Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Loenen aan de Vecht – geconsolideerd
Status: geconsolideerd
Plan identificatie: NL.IMRO.1904.BPLoenenadVechtCON-GC01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
  
plan:
 
het bestemmingsplan Loenen aan de Vecht – geconsolideerd met identificatienummer NL.IMRO.1904.BPLoenenadVechtCON-GC01 van de gemeente Stichtse Vecht.
  
bestemmingsplan:
 
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
  
aanduiding:
 
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
  
aanduidingsgrens:
 
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
  
achtererf:
 
de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevelrooilijn.
 
achtererfgebied:
 
erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1,0 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.
  
achtergevelrooilijn:
 
de denkbeeldige lijn in het verlengde van de achtergevel van het hoofdgebouw.
  
afhankelijke woonruimte (i.v.m. mantelzorg):
 
een onderdeel van het hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk bij een woning dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.
  
afvalinzamelsysteem:
 
geheel of gedeeltelijk onder peil gelegen bouwwerken/voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval, glas en dergelijke.
  
agrarisch beheer:
 
het beheren en onderhouden van gronden, gericht op het voortbrengen van producten en behoud en herstel van het cultuurlandschap en natuurwaarden door middel van het telen van gewassen en/of het (hobbymatig) houden van dieren. Intensieve vormen van agrarische productie en (boom)kwekerijen zijn niet toegestaan.
  
ambachtelijk en verzorgend bedrijf:
 
een bedrijf voor de uitvoering van producerende en/of verzorgende ambachten, waar voor een belangrijk deel in handwerk goederen worden vervaardigd, verwerkt, bewerkt, geïnstalleerd of hersteld, voornamelijk direct ten behoeve van de uiteindelijke gebruiker en/of verbruiker.
  
ambulante handel:
 
de verkoop en het te koop aanbieden, alsmede de uitstalling daarvan, van waren aan consumenten buiten vestigingen. Onder ambulante handel wordt mede verstaan (week)markten, standplaatsen buiten de markten en het venten.
  
antenne-installatie:
 
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
  
archeologische waarde:
 
de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.
  
architectonische waarde:
 
de authentieke kenmerken in de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken welke eigen zijn aan een bepaalde kunsthistorische stijlperiode of een bouwvorm, welke karakteristiek is aan gebouwen uit een bepaalde streek, waarbij in hoofdzaak gelet wordt op onder meer de uitwendige hoofdvorm van een gebouw, bepaald door grondoppervlak, goothoogte, dakhelling, nokrichting en -hoogte en de gevelindeling.
  
atelier:
 
werkplaats van een beeldend kunstenaar, waarbij detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van ter plaatse vervaardigde producten is toegestaan.
  
bebouwing:
 
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
  
bebouwingspercentage:
 
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel. In geval van meerdere eigenaren wordt het percentage naar rato van het oppervlak van het in eigendom zijnde perceel bepaald.
  
bed and breakfast:
 
een activiteit ondergeschikt aan een woning die gerund wordt door de eigenaren tevens bewoners van de betreffende woning, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van toeristisch nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is.
  
bedrijf:
 
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
  
bedrijf aan huis:
 
een bedrijf of het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk dat niet krachtens milieuregelgeving vergunnings- of meldingsplichtig is, waaronder een kappersbedrijf, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Detailhandel, horeca, kinderdagverblijven, seksinrichtingen, prostitutie, koeriersbedrijven en (personen)transport vallen hier niet onder.
  
bedrijfsgebouw:
 
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
  
bedrijfsvloeroppervlak:
 
de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels, instellingen of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
  
bedrijfswoning:
 
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.
  
begraafplaats:
 
een locatie waar overledenen worden begraven dan wel worden bijgezet in een urnenmuur of urnenveld.
  
beperkt kwetsbaar object:
  1. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, dienst- en bedrijfswoningen van derden, sporthallen,
    zwembaden en speeltuinen;
     
  2. kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder c, vallen;
     
  3. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder de definitie voor kwetsbare objecten, onder d, vallen;
     
  4. objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
     
  5. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
beroep aan huis:
 
een dienstverlenend beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Detailhandel, horeca, kinderdagverblijven, seksinrichtingen, prostitutie, koeriersbedrijven en (personen)transport vallen hier niet onder.
  
beschermd monument:
 
een onroerend monument, aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet als beschermd monument, en ingeschreven in het door het rijk bijgehouden rijksmonumentenregister.
  
beschermd dorpsgezicht:
 
gebied dat door de toenmalige ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 4 augustus 1966 is aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.
  
bestaande situatie:
 
  1. bij bebouwing: een legaal bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van de terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders bepaald;
  2. bij gebruik: het legale gebruik dat bestaat op het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen, danwel nadien kan worden gebruikt krachtens een verleende vergunning, tenzij in de regels anders bepaald.
  3. Het aantal woningen of wooneenheden zoals aanwezig op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan, dan wel nadien kunnen worden gerealiseerd krachtens dit bestemmingsplan en/of afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in dit bestemmingsplan;
 
bestemmingsgrens:
 
de grens van een bestemmingsvlak.
  
bestemmingsvlak:
 
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
  
bijbehorend bouwwerk:
 
een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
  
bijzondere woonruimte:
 
woonruimte waarin, al dan niet zelfstandige, woningen zijn opgenomen met gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een bejaardenhuis, woonzorg-complex of daarmee gelijk te stellen voorziening.
  
boatsaver:
 
een al dan niet drijvende voorziening ter opslag en overkapping van een boot.
  
bouwen:
 
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
  
bouwgrens:
 
de grens van een bouwvlak.
  
bouwlaag:
 
een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder indien deze lager zijn dan 2,1 m en niet normaal beloopbaar zijn.
  
bouwperceel:
 
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolgde de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
  
bouwperceelgrens:
 
de grens van een bouwperceel.
  
bouwvlak:
 
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
  
bouwwerk:
 
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond.
  
buitenplaats:
 
een historische buitenplaats is aangelegd. Zij kan deel uitmaken van een landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met één of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen en ornamenten. De samenstellende delen, een ensemble vormend, van terreinen (met beplanting), lanen, waterpartijen en waterlopen, gebouwen, bouwwerken en tuinornamenten zijn door de opzet of ontwerp van tuin en park en het (utilitair) gebruik historisch en architectonisch met elkaar verbonden en vormen zo een onlosmakelijk geheel. Onderdeel van een historische buitenplaats vormen die gebouwen, bouwwerken en tuinornamenten, die compositorisch deel uitmaken van het ontwerp en de opzet en inrichting van de tuin- en/of parkaanleg dan wel dienen voor gebruik in samenhang met de oorspronkelijke bestemming.
  
cultuurhistorische waarde:
 
de aan een (samenstel van) bouwwerk(en) of gebied toegekende waarde in verband met het beeld dat door het gebruik in de loop van de geschiedenis is ontstaan, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur.
  
detailhandel:
 
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
  
dienstverlening/maatschappelijke dienstverlening:
 
een (naar openingstijden) met een winkel vergelijkbare onderneming die is gericht op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en wordt geholpen, zulks met uitzondering van horecaondernemingen en seksinrichtingen/prostitutie.
  
erf:
 
een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover de bestemming deze inrichting niet verbiedt.
  
erotisch getinte vermaaksfunctie:
 
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.
  
evenement:
 
een één of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak zoals sportmanifestaties, concerten, bijeenkomsten, voorstellingen, thematische beurzen en markten.
  
extensief recreatief medegebruik:
 
recreatief gebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden.
  
galerie:
 
ruimte voor het exposeren en verkopen van kunstwerken.
  
gebouw:
 
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
  
geluidsgevoelig object:
 
woningen, alsmede gebouwen, terreinen en ruimten als bedoeld in de Wet geluidhinder.
  
gestapelde woning:
 
een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat, waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, gewaarborgd is.
  
hoofdgebouw:
 
een gebouw dat, gezien zijn bestemming, vorm of gebruik, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.
  
hoogtescheidingslijn:
 
een op de verbeelding binnen een bouwvlak aangegeven lijn waarmee de scheiding tussen twee binnen dat bouwvlak aangegeven hoogteaanduidingen wordt weergegeven.
  
horeca(onderneming):
 
een onderneming die in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie.
  
