorweg stonden daarbij aan de basis van de ontginning van het veenweidelandschap, waar tot in de 19e-eeuw veen werd gewonnen. Na de veenwinning en drooglegging is de polder als agrarisch cultuurlandschap ingericht en heeft hij voor een flink deel zijn huidig landschapspatroon gekregen met een transparante lintbebouwing, typerende boerderijen en een karakteristieke kavelpatroon. De ontginningslinten (basis), de strekking en maat van de kavels, de hoofdwaterlopen en de drie traditionele windmolens die de ontginning mogelijk hebben gemaakt geven het landschap zijn kenmerkende structuur. De bebouwing staat over het algemeen hoog aan de dijk en volgt qua opzet veelal het langgerekte karakter van de verkaveling. Een bijzondere uitzondering hierop is de lintbebouwing van Wilsveen tussen de Molenvaart en de Landscheiding. Hier is de lintbebouwing in de polder gelegen, waardoor de vroeger volstrekt open polder thans het karakter heeft van een twee-eenheid.
De bebouwing langs het Wilsveen kenmerkt zich als een polderlint. Deze polderlinten liggen langs veenriviertjes, kanalen, wateringen en wegen. In deze polderlinten liggen de boerderijen, gewoonlijk op gelijke afstand, op de koppen van de kavels. Vanuit cultuurhistorie geldt bij ontwikkelingen de richtlijn continuïteit van karakter. Dit betekent voor Wilsveen:
De archeologische zorgplicht wordt door de gemeenten via het bestemmingsplan en vergunningverlening uitgevoerd. Als bevoegd gezag kan de gemeente van aanvragers van een vergunning voor bodemingrepen in gebieden met een vastgestelde archeologische waarde of verwachting vragen om inzichtelijk te maken of de geplande bodemingrepen consequenties hebben voor het bodemarchief in het plangebied (zgn. vooronderzoek). Als de uitslag daarvan is dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, zal het plan moeten worden aangepast. Als dit niet mogelijk is neemt de gemeente een besluit: de omgevingsvergunning kan worden geweigerd, of er worden aan de vergunning nadere voorwaarden gesteld, zoals een opgraving om de archeologische informatie veilig te stellen.
Het belangrijkste doel van de nieuwe wet is de bescherming van het bodemarchief door het reguleren van bodemverstorende activiteiten.
De wet regelt dus de te volgen procedures en de financiering van archeologisch (voor)onderzoek en ook het eigendom en beheer van archeologische vondsten. Gelet op de bedoelingen van Malta en de consequenties van de nieuwe wet voor provincies, verschuift de beleidsinzet nog nadrukkelijker van toetsing op archeologische aspecten bij ruimtelijke plannen achteraf naar inbedding van deze aspecten vooraf, van alleen regels handhaven naar meedenken en van behoud van archeologische waarden sec naar behoud en benutting van deze waarden.
De uitvoering van de archeologische zorgplicht is gebaseerd op de driehoek overheid (gemeente), initiatiefnemer ('veroorzaker') en archeologisch uitvoerder. De gemeente is bevoegd gezag, regisseert het archeologische onderzoeksproces, stelt eisen, toetst en besluit; de initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van het benodigde onderzoek en de kosten daarvan; de uitvoerder is een door het rijk erkend archeologisch bedrijf of organisatie die het onderzoek conform de eisen uitvoert. Conform het wettelijke veroorzakersprincipe is de initiatiefnemer/ vergunningaanvrager verantwoordelijk voor de kosten: dit geldt voor alle fasen van vooronderzoek, maar ook (wanneer het besluit tot opgraving of archeologische begeleiding is genomen) voor de kosten van een archeologische begeleiding of opgraving, inclusief de uitwerking en rapportage daarvan.
