| Plan: | Klaverblad 7- 9 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01 |
Dit bestemmingsplan ziet op het positief bestemmen van twee bestaande woningen (een
hoofdwoning met een aangebouwde c.q. geïntegreerde ondergeschikte tweede
wooneenheid) en het verkleinen van een paardenbak, aan Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam
(voorheen: Meer- en Geerweg 14). Voorheen werd het perceel gebruikt ten behoeve van een
agrarische bestemming. De laatste jaren, tot 2018, is het perceel in gebruik geweest als
zorgboerderij.
De betreffende (woon)boerderij is in het vigerende bestemmingsplan wegbestemd om een
nieuwe watergang ten behoeve van de Nieuwe Driemanspolder aan te leggen. De aanwezige
bebouwing zou daarvoor moeten wijken. Later zijn de inrichtingsplannen voor de Nieuwe
Driemanspolder gewijzigd zodat de boerderij gespaard kon worden en het wegbestemmen van
de bebouwing op het perceel achteraf gezien onnodig is geweest.
Het plangebied wordt kadastraal aangeduid als gemeente Stompwijk, sectie C, nummer 2584
(ged.) en 1509, plaatselijk gemerkt als Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam.
Het perceel Klaverblad 7 - 9 te Leidschendam ligt in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’,
vastgesteld door de gemeenteraad op 7 februari 2011. Ingevolge dit bestemmingsplan rusten
op het perceel de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, ‘Waarde –
Archeologie 3 en 4, ‘Waterstaat – Waterkering’ en ‘Water’. Tevens geldt een aantal specifieke
gebiedsaanduidingen.
Het ingediende plan is strijdig voor wat betreft de volgende onderdelen:
Het plan is in strijd met de regels uit het bestemmingsplan, omdat het enkel gebruik mogelijk
is ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven en ten behoeve van de functie
‘water’. De aanwezige bebouwing (ook de ‘voormalige’ bedrijfswoning) ligt deels binnen de
bestemming ‘water’, hetgeen daarmee in strijd is. Ook is het bewonen van de voormalige
bedrijfswoning voor reguliere (niet-agrarisch) bewoning strijdig met het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 2 van deze toelichting beschrijft het ruimtelijk relevante beleidskader van de
verschillende overheidslagen voor deze locatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de
stedenbouwkundige inpassing van het plan. In hoofdstuk 4 komen diverse milieu- en
omgevingsaspecten aan de orde. Daarbij gaat het om bodem, geluid, externe veiligheid, bedrijven,
water et cetera. Hoofdstuk 5 gaat in op het onderwerp archeologie en cultuurhistorie. Daarna
behandelt hoofdstuk 6 de verkeerskundige aspecten. Hoofdstuk 7 geeft een juridische
planbeschrijving. Ten slotte vermeldt hoofdstuk 8 één en ander over de economische
uitvoerbaarheid en over de resultaten uit inspraak en overleg.
Dit hoofdstuk bevat het relevante ruimtelijk beleid dat door de verschillende overheden in
verdragen, visies, beleidsnota’s en overige documenten is vastgelegd.
Op 11 september 2020 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de
Nationale Omgevingsvisie vastgesteld (NOVI). De NOVI biedt een langetermijnperspectief op
de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet
richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend
zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van
duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire
economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem,
schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en
helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in
nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke
instellingen en burgers.
De NOVI richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar
te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De
Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes:
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog
niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een
omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan
ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Bij dit plan zijn er geen nationale belangen in het geding.
Conclusie
Het initiatief heeft geen betrekking op één van de rijksbelangen die zijn opgenomen in de
NOVI. Het initiatief past dan ook binnen het beleidskader van de NOVI.
Ingevolge artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijk ordening dient, in de toelichting bij een
bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, te worden getoetst
aan de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Doelstelling van deze ladder is een
goede ruimtelijke ordening te waarborgen door een optimale benutting van de ruimte in
stedelijke gebieden.
Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied
wordt gerealiseerd. Als dat niet mogelijk is, dan moet worden gemotiveerd waarom die
ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
Artikel 3.1.6 lid 2 luidt als volgt:
Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of hier daadwerkelijk sprake is van een
‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening
geeft voor ‘stedelijke ontwikkeling’ immers de volgende definitie:
In het Besluit ruimtelijke ordening is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de
ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de
zogenaamde overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State over de
‘ladder voor duurzame verstedelijking’ (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat 'in
beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen
gerealiseerd worden.
Conclusie
Nu het plan hier slechts twee woningen betreft, is er geen sprake van een nieuwe stedelijke
ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening. Gelet
op het voorgaande kan een nadere toelichting als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit
ruimtelijke ordening hier achterwege blijven.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke
leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de
Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale Omgevingsbeleid operationele
doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de
realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van
verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het
programma Mobiliteit.
Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale
wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede
leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft men richting door het maken van samenhangende
beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar
uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande
beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het
provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.
Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot een
integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Zuid-Hollandse
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening zijn per 1 april 2019 in werking getreden en
opgesteld in het kader van de Omgevingswet die op 1 januari 2023 in werking treedt. De laatste
wijzigingen en herzieningen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening zijn op 2
februari 2022 in werking getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke
belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.
De Omgevingsvisie benoemt voor de provincie de visie, ambities en opgaven voor de provincie
Zuid-Holland. De omgevingsvisie bevat zes richtinggevende ambities in de fysieke
leefomgeving:
Naast de zes ambities stelt de provincie in de omgevingsvisie 12 provinciale opgaven voor de
omgevingskwaliteit vast. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden
en maatschappelijke partners. De 12 provinciale opgaven omgevingskwaliteit zijn: Landschap
en cultuurhistorie, Gezondheid en veiligheid, Natuur en recreatie, Ruimte en verstedelijking
(de bebouwde ruimte beter benutten), Wonen, Bodem en ondergrond, Cultuurparticipatie en
bibliotheken, Klimaatadaptie, Zoetwater en drinkwater, Bereikbaarheid, Regionale economie
en Energievoorziening.