De volgende specifieke vormen worden onderscheiden, waarbij in het kader van dit bestemmingsplan geen discotheken of (soft)drugverstekkende gelegenheden zijn toegestaan. Bij de begrippen is een categorie-indeling aangegeven welke in de regels wordt gebruikt:
  
Categorie h1: (winkel)ondersteunende horeca waaronder verstaan wordt:
 
een onderneming, die qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelsvestigingen, althans geen latere sluitingstijd dan 21.00 uur heeft, zoals een dagcafé, lunchroom, koffiecorner en ijssalon;
  
Categorie h2: bed & breakfast, pensionbedrijf waaronder verstaan wordt:
 
een activiteit ondergeschikt aan een woning die gerund wordt door de eigenaren tevens bewoners van de betreffende woning, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van toeristisch nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is;
  
Categorie h3: hotel waaronder verstaan wordt:
 
een onderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en eventueel het ondergeschikt exploiteren van zaalaccommodatie en het ondergeschikt verstrekken van voedsel en dranken;
  
Categorie h4: restaurant/eetcafé waaronder verstaan wordt:
 
een onderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse en waarbij het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is; alsmede tot het exploiteren van een ondergeschikte zaalaccommodatie;
  
Categorie h5: cafetaria/snackbar waaronder verstaan wordt:
 
een onderneming gericht op het verstrekken aan de verbruiker van al dan niet ter plaatse bereide, kleine etenswaren, welke al dan niet ter plaatse kunnen worden gebruikt;
  
Categorie h6: zaalaccommodatie waaronder verstaan wordt:
 
een onderneming, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van gelegenheid tot het houden van bruiloften en partijen, alsmede tot het houden van congressen, conferenties en andere vergaderingen en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is;
  
Categorie h7: café/bar waaronder verstaan wordt:
 
een zelfstandige, niet geheel of gedeeltelijk deel uitmakend van een hotel, restaurant of zaalaccommodatie voorkomende bedrijvigheid, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en waar het verstrekken van maaltijden daaraan ondergeschikt is;
  
Categorie h8: discotheek/dancing waaronder verstaan wordt:
 
een uitgaansgelegenheid bestaande uit één of meerdere bars en een plek waar je kunt dansen op of luisteren naar (live)muziek.
  
huishouden:
 
persoon of groep personen die een huishouding voert, niet zijnde (bedrijfsmatige) kamerbewoning/kamerverhuur.
  
huishouding:
 
regeling van het huishouden, familieleven, huisgezin.
  
jongerenontmoetingsplek (JOP):
 
een speciaal ingerichte plek in het openbaar gebied waar jongeren rond kunnen hangen.
  
kamerbewoning/kamerverhuur:
 
het gebruik van een hoofdgebouw of met het hoofdgebouw verbonden bijbehorende bouwwerken door meer dan één zelfstandig huishouden.
  
kantoor:
 
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen / het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij afnemers niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord worden gestaan en geholpen.
  
kap:
 
een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk waarbij bij een horizontale projectie ten minste 50% van het gebouw wordt afgedekt met hellende dakvlakken.
  
karakteristiek:
 
een onroerend monument, gebouw, bouwwerk of beplanting aangemerkt als karakteristiek vanwege de karakteristieke waarde in het straatbeeld, zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, en waarvan het behoud van belang is.
  
kelder:
 
een grotendeels ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorend bovengronds bouwwerk.
  
kelderingang:
 
een constructie die dient voor de toegang tot een kelder.
  
kelderkoekoek:
 
een uitgebouwde constructie van beperkte omvang aan de buitenzijde van de kelderwand die dient voor daglichttoetreding en/of ventilatie van de kelder. Als uitgebouwde bak wordt het ook wel een lichtkolk of vossengat genoemd, een lange doorgaande koekoek ook wel een wolfskuil.
  
kwetsbaar object:
  1. woningen, niet zijnde woningen als bedoeld bij de definitie voor beperkt kwetsbare objecten;
     
  2. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
    1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
       
    2. scholen;
       
    3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
       
  3. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
    1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object;
       
    2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;
       
  4. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. 
landschapswaarden:
 
de aan een gebied toegekende waarde in visueel-ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch en/of geomorfologisch opzicht.
  
ligplaats:
 
een plaats voor het aanleggen van vaartuigen.
  
maatschappelijke voorzieningen:
 
culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede (buitenschoolse) kinderopvang, alle met bijbehorende praktijkruimten, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.
  
mantelzorg:
 
het anders dan bedrijfsmatig bieden van zorg aan een of meer leden van een huishouding, die hulpbehoevend is of zijn op het fysieke, psychische en/of sociale vlak.
  
natuurwaarden:
 
de aan een gebied eigen zijnde ecologische waarden.
  
nevenactiviteit:
 
een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat.
  
normaal onderhoud, gebruik en beheer:
 
een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt.
  
nutsvoorzieningen:
 
gebouwde dan wel ongebouwde voorzieningen ten behoeve van algemene nutsdoeleinden zoals de watervoorziening, afval, energievoorziening of het (tele)communicatie-verkeer.
  
objecten met cultuurhistorische waarde:
 
bebouwing met cultuurhistorische waarde waaronder naast het hoofdgebouw tevens de (aangebouwde) voormalige bedrijfsgedeelten vallen die, gelet op de oorspronkelijke functie en bouwwijze, een wezenlijk onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke (bedrijfs)bebouwing; hieronder vallen niet latere aan- of uitbouwen (erfbebouwing) zonder cultuurhistorische waarde.
  
oever:
 
waterkant langs rivieren, meren, kanalen enz..
  
ondergeschikte functie:
 
functie die ondergeschikt is aan de hoofdfunctie.
  
ondergeschikte detailhandel:
 
detailhandel vanuit vestigingen/voorzieningen die als hoofdactiviteit geen detailhandel hebben en waarvan de detailhandelsfunctie in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend aantoonbaar ondergeschikt en gelieerd is aan de hoofdfunctie.
  
ondergeschikte horeca:
 
horeca vanuit vestigingen/voorzieningen die als hoofdactiviteit geen horeca hebben en die in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt en gelieerd is aan de hoofdfunctie zoals een kantine bij een sportaccommodatie.
  
overkapping:
 
een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het gebruiksgenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren.
  
overtuin:
 
een (particuliere) tuin, veelal (van oorsprong) behorend bij een buitenplaats, met een zekere cultuurhistorische en landschappelijke waarde, vanwege de oriëntatie op zowel de Vecht als de (voormalige) buitenplaats, het herenhuis of het buitenhuis.
  
perceelsgrens:
 
een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.
  
perifere detailhandel:
 
detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen en detailhandel in ABC-goederen (auto's, boten en caravans), tuincentra, bouwmarkten, detailhandel in grove bouwmaterialen, keukens en sanitair alsmede woninginrichting waaronder meubels, die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling (en uit dien hoofde niet binnen de aangewezen winkelconcentratiegebieden gevestigd kunnen worden).
  
prostitutie:
 
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.
  
recreatie:
 
vrijetijdsbesteding die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, trimmen, fietsen, paardrijden, vissen, zwemmen, roeien, kanoën etc.
  
seksinrichting:
 
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
  
speelterrein:
 
een terrein dat erop gericht is om in de openlucht speel- en recreatiemogelijkheden te bieden en waarop speelvoorzieningen kunnen worden geplaatst.
  
speelvoorziening:
 
een voorziening, die erop gericht is om in de openlucht speel- en recreatiemogelijkheden te bieden.
  
standplaats:
 
een plek in het openbaar gebied waar ambulante handelaren een dagdeel, dag en/of een aantal dagen per week waren kunnen verkopen.
  
straatmeubilair:
 
bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-)voorzieningen, zoals:
  1. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken;
     
  2. telefooncellen, abri's, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame (inclusief de reclame zelf);
     
  3. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van niet meer dan 50 m³ en een hoogte van niet meer dan 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen;
     
  4. (ondergrondse) afvalinzamelsystemen. 
steiger:
 
een constructie langs of dwars op een oever die als aanlegplaats voor schepen dient.
  
streefpeil:
 
het reglementair vastgestelde waterpeil dat door de beherende instantie wordt nagestreefd.
  
terras:
 
een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
  
volumineuze detailhandel:
 
detailhandel in goederen, die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, woning- en tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair.
  
voorerf:
 
de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn voor de voorgevelrooilijn.
  
voorgevel:
 
de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.
  
voorgevelrooilijn:
 
de denkbeeldige lijn in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw.
  
vrijstaand:
 
bebouwing waarbij de gebouwen aan beide zijden niet tegen een al dan niet op een ander bouwperceel gelegen gebouw zijn gebouwd.
  
waterhuishoudkundige voorzieningen:
 
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit., waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.
  
