direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Klaverblad 7- 9
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Dit bestemmingsplan ziet op het positief bestemmen van twee bestaande woningen (een

hoofdwoning met een aangebouwde c.q. geïntegreerde ondergeschikte tweede

wooneenheid) en het verkleinen van een paardenbak, aan Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam

(voorheen: Meer- en Geerweg 14). Voorheen werd het perceel gebruikt ten behoeve van een

agrarische bestemming. De laatste jaren, tot 2018, is het perceel in gebruik geweest als

zorgboerderij.

De betreffende (woon)boerderij is in het vigerende bestemmingsplan wegbestemd om een

nieuwe watergang ten behoeve van de Nieuwe Driemanspolder aan te leggen. De aanwezige

bebouwing zou daarvoor moeten wijken. Later zijn de inrichtingsplannen voor de Nieuwe

Driemanspolder gewijzigd zodat de boerderij gespaard kon worden en het wegbestemmen van

de bebouwing op het perceel achteraf gezien onnodig is geweest.

1.2 Plangebied

Het plangebied wordt kadastraal aangeduid als gemeente Stompwijk, sectie C, nummer 2584

(ged.) en 1509, plaatselijk gemerkt als Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0001.jpg"

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het perceel Klaverblad 7 - 9 te Leidschendam ligt in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’,

vastgesteld door de gemeenteraad op 7 februari 2011. Ingevolge dit bestemmingsplan rusten

op het perceel de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, ‘Waarde –

Archeologie 3 en 4, ‘Waterstaat – Waterkering’ en ‘Water’. Tevens geldt een aantal specifieke

gebiedsaanduidingen.

Het ingediende plan is strijdig voor wat betreft de volgende onderdelen:

  • Artikel 6.2.1, aanhef: binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • Artikel 20.1.1.a: binnen de bestemming ‘Water – Waterkering’ zijn de gronden alleen bestemd voor water
  • Artikel 20.2.1, aanhef: Er zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen toegestaan
  • Artikel 32.1 a, f en i: Strijdig gebruik

Het plan is in strijd met de regels uit het bestemmingsplan, omdat het enkel gebruik mogelijk

is ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven en ten behoeve van de functie

‘water’. De aanwezige bebouwing (ook de ‘voormalige’ bedrijfswoning) ligt deels binnen de

bestemming ‘water’, hetgeen daarmee in strijd is. Ook is het bewonen van de voormalige

bedrijfswoning voor reguliere (niet-agrarisch) bewoning strijdig met het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0002.jpg"

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 van deze toelichting beschrijft het ruimtelijk relevante beleidskader van de

verschillende overheidslagen voor deze locatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de

stedenbouwkundige inpassing van het plan. In hoofdstuk 4 komen diverse milieu- en

omgevingsaspecten aan de orde. Daarbij gaat het om bodem, geluid, externe veiligheid, bedrijven,

water et cetera. Hoofdstuk 5 gaat in op het onderwerp archeologie en cultuurhistorie. Daarna

behandelt hoofdstuk 6 de verkeerskundige aspecten. Hoofdstuk 7 geeft een juridische

planbeschrijving. Ten slotte vermeldt hoofdstuk 8 één en ander over de economische

uitvoerbaarheid en over de resultaten uit inspraak en overleg.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke beleid

Dit hoofdstuk bevat het relevante ruimtelijk beleid dat door de verschillende overheden in

verdragen, visies, beleidsnota’s en overige documenten is vastgelegd.

2.1 Landelijk

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de

Nationale Omgevingsvisie vastgesteld (NOVI). De NOVI biedt een langetermijnperspectief op

de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet

richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend

zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van

duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire

economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem,

schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en

helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in

nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke

instellingen en burgers.

De NOVI richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar

te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De

Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes:

  • Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie
  • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden
  • Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen

De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog

niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een

omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan

ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Bij dit plan zijn er geen nationale belangen in het geding.

Conclusie

Het initiatief heeft geen betrekking op één van de rijksbelangen die zijn opgenomen in de

NOVI. Het initiatief past dan ook binnen het beleidskader van de NOVI.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Ingevolge artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijk ordening dient, in de toelichting bij een

bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, te worden getoetst

aan de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Doelstelling van deze ladder is een

goede ruimtelijke ordening te waarborgen door een optimale benutting van de ruimte in

stedelijke gebieden.

Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied

wordt gerealiseerd. Als dat niet mogelijk is, dan moet worden gemotiveerd waarom die

ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

Artikel 3.1.6 lid 2 luidt als volgt:

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of hier daadwerkelijk sprake is van een

‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening

geeft voor ‘stedelijke ontwikkeling’ immers de volgende definitie:

In het Besluit ruimtelijke ordening is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de

ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de

zogenaamde overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State over de

‘ladder voor duurzame verstedelijking’ (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat 'in

beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen

gerealiseerd worden.

Conclusie

Nu het plan hier slechts twee woningen betreft, is er geen sprake van een nieuwe stedelijke

ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening. Gelet

op het voorgaande kan een nadere toelichting als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit

ruimtelijke ordening hier achterwege blijven.

2.2 Provinciaal Beleid

2.2.1 Algemeen

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke

leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de

Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale Omgevingsbeleid operationele

doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de

realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van

verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het

programma Mobiliteit.

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale

wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede

leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft men richting door het maken van samenhangende

beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar

uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande

beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het

provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.

Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot een

integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Zuid-Hollandse

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening zijn per 1 april 2019 in werking getreden en

opgesteld in het kader van de Omgevingswet die op 1 januari 2023 in werking treedt. De laatste

wijzigingen en herzieningen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening zijn op 2

februari 2022 in werking getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke

belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.

2.2.2 Provinciale Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie benoemt voor de provincie de visie, ambities en opgaven voor de provincie

Zuid-Holland. De omgevingsvisie bevat zes richtinggevende ambities in de fysieke

leefomgeving:

  • naar een klimaatbestendige delta;
  • naar een nieuwe economie: the next level;
  • naar een levendige meerkernige metropool;
  • energievernieuwing;
  • best bereikbare provincie;
  • gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Naast de zes ambities stelt de provincie in de omgevingsvisie 12 provinciale opgaven voor de

omgevingskwaliteit vast. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden

en maatschappelijke partners. De 12 provinciale opgaven omgevingskwaliteit zijn: Landschap

en cultuurhistorie, Gezondheid en veiligheid, Natuur en recreatie, Ruimte en verstedelijking

(de bebouwde ruimte beter benutten), Wonen, Bodem en ondergrond, Cultuurparticipatie en

bibliotheken, Klimaatadaptie, Zoetwater en drinkwater, Bereikbaarheid, Regionale economie

en Energievoorziening.