Om te voldoen aan deze nieuwe 'vraag naar archeologie' is een archeologische markt in het leven geroepen: sinds 2001 zijn er in Nederland vele archeologische bedrijven (uitvoerend en adviserend) actief. Initiatiefnemers mogen hieruit zelf een keuze maken, mits de archeologische partij erkend is. Om de kwaliteit van onderzoek in dit geliberaliseerde bestel te borgen, zijn namelijk alle onderdelen van het archeologische proces, de producten en actoren beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en houdt de Erfgoedinspectie toezicht.
De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is een door de archeologische beroepsgroep gedragen document dat eisen stelt aan de uitvoering en uitvoerders van archeologische werkzaamheden. Het gebruik van de KNA is verankerd in het Nederlandse archeologiebestel door middel van het Besluit archeologische Monumentenzorg (BAMZ), (zie ook art. 24, lid 1 van de BAMZ).
Archeologisch onderzoek wordt in de regel gefaseerd uitgevoerd. Dit wordt de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) cyclus genoemd. De AMZ-cyclus bestaat uit de volgende stappen:
De AMZ-cyclus is afgerond als de rapporten van alle uitgevoerde onderzoeken door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd en eventuele beschermende maatregelen zijn genomen.
Figuur 6.1: De KNA-processen in relatie tot het AMZ-proces
De kosten van alle onderzoeken en maatregelen die plaats dienen te vinden volgens de AMZ-cyclus komen rechtstreeks voor rekening van de initiatiefnemer van een bodemverstorende activiteit. Als al deze stappen doorlopen zijn en de rapportages van de archeologische onderzoeken zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag heeft de initiatiefnemer aan zijn verplichtingen voldaan en is het archeologische onderzoek in principe afgerond. Indien er bij uitvoering van de werkzaamheden vervolgens alsnog onverwachts archeologische vondsten worden gedaan, is de initiatiefnemer conform art. 53 van de Monumentenwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag en gelegenheid te geven tot archeologisch onderzoek.
Het bevoegd gezag dient tussen de archeologische en andere maatschappelijke belangen een verantwoorde afweging te maken. De gemeente kan aangeven welke archeologische vindplaatsen dienen te worden behouden door inpassing en welke door middel van opgravingen. Inpassing kan bijvoorbeeld plaatsvinden door aanpassing van het stedenbouwkundig plan of het ontwerp. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. Daarnaast kan de gemeente ook, beargumenteerd, aangeven welke er mogen worden opgegeven. Besluiten dienen te berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb). De overheid die heeft bepaald dat er onderzoek moet plaatsvinden (of niet) is verder verplicht inzicht te geven in de achterliggende argumenten en de wijze waarop eventueel tegengestelde belangen tegen elkaar zijn afgewogen (artikelen 3:2 en 3:4 Awb).
In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, en de 'Nota archeologie: herijking 2013' opgesteld.
In dit archeologiebeleid zijn vier verschillende archeologische 'waarderingsgebieden' aangegeven: Waarde-Archeologie 1 tot en met 4. Voor elk van de 'waarderingsgebieden', geldt een verschillend regime, afhankelijk van de archeologische waarde of archeologische verwachting. De verschillende waarderingsgebieden hebben verschillende vrijstellingsgrenzen. Voor bodem ingrepen groter dan de aangegeven vrijstelling (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.
Figuur 6.2: Archeologische beleidskaart
De vier te onderscheiden waarderingsgebieden zijn:
| Waarde-Archeologie 1 | Archeologisch rijksmonument |
| Waarde-Archeologie 2 | Gebieden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde |
| Waarde-Archeologie 3 | Gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting |
| Waarde-Archeologie 4 | Gebieden met een lage archeologische waarde |
De geplande werkzaamheden van het plangebied vallen binnen het bestemmingsregime 'Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg' die inhoudelijk het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Leidschendam, gedeeltelijke herziening 1987' van toepassing verklaart.