(kunst)werk:
 
bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening.
  
woonschip:
 
elk vaar- of drijftuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als of te oordelen naar zijn constructie en/of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot als hoofdbewoning geldend dag- en/of nachtverblijf van één of meer personen.
  
woning/wonen/wooneenheid:
 
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
  
woonzorgvoorzieningen:
 
Een complex van bebouwing dat bestemd is voor mensen die vanwege hun hoge leeftijd en/of fysieke beperkingen (waaronder ook dementie/alzheimer worden gerekend), behoefte hebben aan ondersteuning bestaande uit zorgwoningen en een zorginstelling (verpleeghuis) in combinatie met ondersteunende voorzieningen voor de gebruikers zoals een gezondheidscentrum, een medische hulppost, ruimtes voor dagbesteding, dienstverlening, detailhandel en horeca.
  
zijerf:
 
de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn achter de voorgevelrooilijn en vóór de achtergevelrooilijn.
  
zorginstelling:
 
een organisatie die onder de Kwaliteitswet zorginstellingen (KWZ) valt, zoals een verpleeghuis.
  
zorgvoorziening:
 
een uitvalsbasis voor (medische) zorgverlening en dienstverlening op het gebied van (medische) zorg zoals zorgservicepunten, kinderdagopvang en naschoolse opvang, bureau voor jeugd en gezin, consultatiebureaus en verhuur van hulpmiddelen.
  
zorgwoning:
 
Een woning/wooncomplex die/dat bestemd is voor mensen die vanwege hun hoge leeftijd en/of fysieke beperkingen (waaronder ook dementie/alzheimer worden gerekend), behoefte hebben aan ondersteuning, waar zij geheel zelfstandig, in groepsverband of onder algehele verzorging kunnen wonen. De woning is afgestemd op de betreffende doelgroep(en) en de mate van zorg die nodig is.

Artikel 2 Wijze van meten
Lid 2.1 Algemeen
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
de afstand tot de bouwperceelgrens:
tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
 
de bedrijfsvloeroppervlakte (bvo):
binnenwerks met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten, worden opgeteld.
 
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
de horizontale diepte van een gebouw:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel.
 
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
de insteek van watergangen:
vanaf de insteek die wordt gevormd door de snijlijn tussen het schuine talud van de oever en het maaiveld.
 
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
de oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
 
peil:
  1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het oorspronkelijke aansluitende terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  3. voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw;
  4. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land.
de verkoopvloeroppervlakte (detailhandel) (vvo):
binnenwerks met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte van ruimten welke rechtstreeks ten dienste staan van de detailhandelsactiviteiten en welke voor het publiek toegankelijk zijn worden opgeteld; kantoren, magazijnen en overige dienstruimten worden hieronder niet begrepen.
 
de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk:
van het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.

Lid 2.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden stoepen, stoeptreden, trappen, funderingen, kelderkoekoeken, erkers, pilasters, kozijnen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, luifels en balkons buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt en overige ondergeschikte bouwonderdelen, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.

Lid 2.3 Meten
Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Agrarisch met waarden
 
Lid 3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de uitoefening van agrarisch beheer;
     
  2. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de aanwezige en potentiële landschaps- en natuurwaarden;
     
  3. extensief recreatief medegebruik; 
met daarbij horende:
  1. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  2. groenvoorzieningen;
     
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  4. overige functioneel met de bestemming 'Agrarisch met Waarden' verbonden voorzieningen.
Lid 3.2 Bouwregels
 
Lid 3.2.1 Gebouwen
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
  
Lid 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bouwregels:
  1. (Sleuf)silo’s, windmolens en mestopslagplaatsen mogen niet worden gebouwd.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 2 m. 
Artikel 4 Bedrijf
 
Lid 4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. bedrijven behorende tot ten hoogste milieucategorie 2 van de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten;
     
  2. tevens een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg';
     
  3. tevens detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
     
  4. tevens nutsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorzieningen';
     
  5. ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit van de bedrijfsactiviteiten;
     
  6. bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. nutsvoorzieningen;
     
  5. groenvoorzieningen;
     
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  7. overige functioneel met de bestemming 'Bedrijf' verbonden voorzieningen.
Lid 4.2 Bouwregels
 
Lid 4.2.1 Bedrijfsgebouwen en overkappingen bij bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen bij bedrijfsgebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Bedrijfsgebouwen en overkappingen bij bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken;
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan;
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 4.2.2 Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bouwregels:
  1. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan.
     
  2. De goothoogte bedraagt ten hoogste 6 m.
     
  3. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 10 m.
Lid 4.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende bouwregels:
  1. Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mogen uitsluitend worden opgericht op het aansluitend aan de bedrijfswoning gelegen zij- en achtererf;
     
  2. Bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
     
  3. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 % van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt.
     
  4. De goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van de bedrijfswoning vermeerderd met 0,3 m.
     
  5. De goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  6. De bouwhoogte van het gedeelte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt voor zover gelegen binnen een afstand van:
    1. 1 m van het naburige erf, ten hoogste 3 m;
       
    2. 2 m van het naburige erf, ten hoogste 4 m;
       
    3. 3 m van het naburige erf, ten hoogste 5 m;
       
    4. 4 m en verder van het naburige erf, ten hoogste 6 m.
       
  7. In aanvulling op het gestelde onder f bedraagt de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken nooit meer dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning.
     
  8. De diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de nog niet uitgebouwde achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning, bedraagt ten hoogste 3 m. 
Lid 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van een vrijstaande bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van een vrijstaande bedrijfswoning en rondom bedrijfsgronden bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde bedraagt ten hoogste 6 m binnen een bouwvlak en ten hoogste 3 m buiten een bouwvlak.
Lid 4.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:
  1. artikel 4 lid 2.3 sub f voor het verhogen van de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk binnen een afstand van 4 m van het naburige erf tot maximaal 6 m onder de volgende voorwaarden:
    1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
       
    2. de onder 1 gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
       
  2. artikel 4 lid 2.4 sub c voor het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot maximaal 8 m, mits:
    1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
       
    2. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
Lid 4.4 Specifieke gebruiksregels
 
Lid 4.4.1 Verboden gebruik
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van:
  1. bedrijven als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 juncto Bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht;
     
  2. bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
     
  3. vuurwerkbedrijven;
     
  4. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit m.e.r.;
     
  5. detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel en detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
     
  6. zelfstandige kantoren.
Lid 4.5 Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 1 sub a voor het toestaan van een bedrijf dat niet is opgenomen in de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, mits:
  1. het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk kan worden gesteld met een bedrijf zoals opgenomen in milieucategorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
     
  2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Artikel 5 Buitenplaats
 
Lid 5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Buitenplaats’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische en/of architectonische waarden die samenhangen met de buitenplaats;
     
  2. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden die samenhangen met de buitenplaats, in samenhang met de waterhuishouding en/of de cultuurhistorische waarden van de Vecht en haar oevers;
     
  3. het bestaande aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
     
  4. dienstverlening ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening';
     
  5. kantoren ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
     
  6. voorzieningen behorende bij de onder c tot en met e genoemde doeleinden, zoals een botenhuis, speelhuis, atelier, galerie, garage, schuur, theekoepel, theehuis of dierenverblijf;
     
  7. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de woning(en);
     
  8. tuinen en overtuinen, parkbossen en natuurterreinen;
     
  9. extensief recreatief medegebruik; 
met daarbij horende:
  1. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  2. parkeervoorzieningen;
     
  3. groenvoorzieningen;
     
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  5. overige functioneel met de bestemming 'Buitenplaats' verbonden voorzieningen.
Lid 5.2 Bouwregels
 
Lid 5.2.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Toevoeging van nieuwe woningen is niet toegestaan.
Lid 5.2.2 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels:
  1. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', met inachtneming van de volgende bouwregel:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan. Indien de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ niet is opgenomen, bedraagt de goothoogte ten hoogste 3 m en de bouwhoogte ten hoogste 6 m.
       
  2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen dierenverblijven, die als gebouw moeten worden aangemerkt, ook buiten de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd, mits:
    1. de oppervlakte per tuin ten hoogste 2 m² bedraagt;
       
    2. de bouwhoogte ten hoogste 1,5 m bedraagt;
       
    3. gebouwd achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw.
       
  3. Voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels:
    1. Aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd aan een hoofdgebouw.
       
    2. De gezamenlijke oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 36 m² per hoofdgebouw.
       
    3. De goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 m.
       
    4. Aangebouwde bijbehorend bouwwerken zijn niet toegestaan vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw.
       
    5. De horizontale diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de nog niet uitgebouwde achtergevel van het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste 3 m.
Lid 5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. Voor de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen die de buitengrens van de buitenplaats vormen, gelden de volgende bouwregels:
    1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2,5 m.
       
