Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Spengen 6 te Kockengen
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1904.WPspengen6-VG01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Op het perceel Spengen 6 te Kockengen is naast een karakteristieke boerderij tevens een zomerwoning aanwezig. Deze zomerwoning wordt thans permanent bewoond. Het vigerende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West' van de gemeente Stichtse Vecht bevat een wijzigingsbevoegdheid om zomerwoningen om te zetten naar een reguliere woonbestemming. Initiatiefnemer wenst van deze bevoegdheid gebruik te maken om zodoende het gebruik van de zomerwoning als permanente woning te legaliseren.
 
Voor deze invulling van de wijzigingsbevoegdheid is het opstellen van het voorliggende wijzigingsplan noodzakelijk.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied van voorliggend wijzigingsplan is gelegen aan Spengen 6 te Kockengen. Hiernavolgende afbeeldingen tonen de ligging van het plangebied op regionale en lokale schaal. Grofweg is het plangebied gesitueerd ten westen van de kern Kockengen. 
 
Ligging plangebied in regionaal verband
 
 
Ligging plangebied op lokale schaal
 
Het plangebied betreft een voormalig bijgebouw bij een karakteristieke boerderij, thans reeds permanent bewoond. Het bijgebouw ligt aan de noordzijde van de karakteristieke boerderij. De begrenzing van het plangebied is aan allen zijden gesitueerd op de buitenmuren van het bijgebouw.
1.3 Vigerend bestemmingsplan
Voorliggend wijzigingsplan moet het permanent gebruiken van een zomerwoning op het perceel van Spengen 6 te Kockengen legaliseren. De zomerwoning is direct ten noorden van de burgerwoning (karakteristieke boerderij) gesitueerd. Dit is mogelijk op basis van artikel 20.8 lid c van de planregels van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West'. Dit bestemmingsplan is op 25 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Stichtse Vecht. In artikel 20.8 lid c is aangegeven dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van het permanent bewonen van de zomerwoning. Daartoe zijn enkele voorwaarden gegeven. Deze voorwaarden zijn in paragraaf 4.1 van de voorliggende toelichting opgenomen.
 
Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bewerkt)
  
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk zal in hoofdstuk 2 het initiatief worden toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid. Hoofdstuk 4 licht de haalbaarheid van het wijzigingsplan toe aan de hand van de wijzigingsbevoegdheid conform de geldende bestemmingsplanregels. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Tot slot bevatten hoofdstuk 6 en 7 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheden van het plan.
 
Voorliggend wijzigingsplan voorziet naast de toelichting, tevens in planregels en een verbeelding.
2 Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie
Op het perceel Spengen 6 te Kockengen staat een karakteristieke boerderij met enkele bijgebouwen. Eén van deze bijgebouwen is een zomerhuis. Een zomerhuis is een gebouw, veelal naast een boerderij waarin van oudsher in de zomer gewoond werd door de agrariër. Het zomerhuis wordt sinds geruime tijd permanent bewoond. Hiernavolgende afbeelding geeft een overzicht van de huidige situatie.
 
Huidige situatie (1: zomerhuis, 2: karakteristieke boerderij, 3: voormalige hooiberg, 4: bijgebouw bij boerderij) 
 
Het zomerhuis is circa 170 m² groot. Direct ten oosten van het zomerhuis is een bijbehorend bouwwerk (bijgebouw) gesitueerd. Dit bijgebouw kent een oppervlakte van circa 30 m². Dit bijgebouw wordt gebruikt als bijgebouw bij de zomerwoning.  
  