Er zijn geen voorwaarden met betrekking tot de bescherming van eventuele aanwezige archeologische waarden in het bestemmingplan opgenomen, derhalve geldt de Nota Hereiking Archeologie 2013. In deze nota is het plangebied bij wijze van dubbelbestemming, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In het beleid zijn regels opgenomen ter bescherming van in het gebied aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
Voor het plangebied zijn twee zones met verschillende dubbelbestemmingen van toepassing, te weten "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Archeologie 4". De aanwezige loods op het perceel Wilsveen 10a ligt in de zone met "Waarde - Archeologie 3". Dit betekent dat bodemingrepen groter dan 100 m2 die dieper reiken dan 30 cm –Mv zonder omgevingsvergunning niet zijn toegestaan.
In het onderliggende bestemmingsplan zijn regels opgenomen ter bescherming van in het gebied aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Op de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan zijn deze gebieden daarvoor aangeduid als 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een omgevingsvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het onderliggende bestemmingsplan.
Voor de bestemmingswijziging heeft het onderzoeksbureau Synthegra B.V. te Leusden in opdracht van de aanvrager een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek van 15 maart 2018 is als bijlage 3 bij de toelichting van het onderliggende bestemmingsplan gevoegd.
Op basis van het bureauonderzoek bestond er een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Voor oudere resten gold een lage verwachting. Door middel van een karterend booronderzoek is inzicht verkregen in de bodemopbouw van het plangebied en in de aan-/afwezigheid van relevante archeologische resten en de eventuele gaafheid daarvan. In de basis bestond de ondergrond uit kleiige getijafzettingen. Lokaal zijn er op de top hiervan restanten (veraard) veen aanwezig. Het geheel wordt afgedekt met een circa 80 cm dik pakket woongrond. Dit pakket is rond het midden van de 19e eeuw in één keer opgeworpen en sindsdien in gebruik gebleven als woongrond. Het aangetroffen pakket woongrond betreft een in de late 19e eeuw door de mens gecreëerd grondlichaam. Dit grondlichaam diende voor een droge woon- en werkplaats in een verder uiterst nat gebied. In het pakket woongrond zijn scherven keramiek en delen bouwmaterialen gevonden die de woongrond dateren in de late 19e-midden 20e eeuw.
Het daadwerkelijk te bebouwen deel van het plangebied bevindt zich grotendeels ter hoogte van de huidige loods. Hier is de bodem reeds tot circa 80 cm -Mv verstoord. Het overige te herontwikkelen deel is tot op heden in gebruik geweest als (sier)tuin. Op basis van bovenstaande wordt ter hoogte van de geplande nieuwbouw binnen de grenzen van het plangebied géén archeologische resten in situ verwacht. Derhalve worden er naar verwachting dan ook géén archeologische resten bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied géén archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.
De activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft, beslaat een oppervlakte van groter dan 150 m2 en gaat dieper dan 30 cm-Mv. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden, heeft er een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. De gemeente neemt de conclusies uit dit rapport over. Met dit onderzoek is voldaan aan de voorwaarde een archeologisch rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, welke volgens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Dit postzegel-bestemmingsplan is opgesteld voor een specifieke herontwikkeling, dat bedoeld is om een specifieke ruimtelijke ontwikkeling in juridisch-planologisch opzicht mogelijk te maken. Binnen het plangebied wordt nieuwe woonbestemmingen aan de locaties Wilsveen 10 - 10a mogelijk gemaakt.
Het bestemmingsplan fungeert als toetsingskader voor bouwplannen in het plangebied en legt tevens bindend de randvoorwaarden vast voor het gebruik van de in het plan begrepen gronden en bebouwing.
De regels en de verbeelding vormen tesamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De plantoelichting heeft geen zelfstandige juridisch bindende status, maar fungeert als ruimtelijke onderbouwing van de in het plan vastgelegde keuzes ten aanzien van het gebruik en het bebouwen van gronden. Daarnaast vervult de toelichting een belangrijke functie bij het toepassen en/of uitleggen van de regels en de verbeelding. Op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke dan wel op grond van het Bro verplichte gegevens ingetekend.