Ook het programma Ruimte en de Kwaliteitskaart zijn onderdeel van de Omgevingsvisie van
de provincie Zuid - Holland. Het programma Ruimte bevat een nadere invulling en
operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat
het om locatie specifieke of de programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de
Omgevingsvisie. Om aan te geven wat de provincie verstaat onder gebiedskwaliteit is een
integrale Kwaliteitskaart opgenomen in de Omgevingsvisie.
De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en
versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal
kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en
een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De
kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.
Een plan dat de kwaliteiten van een gebied versterkt is in ieders belang.
In dit kader is het van belang om nogmaals de achtergrond van dit plan te benoemen. De
betreffende (woon)boerderij is in het vigerende bestemmingsplan wegbestemd om een
nieuwe watergang ten behoeve van ‘De Nieuwe Driemanspolder’ aan te leggen. De aanwezige
bebouwing zou daarvoor moeten wijken. Later zijn de inrichtingsplannen voor ‘De Nieuwe
Driemanspolder’ in overleg met Hoogheemraadschap Rijnland gewijzigd, zodat de boerderij
gespaard kon blijven en het wegbestemmen van de bebouwing op het perceel achteraf gezien
onnodig is geweest.
Met onderhavig plan blijft de karakteristieke woonboerderij in stand en wordt de agrarische
bedrijfsbebouwing gesloopt. De aanwezige paardenbak zal worden verkleind. Het perceel
wordt zoveel mogelijk landschappelijk ingericht, met behoud van de bestaande bomenhaag
ten oosten van het plangebied. Ter hoogte van de paardenbak zal ook een groene haag worden
aangebracht, van 60 cm hoog. Dat geeft een afscherming ten opzichte van de Meer- en
Geerweg. De zogenaamde rafelrand ter plaatse van het plangebied kan hierdoor behouden
blijven.
Het plan brengt op deze wijze een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het perceel met zich
mee. De bestaande structuren van het landschap veranderen door deze ontwikkeling niet.
En voor wat betreft de tweede (ondergeschikte en geïntegreerde) woning wordt opgemerkt
dat daar in 1965 reeds een vergunning voor is verleend. Het is dus niet zo dat met dit
bestemmingsplan de bouw van een tweede woning voor het eerst mogelijk wordt gemaakt.
Doordat er bij deze woning sprake is van een ondergeschikte en geïntegreerde situatie, is
verlies c.q. aantasting van ruimtelijke kwaliteit overigens ook niet aan de orde.
Gelet op het voorgaande sluit het plan aan op de doelstellingen van de Omgevingsvisie om de
kwaliteit van het gebied te behouden en op perceelsniveau te versterken.
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende
instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. De Omgevingsverordening Zuid -
Holland stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn
geschikt voor opname in een verordening. De inhoud is van toepassing op de fysieke
leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke
leefomgeving, waarbij een provinciaal belang speelt. De provincie heeft in de
Omgevingsverordening Zuid - Holland daarom onder meer regels opgenomen over activiteiten
in de fysieke leefomgeving, zoals bodemsanering en flora- en fauna activiteiten, de
leefomgevingskwaliteit en instructieregels aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo
worden er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld aan bestemmingsplannen welke de ontwikkeling
van bedrijven of kantoren mogelijk maken of welke betrekking hebben op gebieden met een
provinciaal belang, zoals langs provinciale vaarwegen of nabij landgoederen en kastelen.
Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ('AMvB Ruimte/ Barro') van het
Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan Provinciale Omgevingsverordeningen
moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien
rechtstreeks voort uit de AMvB Ruimte, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur en de
Romeinse Limes.
Het volledige juridisch instrumentarium vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening. Het gaat
daarbij om de provinciale omgevingsvisie, het provinciaal inpassingsplan en de (proactieve en
reactieve) aanwijzing. De provincie kan deze instrumenten inzetten als er sprake is van
provinciaal belang. De provincie beschouwt in ieder geval van provinciaal belang de in de visie
opgenomen doelen en de uitwerking daarvan in het programma Ruimte. In de verordening
staan de regels die de provincie stelt aan ruimtelijke ontwikkelingen.
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke
impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is, wordt in specifieke gevallen bepaald
aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling:
inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit
als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging (artikel 6.9 Ruimtelijke
kwaliteit).
- Gebiedsidentiteit
De projectlocatie is gelegen in het Groene Hart, aan de zuidzijde van het dorp Stompwijk. Het
gebied ten noorden van de projectlocatie wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van
bebouwing (bedrijfsbebouwing). Ten zuiden van het plangebied loopt een brede watergang en
de Meer- en Geerweg. Dit vormt als het ware de scheiding tussen het bebouwde gebied en het
open weidegebied (ten zuiden van de projectlocatie). Kortom: ten noorden van het plangebied
is sprake van een bedrijventerrein (Klaver) en ten zuiden van het plangebied begint het open
weidegebied.
De structuur van de omgeving kenmerkt zich door de ligging van de Meer- en Geerweg en een
brede watergang ten zuiden van de projectlocatie en de aanwezigheid van het bedrijventerrein
ten noorden (het Klaverblad). De projectlocatie ligt precies tussen de Meer- en Geerweg en
het bedrijventerrein. Aan deze structuur verandert dit plan niets.
De kavel betreft een aaneengesloten terrein waarop de woningen reeds aanwezig zijn.