2.2 Toekomstige situatie
Voorliggend plan voorziet in de legalisatie van de permanente bewoning van het zomerhuis. Als gevolg van deze legalisatie wordt het aantal woningen dat is toegestaan op het perceel Spengen 6 met 1 vermeerderd. Vanuit de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid is het niet wenselijk aanvullende bebouwing mogelijk te maken. Derhalve wordt in het voorliggende wijzigingsplan uitgegaan van de bestaande maten.  
3 Beleidskader
In bijlage 5 van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West' (2013) is reeds een beschrijving gegeven van het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid dat op het gebied van toepassing is. De wijzigingsbevoegdheden uit bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West' zijn reeds getoetst aan dit beleid. Wanneer aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan kan gesteld worden dat het wijzigingsplan in overeenstemming is met het beleid zoals beschreven in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West'. Gezien de recente vaststellingsdatum van dit bestemmingsplan en de aard van het wijzigingsplan is een nadere beleidsmotivatie niet noodzakelijk.
4 Haalbaarheid van het wijzigingsplan
4.1 Wijzigingsbevoegdheid
In artikel 20.8 lid c wordt een wijzigingsbevoegdheid gegeven aan Burgemeester en wethouders om op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de binnen de bestemming 'Wonen' gelegen gronden voor zover het een zomerwoning betreft te wijzigen ten behoeve van het permanent bewonen van de zomerwoning, onder de voorwaarden dat:
  1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig worden aangetast;
  2. uitsluitend de bestaande maatvoering is toegestaan;
  3. de ter plaatse voorkomende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden van de gronden niet onevenredig worden aangetast;
  4. de bestaande landschapsstructuur wordt behouden, dan wel versterkt;
  5. het bouwen van bijgebouwen niet is toegestaan;
  6. er wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van de milieuwetgeving en er geen nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden.
Omwille een goede ruimtelijke ordening zal tevens inzicht moeten worden gegeven in de uitvoerbaarheids- en haalbaarheidsaspecten.
4.2 Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid
Om de aanvullende woningen toe te staan dient te worden voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 20.8 lid c van de planregels van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West'. Deze voorwaarden zijn verwoord in paragraaf 4.1 van deze toelichting. In onderstaande wordt per voorwaarde toegelicht op welke wijze wordt voldaan aan de betreffende voorwaarde.
 
Voorwaarde 1
De eerste voorwaarde stelt dat de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig worden aangetast. Uit hoofdstuk 5 zal blijken dat de legalisatie geen belemmeringen met zich meeneemt voor de omliggende agrarische bedrijfsvoering. Voorts kan worden aangenomen dat de legalisatie van een woning geen onevenredige invloed heeft op het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen. Daarmee worden de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig aangetast.
 
Voorwaarde 2
Middels voorliggend wijzigingsplan worden geen nieuwe bouwmogelijkheden verkregen. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde dat alleen de bestaande maatvoering is toegestaan. 
           
Voorwaarde 3
De cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden mogen als gevolg van de beoogde legalisatie niet worden aangetast. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden. Daaruit volgt dat deze waarden niet zullen worden aangetast. De wijzigingsbevoegdheid wordt in casu enkel gebruikt om een bestaand gebruik te legaliseren. Nieuwe bouwmogelijkheden worden niet verkregen. Voorliggende ontwikkeling heeft derhalve geen impact op de aanwezige landschappelijke waarden zoals de verkaveling of de openheid van het gebied.
     
Voorwaarde 4
Zoals bij voorwaarde 3 gemotiveerd heeft de beoogde ontwikkeling geen effect op het omliggende landschap. Daarmee behoud de beoogde legalisatie de bestaande landschapsstructuur.
            
Voorwaarde 5
Voorliggend wijzigingsplan heeft niet tot gevolg dat nieuwe bouwmogelijkheden worden verkregen. Daarmee worden geen aanvullende mogelijkheden verkregen voor de ontwikkeling van nieuwe bijgebouwen.
 
Voorwaarde 6
In hoofdstuk 5 is een verantwoording opgenomen omtrent milieuwetgeving en overige aanwezige waarden zoals cultuurhistorie en archeologie. Hieruit volgt dat deze aspecten door de beoogde legalisatie niet negatief worden beïnvloed en derhalve niet belemmerend zijn.
4.3 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. Het college kan dan ook door middel van dit wijzigingsplan de bestemming wijzigen.
5 Omgevingsaspecten
In het kader van een 'goede' ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. Omdat gebruik gemaakt wordt van de wijzigingsbevoegdheid, zoals deze in het geldende bestemmingsplan is opgenomen, kan verwezen worden naar de toelichting behorende bij het bestemmingsplan. Hierin is gemotiveerd dat de wijzigingsbevoegdheid voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
5.1 Milieu
5.1.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Het plan omvat de legalisatie van één woning. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat deze ontwikkeling valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (namelijk de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.| D 11.2), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. Omdat het in onderhavig plan gaat om slecht 1 woning, 0,05% van de drempelwaarde, kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan worden volstaan met het de reguliere onderzoeken naar de haalbaarheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
5.1.2 Bodem
In het kader van een wijzigingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
 