Ook het programma Ruimte en de Kwaliteitskaart zijn onderdeel van de Omgevingsvisie van

de provincie Zuid - Holland. Het programma Ruimte bevat een nadere invulling en

operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat

het om locatie specifieke of de programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de

Omgevingsvisie. Om aan te geven wat de provincie verstaat onder gebiedskwaliteit is een

integrale Kwaliteitskaart opgenomen in de Omgevingsvisie.

De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en

versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal

kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en

een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De

kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.

Een plan dat de kwaliteiten van een gebied versterkt is in ieders belang.

In dit kader is het van belang om nogmaals de achtergrond van dit plan te benoemen. De

betreffende (woon)boerderij is in het vigerende bestemmingsplan wegbestemd om een

nieuwe watergang ten behoeve van ‘De Nieuwe Driemanspolder’ aan te leggen. De aanwezige

bebouwing zou daarvoor moeten wijken. Later zijn de inrichtingsplannen voor ‘De Nieuwe

Driemanspolder’ in overleg met Hoogheemraadschap Rijnland gewijzigd, zodat de boerderij

gespaard kon blijven en het wegbestemmen van de bebouwing op het perceel achteraf gezien

onnodig is geweest.

Met onderhavig plan blijft de karakteristieke woonboerderij in stand en wordt de agrarische

bedrijfsbebouwing gesloopt. De aanwezige paardenbak zal worden verkleind. Het perceel

wordt zoveel mogelijk landschappelijk ingericht, met behoud van de bestaande bomenhaag

ten oosten van het plangebied. Ter hoogte van de paardenbak zal ook een groene haag worden

aangebracht, van 60 cm hoog. Dat geeft een afscherming ten opzichte van de Meer- en

Geerweg. De zogenaamde rafelrand ter plaatse van het plangebied kan hierdoor behouden

blijven.

Het plan brengt op deze wijze een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het perceel met zich

mee. De bestaande structuren van het landschap veranderen door deze ontwikkeling niet.

En voor wat betreft de tweede (ondergeschikte en geïntegreerde) woning wordt opgemerkt

dat daar in 1965 reeds een vergunning voor is verleend. Het is dus niet zo dat met dit

bestemmingsplan de bouw van een tweede woning voor het eerst mogelijk wordt gemaakt.

Doordat er bij deze woning sprake is van een ondergeschikte en geïntegreerde situatie, is

verlies c.q. aantasting van ruimtelijke kwaliteit overigens ook niet aan de orde.

Gelet op het voorgaande sluit het plan aan op de doelstellingen van de Omgevingsvisie om de

kwaliteit van het gebied te behouden en op perceelsniveau te versterken.

2.2.3 Provinciale Omgevingsverordening

Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende

instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. De Omgevingsverordening Zuid -

Holland stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn

geschikt voor opname in een verordening. De inhoud is van toepassing op de fysieke

leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke

leefomgeving, waarbij een provinciaal belang speelt. De provincie heeft in de

Omgevingsverordening Zuid - Holland daarom onder meer regels opgenomen over activiteiten

in de fysieke leefomgeving, zoals bodemsanering en flora- en fauna activiteiten, de

leefomgevingskwaliteit en instructieregels aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo

worden er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld aan bestemmingsplannen welke de ontwikkeling

van bedrijven of kantoren mogelijk maken of welke betrekking hebben op gebieden met een

provinciaal belang, zoals langs provinciale vaarwegen of nabij landgoederen en kastelen.

Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ('AMvB Ruimte/ Barro') van het

Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan Provinciale Omgevingsverordeningen

moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien

rechtstreeks voort uit de AMvB Ruimte, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur en de

Romeinse Limes.

Het volledige juridisch instrumentarium vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening. Het gaat

daarbij om de provinciale omgevingsvisie, het provinciaal inpassingsplan en de (proactieve en

reactieve) aanwijzing. De provincie kan deze instrumenten inzetten als er sprake is van

provinciaal belang. De provincie beschouwt in ieder geval van provinciaal belang de in de visie

opgenomen doelen en de uitwerking daarvan in het programma Ruimte. In de verordening

staan de regels die de provincie stelt aan ruimtelijke ontwikkelingen.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke

impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is, wordt in specifieke gevallen bepaald

aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling:

inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit

als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit

een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging (artikel 6.9 Ruimtelijke

kwaliteit).

- Gebiedsidentiteit

De projectlocatie is gelegen in het Groene Hart, aan de zuidzijde van het dorp Stompwijk. Het

gebied ten noorden van de projectlocatie wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van

bebouwing (bedrijfsbebouwing). Ten zuiden van het plangebied loopt een brede watergang en

de Meer- en Geerweg. Dit vormt als het ware de scheiding tussen het bebouwde gebied en het

open weidegebied (ten zuiden van de projectlocatie). Kortom: ten noorden van het plangebied

is sprake van een bedrijventerrein (Klaver) en ten zuiden van het plangebied begint het open

weidegebied.

De structuur van de omgeving kenmerkt zich door de ligging van de Meer- en Geerweg en een

brede watergang ten zuiden van de projectlocatie en de aanwezigheid van het bedrijventerrein

ten noorden (het Klaverblad). De projectlocatie ligt precies tussen de Meer- en Geerweg en

het bedrijventerrein. Aan deze structuur verandert dit plan niets.

De kavel betreft een aaneengesloten terrein waarop de woningen reeds aanwezig zijn.

In dit geval kan worden geconcludeerd dat er sprake is van inpassing van het plan. De

ontwikkeling sluit aan op de bestaande identiteit en structuur van het gebied.

Kortom: het gebruik van de beide woningen (hoofdwoning met een aangebouwde c.q.

geïntegreerde ondergeschikte tweede wooneenheid) ten behoeve van de woonfunctie, en de

inrichting van het gebied als woonerf met daarbij een paardenbak, is niet strijdig met de

Provinciale Omgevingsverordening.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012)

Het gemeentelijke ruimtelijke beleid is geformuleerd in de structuurvisie Ruimte voor Wensen

in 2006. Op 25 september 2012 is de structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012)

vastgesteld. De herijkte structuurvisie vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes

en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de

gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een

positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woonwerkstad. De

herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers:

  • versterken van de groene woonstad;
  • verbeteren van economische kansen en voorzieningenstructuur;
  • beter benutten en verbeteren van bereikbaarheid.