    2. In afwijking van het bepaalde onder 1 bedraagt de bouwhoogte op de gronden die binnen een afstand van 10 m van de voor de Vecht geldende bestemming 'Water' liggen ten hoogste 1 m.
       
    3. In aanvulling op het bepaalde onder 1 en 2 mogen bestaande delen van erf- en terreinafscheidingen die hoger zijn, zoals hekken en toegangspoorten, worden gehandhaafd en ter plaatse herbouwd, waarbij de bestaande afmetingen als maximum gelden.
       
  2. Het plaatsen van erf- en terreinafscheidingen die niet de buitengrens van de buitenplaats vormen, maar binnen het begrensde terrein van de buitenplaats staan, is niet toegestaan.
     
  3. Voor de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zoals pergola's, gelden de volgende bouwregels:
    1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2,5 m.
       
    2. In afwijking van het bepaalde onder 1 bedraagt de bouwhoogte op de gronden die binnen een afstand van 10 m van de voor de Vecht geldende bestemming 'Water' liggen ten hoogste 1 m.
Lid 5.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 2.1 sub c voor het splitsen van een hoofdgebouw in één of meer (zorg)woningen, mits:
  1. dit noodzakelijk is voor het behoud van het gebouw;
     
  2. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  5. de karakteristieke of monumentale waarden van de buitenplaats niet worden aangetast;
     
  6. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 5.4 Specifieke gebruiksregels
 
Lid 5.4.1 Strijdig gebruik
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van gronden ten behoeve van opslag van materialen en goederen.
 
Lid 5.4.2 Aan huis verbonden beroepen/bedrijven
Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Het vloeroppervlak in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis mag niet meer dan 33% bedragen van het gezamenlijke vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 80 m².
     
  2. Het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren.
     
  3. Er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functionele ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel.
     
  4. Het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan.
     
  5. Het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
     
  6. De ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de karakteristieke of monumentale waarden van de buitenplaats.
Lid 5.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
Lid 5.5.1 Kleinschalige verblijfsrecreatie
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 1 voor het toestaan van kleinschalige verblijfsrecreatie, uitsluitend in de vorm van een bed and breakfast met bijbehorende voorzieningen, mits:
  1. maximaal 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, ten tijde van het aanvragen van de omgevingsvergunning, met een maximum van 80 m², hiervoor wordt gebruikt;
     
  2. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  5. de karakteristieke of monumentale waarden van de buitenplaats niet worden aangetast;
     
  6. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 5.5.2 Mantelzorg
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in gebruik nemen (van een deel) van het hoofdgebouw of de bijbehorende bouwwerken als extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg mits:
    1. de mantelzorg noodzakelijk is en dat blijkt uit een medische of sociale indicatie.
      Indien er sprake is van een ouder - kind relatie, waarbij de ouder(s) 65 jaar of ouder is (zijn), is geen medische of sociale indicatie noodzakelijk;
       
    2. het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bereikbaar is en blijft voor hulpdiensten;
       
    3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
       
    4. de oppervlakte welke wordt gebruikt als extra wooneenheid voor mantelzorg niet meer bedraagt dan 80 m².
       
  2. Het bevoegd gezag kan de onder a bedoelde omgevingsvergunning intrekken na beëindiging van de mantelzorg.
     
  3. Na het intrekken van de omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder b, is degene aan wie de omgevingsvergunning was verleend of diens rechtsopvolger, en indien sprake was van afhankelijke woonruimte, verplicht de als dan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.
Lid 5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 5.6.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 20 m2;
     
  2. het vellen en/of rooien van hagen dan wel het verrichten van handelingen die de dood van of ernstige schade aan de hagen veroorzaken;
     
  3. het aanleggen van een landschappelijke inrichting in afwijking van de op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan aanwezige stijlaanleg en landschappelijke structuren behorende bij de buitenplaats.
Lid 5.6.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
     
  2. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
Lid 5.6.3 Toelaatbaarheid
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 6.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de buitenplaats en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
Lid 5.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
 
Lid 5.7.1 Sloopwerkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen of bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
 
Lid 5.7.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. sloopwerkzaamheden die:
    1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
       
    2. het normale onderhoud betreffen;
       
    3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen of een aanschrijving van het bevoegd gezag;
       
  2. bouwwerken die ten gevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan.
Lid 5.7.3 Toelaatbaarheid
  1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 7.1 wordt slechts verleend indien:
    1. geen onevenredige schade aan de cultuurhistorische, (historisch-) stedenbouwkundige en (historisch-)architectonische waarden van de buitenplaats plaatsvindt;
       
    2. voor het slopen geen vergunning is vereist of al een vergunning is verleend ingevolge de Monumentenwet 1988, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening;
       
  2. In afwijking van het bepaalde in sub a kan een omgevingsvergunning worden verleend als sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep of als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
     
  3. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de gemeentelijke monumentencommissie om advies gevraagd.
Lid 5.8 Wijzigingsbevoegdheid
 
Lid 5.8.1 Kantoor en/of dienstverlening naar wonen
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de buitenplaats Beek en Hoff het bestemmingsplan wijzigen en voor de gronden ter plaats van de aanduiding 'kantoor' en/of 'dienstverlening' de functie wonen toestaan, mits:
  1. er geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke of monumentale waarden van de buitenplaats. Hiervoor dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige;
     
  2. de mogelijkheid voor nieuwe woningen past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma;
     
  3. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, zonder dat dit afbreuk doet aan de karakteristieke of monumentale waarden van de buitenplaats;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  5. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen;
     
  7. de wijzigingsbevoegdheid slechts kan worden toegepast als de gehele buitenplaats de functie wonen krijgt.
Lid 5.8.2 Verplaatsing, samenvoeging of uitbreiding bijbehorende bouwwerken
Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen ten behoeve van de verplaatsing van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk of de nieuwbouw/uitbreiding van één of meer vrijstaande bijbehorende bouwwerken, mits:
  1. in geval van verplaatsing van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk de aanduiding 'bijgebouwen' van de huidige locatie wordt verwijderd en binnen de grenzen van de buitenplaats wordt teruggeplaatst;
     
  2. in geval van nieuwbouw/uitbreiding van één of meer vrijstaande bijbehorende bouwwerken de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen een buitenplaats niet meer bedraagt dan 150 m2. Indien in de bestaande situatie sprake is een grotere gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, geldt deze oppervlakte als maximale oppervlakte.
     
  3. in geval van verplaatsing of uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande bijbehorend bouwwerk;
     
  4. in geval van nieuwbouw de goot- en bouwhoogte maximaal 3 m respectievelijk 6 m bedraagt;
     
  5. er geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke of monumentale waarden van de buitenplaats. Hiervoor dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige;
     
  6. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
Artikel 6 Centrum
 
Lid 6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Centrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. wonen op de verdieping(en), met dien verstande dat per bouwperceel ten hoogste 1 woning is toegestaan dan wel maximaal het bestaande aantal;
     
  2. detailhandel, met uitzondering van volumineuze en perifere detailhandel;
     
  3. dienstverlenende bedrijven;
     
  4. galerie/atelier;
     
  5. horeca in de categorieën h1, h2, h3, h4, h5 en h7, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
     
  6. kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
     
  7. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk';
     
  8. bedrijven behorende tot ten hoogste milieucategorie 2 van de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf';
     
  9. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de woning(en); 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. groenvoorzieningen;
     
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  6. overige functioneel met de bestemming 'Centrum' verbonden voorzieningen, zoals geldautomaten.
Lid 6.2 Bouwregels
 
Lid 6.2.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 6.2.2 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels:
  1. Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mogen uitsluitend worden opgericht op het zij- en achtererf;
     
  2. Bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
     
  3. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 36 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 % van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt.
     
  4. De goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 m.
     
  5. De goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  6. De bouwhoogte van het gedeelte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt voor zover gelegen binnen een afstand van:
    1. 1 m van het naburige erf, ten hoogste 3 m;
       
    2. 2 m van het naburige erf, ten hoogste 4 m;
       
    3. 3 m van het naburige erf, ten hoogste 5 m;
       
    4. 4 m en verder van het naburige erf, ten hoogste 6 m.
       
  7. In aanvulling op het gestelde onder f bedraagt de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken nooit meer dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
     
  8. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen te zijn voorzien van een meerzijdig hellende kap, met dien verstande dat een volledig plat dak is toegestaan indien het bijbehorende bouwwerk niet zichtbaar is vanaf het openbaar gebied;
     
  9. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken in de vorm van overkappingen bedraagt ten hoogste de maximaal toegestane goothoogte.
     