In dit geval kan worden geconcludeerd dat er sprake is van inpassing van het plan. De
ontwikkeling sluit aan op de bestaande identiteit en structuur van het gebied.
Kortom: het gebruik van de beide woningen (hoofdwoning met een aangebouwde c.q.
geïntegreerde ondergeschikte tweede wooneenheid) ten behoeve van de woonfunctie, en de
inrichting van het gebied als woonerf met daarbij een paardenbak, is niet strijdig met de
Provinciale Omgevingsverordening.
Het gemeentelijke ruimtelijke beleid is geformuleerd in de structuurvisie Ruimte voor Wensen
in 2006. Op 25 september 2012 is de structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012)
vastgesteld. De herijkte structuurvisie vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes
en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de
gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een
positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woonwerkstad. De
herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers:
De structuurvisie daarbij gaat uit van een indeling voor de gemeente in een stedelijk gebied,
de Vlietzone en het buitengebied. Onderhavig plangebied valt binnen het stedelijke gebied
(met de specifieke gebiedsaanduiding ‘wonen’, zie onderstaande uitsnede van de
structuurvisiekaart).
Binnen het stedelijk gebied van Leidschendam-Voorburg ligt het realiseren van 80% van de
woningbouwopgave en het faciliteren van 5% groei van de bevolking in de periode 2012-2040.
Er wordt ingezet op het behoud en versterking van het groene karakter van de stad en van de
kwaliteit van de bestaande woonmilieus. Tevens wordt aandacht gegeven aan de verbetering
van de leefbaarheid van bestaande wijken en kwaliteitsverbetering van het stedelijk raamwerk
en de identiteitsdragers. Tenslotte wordt duurzame stedelijke ontwikkeling nagestreefd met
aandacht voor versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen. Daarnaast worden nieuwe
economische kansen gecreëerd door functieverandering, herstructurering en transformatie
van gebieden.
Voor Stompwijk wordt in de structuurvisie nog opgemerkt dat het zijn cultuurhistorisch
karakter moet behouden en versterken en de recreatieve kwaliteit moet verbeteren.
Het plangebied ligt binnen het stedelijk gebied. Voorts kan worden opgemerkt dat, gelet op de
ligging van het plan buiten de historische kern en achter het bebouwingslint, het
cultuurhistorische karakter van Stompwijk met dit plan niet wordt aangetast.
In verband met de aanstaande inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt door de
gemeente Leidschendam-Voorburg een Omgevingsvisie voorbereid. Het college van B&W
heeft in 2021 de gemeenteraad 4 bouwstenen voorgelegd op basis waarvan de Omgevingsvisie
kan worden vormgegeven en afgerond. Dit betreft de volgende bouwstenen:
Groene Woongemeente, Mobiliteit en bereikbaarheid, Economie en bedrijvigheid, Warmteen
energietransitie (tevens Lokale Energie Strategie).
Op het moment van het schrijven van dit plan is renovatie of nieuwbouw nog niet aan de orde.
De initiatiefnemer maakt echter al een tiental jaren gebruik van zonnepanelen en had reeds in
2018 al de wens om de boerderij te verbouwen naar een 0-op-de-meter woning met een
warmtepompsysteem. De herbestemming van het Hoogheemraadschap en ook de (financiële
consequenties van de) pandemiecrisis hebben deze plannen echter flink vertraagd. De wens
te verduurzamen is er echter nog steeds en kan vermoedelijk in de nabije toekomst
gerealiseerd worden.
Het voorliggende plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de structuurvisie en
(ingeval van renovatie of nieuwbouw) met de 4 bouwstenen op basis waarvan de
Omgevingsvisie wordt vormgegeven.
In de Integrale Gebiedsvisie Stompwijk van juni 2007 zijn de grove lijnen uitgezet richting de
toekomst. De Gebiedsvisie biedt echter niet voldoende handvatten om ontwikkelinitiatieven
te toetsen en daarmee richting te geven aan de toekomstbestendigheid van Stompwijk.
Daarom is de wens ontstaan om de Gebiedsvisie door te vertalen naar een lager schaalniveau
en een visie te maken voor de kern Stompwijk. De Ontwikkelvisie is niet alleen een uitwerking
van de Integrale Gebiedsvisie, het is tevens een herijking door lopende ontwikkelingen,
veranderde inzichten, nieuw beleid en veranderingen in de maatschappij en economie.
Voor een nadere onderbouwing vanuit het ruimtelijke beleid wordt verwezen naar
onderstaande paragraaf, over de ‘Ontwikkelvisie Stompwijk april 2016’.
In de Ontwikkelvisie Stompwijk van april 2016 zijn de ambities en uitgangspunten
geformuleerd voor Stompwijk.
Voor Stompwijk worden de volgende ruimtelijk uitgangspunten en opgaven genoemd:
De Ontwikkelvisie Stompwijk geeft niet heel specifiek beleid voor het omzetten van bestaande
agrarische erven naar woonpercelen. Wel geldt ingevolge de visiekaart de aanduiding
‘behouden rafelrand’. Deze rafelranden dienen behouden te blijven:
Met onderhavig plan blijft de karakteristieke woonboerderij in stand en wordt de agrarische
bedrijfsbebouwing gesloopt. De aanwezige paardenbak zal worden verkleind. Het perceel
wordt zoveel mogelijk landschappelijk ingericht, met behoud van bestaande bomenhaag ten
oosten van het plangebied. Ter hoogte van de paardenbak zal ook een groene haag worden
aangebracht. Dat geeft een afscherming ten opzichte van de Meer- en Geerweg. Bovendien
wordt daarmee ook de bedrijfsbebouwing afgeschermd.