Planspecifiek
Na het doorlopen van het voorliggende wijzigingsplan blijft de opgenomen woonbestemming van toepassing. Uitsluitend het aantal toegestane woningen neemt met 1 toe. Daarmee treedt geen bestemmings- of functiewijziging op. Als gevolg van het wijzigingsplan worden geen bodemingrepen voorzien. Voorts bestaat er, op basis van de informatie uit het provinciale bodemloket, geen aanleiding te veronderstellen dat op de betrokken gronden (ernstige) bodemvervuiling aanwezig is. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
 
Uitsnede bodemloket 
 
5.1.3 Geluid
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermd (artikel 1 Wgh). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek
De te legaliseren woning wordt onder de Wgh beschermd tegen industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Industrielawaai en spoorweglawaai zijn niet van toepassing.
 
Wegverkeerslawaai
De beoogde woning ligt op circa 248 meter van de provinciale weg N401 en circa 40 meter van Spengen. Als gevolg van de Wet Geluidhinder dient voor beide wegen een onderzoekszone aangehouden te worden van 250 meter (Wgh, hoofdstuk VI). De Omgevingsdienst heeft een akoestisch rekenmodel gemaakt voor de beoogde legalisatie. Vanwege de lage verkeersintensiteit is de Spengen zelf niet meegenomen in dit model.  Deze  weg is akoestisch gezien niet relevant voor het plan. Voor de N 401 is geconcludeerd dat  de geluidsbelasting maximaal 46 dB inclusief artikel 110g Wgh (op 5 meter hoogte) bedraagt op de grens van het perceel Spengen 6. Daarmee wordt op de perceelsgrens reeds ruim voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Gezien de aangegeven afstanden komt de geplande woning nog verder van de N401 te liggen en zal worden afgeschermd door tussengelegen bebouwing. De geluidsbelasting is dus nog lager. Het aspect geluid vormt geen belemmering bij voorliggende ontwikkeling.
 
Uitsnede akoestisch rekenmodel
5.1.4 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
 
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen voor scholen, kinderdagverblijven, verzorging-, verpleeg- en bejaardentehuizen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming. Het gaat hierbij overigens niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
 
In het kader van het opstellen van een ruimtelijk plan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
Het voorliggende initiatief betreft de legalisatie van één woning. Deze woning is geen gevoelige bestemming. Ingevolge het gestelde in paragraaf 5.3 van de voorliggende toelichting levert de ontwikkeling een (theoretische) toename op van circa 8 verkeersbewegingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is deze theoretische toename getoetst. Blijkens de NIBM tool, zie uitsnede, kan worden gesteld dat de woning 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nadere toetsing is niet noodzakelijk.
 
Uitsnede NIBM tool (versie mei 2013)
 