  10. De diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de nog niet uitgebouwde achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  11. Aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de zijgevel mogen ten hoogste 3 m uitsteken buiten het bouwvlak.
Lid 6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Lid 6.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2.2 sub f voor het verhogen van de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk binnen een afstand van 4 m van het naburige erf tot maximaal 6 m onder de volgende voorwaarden:
  1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
     
  2. de onder a gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
Lid 6.4 Specifieke gebruiksregels
 
Lid 6.4.1 Aan huis verbonden beroepen/bedrijven
Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Het vloeroppervlak in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis mag niet meer dan 33% bedragen van het gezamenlijke vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m².
     
  2. Het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren.
     
  3. Er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel.
     
  4. Het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan.
     
  5. Het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
     
  6. De ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied.
Lid 6.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
Lid 6.5.1 Kleinschalige verblijfsrecreatie
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 1 voor het toestaan van kleinschalige verblijfsrecreatie, uitsluitend in de vorm van een bed and breakfast met bijbehorende voorzieningen, mits:
  1. maximaal 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, ten tijde van het aanvragen van de omgevingsvergunning, met een maximum van 50 m², hiervoor wordt gebruikt;
     
  2. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein en in 2e instantie in het openbaar gebied hetgeen middels een parkeerdrukmeting onderzocht moet worden;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  5. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 6.5.2 Mantelzorg
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in gebruik nemen van (een deel van) het hoofdgebouw of de bijbehorende bouwwerken als extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg mits:
    1. de mantelzorg noodzakelijk is en dat blijkt uit een medische of sociale indicatie.
      Indien er sprake is van een ouder - kind relatie, waarbij de ouder(s) 65 jaar of ouder is (zijn), is geen medische of sociale indicatie noodzakelijk;
       
    2. het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bereikbaar is en blijft voor hulpdiensten;
       
    3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
       
    4. de oppervlakte welke wordt gebruikt als extra wooneenheid voor mantelzorg niet meer bedraagt dan 80 m².
       
  2. Het bevoegd gezag kan de onder a bedoelde omgevingsvergunning intrekken na beëindiging van de mantelzorg.
     
  3. Na het intrekken van de omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder b, is degene aan wie de omgevingsvergunning was verleend of diens rechtsopvolger, en indien sprake was van afhankelijke woonruimte, verplicht de als dan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.
Lid 6.5.3 Daghoreca
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 1 voor het toestaan van daghoreca (horeca in categorie h1) met bijbehorende voorzieningen, mits:
  1. opslag en stalling in verband met de horeca-activiteiten uitsluitend inpandig plaatsvinden;
     
  2. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein en in 2e instantie in het openbaar gebied hetgeen middels een parkeerdrukmeting onderzocht moet worden;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  5. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 6.5.4 Wonen op de begane grond
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 1 sub a voor het toestaan van bewoning van het gehele gebouw, waaronder de begane grond van gebouwen, mits:
  1. er voor het gehele gebouw sprake blijft van 1 woning;
     
  2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
Artikel 7 Detailhandel
 
Lid 7.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. detailhandel, met uitzondering van volumineuze en perifere detailhandel;
     
  2. standplaatsen; 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. groenvoorzieningen;
     
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  6. overige functioneel met de bestemming 'Detailhandel' verbonden voorzieningen, zoals geldautomaten.
Lid 7.2 Bouwregels
 
Lid 7.2.1 Gebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bouwregels:
  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Artikel 8 Gemengd
 
Lid 8.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Dienstverlening’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. dienstverlening;
     
  2. kantoren;
     
  3. wonen op de verdieping(en), uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
     
  4. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de woning(en); 
 met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. groenvoorzieningen;
     
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  6. overige functioneel met de bestemming 'Dienstverlening' verbonden voorzieningen, zoals geldautomaten.
Lid 8.2 Bouwregels
 
Lid 8.2.1 Hoofdgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Hoofdgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
     
  4. Ter plaatse van de aanduiding 'wonen' zijn maximaal twee woningen toegestaan.
Lid 8.2.2 Bijbehorende bouwwerken bij woningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning gelden de volgende bouwregels:
  1. Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mogen uitsluitend worden opgericht op het zij- en achtererf;
     
  2. Bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
     
  3. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 % van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt.
     
  4. De goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,3 m.
     
  5. De goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  6. De bouwhoogte van het gedeelte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt voor zover gelegen binnen een afstand van:
    1. 1 m van het naburige erf, ten hoogste 3 m;
       
    2. 2 m van het naburige erf, ten hoogste 4 m;
       
    3. 3 m van het naburige erf, ten hoogste 5 m;
       
    4. 4 m en verder van het naburige erf, ten hoogste 6 m.
       
  7. In aanvulling op het gestelde onder f bedraagt de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken nooit meer dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
     
  8. De diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de nog niet uitgebouwde achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste 3 m.
Lid 8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Lid 8.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 2.2 sub f voor het verhogen van de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk binnen een afstand van 4 m van het naburige erf tot maximaal 6 m onder de volgende voorwaarden:
  1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
     
  2. de onder a gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
Lid 8.4 Specifieke gebruiksregels
 
Lid 8.4.1 Aan huis verbonden beroepen/bedrijven
Gebruik van ruimten in de woning en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Het vloeroppervlak in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis mag niet meer dan 33% bedragen van het gezamenlijke vloeroppervlak van de woning en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m².
     
  2. Het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren.
     
  3. Er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel.
     
  4. Het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan.
     
  5. Het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
     
  6. De ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied.
Artikel 9 Groen
 
Lid 9.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. groen;
     
  2. corridors;
     
  3. water;
     
  4. park en plantsoenen;
     
  5. in- en uitritten;
     
  6. evenementen; 
met de daarbij behorende:
  1. speelvoorzieningen en speelvelden;
     
  2. kunstobjecten en straatmeubilair;
     
  3. nutsvoorzieningen;
     
  4. waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging, waaronder bergbezinkbassins;
     
  5. voet- en fietspaden;
     
  6. overige functioneel met de bestemming 'Groen' verbonden voorzieningen.
Lid 9.2 Bouwregels
 
Lid 9.2.1 Gebouwen
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
 
Lid 9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m.
     
  2. De bouwhoogte van nutsvoorzieningen en gemalen bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  3. De bouwhoogte van straatmeubilair bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
Lid 9.3 Specifieke gebruiksregels
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 9 lid 1 van deze regels is het in ieder geval verboden de gronden te gebruiken voor:
    1. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;
       
    2. het opslaan van gerede en ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan;
       
    3. het opslaan c.q. stallen van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;
       
    4. het opslaan of opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen.
       
  2. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op:
    1. het opslaan van stoffen die noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden en de daarbij behorende voorzieningen;
       
    2. het tijdelijk opslaan van materialen en werktuigen, welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de bestemming.
Lid 9.4 Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het realiseren van parkeervoorzieningen, met dien verstande dat:
  1. de parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn in verband met de verkeersveiligheid;
     
  2. er sprake is van een ruimtelijke noodzaak in verband met parkeercongestie.
Lid 9.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen - 1’ zonder bouwvlak of de bestemming 'Tuin - 1', waarna de regels van de desbetreffende bestemming van toepassing zijn.
Artikel 10 Horeca
 
Lid 10.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. horeca in categorieën h1, h2, h3, h4, h5 en h7; 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. speelvoorzieningen;
     
  5. terrassen;
     
  6. groenvoorzieningen;
     
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  8. overige functioneel met de bestemming 'Horeca' verbonden voorzieningen.
Lid 10.2 Bouwregels
 
Lid 10.2.1 Gebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bouwregels:
  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Artikel 11 Maatschappelijk
 
Lid 11.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. maatschappelijke voorzieningen;
     
  2. een begraafplaats ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats';
     
  3. bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. (openbare) speelvoorzieningen;
     
  5. groenvoorzieningen;
     
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  7. overige functioneel met de bestemming 'Maatschappelijk' verbonden voorzieningen.
Lid 11.2 Bouwregels
 
Lid 11.2.1 Hoofdgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Hoofdgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 11.2.2 Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bouwregels:
  1. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan.
     
  2. De goot- en bouwhoogte van een inpandige bedrijfswoning bedragen ten hoogste de aangegeven hoogtes ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)'.
     
  3. De goothoogte van een vrijstaande bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 6 m.
     
  4. De bouwhoogte van een vrijstaande bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 10 m.
Lid 11.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende bouwregels:
  1. Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mogen uitsluitend worden opgericht op het aansluitend aan de bedrijfswoning gelegen zij- en achtererf;
     
  2. Bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
     
  3. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 % van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt.
     