Op het renvooi (verklaring van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding) is te zien dat onderscheid wordt gemaakt tussen bestemmingen en aanduidingen. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. Alle gronden in het plangebied zijn van een passende bestemming voorzien die op de verbeelding zichtbaar wordt gemaakt door middel van een kleur, al dan niet in combinatie met letters en/of cijfers om de bestemming aan te duiden.
Elke bestemming op de verbeelding is gekoppeld aan een bestemmingsartikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien hoe de gronden mogen worden gebruikt en al dan niet bebouwd. Daarbij wordt ook weer terug verwezen naar de aanduidingen op de verbeelding. De verbeelding en de regels zijn opgesteld in ingericht met inachtneming van de verschillende wettelijk voorgeschreven standaarden, zoals de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening', de SVBP2012, IMRO2012, etc.
De regels van het bestemmingsplan zijn onderverdeeld in:
Om misverstanden over de toepassing en interpretatie van het bestemmingsplan te voorkomen zijn in de begripsbepalingen (Artikel 1) de verschillende in het plan voorkomende begrippen nader omschreven, ook om de eenduidigheid bij het gebruik van het plan te bevorderen. Bij de wijze van meten (Artikel 2) is beschreven hoe voor de toepassing van dit bestemmingsplan bepaalde maten gemeten moeten worden.
Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. Niet iedere functie leent zich voor een eigen bestemming. Of dit zo is, hangt af van de ruimtelijke relevantie, of wel van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan eisen stelt. Behalve om functies gaat het bij bestemmingen altijd om concreet ruimtegebruik of om fysiek aanwezige ruimtelijke objecten.
Ten behoeve van de eenduidigheid in de systematiek van bestemmingsplannen zijn de voorgeschreven naamgeving, wijze van verbeelden, opbouw van bestemmingsregels en enkele verplichte bepalingen door de wetgever vastgelegd in het Bro alsmede in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Het voorliggende plan voldoet aan deze vereisten.
9.1.3.2 In dit plan voorkomende bestemmingen
In het voorliggende bestemmingsplan ‘Wilsveen 10-10a’ komen de volgende bestemmingen voor:
Wonen
De bestemming 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van twee woningen en bijbehorend erf. Per bestemmingsvlak mag er maximaal één woning worden gebouwd. Binnen de woonbestemming is beroep aan huis onder voorwaarden toegestaan. Bijgebouwen buiten het bouwvlak zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding ‘bijgebouwen’.
Waarde- Archeologie 3 en 4
Volgens de archeologische beleids- en verwachtingenkaarten van de gemeente Leidschendam-Voorburg komt in het gehele plangebied de archeologische verwachtingswaarde type 3 en 4 voor. De uitgevoerde archelogische onderzoeken bevestigen deze verwachtingswaarden. De voorkomende verwachtingswaarde is door middel van de dubbelbestemming beschermd.
In het bestemmingsplan is (in Hoofdstuk 3) een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft hier een aantal algemene bouw- en gebruiksregels en een aantal algemene flexibiliteitsbepalingen (algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels). Tenslotte zijn de wettelijk verplichte bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht (Hoofdstuk 4) opgenomen in het bestemmingsplan.
Handhaving is voor de gemeente geen doel op zich en wordt slechts ingezet als naleving van wet- en regelgeving niet op andere wijze kan worden bewerkstelligd. De gemeente heeft er vertrouwen in dat door het stellen van duidelijke en aanvaardbare regels de nalevingsbereidheid van haar inwoners wordt vergroot. Als toch handhaving nodig is – met name wanneer door een overtreding de rechten van anderen worden beperkt – streeft de gemeente ernaar om met de overtreder tot een passende oplossing te komen. Deze oplossing kan ook liggen buiten het formele traject van boetes of bestuursdwang.