Hoewel de woning geen gevoelige bestemming betreft is vanuit een goede ruimtelijke ordening toch een beoordeling uitgevoerd voor de luchtkwaliteit. Uit de Monitoring NSL 2013 (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) blijkt dat de concentraties PM10 en N02, geprognosticeerd  voor het jaar 2015, nabij de planlocatie respectievelijk 22.8 en 19.7 µg/m³ bedragen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³.
5.1.5 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. 
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
In de directe omgeving van de zomerwoning zijn enkele agrarische bedrijven aanwezig. De stallen van deze agrarische bedrijven liggen allen op meer dan 100 meter afstand van de beoogde woningen. De VNG publicatie hanteert voor de aspecten stof, geluid en gevaar bij akkerbouw, fruitteelt en veehouderijen richtafstanden van maximaal 50 meter. De gemeente Stichtse Vecht is momenteel een geurverordening aan het opstellen. Tot het moment dat deze verordening wordt vastgesteld is voor het aspect geur het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maatgevend. De Wgv stelt in artikel 4.1 sub b dat de minimale afstand tussen een geurgevoelige object buiten de bebouwde kom en een veehouderij waar dieren worden gehouden 50 meter moet bedragen. Aan deze afstanden wordt overal ruim voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is expliciet gekeken naar de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf aan Spengen 12. Bij dit bedrijf worden dieren met een geuremissiefactor gehouden. Door middel van een Vstacks-berekening zijn hier de geurodeurs berekend. De Omgevingsdienst heeft de berekening in de laatste vergunning van Spengen 12 opgezocht. Gezien de afstand tot Spengen 6 (circa 190 meter) zal ter hoogte van het plangebied geen overschrijding van de geurnorm plaatsvinden. Daarmee heeft de legalisatie geen beperking van de huidige bedrijfsvoeringen tot gevolg.
 
Tevens is, middels hiernavolgende overzichtskaart, beoordeeld of de legalisatie een beperking kan zijn van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden. De omliggende agrarische bedrijven kennen op grond van het bestemmingsplan wel uitbreidingsmogelijkheden. Indien maximaal invulling wordt gegeven aan deze uitbreidingsmogelijkheden (witte vlakken) bedraagt de zonering tussen de bedrijven en de zomerwoning minimaal 68 meter. Daarmee wordt, ook na uitbreiding, voldaan aan de richtafstand en de wettelijke afstand van 50 meter. Voorts worden in het bestemmingsplan geen fruit- en boomteelt binnen de agrarische bestemming mogelijk gemaakt. Een belemmering voor het bespuiten van bomen en fruit met bestrijdingsmiddelen is derhalve niet aan de orde (spuithinder). Daarmee heeft het initiatief geen gebruiksbeperkingen op de nabijgelegen gronden tot gevolg.
 
Overzichtskaart functies in omgeving 
 
Voorts is het permanent bewonen van de zomerwoning passend te achten binnen een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering bij de voorliggende ontwikkeling.
5.1.6 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Hierbij is de 1% letaliteit belangrijk. Zolang deze oriëntatiewaarde niet overschreden wordt is er geen specifieke motivatie noodzakelijk (let wel: er is dus wel een risico!). Indien de 1% letaliteit wel overschreden wordt dient in de ruimtelijke planvorming dit risicoaspect bewust geaccepteerd te worden met daarbij de motivatie waarom dat acceptabel gevonden wordt. Via inrichtingsmaatregelen (op basis van de gebruiksvergunning en de bouwverordening) en rampenplannen e.a. kan het effect bij een calamiteit beperkt worden.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er verschillende ontwikkelingen gaande. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen en wordt er gewerkt aan een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie wordt de opvolger van het Structuurschema Buisleidingen uit 1985 en bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat beschreven in de Nota en circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). De geactualiseerde circulaire is de voorloper van het Besluit transportroutes gevaarlijke stoffen (Btev), dat in 2014 in werking treedt. Ondanks dat het Btev nog niet in werking is getreden is het, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, verstandig hier al rekening mee te houden. In het Btev staan regels op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Volgens het Btev mag op grond van een ruimtelijke besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Ten opzichte van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is een verantwoording van het groepsrisico niet meer verplicht als het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt.
 
Elektromagnetische straling
Risico’s van elektrische en/of magnetische straling vallen onder de noemer ‘volksgezondheid’ en zijn dus in beginsel geen externe veiligheidsaspect. Toetsing van stralingsrisico’s is echter ook gerelateerd aan risicoafstanden. Het ligt daarom voor de hand om de beoordeling van stralingsrisico’s onder het thema externe veiligheid te borgen. Voor hoogspanningslijnen is het beleidskader beschreven in het ‘Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ (Min. VROM d.d. 5 oktober 2005). Hierin adviseert de Staatssecretaris van VROM het in acht nemen van een veiligheidszone, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Voor door zendmasten (omroep, GSM, UMTS, enz.) veroorzaakte elektromagnetische straling zijn in de EU-publicatie 1999/519/EG blootstellingslimieten aanbevolen voor personen die permanent in de nabijheid van zendmasten verblijven. Nederland heeft deze aanbeveling overgenomen en verankerd in de Telecommunicatiewet.
 