Gelet hierop kan gesteld worden dat de rafelrand ter plaatse van het plangebied behouden
blijft.
In de Nota Parkeernormen 2012 staan de parkeernormen voor auto en fiets. Hieraan moet
worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg.
De nota beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden
van de norm mag worden afgeweken.
Het beleidsdocument 'Nota Parkeernormen 2012' is vastgesteld op 6 november 2012. Bij het
beleidsdocument behoort ook de 'Nota Parkeernormen 2012, bijlagen' en de
'Nota Parkeernormen 2012, parkeernormen'.
De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van het parkeren in de gemeentelijke
openbare ruimte. Dit doet de gemeente aan de hand van parkeerbeleid. Een goed
parkeerbeleid is belangrijk voor de vitaliteit van de stad en draagt bij aan de kwaliteit van de
leefomgeving.
In deze Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-
Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. De
gemeente wil een duidelijk en eenduidig parkeerbeleid voeren, waarbij parkeerbeleid ook kan
betekenen dat er juist geen parkeermaatregelen worden getroffen. Deze nota is tot stand
gekomen op basis van een interactief proces met een klankbordgroep bestaande uit bewoners
en ondernemers, twee gemeente-brede enquêtes over parkeren en objectieve
parkeermetingen. Het beleidsdocument 'Nota Parkeerbeleid 2021' is vastgesteld op 6 april
2021.
In paragraaf 4.1 van deze toelichting wordt verder ingegaan op de toetsing van dit bouwplan
aan de parkeernormen. Daaruit blijkt dat het beoogde plan voldoet aan de uitgangspunten van
de betreffende parkeernota.
De Nota Parkeernormen is het uitgangspunt bij het bepalen van de parkeerbehoefte van deze
ontwikkeling.
Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat
wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan
schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient
bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de effecten van
klimaatverandering. Nieuwbouw dient klimaatadaptief gebouwd te worden. Om de
ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn
van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk
en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid.
Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg
stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt
voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Dat
overleg met de waterbeheerder heeft plaatsgevonden. De waterbeheerder is dus bekend met
dit plan en heeft aangegeven te kunnen instemmen met onderhavig plan.
De waterhuishoudkundige effecten van dit plan zijn beperkt. Vanwege de sloop van diverse
bedrijfsbebouwing is eerder sprake van een gunstig effect. Het plan kan voldoen aan de eisen
die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden
gesteld. Voor de verdere toetsing wordt verwezen naar paragraaf 5.5 van deze ruimtelijke
onderbouwing.
Het voorliggende plan wijkt af van de vigerende bestemmingsregeling voor deze gronden. De
stedenbouwkundige en kwalitatief-ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan zal daarom
nader moeten worden beoordeeld en onderbouwd. Hierna wordt een stedenbouwkundige
onderbouwing worden gegeven van het plan.
Het bestemmingsplan heeft de bebouwing wegbestemd. Het hoogheemraadschap (als
opdrachtgever van de aanleg van de Nieuwe Driemanspolder, waarvan de aanliggende
watergang onderdeel uitmaakt), geeft desgevraagd aan dat in overleg met de gemeente de
watergang smaller uitgevoerd zal worden waardoor de boerderij kan blijven staan.
De betreffende woningen aan Klaverblad 7 - 9 zijn in het vigerende bestemmingsplan
wegbestemd. De reden daarvan is dat in het kader van de herontwikkeling van de Nieuwe
Driemanspolder het voornemen bestond om het naastgelegen watertracé te verbreden.
Uiteindelijk heeft het waterschap, in overleg met de gemeente, toch besloten om het tracé ter
plaatse niet te verbreden.
Het plan bestaat uit het positief bestemmen van twee bestaande woningen, met daarbij de
sloop van aanwezige bedrijfsgebouwen, verkleining van een bestaande paardenpak en de
herinrichting van het perceel Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam. Het betreft hier een
hoofdwoning met een aangebouwde c.q. geïntegreerde ondergeschikte tweede
wooneenheid. Voor die tweede wooneenheid is in 1965 overigens reeds vergunning verleend.
Ten opzichte van de oude situatie zal het terrein worden gesaneerd en worden diverse
bijgebouwen gesloopt. Wat over blijft is het huidige dubbele woonhuis en maximaal 150m2
aan vergunningsvrije bijgebouwen. Het dubbelhuis zal (ook in geval van nieuwbouw of
renovatie) een hoofdwoning bevatten, met een geïntegreerde ondergeschikte tweede
wooneenheid.
De vergunningsvrije bijgebouwen (samen niet meer dan 150 m2) op het terrein zullen vanwege
het aflopende karakter (naar de grens met Luiten) van het terrein en de begroeiing niet goed
zichtbaar zijn vanaf de Meer- en Geerweg. Eén bijgebouw dient als verblijf voor de
hobbypaarden en het tweede bijgebouw wordt ingericht als opslagruimte voor het bedrijf aan
huis en garage.
De schuren rondom de woning zullen worden gesloopt. Langs de waterkant zal er een groene
haag van ca. 60 cm hoog worden geplaatst.
De kavelverdeling zal in de nieuwe situatie hetzelfde zijn als in de huidige situatie. Het 'kleine
kavel' zal recht van overpad krijgen op het 'grote kavel’.
Met onderhavig plan blijft de karakteristieke woonboerderij in stand en wordt de agrarische
bedrijfsbebouwing gesloopt. De aanwezige paardenbak zal worden verkleind. Het perceel
wordt zoveel mogelijk landschappelijk ingericht, met behoud van bestaande bomenhaag ten
oosten van het plangebied. Ter hoogte van de paardenbak zal ook een groene haag worden
aangebracht. Dat geeft een afscherming ten opzichte van de Meer- en Geerweg. Bovendien
wordt daarmee ook de bedrijfsbebouwing op bedrijventerrein het Klaverblad afgeschermd. De
zogenaamde rafelrand ter plaatse van het plangebied kan hierdoor behouden blijven.