  4. De goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van de bedrijfswoning vermeerderd met 0,3 m.
     
  5. De goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  6. De bouwhoogte van het gedeelte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt voor zover gelegen binnen een afstand van:
    1. 1 m van het naburige erf, ten hoogste 3 m;
       
    2. 2 m van het naburige erf, ten hoogste 4 m;
       
    3. 3 m van het naburige erf, ten hoogste 5 m;
       
    4. 4 m en verder van het naburige erf, ten hoogste 6 m.
       
  7. In aanvulling op het gestelde onder f bedraagt de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken nooit meer dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning.
     
  8. De diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de nog niet uitgebouwde achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning, bedraagt ten hoogste 3 m.
Lid 11.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
     
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a mogen bestaande delen van erf- en terreinafscheidingen die hoger zijn dan 2 m, zoals hekken en toegangspoorten, worden gehandhaafd en ter plaatse herbouwd, waarbij de bestaande afmetingen als maximum gelden.
     
  3. De bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m.
     
  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder urnenmuren en mausolea, bedraagt maximaal 3 m.
Lid 11.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 11 lid 2.3 sub f voor het verhogen van de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk binnen een afstand van 4 m van het naburige erf tot maximaal 6 m onder de volgende voorwaarden:
  1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
     
  2. de onder a gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
Artikel 12 Maatschappelijk - Begraafplaats
 
Lid 12.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk - Begraafplaats’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. een begraafplaats; 
met daarbij horende:
  1. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  2. parkeervoorzieningen;
     
  3. groenvoorzieningen;
     
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  5. overige functioneel met de bestemming 'Maatschappelijk - Begraafplaats' verbonden voorzieningen.
Lid 12.2 Bouwregels
 
Lid 12.2.1 Gebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bouwregels:
  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
     
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a mogen bestaande delen van erf- en terreinafscheidingen die hoger zijn dan 2 m, zoals hekken en toegangspoorten, worden gehandhaafd en ter plaatse herbouwd, waarbij de bestaande afmetingen als maximum gelden.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder urnenmuren en mausolea, bedraagt maximaal 3 m.
Artikel 13 Maatschappelijk - Zorginstelling
 
Lid 13.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk - Zorginstelling’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. zorginstellingen, zoals een verpleeghuis;
     
  2. zorgwoningen;
     
  3. ondergeschikte horeca en detailhandel ten dienste van de onder a en b genoemde zorginstellingen en zorgwoningen; 
met daarbij behorende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. speelvoorzieningen;
     
  5. groenvoorzieningen;
     
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  7. overige functioneel met de bestemming 'Maatschappelijk - Zorginstelling' verbonden voorzieningen.
Lid 13.2 Bouwregels
 
Lid 13.2.1 Gebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bouwregels:
  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
     
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.
Artikel 14 Natuur
 
Lid 14.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden;
     
  2. bos;
     
  3. groen;
     
  4. water;
     
  5. extensief recreatief medegebruik; 
met daarbij horende:
  1. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  2. waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  3. overige functioneel met de bestemming 'Natuur' verbonden voorzieningen.
Lid 14.2 Bouwregels
 
Lid 14.2.1 Gebouwen en overkappingen
Gebouwen en overkappingen mogen niet worden gebouwd.
 
Lid 14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bouwregels:
  1. Uitsluitend de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd:
    1. bruggen en duikers, met dien verstande dat de bouwhoogte ten hoogste 3 m mag bedragen;
       
    2. erfafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte ten hoogste 1 m mag bedragen;
       
    3. straatmeubilair, met dien verstande dat de bouwhoogte ten hoogste 3 m mag bedragen;
       
    4. (natuurvriendelijke) oeverbeschoeiing.
Lid 14.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 14.3.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
     
  2. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
     
  3. het aanleggen, beschoeien, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
     
  4. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
     
  5. het scheuren van grasland;
     
  6. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
     
  7. andere-werken die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling.
Lid 14.3.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
     
  2. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
Lid 14.3.3 Toelaatbaarheid
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14 lid 3.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de andere-werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige en potentiële landschappelijke en natuurlijke waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
Artikel 15 Sport - Schietsport
 
Lid 15.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Sport - Schietsport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. sportvoorzieningen in de vorm van schietsportbeoefening; 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. groenvoorzieningen;
     
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  6. overige functioneel met de bestemming 'Sport - Schietsport' verbonden voorzieningen.
Lid 15.2 Bouwregels
 
Lid 15.2.1 Gebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bouwregels:
  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
Lid 15.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Artikel 16 Tuin - 1
 
Lid 16.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. tuinen;
     
  2. erven ten behoeve van op aangrenzende gronden gelegen woonschepen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'erf'; 
met daarbij horende:
  1. parkeervoorzieningen;
     
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  3. overige functioneel met de bestemming 'Tuin - 1' verbonden voorzieningen.
Lid 16.2 Bouwregels
 
Lid 16.2.1 Gebouwen en overkappingen
Gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van:
  1. Bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', met inachtneming van de volgende bouwregels:
    1. De goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m.
       
    2. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6 m.
       
  2. Bijbehorende bouwwerken bij woonschepen ter plaatse van de aanduiding 'erf', waarvoor de volgende bouwregels gelden:
    1. Het aantal bijbehorende bouwwerken per woonschip bedraagt ten hoogste 1.
       
    2. De oppervlakte per bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 9 m².
       
    3. De goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m.
       
    4. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 4 m.
       
  3. Erkers of toegangsportalen aan de voor- of zijgevel van een hoofdgebouw, waarvoor de volgende bouwregels gelden:
    1. De bouw van een erker of toegangsportaal mag niet ten koste gaan van parkeerplaatsen op eigen erf.
       
    2. De breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50 % van de breedte van de voor- of zijgevel van het hoofdgebouw.
       
    3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,3 m.
       
    4. De horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1,25 m.
Lid 16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. Voor de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gelden de volgende bouwregels:
    1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2 m.
       
    2. In afwijking van het bepaalde onder 1 bedraagt de bouwhoogte op de gronden die binnen een afstand van 10 m van de voor de Vecht geldende bestemming 'Water' liggen ten hoogste 1 m.
       
  3. Voor de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zoals pergola's, gelden de volgende bouwregels:
    1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2,5 m.
       
    2. In afwijking van het bepaalde onder 1 bedraagt de bouwhoogte op de gronden die binnen een afstand van 10 m van de voor de Vecht geldende bestemming 'Water' liggen ten hoogste 1 m.
       
  4. In afwijking van het bepaalde onder a tot en met c gelden ter plaatse van de aanduiding 'erf' de volgende bouwregels:
    1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m.
       
    2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zoals pergola's, bedraagt ten hoogste 2,5 m.
Lid 16.3 Specifieke gebruiksregels
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van gronden ten behoeve van opslag van materialen en goederen.
Artikel 17 Tuin - 2
 
Lid 17.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. tuinen en overtuinen, parkbossen en natuurterreinen;
     
  2. voorzieningen behorende bij de onder a genoemde doeleinden, zoals een botenhuis, speelhuis, atelier, galerie, garage, schuur, theekoepel, theehuis of dierenverblijf;
     
  3. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden, in samenhang met de waterhuishouding en/of de cultuurhistorische waarden van de Vecht en haar oevers;
     
  4. extensief recreatief medegebruik; 
met daarbij horende:
  1. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  2. parkeervoorzieningen;
     
  3. groenvoorzieningen;
     
  4. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
     
  5. overige functioneel met de bestemming 'Tuin - 2' verbonden voorzieningen.
Lid 17.2 Bouwregels
 
Lid 17.2.1 Gebouwen en overkappingen
Gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van:
  1. Bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', met inachtneming van de volgende bouwregel:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan. Indien de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ niet is opgenomen, bedraagt de goothoogte ten hoogste 3 m en de bouwhoogte ten hoogste 6 m.
       
  2. Dierenverblijven, die als gebouw moeten worden aangemerkt, met inachtneming van de volgende bouwregels:
    1. De oppervlakte per tuin bedraagt ten hoogste 2 m²;
       
    2. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 1,5 m;
       
    3. Dierenverblijven zijn uitsluitend toegestaan achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel.
       
  3. Erkers of toegangsportalen aan de voor- of zijgevel van een hoofdgebouw, waarvoor de volgende bouwregels gelden:
    1. De bouw van een erker of toegangsportaal mag niet ten koste gaan van parkeerplaatsen op eigen erf.
       