Planspecifiek
Op de provinciale risicokaart zijn geen belemmeringen (relevante risico's) opgenomen in het kader van de externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en vervoer over weg, water of spoor. Daarmee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering. Als gevolg van een extra woning zal het groepsrisico niet tot nauwelijks veranderen. In het vigerende bestemmingsplan is reeds een verantwoording van het groepsrisico opgenomen.  
 
Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt voorts dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en/of magnetische veldsterkten veroorzaken.
5.2 Water
 
5.2.1 Algemeen beleid
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. Het algemene waterbeleid dat op het plangebied van toepassing is, staat beschreven in de Waterwet en het Nationaal Waterplan van de rijksoverheid. Daarnaast zullen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de komende jaren richtinggevend worden voor het regionale waterbeheer in Nederland.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.  
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 
   
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is medesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in dat er een zodanige hoeveelheid wateroppervlak is dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen.
 
Kaderrichtlijn Water (KRW)
De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW wordt op dit moment ingepast in de Nederlandse regelgeving. Milieudoelstellingen en maatregelen zullen waarschijnlijk eind 2009 vast worden gelegd. Deze doelstellingen en maatregelen zullen moeten worden meegenomen in de watertoets en werken zodoende door in de waterparagraaf. Tot die tijd moet voorkomen worden dat overheden besluiten nemen die een achteruitgang van de waterkwaliteit tot gevolg hebben.
5.2.2 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden
Het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is neergelegd in het Waterbeheerplan 2010-2015 'Water voorop!' (vastgesteld op 28 oktober 2009). Het plan bestaat uit 3 delen, te weten Strategie, Beleids- en uitvoeringsplan en een Achtergronddocument. Het deel Strategie betreft een beschrijving over hoe wordt ingespeeld op maatschappelijke ontwikkelingen als klimaatverandering en verstedelijking. Het vormt de basis voor de uitvoeringsstrategie. In het beleids- en uitvoeringsplan zijn de ambities uit het strategisch deel vertaald naar vier beleidsthema's (veiligheid, voldoende water, schoon water en recreatie, landschap en cultuurhistorie) en 7 vernieuwende projecten. Het thema 'veiligheid' heeft met name te maken met het beleid ten aanzien van waterkeringen (primaire waterkeringen, regionale waterkeringen en overige waterkeringen), het voorkomen van overstromingen en het beperken van eventuele gevolgen. Bij de zorg voor het thema 'voldoende water' worden de volgende onderdelen onderscheiden:
  • wateroverlast;
  • watertekort;
  • grond- en stedelijk waterbeheer;
  • Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR), watergebiedsplannen en peilbesluiten;
  • verdroging van de natuur.
Het thema 'schoon water' staat gelijk aan ecologisch gezond water. Dit gebeurt door aanpassing van de inrichting, het beheer en het onderhoud van watersystemen. Hierdoor verbetert de leefomgeving van mensen, dieren en planten. De veranderingen worden doorgevoerd via integrale gebiedsgerichte planvorming, in samenhang met maatregelen om andere doelen te halen. Dit wordt gedaan via integrale, gebiedsgerichte planvorming middels het opstellen van watergebiedsplannen. In de waterstructuurvisie is de toekomstvisie van het Hoogheemraadschap weergegeven. Belangrijkste doelstelling is dat het water meer ruimte moet krijgen om het hoofd te bieden aan klimaatveranderingen. Het middel dat hiervoor wordt ingezet is het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Dit houdt in dat regenwater niet meteen wordt afgevoerd via het riool, maar wordt vastgehouden. Bijvoorbeeld door het in de grond te laten zakken of te verzamelen in sloten. Het bergen vindt plaats door het opslaan van overtollig water in speciale meren of aangewezen polders. Op die manier is er ook schoon water in voorraad voor droge tijden. Pas in het uiterste geval wordt meer gevraagd van de gemalen (afvoeren).
5.2.3 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling gaat enkel uit van een gebruikslegalisatie. Er worden geen aanvullende bebouwings- of verhardingsmogelijkheden gegeven. Daarmee is watercompensatie niet aan de orde. De woning is reeds aangesloten op het bestaande riool. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
 