Op de projectlocatie is reeds 25 jaar een bedrijf gevestigd. Het betreffende eenmansbedrijf is
gespecialiseerd in ‘dry-hire’ van microfoons en zenders. De oppervlakte voor het bedrijf is
maximaal 50 m2, met als hoofdfunctie kantoor en kleine opslag. Dit valt onder de
mogelijkheden voor een ‘aan-huis-gebonden-bedrijf’, waar het vigerende bestemmingsplan
(binnen de bestemming ‘Wonen’) mogelijkheden voor geeft.
Het parkeren dient volgens het parkeernormenbeleid op eigen terrein opgelost te worden. Op
het perceel is ruim voldoende parkeergelegenheid voorhanden. In onderstaande tekening (fig.
3.5) is ter illustratie een aantal parkeerplaatsen ingetekend.
Op onderstaande visualisatie staan de verschillende functies in de nieuwe situatie
geprojecteerd.
Voor wat betreft duurzaamheidsmaatregelen voor het plan kan het volgende worden
opgemerkt.
Het betreft hier een situatie waarbij twee bestaande woningen positief bestemd worden.
Nieuwbouw is vooralsnog niet aan de orde. Ingeval sprake zal zijn van nieuwbouw of renovatie,
zal de eigenaar duurzaamheidsmaatregelen treffen aan de nieuwbouw. In dat geval worden
de woningen bijvoorbeeld gebouwd zonder aansluiting op gas als energievoorziening en in
overeenstemming met de vereist isolatiewaarden.
De woningen hebben één toegangsrit, vanaf het Klaverblad. Dat is conform de bestaande
situatie en eveneens de enige mogelijkheid voor een ontsluiting. De toegangsweg heeft
ingevolge het ontwerp-bestemmingsplan Landelijk de bestemming verkeer.
Naast de beleving van de openbare ruimte en de kwaliteit van de woningen, is er gekeken of
het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q.
omwonenden.
In de directe omgeving van is enkel de (agrarische) bedrijfswoning van Meer- en Geerweg 9
relevant. De afstand tot deze woning bedraagt echter 50 meter. De aantasting van belangen
van omwonenden is met dit plan derhalve niet aan de orde.
De omwonenden zijn overigens op de hoogte gebracht van het opnieuw bestemmen van dit
perceel.
Conclusie
Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat het voorliggende plan weliswaar afwijkt van de
bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan, maar wel resulteert in een goede
aansluiting op de bestaande bebouwing. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaat er
(stedenbouwkundig gezien) geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische wijziging.
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met
betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied.
Zoals in paragraaf 2.3.6 reeds is opgemerkt, is het gemeentelijke parkeerbeleid opgenomen in
de Nota Parkeerbeleid 2021 en de Nota Parkeernormen 2012. Hieraan moet worden voldaan
bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. De nota
beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden van de
norm mag worden afgeweken.
Het beleidsdocument 'Nota Parkeernormen 2012' is vastgesteld op 6 november 2012. Bij het
beleidsdocument behoort ook de 'Nota Parkeernormen 2012, bijlagen' en de
'Nota Parkeernormen 2012, parkeernormen'.
Wat betreft de toetsing aan de parkeernormen kan worden uitgegaan van een vrijstaande
woning, een koophuis, in de zone ‘buitengebied’. Daarvoor geldt een gemiddelde parkeernorm
van 2,4 parkeerplaats per woning.
Hier is sprake van 2 woningen (een hoofdwoning met een aangebouwde c.q. geïntegreerde
ondergeschikte tweede wooneenheid). Dat betekent dat er 4,8 (= 5) parkeerplaatsen nodig
zijn. Er is voldoende parkeergelegenheid op het perceel aanwezig (zie onderstaand overzicht,
figuur 4.1, met daarin 5 parkeerplaatsen ingetekend).
Conclusie
Er wordt voldaan aan de parkeereisen van de gemeente.
De ontsluiting van de projectlocatie vindt in de bestaande situatie plaats via het Klaverblad.
Dat is conform de bestaande situatie. Het is wenselijk deze verkeersontsluiting ongewijzigd te
houden. De goede bereikbaarheid van het perceel kan hiermee worden gegarandeerd.
Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor dit plan
relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die
verwezenlijking van het project zowel binnen het plangebied als daarbuiten kan hebben.
Om te beoordelen of het bouwplan voldoet aan de Wet geluidhinder, dan wel ter plaatse van
de woningen een goed woon- en leefklimaat heerst, is door De Milieuadviseur een
geluidsonderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Meer- en Geerweg
14, Leidschendam, d.d. 20 maart 2020, zie bijlage I). Uit voornoemde onderzoek blijkt het
volgende.
De twee woningen kunnen na de verlening van hogere waarden planologisch worden ingepast.
Het is niet mogelijk om maatregelen te treffen om de geluidsbelasting op de gevels te
reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Het terugbrengen van de maximumsnelheid stuit op
verkeerskundige bezwaren. Het toepassen van een stiller wegdek op de Middelweg levert
onvoldoende reductie en is ook financieel gezien niet haalbaar. Het vergroten van de afstand
van de woningen tot de weg is geen optie omdat de woningen er al staan. Ook zijn tegen het
oprichten van een geluidsscherm op deze locatie overwogen bezwaren van
stedenbouwkundige, verkeerskundige en financiële aard aan te voeren. Om deze situatie
planologisch in te kunnen passen is het vaststellen van een hogere grenswaarde dan ook
vereist.