De structuurvisie daarbij gaat uit van een indeling voor de gemeente in een stedelijk gebied,

de Vlietzone en het buitengebied. Onderhavig plangebied valt binnen het stedelijke gebied

(met de specifieke gebiedsaanduiding ‘wonen’, zie onderstaande uitsnede van de

structuurvisiekaart).

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0003.jpg"

Binnen het stedelijk gebied van Leidschendam-Voorburg ligt het realiseren van 80% van de

woningbouwopgave en het faciliteren van 5% groei van de bevolking in de periode 2012-2040.

Er wordt ingezet op het behoud en versterking van het groene karakter van de stad en van de

kwaliteit van de bestaande woonmilieus. Tevens wordt aandacht gegeven aan de verbetering

van de leefbaarheid van bestaande wijken en kwaliteitsverbetering van het stedelijk raamwerk

en de identiteitsdragers. Tenslotte wordt duurzame stedelijke ontwikkeling nagestreefd met

aandacht voor versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen. Daarnaast worden nieuwe

economische kansen gecreëerd door functieverandering, herstructurering en transformatie

van gebieden.

Voor Stompwijk wordt in de structuurvisie nog opgemerkt dat het zijn cultuurhistorisch

karakter moet behouden en versterken en de recreatieve kwaliteit moet verbeteren.

Het plangebied ligt binnen het stedelijk gebied. Voorts kan worden opgemerkt dat, gelet op de

ligging van het plan buiten de historische kern en achter het bebouwingslint, het

cultuurhistorische karakter van Stompwijk met dit plan niet wordt aangetast.

In verband met de aanstaande inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt door de

gemeente Leidschendam-Voorburg een Omgevingsvisie voorbereid. Het college van B&W

heeft in 2021 de gemeenteraad 4 bouwstenen voorgelegd op basis waarvan de Omgevingsvisie

kan worden vormgegeven en afgerond. Dit betreft de volgende bouwstenen:

Groene Woongemeente, Mobiliteit en bereikbaarheid, Economie en bedrijvigheid, Warmteen

energietransitie (tevens Lokale Energie Strategie).

Op het moment van het schrijven van dit plan is renovatie of nieuwbouw nog niet aan de orde.

De initiatiefnemer maakt echter al een tiental jaren gebruik van zonnepanelen en had reeds in

2018 al de wens om de boerderij te verbouwen naar een 0-op-de-meter woning met een

warmtepompsysteem. De herbestemming van het Hoogheemraadschap en ook de (financiële

consequenties van de) pandemiecrisis hebben deze plannen echter flink vertraagd. De wens

te verduurzamen is er echter nog steeds en kan vermoedelijk in de nabije toekomst

gerealiseerd worden.

Het voorliggende plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de structuurvisie en

(ingeval van renovatie of nieuwbouw) met de 4 bouwstenen op basis waarvan de

Omgevingsvisie wordt vormgegeven.

2.3.2 Integrale gebiedsvisie voor Stompwijk juni 2007

In de Integrale Gebiedsvisie Stompwijk van juni 2007 zijn de grove lijnen uitgezet richting de

toekomst. De Gebiedsvisie biedt echter niet voldoende handvatten om ontwikkelinitiatieven

te toetsen en daarmee richting te geven aan de toekomstbestendigheid van Stompwijk.

Daarom is de wens ontstaan om de Gebiedsvisie door te vertalen naar een lager schaalniveau

en een visie te maken voor de kern Stompwijk. De Ontwikkelvisie is niet alleen een uitwerking

van de Integrale Gebiedsvisie, het is tevens een herijking door lopende ontwikkelingen,

veranderde inzichten, nieuw beleid en veranderingen in de maatschappij en economie.

Voor een nadere onderbouwing vanuit het ruimtelijke beleid wordt verwezen naar

onderstaande paragraaf, over de ‘Ontwikkelvisie Stompwijk april 2016’.

2.3.3 Ontwikkelvisie Stompwijk april 2016

In de Ontwikkelvisie Stompwijk van april 2016 zijn de ambities en uitgangspunten

geformuleerd voor Stompwijk.

Voor Stompwijk worden de volgende ruimtelijk uitgangspunten en opgaven genoemd:

  • 1. Behoud open landschap rondom Stompwijk;
  • 2. Behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het lint van de Dr. van Noortstraat;
  • 3. Een nieuwe verbindingsweg om de Dr. van Noortstraat te ontlasten;
  • 4. De nog bestaande oorspronkelijke waterlopen van het polderlandschap in het dorp versterken en een kwalitatief onderdeel van de ruimtelijke structuur laten uitmaken;
  • 5. Reeds ingezette ontwikkelingen.

De Ontwikkelvisie Stompwijk geeft niet heel specifiek beleid voor het omzetten van bestaande

agrarische erven naar woonpercelen. Wel geldt ingevolge de visiekaart de aanduiding

‘behouden rafelrand’. Deze rafelranden dienen behouden te blijven:

Met onderhavig plan blijft de karakteristieke woonboerderij in stand en wordt de agrarische

bedrijfsbebouwing gesloopt. De aanwezige paardenbak zal worden verkleind. Het perceel

wordt zoveel mogelijk landschappelijk ingericht, met behoud van bestaande bomenhaag ten

oosten van het plangebied. Ter hoogte van de paardenbak zal ook een groene haag worden

aangebracht. Dat geeft een afscherming ten opzichte van de Meer- en Geerweg. Bovendien

wordt daarmee ook de bedrijfsbebouwing afgeschermd.

Gelet hierop kan gesteld worden dat de rafelrand ter plaatse van het plangebied behouden

blijft.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0004.jpg"

2.3.4 Parkeernota

In de Nota Parkeernormen 2012 staan de parkeernormen voor auto en fiets. Hieraan moet

worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg.

De nota beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden

van de norm mag worden afgeweken.

Het beleidsdocument 'Nota Parkeernormen 2012' is vastgesteld op 6 november 2012. Bij het

beleidsdocument behoort ook de 'Nota Parkeernormen 2012, bijlagen' en de

'Nota Parkeernormen 2012, parkeernormen'.

De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van het parkeren in de gemeentelijke

openbare ruimte. Dit doet de gemeente aan de hand van parkeerbeleid. Een goed

parkeerbeleid is belangrijk voor de vitaliteit van de stad en draagt bij aan de kwaliteit van de

leefomgeving.