Aan iedere vorm van handhaving liggen vijf kernbegrippen ten grondslag:
Het actuele 'Handhavingsbeleid 2016-2019 Leidschendam-Voorburg' is door het college vastgesteld op 31 mei 2016. Daarin zijn de uitgangspunten voor handhaving in de betreffende periode vastgelegd. Het beleid is gestoeld op het stappenplan van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) voor programmatisch handhaven. Uitgangspunt van programmatisch handhaven is dat toezicht en handhaving planmatig plaatsvinden in plaats van incidentgestuurd verloopt. De programmatische aanpak zorgt er voor een betere naleving van wet- en regelgeving en een meer effectieve inzet van (beperkt) beschikbare handhavingscapaciteit.
Het handhavingsbeleid wordt door het college jaarlijks concreet uitgewerkt in handhavingsuitvoeringsprogramma's. Daarin wordt aangegeven welke handhavingsdoelen worden nagestreefd, welke aanpak wordt gekozen om die doelen te realiseren en welke menskracht en middelen daarvoor nodig zijn. Het zwaartepunt van de inzet ligt bij toezicht en handhaving van de prioritaire onderwerpen die uit de risicoanalyse naar voren komen. Daarnaast wordt capaciteit gereserveerd om adequaat te kunnen reageren op klachten, meldingen en incidenten.
Het toezicht op en de handhaving van regels in het landelijk gebied, waarvan het plangebied van het voorliggende plan onderdeel vormt, krijgt vorm door middel van periodieke, specifieke en/of gemeentebreed opgezette controles. Periodiek worden bebouwing, gebruik van gronden en bouwwerken en aanlegvergunningplichtige activiteiten systematisch gecontroleerd. Specifieke controles zijn over het algemeen thematisch. Denk bijvoorbeeld aan detailhandel in agrarische bedrijfsgebouwen of burgerbewoning in agrarische dienstwoningen. In het handhavingstoezicht wordt gestreefd naar een zo integraal mogelijke benadering, waarbij bijvoorbeeld controles aan de hand van het bestemmingsplan worden gecombineerd met controles aan de hand van de milieuwetgeving.
De Afdeling Grondexploitatie (Afd. 6.4) in de Wet ruimtelijke ordening, die op 1 juli 2008 in werking is getreden, biedt gemeenten onder meer verschillende instrumenten om kosten die te maken hebben met grondexploitatie te verhalen bij personen met een eigendomspositie in dat gebied. Eén van die manieren is door middel van het sluiten van een vrijwillige overeenkomst met een grondeigenaar, ook wel aangeduid als anterieure overeenkomst. Wanneer de gemeente met de grondeigenaar geen anterieure overeenkomst heeft afgesloten, dan dient de gemeente een exploitatieplan op te stellen.
Tussen de aanvragers en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn vastgelegd over het realiseren van het bouwplan. In de overeenkomst is eveneens een bepaling opgenomen met betrekking tot planschade. Indien een eventueel verzoek om planschade leidt tot vergoeding van de planschade, dan is de grondeigenaar hiervoor aansprakelijk. Het bouwplan wordt dan ook particulier gefinancierd. Er zijn derhalve geen financieel-economische risico's voor de gemeente aan verbonden en is het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar.
Het opstellen van een bestemmingsplan dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting tot het voeren van vooroverleg vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Op grond hiervan is de gemeente verplicht bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.
Het bestemmingsplan wordt niet aan inspraak onderworpen op grond van de 'Inspraakverordening gemeente Leidschendam-Voorburg 2006'. Door het volgen van de procedure als bedoeld in artikel 3:4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) wordt eenieder immers actief betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Het eerst inspraak verlenen voegt daarom niets toe en is dubbelop. Naast de wettelijke verplichting om de mogelijkheid te bieden om door eenieder zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen, heeft er tevens vooroverleg met betrokken instanties, maatschappelijke organsanisaties, ingezetenen en belanghebben plaatsgevonden. Hieronder is beschreven op welke wijze dit vooroverleg heeft plaatsgevonden en welke reacties zijn gegeven.