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder en het oogpunt van goede ruimtelijke ordening vormt het aspect
'geluid' geen belemmering voor de planologische inpassing van de bestaande situatie aan
Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam. Daarbij is het wel noodzakelijk dat vanwege
wegverkeerslawaai van de Middelweg een hogere grenswaarde van 53 dB wordt vastgesteld.
Dit besluit dient te worden genomen voordat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld.
De Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In deze wet zijn
luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder
stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is
vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een
nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:
In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in
betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus
zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor
‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto
niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen
met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.
Het project ziet op de planologische inpassing van de bestaande situatie (2 woningen) aan
Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam. Daarmee valt het project onder de categorie ‘niet in
betekenende mate’.
Wat betreft de bestaande luchtkwaliteit kan het volgende worden opgemerkt. Uit de tool
Monitoring NSL 2020 blijkt dat ter plaatse van de planlocatie ruimschoots onder de toegestane
concentraties wordt gebleven (NO2 16,7 µg/m3 en PM10 16,1 µg/m3 (norm is 40 µg/m3), met
maximaal 6 overschrijdingsdagen (norm is 35 dagen)). Ter hoogte van het plan is er dus geen
sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een geldende luchtkwaliteitseis.
Het plan is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. Een specifiek
luchtkwaliteitsonderzoek behoeft om die reden niet te worden uitgevoerd.
Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit, dan ook geen belemmeringen.
Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op
de hoogte te zijn van de in het plangebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden.
Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet
Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en
plantensoorten.
De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen:
Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het
verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen,
wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van
beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor
activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet
ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde
‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse
Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een
plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.
Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Ecoresult (Natuurtoets, In het
kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte, Plangebied: Meer- en Geerweg
14, Leidschendam, d.d. 20 november 2019, zie bijlage II) waarbij onderzocht is of er
beschermde natuurwaarden en / of flora en fauna op het perceel aanwezig zijn.
Uit dit onderzoek bleek dat de aanwezigheid van nestlocaties, verblijfplaatsen en/of leefgebied
van beschermde soorten niet uitgesloten worden. Daarbij gaat het specifiek over de
rugstreeppad, de huismus, de kerkuil, de steenuil en vleermuizen. Om vast te stellen of de
bebouwing daadwerkelijk een functie heeft voor deze soorten was een vervolgonderzoek
noodzakelijk.
Vervolgonderzoek
Door Blom Ecologie is een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de rugstreeppad, huismus,
kerkuil, steenuil en vleermuizen (Aanvullend onderzoek naar rugstreeppad, huismus, kerkuil,
steenuil en vleermuizen aan het Klaverblad 7 te Leidschendam, d.d. 1 november 2021, zie
bijlage III). Uit het onderzoek blijkt het volgende:
Voor eventuele sloopwerkzaamheden aan het Klaverblad 7 te Leidschendam zijn in het kader
van de Wet natuurbescherming geen vervolgstappen nodig. Wel dienen mogelijke
werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden. Het broedseizoen
betreft indicatief de periode 15 maart – 15 juli.
Uit het voorgaande en het vervolgonderzoek blijkt dat er geen beschermde soorten
voorkomen waarvoor specifieke maatregelen nodig zijn. Voor eventuele sloopwerkzaamheden
aan het Klaverblad 7 te Leidschendam zijn in het kader van de Wet natuurbescherming geen
vervolgstappen nodig. Wel dienen eventuele werkzaamheden buiten het broedseizoen van
vogels plaats te vinden. Het broedseizoen betreft indicatief de periode 15 maart – 15 juli.
Om uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft
Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling
stikstofdepositie plan Klaverblad 7 – 9, Leidschendam, d.d. 4 maart 2022, bijlage IV). Langelaar
Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen:
Conclusie
Ook wat betreft effecten op Natura2000-gebieden bestaan er geen belemmeringen voor dit
initiatief.
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de
omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men
rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de
risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten:
Risicovolle objecten zijn o.a.:
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de
omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat
er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.
Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door
een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6).
In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een
risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één
gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het
groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek.
Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft
aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van
externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten
zijn:
Om inzicht te verkrijgen in voor het plangebied relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van
de nationale risicokaart. In figuur 5.1 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.
Zowel binnen als direct buiten het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties
gelegen.
Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk
binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12
(Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde
Basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit berekeningen blijkt dat bij een ongeval met
brandbare stoffen op de A4 en de A12 inzake PR en GR geen belemmeringen zijn voor
Leidschendam. De afstand tot de A12 is ca. 5 kilometer. De afstand tot de A4 bedraagt zo’n 2
kilometer. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een
invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt. Bij
nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het
beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan
het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer
een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is
geen belemmering voor het bouwplan. Echter, de bewoners zullen zich bewust moeten zijn
van bovenstaande risico’s.
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid,
het Basisnet Weg, Spoor en Water en de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke
Stoffen van belang. Op grond hiervan moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan
worden getoetst op externe veiligheid (de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voor
kwetsbare objecten en een verantwoording van het groepsrisico).
Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) zijn vervoerders van gevaarlijke
stoffen verplicht de bebouwde kom zo veel mogelijk te vermijden (artikel 11) en gebruik te
maken van daartoe in het belang van de openbare veiligheid aangewezen wegen (artikel 18).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, water en spoor heeft het rijk normen
vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het kader van de Nota
Vervoer gevaarlijke stoffen definieert het Rijk momenteel een Basisnet voor het vervoer van
gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt daarbij de spanning tussen het vervoer van gevaarlijke
stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid te verminderen door het vaststellen van
gebruiksruimten voor het vervoer en veiligheidszones voor de ruimtelijke ordening. De
gebruiksruimte is de maximale vervoersintensiteit waarmee, bij het maken van berekeningen,
rekening gehouden moet worden.
Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg is alleen rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden), de
A12 (Utrechtsebaan) en de Provinciale weg N206 (Jan Koenenweg en Oosteinde) aangewezen
als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde basisnet). De projectlocatie
ligt echter niet binnen het invloedsgebied van deze wegen.
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe
veiligheid buisleidingen (Revb) omvat de regelgeving op het gebied van buisleidingen
waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In deze regelgeving is bepaald dat de
belemmeringenstrook (5 meter aan weerszijden vanuit het hart van de buisleiding), de
plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico in acht dienen
te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Uit de hierboven opgenomen risicokaart (fig. 5.2) blijkt dat in de nabije omgeving van het
plangebied geen hogedruk-aardgasleidingen aanwezig is (ligt op circa 1,5 km afstand).
Externe veiligheid vormt voor de planologische inpassing van dit plan geen belemmering.
Van belang is eveneens om te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de
waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor
dat in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een
beschrijving is opgenomen. Een beschrijving van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening
is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt
nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt
verslag gedaan van de resultaten van de watertoets.
Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg
stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De
watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met
duurzaam waterbeheer.
De projectlocatie valt binnen het ‘landelijke gebied’ en is gelegen binnen het beheersgebied
van het Hoogheemraadschap van Rijnland. In het gebied is voldoende ruimte aanwezig voor
het optimaliseren van de bergingscapaciteit van water, indien aan de orde.
Het oppervlaktewater van het plangebied bestaat uit een stelsel van grote sloten en
weteringen waarop de kleinere kavelslootjes afwateren. Het hoofdwatersysteem dat het
water moet afvoeren, wordt het boezemwater genoemd. Het hele patroon van het
watersysteem is kenmerkend voor de veenontginningsgebieden.
Om het gewenste waterpeil te handhaven, wordt door middel van gemalen het water uit de
polders op de boezemwateren geloosd. Bij een tekort aan water in de polders wordt vanuit
deze boezems water de polder ingelaten.
Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een afvalwater(pers)transportleiding. De
gemeente stelt als eis dat nieuwbouwplannen voorzien in het gescheiden aanbieden van
vuilwater en schoon hemelwater. Schoon hemelwater wordt (vertraagd) afgevoerd naar het
oppervlaktewater.
Hier is echter sprake van een bestaande situatie. Mocht er in de toekomst nieuwbouw
plaatsvinden, dient er dus sprake te zijn van een gescheiden aanbieden van vuilwater en
schoon hemelwater.
Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan
is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk
Water- en Rioleringsplan 2022-2027 is eind 2020 vastgesteld en is een verbreed Gemeentelijk
Rioleringsplan.
De betreffende (woon)boerderij is in het vigerende bestemmingsplan wegbestemd om een
nieuwe watergang ten behoeve van de Nieuwe Driemanspolder aan te leggen. De aanwezige
bebouwing zou daarvoor moeten wijken. Later zijn de inrichtingsplannen voor de Nieuwe
Driemanspolder in overleg met het Hoogheemraadschap Rijnland gewijzigd zodat de boerderij
gespaard kon worden en het wegbestemmen van de bebouwing op het perceel achteraf gezien
onnodig is geweest. Het Hoogheemraadschap Rijnland is volledig op de hoogte van het
opnieuw positief bestemmen van de situatie op het perceel aan het Klaverblad 7 en 9.
De locatie ligt in de invloedssfeer van de waterkering van de Ringsloot. In de planregels is een
beschermend regime opgenomen voor werkzaamheden binnen deze zone. Het uitvoeren van
(bouw)werkzaamheden mag immers geen negatieve invloed hebben op het functioneren van
deze waterkering. Ook voor eventuele nieuwbouw geldt dat dit geen negatieve invloed zal
hebben op de waterkering. Ingeval van nieuwbouw dient overigens wel een watervergunning
te worden aangevraagd.
In hoofdstuk 3 van deze toelichting is een overzicht gegeven van de voorgenomen wijzigingen
op het perceel. Daaruit is af te leiden dat er sprake zal zijn van een forse afname van bebouwd
oppervlak (zie figuur 3.4). Dat is gunstig voor het waterbergend vermogen van het perceel. Dat
betekent dat er geen extra oppervlaktewater (bergingscapaciteit) nodig is.
Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen
optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken,
regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge
waterstanden verkleind en daarmee ook de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het
aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het
versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft.
Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van
doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken
vergroenen.
Het plan ziet op de wijziging van de bestemming, van agrarisch naar wonen, waarbij de twee
bestaande woningen planologisch worden ingepast. Op dit moment is nieuwbouw niet aan de
orde. Het is aan de eigenaars van de woningen zelf om te beslissen over eventuele
verduurzaming van deze woningen.
Vanwege de sloop van bedrijfsbebouwing neemt de bebouwde oppervlakte op het perceel
aanzienlijk af. Op die manier wordt (wel) een bijdrage geleverd aan ‘klimaatadaptief bouwen’.
Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de planologische wijziging.
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen
gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij
nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn
gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem
dienen te worden gerealiseerd.
In 2019 en 2020 zijn door het adviesbureau HMT een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd
ter plaatse van Klaverblad 7 en 9 te Stompwijk. De reden voor dit onderzoek is de
voorgenomen sloop van diverse opstallen en herinrichting van het terrein alsmede
herbestemming zijnde “wonen” in plaats van een bedrijfsbestemming.
Uit het onderzoek blijkt het volgende:
Van 21 t/m 22 februari 2022 is door Verhoeven Milieutechniek de sterk verontreinigde grond
met zink (ca. 50 m3) verwijderd en is de asbestverontreiniging afgedekt met betonverharding.