In deze Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-

Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. De

gemeente wil een duidelijk en eenduidig parkeerbeleid voeren, waarbij parkeerbeleid ook kan

betekenen dat er juist geen parkeermaatregelen worden getroffen. Deze nota is tot stand

gekomen op basis van een interactief proces met een klankbordgroep bestaande uit bewoners

en ondernemers, twee gemeente-brede enquêtes over parkeren en objectieve

parkeermetingen. Het beleidsdocument 'Nota Parkeerbeleid 2021' is vastgesteld op 6 april

2021.

In paragraaf 4.1 van deze toelichting wordt verder ingegaan op de toetsing van dit bouwplan

aan de parkeernormen. Daaruit blijkt dat het beoogde plan voldoet aan de uitgangspunten van

de betreffende parkeernota.

De Nota Parkeernormen is het uitgangspunt bij het bepalen van de parkeerbehoefte van deze

ontwikkeling.

2.3.5 Water- en rioleringsplan 2022-2027

Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat

wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan

schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient

bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de effecten van

klimaatverandering. Nieuwbouw dient klimaatadaptief gebouwd te worden. Om de

ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn

van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk

en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid.

Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg

stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt

voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Dat

overleg met de waterbeheerder heeft plaatsgevonden. De waterbeheerder is dus bekend met

dit plan en heeft aangegeven te kunnen instemmen met onderhavig plan.

De waterhuishoudkundige effecten van dit plan zijn beperkt. Vanwege de sloop van diverse

bedrijfsbebouwing is eerder sprake van een gunstig effect. Het plan kan voldoen aan de eisen

die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden

gesteld. Voor de verdere toetsing wordt verwezen naar paragraaf 5.5 van deze ruimtelijke

onderbouwing.

Hoofdstuk 3 Stedenbouwkundige en landschappelijke analyse

Het voorliggende plan wijkt af van de vigerende bestemmingsregeling voor deze gronden. De

stedenbouwkundige en kwalitatief-ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan zal daarom

nader moeten worden beoordeeld en onderbouwd. Hierna wordt een stedenbouwkundige

onderbouwing worden gegeven van het plan.

3.1 Bestaande situatie

Het bestemmingsplan heeft de bebouwing wegbestemd. Het hoogheemraadschap (als

opdrachtgever van de aanleg van de Nieuwe Driemanspolder, waarvan de aanliggende

watergang onderdeel uitmaakt), geeft desgevraagd aan dat in overleg met de gemeente de

watergang smaller uitgevoerd zal worden waardoor de boerderij kan blijven staan.

De betreffende woningen aan Klaverblad 7 - 9 zijn in het vigerende bestemmingsplan

wegbestemd. De reden daarvan is dat in het kader van de herontwikkeling van de Nieuwe

Driemanspolder het voornemen bestond om het naastgelegen watertracé te verbreden.

Uiteindelijk heeft het waterschap, in overleg met de gemeente, toch besloten om het tracé ter

plaatse niet te verbreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0006.jpg"

3.2 Nieuwe situatie

Het plan bestaat uit het positief bestemmen van twee bestaande woningen, met daarbij de

sloop van aanwezige bedrijfsgebouwen, verkleining van een bestaande paardenpak en de

herinrichting van het perceel Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam. Het betreft hier een

hoofdwoning met een aangebouwde c.q. geïntegreerde ondergeschikte tweede

wooneenheid. Voor die tweede wooneenheid is in 1965 overigens reeds vergunning verleend.

Ten opzichte van de oude situatie zal het terrein worden gesaneerd en worden diverse

bijgebouwen gesloopt. Wat over blijft is het huidige dubbele woonhuis en maximaal 150m2

aan vergunningsvrije bijgebouwen. Het dubbelhuis zal (ook in geval van nieuwbouw of

renovatie) een hoofdwoning bevatten, met een geïntegreerde ondergeschikte tweede

wooneenheid.

De vergunningsvrije bijgebouwen (samen niet meer dan 150 m2) op het terrein zullen vanwege

het aflopende karakter (naar de grens met Luiten) van het terrein en de begroeiing niet goed

zichtbaar zijn vanaf de Meer- en Geerweg. Eén bijgebouw dient als verblijf voor de

hobbypaarden en het tweede bijgebouw wordt ingericht als opslagruimte voor het bedrijf aan

huis en garage.

De schuren rondom de woning zullen worden gesloopt. Langs de waterkant zal er een groene

haag van ca. 60 cm hoog worden geplaatst.

De kavelverdeling zal in de nieuwe situatie hetzelfde zijn als in de huidige situatie. Het 'kleine

kavel' zal recht van overpad krijgen op het 'grote kavel’.

Met onderhavig plan blijft de karakteristieke woonboerderij in stand en wordt de agrarische

bedrijfsbebouwing gesloopt. De aanwezige paardenbak zal worden verkleind. Het perceel

wordt zoveel mogelijk landschappelijk ingericht, met behoud van bestaande bomenhaag ten

oosten van het plangebied. Ter hoogte van de paardenbak zal ook een groene haag worden

aangebracht. Dat geeft een afscherming ten opzichte van de Meer- en Geerweg. Bovendien

wordt daarmee ook de bedrijfsbebouwing op bedrijventerrein het Klaverblad afgeschermd. De

zogenaamde rafelrand ter plaatse van het plangebied kan hierdoor behouden blijven.

Op de projectlocatie is reeds 25 jaar een bedrijf gevestigd. Het betreffende eenmansbedrijf is

gespecialiseerd in ‘dry-hire’ van microfoons en zenders. De oppervlakte voor het bedrijf is

maximaal 50 m2, met als hoofdfunctie kantoor en kleine opslag. Dit valt onder de

mogelijkheden voor een ‘aan-huis-gebonden-bedrijf’, waar het vigerende bestemmingsplan

(binnen de bestemming ‘Wonen’) mogelijkheden voor geeft.

Het parkeren dient volgens het parkeernormenbeleid op eigen terrein opgelost te worden. Op

het perceel is ruim voldoende parkeergelegenheid voorhanden. In onderstaande tekening (fig.

3.5) is ter illustratie een aantal parkeerplaatsen ingetekend.

Op onderstaande visualisatie staan de verschillende functies in de nieuwe situatie

geprojecteerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0007.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0008.jpg"

Voor wat betreft duurzaamheidsmaatregelen voor het plan kan het volgende worden

opgemerkt.

Het betreft hier een situatie waarbij twee bestaande woningen positief bestemd worden.