    2. De breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50 % van de breedte van de voor- of zijgevel van het hoofdgebouw.
       
    3. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,3 m.
       
    4. De horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1,25 m.
Lid 17.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. Voor de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gelden de volgende bouwregels:
    1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2 m.
       
    2. In afwijking van het bepaalde onder 1 bedraagt de bouwhoogte op de gronden die binnen een afstand van 10 m van de voor de Vecht geldende bestemming 'Water' liggen ten hoogste 1 m.
       
  3. Voor de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zoals pergola's, gelden de volgende bouwregels:
    1. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2,5 m.
       
    2. In afwijking van het bepaalde onder 1 bedraagt de bouwhoogte op de gronden die binnen een afstand van 10 m van de voor de Vecht geldende bestemming 'Water' liggen ten hoogste 1 m.
Lid 17.3 Specifieke gebruiksregels
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van gronden ten behoeve van opslag van materialen en goederen.
 
Lid 17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 17.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 20 m2;
     
  2. het vellen en/of rooien van hagen dan wel het verrichten van handelingen die de dood van of ernstige schade aan de hagen veroorzaken;
     
  3. het aanleggen van een landschappelijke inrichting in afwijking van de op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan aanwezige stijlaanleg en landschappelijke structuren behorende bij de overtuinen.
Lid 17.4.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
     
  2. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
Lid 17.4.3 Toelaatbaarheid
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17 lid 4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de overtuinen en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
Lid 17.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
 
Lid 17.5.1 Sloopwerkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen of bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
 
Lid 17.5.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. sloopwerkzaamheden die:
    1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
       
    2. het normale onderhoud betreffen;
       
    3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen of een aanschrijving van het bevoegd gezag;
       
    4. bouwwerken die ten gevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan.
Lid 17.5.3 Toelaatbaarheid
  1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17 lid 5.1 wordt slechts verleend indien:
    1. geen onevenredige schade aan de cultuurhistorische, (historisch-) stedenbouwkundige en (historisch-)architectonische waarden van de overtuin plaatsvindt;
       
    2. voor het slopen geen vergunning is vereist of al een vergunning is verleend ingevolge de Monumentenwet 1988, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening;
       
  2. In afwijking van het bepaalde in sub a kan een omgevingsvergunning worden verleend als sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep of als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
     
  3. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de gemeentelijke monumentencommissie om advies gevraagd.
Artikel 18 Verkeer
 
Lid 18.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer;
     
  2. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
     
  3. water;
     
  4. garageboxen ter plaatse van de aanduiding 'garage';
     
  5. duikers en (kunst)werken;
     
  6. oeververbindingen (bruggen);
     
  7. evenementen;
     
  8. terrassen;
     
  9. in- en uitritten;
     
  10. geluidwerende voorzieningen;
     
  11. standplaatsen en weekmarkten;
     
  12. reclameborden; 
met de daarbij horende:
  1. kunstobjecten en straatmeubilair;
     
  2. nutsvoorzieningen;
     
  3. waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging, waaronder bergbezinkbassins.
     
  4. overige functioneel met de bestemming ‘Verkeer’ verbonden voorzieningen, zoals lichtmasten.
 
Lid 18.2 Bouwregels
 
Lid 18.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd waarvoor geldt dat:
    1. de bouwhoogte van gebouwen ten hoogste 3 m mag bedragen;
       
    2. de oppervlakte van gebouwen ten hoogste 15 m² mag bedragen.
       
  2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen ter plaatse van de aanduiding 'garage' tevens autoboxen/garageboxen worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte ten hoogste 3 m mag bedragen.
Lid 18.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van straatmeubilair, reclameborden en speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m.
     
  2. De bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 10 m.
     
  3. De bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Artikel 19 Water
 
Lid 19.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. water en waterlopen;
     
  2. waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging, waaronder bergbezinkbassins;
     
  3. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden en de ecologische waarden van de Vecht en haar oevers ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone';
     
  4. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarde van de Vecht en haar oevers, waaronder de aanwezige dakpanbeschoeiingen;
     
  5. behoud, versterking, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van waterlopen, ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden';
     
  6. het bestaande aantal woonschepen ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats';
     
  7. ligplaatsen voor recreatievaartuigen;
     
  8. steigers aan de oever van een tuin en/of erf van een woning of woonschip;
     
  9. extensief recreatief medegebruik; 
met de daarbij horende:
  1. voorzieningen waaronder sluizen, bruggen, dammen, oeverbeschoeiingen en duikers;
     
  2. overige functioneel met de bestemming 'Water' verbonden voorzieningen.
Lid 19.2 Bouwregels
 
Lid 19.2.1 Gebouwen
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
 
Lid 19.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van bruggen en viaducten bedraagt ten hoogste 8 m.
     
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van bouwwerken voor de waterwegaanduiding, geleiding of tolheffing, bedraagt maximaal 3 m.
Lid 19.2.3 Aanlegsteigers
In aanvulling op en in afwijking van artikel 19 lid 2.2 gelden voor aanlegsteigers de volgende bouwregels:
  1. Steigers ten behoeve van woonschepen zijn uitsluitend toegestaan aan de oever van een tuin en/of erf van een woonschip.
     
  2. De steiger dient evenwijdig aan de oever te worden gebouwd.
     
  3. De breedte bedraagt ten hoogste 6 m.
     
  4. De diepte bedraagt ten hoogste 1,2 m.
     
  5. De steiger rust op maximaal twee palen.
     
  6. De bouwhoogte mag de hoogte van het streefpeil niet overschrijden, met een maximum van 0,45 m boven de waterlijn.
     
  7. Steigers mogen de ecologische waarde van de ecologische verbindingszone niet aantasten.
     
  8. Steigers mogen de cultuurhistorische waarde van de Vecht, voor zover gelegen binnen de bestemming ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’, waaronder de aanwezige dakpanbeschoeiingen, niet aantasten.
Lid 19.2.4 Haakse steigers
In aanvulling op en in afwijking van artikel 19 lid 2.2 gelden voor steigers aan de kopse kant van een woonschip de volgende bouwregels:
  1. Per woonschip is ten hoogste één haakse steiger toegestaan.
     
  2. De haakse steiger is uitsluitend toegestaan aan de oever van een tuin en/of erf van een woonschip.
     
  3. De steiger dient haaks op de oever te worden gebouwd.
     
  4. De breedte bedraagt ten hoogste 1,2 m.
     
  5. De diepte bedraagt ten hoogste de breedte van het woonschip of 6 m.
     
  6. De steiger rust op maximaal twee palen.
     
  7. De bouwhoogte mag de hoogte van het streefpeil niet overschrijden, met een maximum van 0,45 m boven de waterlijn.
Lid 19.2.5 Meerpalen
In afwijking van het bepaalde in artikel 19 lid 2.2 gelden voor meerpalen de volgende bouwregels:
  1. Per aanlegplaats zijn ten hoogste twee meerpalen toegestaan.
     
  2. De doorsnede van een meerpaal bedraagt ten hoogste 0,2 m.
     
  3. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  4. De meerpaal wordt ten hoogste 4,2 m uit de oever geplaatst.
Lid 19.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 2.5 voor het realiseren van maximaal 4 meerpalen per woonschip en/of een grotere doorsnede per meerpaal tot maximaal 0,5 m.

Lid 19.4 Specifieke gebruiksregels
 
Lid 19.4.1 Verboden gebruik
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van boatsavers.
 