Een aantal instanties is gevraagd om aan te geven welke belangen verankerd zouden moeten worden in het bestemmingsplan, rekening houdend met de specifieke ruimtelijke kenmerken van dit gebied. Daarbij is nadrukkelijk gevraagd de reactie te motiveren en tevens te beschrijven op welke wijze dat specieke belang in het bestemmingsplan verwerkt zou moeten worden.
Onder meer de volgende instanties dan wel belangenorganisaties zijn aangeschreven: Provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Rijnland, Veiligheidsregio Haaglanden, Vereniging Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg, de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., Dunea, Nederlandse Gasunie, Het Zuid Hollands Landschap, Stedin, Enenco Energy e.d.
Naar aanleiding hiervan zijn er enkele overlegreacties ontvangen, te weten van de provincie Zuid-Holland, Dunea en Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Provincie Zuid-Holland
De provincie heeft in het kader van vooroverleg enkele inhoudelijke vragen gesteld die de gemeente via de mail d.d. 15 maart 2018 heeft beantwoord. De Provincie merkt ten aanzien van de positionering van de parkeerplaatsen op dat er nagedacht zou kunnen worden om deze iets minder naar achteren te positioneren. Verder geeft de Provincie aan dat het onderliggende bestemmingsplan past binnen het provinciaal beleid.
Reactie gemeente
Ten aanzien van de parkeerplaatsen wordt opgemerkt dat de gemeente omwille van de ruimtelijke kwaliteitseisen de parkeerplaatsen 'achter de voorgevelrooilijn' heeft voorgesteld. De afstand van de parkeerplaatsen tot de wegas van het Wilsveen bedraagt ca. 30 meter. De gemeente is van mening dat met een groene inrichting van de voortuin en de betreffende afstand de impact van het parkeren vrij beperkt is. Teneinde de ruimtelijke kwaliteit op deze locatie verder te versterken, is aan de aanvragers verzocht om de hoeveelheid verharding die nu opgenomen is ten behoeve van het parkeren te beperken zodat het geheel nog meer een groen karakter krijgt.
Dunea
Dunea geeft in haar overlegreactie aan dat zij in het geschetste gebied geen transportleidingen heeft liggen. Ze heeft derhalve geen op- of aanmerkingen op dit plan.
Verdere beantwoording van de overlegreactie of verwerking daarvan in de planstukken kan daarom achterwege blijven.
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. geeft in haar reactie aan dat er geen belangen van haar maatschappij is betrokken binnen het plangebied.
Verdere beantwoording van de overlegreactie of verwerking daarvan in de planstukken kan daarom achterwege blijven.
Hoogheemraadschap van Rijnland
Het Hoogheemreaadschap van Rijnland heeft op verzoek van de aanvragers het bouwplan in een eerdere stadium beoordeeld. De afname van het verhard oppervlak ziet het Hoogheemraadschap als een positief aspect van het plan omdat daardoor de afstroming naar het oppervlaktewater wordt vertraagd en stijging van het oppervlaktewaterpeil wordt gereduceerd. Verder wordt geadviseerd om rekening te houden met een eigen uitrit naar de openbare weg waarvoor een dam of brug moet worden aangebracht. Een ander aandachtspunt volgens het Hoogheemraadschap is dat er grondwaterbemaling moet worden toegepast om de bouwput van de nieuwbouw droog te houden.
Reactie Gemeente
Ten aanzien van het wateraspect is in paragraaf 5.4 uitgebreid aandacht besteed en komen de genoemde wateraspecten door het Hoogheemraadschap aan de orde. Voor het overige wordt de reactie als kennisgeving aangenomen.