Nieuwbouw is vooralsnog niet aan de orde. Ingeval sprake zal zijn van nieuwbouw of renovatie,

zal de eigenaar duurzaamheidsmaatregelen treffen aan de nieuwbouw. In dat geval worden

de woningen bijvoorbeeld gebouwd zonder aansluiting op gas als energievoorziening en in

overeenstemming met de vereist isolatiewaarden.

De woningen hebben één toegangsrit, vanaf het Klaverblad. Dat is conform de bestaande

situatie en eveneens de enige mogelijkheid voor een ontsluiting. De toegangsweg heeft

ingevolge het ontwerp-bestemmingsplan Landelijk de bestemming verkeer.

Naast de beleving van de openbare ruimte en de kwaliteit van de woningen, is er gekeken of

het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q.

omwonenden.

In de directe omgeving van is enkel de (agrarische) bedrijfswoning van Meer- en Geerweg 9

relevant. De afstand tot deze woning bedraagt echter 50 meter. De aantasting van belangen

van omwonenden is met dit plan derhalve niet aan de orde.

De omwonenden zijn overigens op de hoogte gebracht van het opnieuw bestemmen van dit

perceel.

Conclusie

Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat het voorliggende plan weliswaar afwijkt van de

bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan, maar wel resulteert in een goede

aansluiting op de bestaande bebouwing. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaat er

(stedenbouwkundig gezien) geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische wijziging.

Hoofdstuk 4 Verkeerskundige aspecten

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met

betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied.

4.1 Parkeren

Zoals in paragraaf 2.3.6 reeds is opgemerkt, is het gemeentelijke parkeerbeleid opgenomen in

de Nota Parkeerbeleid 2021 en de Nota Parkeernormen 2012. Hieraan moet worden voldaan

bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. De nota

beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden van de

norm mag worden afgeweken.

Het beleidsdocument 'Nota Parkeernormen 2012' is vastgesteld op 6 november 2012. Bij het

beleidsdocument behoort ook de 'Nota Parkeernormen 2012, bijlagen' en de

'Nota Parkeernormen 2012, parkeernormen'.

Wat betreft de toetsing aan de parkeernormen kan worden uitgegaan van een vrijstaande

woning, een koophuis, in de zone ‘buitengebied’. Daarvoor geldt een gemiddelde parkeernorm

van 2,4 parkeerplaats per woning.

Hier is sprake van 2 woningen (een hoofdwoning met een aangebouwde c.q. geïntegreerde

ondergeschikte tweede wooneenheid). Dat betekent dat er 4,8 (= 5) parkeerplaatsen nodig

zijn. Er is voldoende parkeergelegenheid op het perceel aanwezig (zie onderstaand overzicht,

figuur 4.1, met daarin 5 parkeerplaatsen ingetekend).

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0009.jpg"

Conclusie

Er wordt voldaan aan de parkeereisen van de gemeente.

4.2 Verkeersontsluiting en bereikbaarheid

De ontsluiting van de projectlocatie vindt in de bestaande situatie plaats via het Klaverblad.

Dat is conform de bestaande situatie. Het is wenselijk deze verkeersontsluiting ongewijzigd te

houden. De goede bereikbaarheid van het perceel kan hiermee worden gegarandeerd.

Hoofdstuk 5 Omgevings- en milieuaspecten

Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor dit plan

relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die

verwezenlijking van het project zowel binnen het plangebied als daarbuiten kan hebben.

5.1 Geluid

Om te beoordelen of het bouwplan voldoet aan de Wet geluidhinder, dan wel ter plaatse van

de woningen een goed woon- en leefklimaat heerst, is door De Milieuadviseur een

geluidsonderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Meer- en Geerweg

14, Leidschendam, d.d. 20 maart 2020, zie bijlage I). Uit voornoemde onderzoek blijkt het

volgende.

  • De hoogste geluidsbelasting bedraagt 53 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh van 5dB, afkomstig van de Middelweg (N206) op de rand van het bouwvlak.
  • Bij de betreffende woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 58 dB wordt niet overschreden.
  • Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de Middelweg (N206) het vergroten van de afstand tussen de woningen en de weg of het toepassen van dove gevels. Gezien de beperkte schaal van dit plan is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
  • Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid kan de gemeente een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting van 53 dB afkomstig van de Middelweg. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure.

De twee woningen kunnen na de verlening van hogere waarden planologisch worden ingepast.

Het is niet mogelijk om maatregelen te treffen om de geluidsbelasting op de gevels te

reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Het terugbrengen van de maximumsnelheid stuit op

verkeerskundige bezwaren. Het toepassen van een stiller wegdek op de Middelweg levert

onvoldoende reductie en is ook financieel gezien niet haalbaar. Het vergroten van de afstand

van de woningen tot de weg is geen optie omdat de woningen er al staan. Ook zijn tegen het

oprichten van een geluidsscherm op deze locatie overwogen bezwaren van

stedenbouwkundige, verkeerskundige en financiële aard aan te voeren. Om deze situatie

planologisch in te kunnen passen is het vaststellen van een hogere grenswaarde dan ook

vereist.

Conclusie

Vanuit de Wet geluidhinder en het oogpunt van goede ruimtelijke ordening vormt het aspect

'geluid' geen belemmering voor de planologische inpassing van de bestaande situatie aan

Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam. Daarbij is het wel noodzakelijk dat vanwege

wegverkeerslawaai van de Middelweg een hogere grenswaarde van 53 dB wordt vastgesteld.

Dit besluit dient te worden genomen voordat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld.

5.2 Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In deze wet zijn

luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder

stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is

vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een

nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

  • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;
  • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;
  • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht;
  • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit);
  • een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’.

In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in

betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus

zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor

‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto

niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen

met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

Het project ziet op de planologische inpassing van de bestaande situatie (2 woningen) aan

Klaverblad 7 – 9 te Leidschendam. Daarmee valt het project onder de categorie ‘niet in

betekenende mate’.

Wat betreft de bestaande luchtkwaliteit kan het volgende worden opgemerkt. Uit de tool

Monitoring NSL 2020 blijkt dat ter plaatse van de planlocatie ruimschoots onder de toegestane

concentraties wordt gebleven (NO2 16,7 µg/m3 en PM10 16,1 µg/m3 (norm is 40 µg/m3), met

maximaal 6 overschrijdingsdagen (norm is 35 dagen)). Ter hoogte van het plan is er dus geen

sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een geldende luchtkwaliteitseis.

Het plan is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. Een specifiek

luchtkwaliteitsonderzoek behoeft om die reden niet te worden uitgevoerd.

Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit, dan ook geen belemmeringen.

5.3 Natuur

5.3.1 Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op

de hoogte te zijn van de in het plangebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden.

Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet

Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en

plantensoorten.

De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen:

  • Het Natuurnetwerk Nederland;
  • Bijzondere provinciale natuurgebied;
  • Bijzondere provinciale landschappen;
  • Nationale parken;
  • Bijzondere nationale natuurgebieden;
  • Natura 2000-gebieden.

Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het

verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen,

wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van

beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor

activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet

ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde

‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse

Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een

plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.

5.3.2 Natuurtoets

Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Ecoresult (Natuurtoets, In het

kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte, Plangebied: Meer- en Geerweg

14, Leidschendam, d.d. 20 november 2019, zie bijlage II) waarbij onderzocht is of er

beschermde natuurwaarden en / of flora en fauna op het perceel aanwezig zijn.

Uit dit onderzoek bleek dat de aanwezigheid van nestlocaties, verblijfplaatsen en/of leefgebied

van beschermde soorten niet uitgesloten worden. Daarbij gaat het specifiek over de

rugstreeppad, de huismus, de kerkuil, de steenuil en vleermuizen. Om vast te stellen of de

bebouwing daadwerkelijk een functie heeft voor deze soorten was een vervolgonderzoek

noodzakelijk.

Vervolgonderzoek

Door Blom Ecologie is een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de rugstreeppad, huismus,

kerkuil, steenuil en vleermuizen (Aanvullend onderzoek naar rugstreeppad, huismus, kerkuil,

steenuil en vleermuizen aan het Klaverblad 7 te Leidschendam, d.d. 1 november 2021, zie

bijlage III). Uit het onderzoek blijkt het volgende:

  • Tijdens het onderzoek zijn er geen individuen van de rugstreeppad aangetroffen.
  • Tijdens het onderzoek zijn voorts geen nieuwe sporen zoals krijtsporen, braakballen of veren aangetroffen van de kerkuil en / of steenuil.
  • Tijdens het onderzoek zijn er in de bebouwing aan het Klaverblad geen huismusnesten vastgesteld.
  • Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld.
  • Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus, kerkuil, steenuil en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Deze zijn niet aangetroffen.

Voor eventuele sloopwerkzaamheden aan het Klaverblad 7 te Leidschendam zijn in het kader

van de Wet natuurbescherming geen vervolgstappen nodig. Wel dienen mogelijke

werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden. Het broedseizoen

betreft indicatief de periode 15 maart – 15 juli.

Uit het voorgaande en het vervolgonderzoek blijkt dat er geen beschermde soorten

voorkomen waarvoor specifieke maatregelen nodig zijn. Voor eventuele sloopwerkzaamheden

aan het Klaverblad 7 te Leidschendam zijn in het kader van de Wet natuurbescherming geen

vervolgstappen nodig. Wel dienen eventuele werkzaamheden buiten het broedseizoen van

vogels plaats te vinden. Het broedseizoen betreft indicatief de periode 15 maart – 15 juli.

5.3.3 Stikstofonderzoek

Om uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft

Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling

stikstofdepositie plan Klaverblad 7 – 9, Leidschendam, d.d. 4 maart 2022, bijlage IV). Langelaar

Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen:

  • Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel het verkeer van en naar de woningen, 2 huishoudens met een bestaande CV-ketel en maximaal 8 paarden die het bestemmingsplan toestaat niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden.
  • Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000- gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten.
  • Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.

Conclusie

Ook wat betreft effecten op Natura2000-gebieden bestaan er geen belemmeringen voor dit

initiatief.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Inleiding

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de

omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men

rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de

risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250;
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636;
  • Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Crnvgs) voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water, juli 2012.

Risicovolle objecten zijn o.a.:

  • ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen;
  • transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen;
  • bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemische stoffen;
  • grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15);
  • LPG-tankstations.

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de

omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat

er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.

Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door

een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6).

In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een

risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één

gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het

groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek.

Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft

aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van

externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten

zijn:

  • het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan;
  • het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen;
  • het saneren van bestaande knelpunten;
  • zorgvuldige risicocommunicatie;
  • hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.
5.4.2 Relevante risicobronnen voor het plangebied

Om inzicht te verkrijgen in voor het plangebied relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van

de nationale risicokaart. In figuur 5.1 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0010.jpg"

5.4.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties

Zowel binnen als direct buiten het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties

gelegen.

5.4.2.2 Route gevaarlijke stoffen

Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk

binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12

(Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde

Basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit berekeningen blijkt dat bij een ongeval met

brandbare stoffen op de A4 en de A12 inzake PR en GR geen belemmeringen zijn voor

Leidschendam. De afstand tot de A12 is ca. 5 kilometer. De afstand tot de A4 bedraagt zo’n 2

kilometer. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een

invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt. Bij

nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het

beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan

het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer

een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is

geen belemmering voor het bouwplan. Echter, de bewoners zullen zich bewust moeten zijn

van bovenstaande risico’s.

5.4.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water

Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid,

het Basisnet Weg, Spoor en Water en de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke

Stoffen van belang. Op grond hiervan moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan

worden getoetst op externe veiligheid (de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voor

kwetsbare objecten en een verantwoording van het groepsrisico).

Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) zijn vervoerders van gevaarlijke

stoffen verplicht de bebouwde kom zo veel mogelijk te vermijden (artikel 11) en gebruik te

maken van daartoe in het belang van de openbare veiligheid aangewezen wegen (artikel 18).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, water en spoor heeft het rijk normen

vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het kader van de Nota

Vervoer gevaarlijke stoffen definieert het Rijk momenteel een Basisnet voor het vervoer van

gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt daarbij de spanning tussen het vervoer van gevaarlijke

stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid te verminderen door het vaststellen van

gebruiksruimten voor het vervoer en veiligheidszones voor de ruimtelijke ordening. De

gebruiksruimte is de maximale vervoersintensiteit waarmee, bij het maken van berekeningen,

rekening gehouden moet worden.

Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg is alleen rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden), de

A12 (Utrechtsebaan) en de Provinciale weg N206 (Jan Koenenweg en Oosteinde) aangewezen

als routering voor gevaarlijke stoffen (conform het zogenaamde basisnet). De projectlocatie

ligt echter niet binnen het invloedsgebied van deze wegen.

5.4.2.4 Buisleidingen

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe

veiligheid buisleidingen (Revb) omvat de regelgeving op het gebied van buisleidingen

waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In deze regelgeving is bepaald dat de

belemmeringenstrook (5 meter aan weerszijden vanuit het hart van de buisleiding), de

plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico in acht dienen

te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Uit de hierboven opgenomen risicokaart (fig. 5.2) blijkt dat in de nabije omgeving van het

plangebied geen hogedruk-aardgasleidingen aanwezig is (ligt op circa 1,5 km afstand).