Een en ander is weergegeven in de BUS-evaluatie d.d. 24-02-2022.
Op 15 maart 2022 heeft de ODH middels een beschikking ingestemd met de uitgevoerde
bodemsanering aan het Klaverblad 7 te Leidschendam.
De sanering wordt als afgerond beschouwd echter er geldt wel een nazorg of te wel de
verharding moet intact blijven.
In deze beschikking staat het volgende in vermeld:
Conclusie
De verontreiniging met zink is verwijderd en het asbest in de grond is afgedekt met verharding.
De verharding dient intact te blijven. Er zijn geen milieuhygienische belemmeringen.
De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van
een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe
ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies
en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen
aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke
ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt,
dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen
de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden
aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en
Zonering’.
In het kader van ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn hier de volgende situaties / bedrijven
relevant:
- Ten noorden van de planlocatie bevinden zich het pluimveeverwerkingsbedrijf ‘Luiten Food
BV’ en Sportcomplex ‘De Meerhorst’ en de Kantine ‘Stompwijk ‘92’.
Voor Luiten Food BV bedraagt de richtafstand 30 meter voor geluid. Aan deze afstand wordt
voldaan.
Voor Sportcomplex ‘De Meerhorst’ en de Kantine ‘Stompwijk ‘92’ geldt een richtafstand van
50 meter voor geluid. Aan deze afstand wordt eveneens voldaan.
- Tevens dient stilgestaan te worden bij de veehouderij aan de Meer- en Geerweg 9. Voor het
houden van rundvee geeft de VNG-brochure ‘Bedrijven en zonering’ een richtafstand van 100
meter (vanwege geur). Deze richtafstand geldt bij een omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De
VNG-brochure geeft echter aan dat lintbebouwing in het buitengebied met overwegend
agrarische en andere bedrijvigheid als ‘gemengd gebied’ kan worden beschouwd. Gelet op het
feit dat hier inderdaad sprake is van lintbebouwing, agrarische bedrijvigheid en overige
bedrijvigheid (aan het Klaverblad) in de directe omgeving van het plangebied, betekent dat dat
de richtafstand met één afstandstap kan worden verlaagd, waarmee deze op 50 meter komt.
De werkelijke afstand tussen de woningen en de agrarische bebouwing waar de dieren in
kunnen verblijven, bedraagt circa 50 meter (zie figuur 5.4). Dat betekent dat voldaan wordt
aan deze richtafstand. Daarbij wordt aangetekend dat het bouwvlak van het perceel Meer- en
Geerweg 9 in het vierkante vlakje waarin het rode oogje zich bevindt (zie figuur 5.3) op minder
dan 50 meter van de woningen ligt. Echter in dat vlak staat op dit moment de bedrijfswoning.
Het ligt niet voor de hand dat dit in de toekomst zal veranderen.
Gelet op het voorgaande bestaat er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen
belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een
belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft
de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit
dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het
bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke
milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die
voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden
uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde
vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van
de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie
hoofdcriteria centraal:
Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor dit plan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is
niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij woningbouw is een vormvrije m.e.r.-beoordeling
slechts noodzakelijk als deze woningbouw een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt
als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan
“Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het voorliggend plan ziet op het positief bestemmen van 2 woningen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd.
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het plangebied
aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties
daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.
Binnen het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke - of rijksmonumenten. Ook op de
gronden, die direct aan het plangebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het
plangebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan
te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan
niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.
De locatie is door de ligging aan de ringvaart van de Zoetermeerse Meerpolder van
landschappelijke cultuurhistorische betekenis. Zie voor de beschrijving hiervan de Ruimtelijke
Kwaliteitsparagraaf blz. 51 paragraaf 5.5 Zoetermeerse Meerpolder (bijlage bij de regels).
De ruimtelijke vormgeving van nieuwbouw en erf moeten rekening houden met de
landschappelijke cultuurhistorische waarden van deze locatie. Bij nieuwbouw dient er een
herinrichtingsplan te worden opgesteld. Deze voorwaarde is juridisch geborgd in de planregels.
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe
bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle
vindplaatsen.
Voor het plan aan Klaverblad 7 – 9 geldt dat er sprake is van het positief bestemmen van een
bestaande situatie. Dat betekent dat er vooralsnog geen werkzaamheden aan de orde zijn die
de grond verstoren.
Voorts geldt voor het gebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Dat betekent dat
er voor het uitvoeren van werkzaamheden een vrijstellingsgrens geldt voor:
Indien er in de toekomst werkzaamheden verricht worden die niet onder deze
vrijstellingsgrens blijven, dient er een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is
opgenomen in de bij dit bestemmingsplan behorende planregels.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormt
voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische
procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar
te zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te
doorlopen procedures weergegeven.
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro
onderzocht, respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat
aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn
gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen
worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of:
1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en;
2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken
partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen.
De herontwikkeling aan Klaverblad 7 – 9 en de daarmee samenhangende kosten, inclusief
planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer.
Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane
ontwikkeling, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee
is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële
gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake
het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade. Verder zullen de overige
gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Voor de
gemeente Leidschendam - Voorburg verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het
kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede
lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.
Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van
belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding
van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen
en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de
artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel.
Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als
bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een ieder de gelegenheid
gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van het vast te stellen bestemmingsplan.
Het ontwerp-bestemmingsplan en de bijbehorende stukken hebben na publicatie in de
gemeenterubriek voor een periode van zes weken, ingaande op vrijdag 10 juni 2022, ter inzage gelegen. Direct omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende deze
periode zienswijzen in te dienen.
Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in
algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.