Planspecifiek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de legalisatie van een bestaande woning. Als gevolg van deze legalisatie worden geen aanvullende verkeersbewegingen voorzien. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is, middels publicatie 317 van het CROW, theoretisch inzicht verkregen in de verkeersgeneratie en bijhorende parkeerbehoefte. In deze publicatie is voor vrijstaande woningen in het buitengebied / niet stedelijk een verkeergeneratie opgenomen van 8 motorvoertuigen (mvt) per etmaal. Spengen is een smalle weg in het buitengebied. Het niet legaliseren en handhaven van het huidige gebruik van de zomerwoning leidt derhalve tot een reductie van 8 mvt/etmaal. Er zijn geen verkeersproblemen voor het Spengen. Derhalve is de legalisatie acceptabel. 
 
Het bij de zomerwoning behorende erf biedt voldoende ruimte voor 2 tot 3 auto's. Daarmee wordt voldaan aan de in de CROW publicatie 317 opgenomen parkeerkencijfers. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
5.4 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
 
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: 
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Het plangebied is niet gelegen in EHS gebied of in de directe nabijheid van Natura 2000 gebied. Derhalve zijn effecten op beschermde natuurgebieden, als gevolg van de ontwikkeling, uitgesloten. Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling zullen geen fysieke ingrepen plaatsvinden in het zomerhuis. Daarmee is een effect op beschermde flora en fauna uitgesloten.
5.5 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Gemeenten dienen bij bodemingrepen het behoud van deze archeologische waarden af te wegen tegen andere belangen. Om de belangafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken heeft de gemeente Stichtse Vecht een archeologische beleidskaart op laten stellen voor haar grondgebeid. Deze beleidskaart is opgenomen in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West'
 
Planspecifiek
Het westelijk deel van het plangebied is in de gemeentelijke archeologische beleidskaart gewaardeerd als een gebied met een hoge verwachting (dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2). Het oostelijk deel van het plangebied heeft een lage verwachting (dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4) op het aantreffen van archeologische resten. Indien bodemingrepen plaatsvinden die groter zijn dan de in het bestemmingsplan gestelde ondergrenzen is een vergunning noodzakelijk waarbij een archeologisch rapport wordt overlegd. Aangezien voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging geen bodemingrepen voorzien zijn is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De regels van de regeling uit het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West' zijn overeenkomstig van toepassing verklaard, daarmee is het aspect archeologie voldoende verankerd in voorliggend wijzigingsplan.  
5.6 Cultuurhistorie
Door recente wijzigingen in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is sinds 1 januari 2012 het opnemen van een cultuurhistorische paragraaf verplicht. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.  
    
Planspecifiek
Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in ruimtelijk fysieke ingrepen. Het ordeningsprincipe en de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap blijft derhalve geheel intact en herkenbaar. De nu bijhorende en direct nabijgelegen boerderij wordt in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied West' aangewezen als karakteristiek. Middels voorliggende wijzigingsbevoegdheid wordt een nieuwe economische drager van het pand gevonden. Deze drager draagt bij aan het behoud van de karakteristieke cultuurhistorische waarden.
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Het project wordt op verzoek van en gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van de anterieure overeenkomst worden aangetoond. In deze overeenkomst zal ook het verhaal van planschade geregeld worden.
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Algemeen
Het ontwerpwijzigingsplan zal conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder, ook voor overlegpartners. Na vaststelling door het college van Burgemeester en Wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
7.2 Verslag zienswijzen
Het wijzigingsplan heeft van vrijdag 25 juli tot en met donderdag 4 september 2014 voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is 1 zienswijze ingediend. Deze zienswijze had geen betrekking op het planvoornemen en is na overleg met indiener direct ingetrokken.