Externe veiligheid vormt voor de planologische inpassing van dit plan geen belemmering.

5.5 Water

5.5.1 Inleding

Van belang is eveneens om te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de

waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor

dat in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een

beschrijving is opgenomen. Een beschrijving van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening

is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt

nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt

verslag gedaan van de resultaten van de watertoets.

5.5.2 Watertoets

Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg

stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De

watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met

duurzaam waterbeheer.

5.5.2.1 Bestaand stedelijk gebied

De projectlocatie valt binnen het ‘landelijke gebied’ en is gelegen binnen het beheersgebied

van het Hoogheemraadschap van Rijnland. In het gebied is voldoende ruimte aanwezig voor

het optimaliseren van de bergingscapaciteit van water, indien aan de orde.

5.5.2.2 Oppervlaktewater

Het oppervlaktewater van het plangebied bestaat uit een stelsel van grote sloten en

weteringen waarop de kleinere kavelslootjes afwateren. Het hoofdwatersysteem dat het

water moet afvoeren, wordt het boezemwater genoemd. Het hele patroon van het

watersysteem is kenmerkend voor de veenontginningsgebieden.

Om het gewenste waterpeil te handhaven, wordt door middel van gemalen het water uit de

polders op de boezemwateren geloosd. Bij een tekort aan water in de polders wordt vanuit

deze boezems water de polder ingelaten.

5.5.2.3 Riolering en afkoppeling

Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een afvalwater(pers)transportleiding. De

gemeente stelt als eis dat nieuwbouwplannen voorzien in het gescheiden aanbieden van

vuilwater en schoon hemelwater. Schoon hemelwater wordt (vertraagd) afgevoerd naar het

oppervlaktewater.

Hier is echter sprake van een bestaande situatie. Mocht er in de toekomst nieuwbouw

plaatsvinden, dient er dus sprake te zijn van een gescheiden aanbieden van vuilwater en

schoon hemelwater.

5.5.2.4 Riool- en baggerbeheer

Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan

is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk

Water- en Rioleringsplan 2022-2027 is eind 2020 vastgesteld en is een verbreed Gemeentelijk

Rioleringsplan.

5.5.2.5 Waterkeringen & waterveiligheid

De betreffende (woon)boerderij is in het vigerende bestemmingsplan wegbestemd om een

nieuwe watergang ten behoeve van de Nieuwe Driemanspolder aan te leggen. De aanwezige

bebouwing zou daarvoor moeten wijken. Later zijn de inrichtingsplannen voor de Nieuwe

Driemanspolder in overleg met het Hoogheemraadschap Rijnland gewijzigd zodat de boerderij

gespaard kon worden en het wegbestemmen van de bebouwing op het perceel achteraf gezien

onnodig is geweest. Het Hoogheemraadschap Rijnland is volledig op de hoogte van het

opnieuw positief bestemmen van de situatie op het perceel aan het Klaverblad 7 en 9.

De locatie ligt in de invloedssfeer van de waterkering van de Ringsloot. In de planregels is een

beschermend regime opgenomen voor werkzaamheden binnen deze zone. Het uitvoeren van

(bouw)werkzaamheden mag immers geen negatieve invloed hebben op het functioneren van

deze waterkering. Ook voor eventuele nieuwbouw geldt dat dit geen negatieve invloed zal

hebben op de waterkering. Ingeval van nieuwbouw dient overigens wel een watervergunning

te worden aangevraagd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0011.jpg"

5.5.2.6 Wateropgave

In hoofdstuk 3 van deze toelichting is een overzicht gegeven van de voorgenomen wijzigingen

op het perceel. Daaruit is af te leiden dat er sprake zal zijn van een forse afname van bebouwd

oppervlak (zie figuur 3.4). Dat is gunstig voor het waterbergend vermogen van het perceel. Dat

betekent dat er geen extra oppervlaktewater (bergingscapaciteit) nodig is.

5.5.2.7 Klimaatadaptatie

Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen

optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken,

regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge

waterstanden verkleind en daarmee ook de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het

aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het

versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft.

Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van

doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken

vergroenen.

Het plan ziet op de wijziging van de bestemming, van agrarisch naar wonen, waarbij de twee

bestaande woningen planologisch worden ingepast. Op dit moment is nieuwbouw niet aan de

orde. Het is aan de eigenaars van de woningen zelf om te beslissen over eventuele

verduurzaming van deze woningen.

Vanwege de sloop van bedrijfsbebouwing neemt de bebouwde oppervlakte op het perceel

aanzienlijk af. Op die manier wordt (wel) een bijdrage geleverd aan ‘klimaatadaptief bouwen’.

Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de planologische wijziging.

5.6 Bodem

5.6.1 Algemeen

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen

gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij

nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn

gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem

dienen te worden gerealiseerd.

5.6.2 Onderzoek

In 2019 en 2020 zijn door het adviesbureau HMT een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd

ter plaatse van Klaverblad 7 en 9 te Stompwijk. De reden voor dit onderzoek is de

voorgenomen sloop van diverse opstallen en herinrichting van het terrein alsmede

herbestemming zijnde “wonen” in plaats van een bedrijfsbestemming.

Uit het onderzoek blijkt het volgende:

  • Er zijn in totaal 15 grondboringen waarvan 1 boring is voorzien van een peilbuis uitgevoerd. Er zijn tevens 12 gaten gegraven tot 0,5 meter diepte voor onderzoek naar asbest. In 2020 zijn 8 sleuven gegraven voor onderzoek naar asbest en 22 grondboringen.
  • De inrit is verhard met recent aangebracht puingranulaat (met certificaat) en de erfverharding van asfalt is reeds verwijderd. De bovengrond van ,mv tot 1 meter bevat ,matig tot sterke bijmengingen met baksteen, puin, slakken, etc.
  • Over het algemeen bevat de bovengrond van 0,0-0,5 m – m.v. licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en PCB of PAK
  • De ondergrond bevat over het algemeen licht verhoogde gehalten aan PAK en molybdeen.
  • De grond nabij boring 11 van 0 tot 1,0 m – m.v. bevat matig tot sterk verhoogde gehalten aan zink met een omvang van ca. 40 m3. Er is hier sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
  • De grond nabij boring 6 van mv tot 1 m – m.v. bevat plaatselijk sterk verhoogde gehalten aan asbest en er zijn ook diverse asbestverdachte plaatmateriaal aangetroffen. De omvang wordt geschat op 150 a 200 m2 met een volume van 100 a 150 m3.
  • Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte aan Xylenen en tolueen.

Van 21 t/m 22 februari 2022 is door Verhoeven Milieutechniek de sterk verontreinigde grond

met zink (ca. 50 m3) verwijderd en is de asbestverontreiniging afgedekt met betonverharding.

Een en ander is weergegeven in de BUS-evaluatie d.d. 24-02-2022.

Op 15 maart 2022 heeft de ODH middels een beschikking ingestemd met de uitgevoerde

bodemsanering aan het Klaverblad 7 te Leidschendam.

De sanering wordt als afgerond beschouwd echter er geldt wel een nazorg of te wel de

verharding moet intact blijven.

In deze beschikking staat het volgende in vermeld:

Conclusie

De verontreiniging met zink is verwijderd en het asbest in de grond is afgedekt met verharding.

De verharding dient intact te blijven. Er zijn geen milieuhygienische belemmeringen.

5.7 Bedrijven en milieuzonering

De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van

een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe

ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies

en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen

aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke

ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt,

dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen

de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden

aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en

Zonering’.

In het kader van ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn hier de volgende situaties / bedrijven

relevant:

- Ten noorden van de planlocatie bevinden zich het pluimveeverwerkingsbedrijf ‘Luiten Food

BV’ en Sportcomplex ‘De Meerhorst’ en de Kantine ‘Stompwijk ‘92’.

Voor Luiten Food BV bedraagt de richtafstand 30 meter voor geluid. Aan deze afstand wordt

voldaan.

Voor Sportcomplex ‘De Meerhorst’ en de Kantine ‘Stompwijk ‘92’ geldt een richtafstand van

50 meter voor geluid. Aan deze afstand wordt eveneens voldaan.

- Tevens dient stilgestaan te worden bij de veehouderij aan de Meer- en Geerweg 9. Voor het

houden van rundvee geeft de VNG-brochure ‘Bedrijven en zonering’ een richtafstand van 100

meter (vanwege geur). Deze richtafstand geldt bij een omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De

VNG-brochure geeft echter aan dat lintbebouwing in het buitengebied met overwegend

agrarische en andere bedrijvigheid als ‘gemengd gebied’ kan worden beschouwd. Gelet op het

feit dat hier inderdaad sprake is van lintbebouwing, agrarische bedrijvigheid en overige

bedrijvigheid (aan het Klaverblad) in de directe omgeving van het plangebied, betekent dat dat

de richtafstand met één afstandstap kan worden verlaagd, waarmee deze op 50 meter komt.

De werkelijke afstand tussen de woningen en de agrarische bebouwing waar de dieren in

kunnen verblijven, bedraagt circa 50 meter (zie figuur 5.4). Dat betekent dat voldaan wordt

aan deze richtafstand. Daarbij wordt aangetekend dat het bouwvlak van het perceel Meer- en

Geerweg 9 in het vierkante vlakje waarin het rode oogje zich bevindt (zie figuur 5.3) op minder

dan 50 meter van de woningen ligt. Echter in dat vlak staat op dit moment de bedrijfswoning.

Het ligt niet voor de hand dat dit in de toekomst zal veranderen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1916.BPKlaverblad7en9-VG01_0012.jpg"

Gelet op het voorgaande bestaat er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen

belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.8.1 Inleiding

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een

belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft

de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit

dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het

bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke

milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die

voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden

uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde

vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van

de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie

hoofdcriteria centraal:

  • 1. de kenmerken van het project;
  • 2. de plaats van het project;
  • 3. de kenmerken van de potentiële effecten.
5.8.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor dit plan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is

niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij woningbouw is een vormvrije m.e.r.-beoordeling

slechts noodzakelijk als deze woningbouw een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt

als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan

“Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het voorliggend plan ziet op het positief bestemmen van 2 woningen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 6 Cultuurhistorie & Archeologie

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het plangebied

aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties

daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.

6.1 Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht

Binnen het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke - of rijksmonumenten. Ook op de

gronden, die direct aan het plangebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het

plangebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan

te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan

niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.

6.2 Cultuurhistorie

De locatie is door de ligging aan de ringvaart van de Zoetermeerse Meerpolder van

landschappelijke cultuurhistorische betekenis. Zie voor de beschrijving hiervan de Ruimtelijke

Kwaliteitsparagraaf blz. 51 paragraaf 5.5 Zoetermeerse Meerpolder (bijlage bij de regels).

De ruimtelijke vormgeving van nieuwbouw en erf moeten rekening houden met de

landschappelijke cultuurhistorische waarden van deze locatie. Bij nieuwbouw dient er een

herinrichtingsplan te worden opgesteld. Deze voorwaarde is juridisch geborgd in de planregels.

6.3 Archeologie

De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe

bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle

vindplaatsen.

Voor het plan aan Klaverblad 7 – 9 geldt dat er sprake is van het positief bestemmen van een

bestaande situatie. Dat betekent dat er vooralsnog geen werkzaamheden aan de orde zijn die

de grond verstoren.

Voorts geldt voor het gebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Dat betekent dat

er voor het uitvoeren van werkzaamheden een vrijstellingsgrens geldt voor:

  • a. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 1000 m²;
  • b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 100 cm komt te liggen en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

Indien er in de toekomst werkzaamheden verricht worden die niet onder deze

vrijstellingsgrens blijven, dient er een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is

opgenomen in de bij dit bestemmingsplan behorende planregels.

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormt

voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische

procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar

te zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te

doorlopen procedures weergegeven.

7.1 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro

onderzocht, respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat

aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn

gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen

worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of:

1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en;

2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken

partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen.

De herontwikkeling aan Klaverblad 7 – 9 en de daarmee samenhangende kosten, inclusief

planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer.

Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane

ontwikkeling, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee

is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële

gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake

het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade. Verder zullen de overige

gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Voor de

gemeente Leidschendam - Voorburg verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het

kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede

lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van

belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding

van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen

en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de

artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene

wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel.

Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als

bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een ieder de gelegenheid

gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van het vast te stellen bestemmingsplan.

Het ontwerp-bestemmingsplan en de bijbehorende stukken hebben na publicatie in de

gemeenterubriek voor een periode van zes weken, ingaande op vrijdag 10 juni 2022, ter inzage gelegen. Direct omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende deze

periode zienswijzen in te dienen.

Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in

algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.