Lid 19.4.2 Woonschepen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 19 lid 1 sub f zijn ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' uitsluitend woonschepen toegestaan die voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. Het aantal woonschepen bedraagt niet meer dan één per aanduidingsvlak;
     
  2. Lengte ten hoogste 18 m;
     
  3. Breedte ten hoogste 6 m;
     
  4. Goot- en boeiboordhoogte ten hoogste 3,5 m;
     
  5. Bouwhoogte ten hoogste 4 m;
     
  6. Diepte omloop en overstek ten hoogste 0,8 m;
     
  7. Diepte dakoverstek ten hoogste 0,3 m;
     
  8. Onderlinge afstand tussen de opbouw van twee woonschepen ten minste 5 m;
     
  9. Voor woonschepen die worden vervangen, gelden de maten zoals genoemd onder a tot en met g. Indien het bestaande woonschip deze maximale maten overschrijdt, mag dit woonschip worden vervangen door een woonschip waarbij de maatvoering van het bestaande woonschip wordt gehandhaafd.
Lid 19.4.3 Recreatievaartuigen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 19 lid 1 sub g zijn recreatievaartuigen toegestaan die voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. Situering uitsluitend aan de oever van een tuin en/of erf van een woning aan de Vecht;
     
  2. Aantal recreatievaartuigen per woning bedraagt ten hoogste 1;
     
  3. Lengte per recreatievaartuig bedraagt ten hoogste 12 m;
     
  4. Vooraf dient instemming van de vaarwegbeheerder te worden verkregen wat betreft nautische aspecten.
Lid 19.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
Lid 19.5.1 Vervanging woonschip langer dan 18 m
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 4.2 indien een woonschip dat langer is dan 18 m wordt vervangen door een woonschip dat korter is dan 18 m. Het vervangende woonschip voldoet aan de volgende kenmerken:
  1. Lengte ten hoogste 18 m;
     
  2. Breedte ten hoogste 6 m;
     
  3. Goot- en boeiboordhoogte ten hoogste 4 m;
     
  4. Bouwhoogte ten hoogste 4,5 m;
     
  5. Diepte omloop en overstek ten hoogste 0,8 m;
     
  6. Diepte dakoverstek ten hoogste 0,3 m.
Lid 19.5.2 Vervanging woonschepen door woonschip door woonschip met historische waarde
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 4.2 indien sprake is van een verbetering van de landschappelijke situering, de cultuurhistorische waarden behouden blijven en het een woonschip betreft dat historische waarde heeft. Het historisch waardevolle vervangende woonschip voldoet aan de volgende kenmerken:
  1. Lengte ten hoogste 30 m;
     
  2. Breedte ten hoogste 6 m;
     
  3. Goot- en boeiboordhoogte ten hoogste 3,5 m;
     
  4. Bouwhoogte ten hoogste 4 m;
     
  5. Diepte omloop en overstek ten hoogste 0,8 m;
     
  6. Diepte dakoverstek ten hoogste 0,3 m;
     
  7. Onderlinge afstand tussen twee woonschepen of enig uitstekend deel daarvan ten minste 5 m.
Lid 19.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 19.6.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone', de aanduiding 'landschapswaarden' of de bestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht':
  1. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
     
  2. het aanleggen, beschoeien, verdiepen, verbreden en dempen van watergangen en waterpartijen;
     
  3. het verwijderen of aantasten van de oevers en beschoeiingen;
     
  4. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
     
  5. andere-werken die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling;
     
  6. andere-werken die de cultuurhistorische waarde onevenredig kunnen aantasten, waaronder het verwijderen, wijzigen of aantasten van de aanwezige dakpanbeschoeiing en het wijzigen van de oevers.
Lid 19.6.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
     
  2. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
Lid 19.6.3 Toelaatbaarheid
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19 lid 6.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige cultuurhistorische waarden en/of aanwezige en potentiële landschappelijke, natuurlijke en ecologische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 
Artikel 20 Wonen - 1
 
Lid 20.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. woningen;
     
  2. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
     
  3. uitsluitend garageboxen, ter plaatse van de aanduiding 'garage';
     
  4. uitsluitend bijbehorende bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'; 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. groenvoorzieningen;
     
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  6. overige functioneel met de bestemming 'Wonen - 1' verbonden voorzieningen.
Lid 20.2 Bouwregels
 
Lid 20.2.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
     
  4. Toevoeging van nieuwe woningen is niet toegestaan.
  1. In afwijking van het bepaalde onder b mag de maximum goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dakopbouw' maximaal 5,6 m bedragen.
Lid 20.2.2 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels:
  1. Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mogen uitsluitend worden opgericht op het zij- en achtererf.
     
  2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bijbehorende bouwwerken worden opgericht op het voorerf.
     
  3. Bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
     
  4. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 % van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt.
     
  5. In afwijking van het bepaalde onder a mogen bestaande bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevelrooilijn ter plaatse van de aanduiding 'tuin' worden gehandhaafd en ter plaatse worden herbouwd, waarbij de bestaande afmetingen als uitgangspunt gelden en het gestelde onder d van kracht blijft.
     
  6. De goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 m.
     
  7. De goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  8. De bouwhoogte van het gedeelte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt voor zover gelegen binnen een afstand van:
    1. 1 m van het naburige erf, ten hoogste 3 m;
       
    2. 2 m van het naburige erf, ten hoogste 4 m;
       
    3. 3 m van het naburige erf, ten hoogste 5 m;
       
    4. 4 m en verder van het naburige erf, ten hoogste 6 m.
       
  9. In aanvulling op het bepaalde onder h bedraagt de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken nooit meer dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
     
  10. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken in de vorm van overkappingen bedraagt ten hoogste de maximaal toegestane goothoogte.
     
  11. De diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de nog niet uitgebouwde achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  12. In afwijking van het bepaalde onder k mag een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een horizontale diepte van 6 m vanaf de oorspronkelijke achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw worden gerealiseerd, waarvoor de volgende bouwregels gelden:
    1. Het aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet dieper zijn dan de oorspronkelijke achtergevel breed is.
       
    2. Het aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet breder zijn dan 50% van de oorspronkelijke achtergevel, met een maximum van 3 m.
       
    3. De goot- en bouwhoogte van het aangebouwd bijbehorend bouwwerk bedragen ten hoogste de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,30 m.
  1. In afwijking van het bepaalde onder d mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' ten hoogste 134 m² bedragen.
Lid 20.2.3 Garageboxen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 20 lid 2.2 gelden voor garageboxen ter plaatse van de aanduiding 'garage' de volgende bouwregels:
  1. Het aanduidingsvlak mag volledig worden bebouwd.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan;
Lid 20.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Lid 20.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:
  1. artikel 20 lid 2.2 sub d voor vergroting van het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak tot niet meer dan 80 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 % van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt.
     
  2. artikel 20 lid 2.2 sub a en artikel 20 lid 2.2 sub e voor het aanbouwen van de, op het voorerfgebied gelegen, bestaande bijbehorende bouwwerken aan het hoofdgebouw onder de volgende voorwaarden:
    1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
       
    2. de onder 1 gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
       
    3. De goot- en bouwhoogte van het aangebouwd bijbehorend bouwwerk bedragen ten hoogste de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 m.
       
    4. de bouw doet geen onevenredige afbreuk aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit en ritmiek van de woningen en een positief welstandsadvies is ontvangen.
       
  3. artikel 20 lid 2.2 sub f ten behoeve van het doortrekken van de kap over de aangebouwde bijbehorende bouwwerken onder de volgende voorwaarden:
    1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
       
    2. de onder 1 gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
       
    3. de bouw doet geen onevenredige afbreuk aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit en ritmiek van de rij woningen en een positief welstandsadvies is ontvangen.
       
  4. artikel 20 lid 2.2 sub h voor het verhogen van de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk binnen een afstand van 4 m van het naburige erf tot maximaal 6 m onder de volgende voorwaarden:
    1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
       
    2. de onder 1 gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
Lid 20.4 Specifieke gebruiksregels
 
Lid 20.4.1 Aan huis verbonden beroepen/bedrijven
Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Het vloeroppervlak in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis mag niet meer dan 33% bedragen van het gezamenlijke vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m².
     
  2. Het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren.
     
  3. Er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel.
     
  4. Het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan.
     
  5. Het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
     
  6. De ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied.
Lid 20.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
Lid 20.5.1 Kleinschalige verblijfsrecreatie
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 1 voor het toestaan van kleinschalige verblijfsrecreatie, uitsluitend in de vorm van een bed and breakfast met bijbehorende voorzieningen, mits:
  1. maximaal 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, ten tijde van het aanvragen van de omgevingsvergunning, met een maximum van 50 m², hiervoor wordt gebruikt;
     
  2. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein en in 2e instantie in het openbaar gebied hetgeen middels een parkeerdrukmeting onderzocht moet worden;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  5. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten advies wordt gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 20.5.2 Mantelzorg
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in gebruik nemen (van een deel) van het hoofdgebouw of de bijbehorende bouwwerken als extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg mits:
    1. de mantelzorg noodzakelijk is en dat blijkt uit een medische of sociale indicatie.
      Indien er sprake is van een ouder - kind relatie, waarbij de ouder(s) 65 jaar of ouder is (zijn), is geen medische of sociale indicatie noodzakelijk;
       
    2. het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bereikbaar is en blijft voor hulpdiensten;
       
    3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
       
    4. de oppervlakte welke wordt gebruikt als extra wooneenheid voor mantelzorg niet meer bedraagt dan 80 m².
       
  2. Het bevoegd gezag kan de onder a bedoelde omgevingsvergunning intrekken na beëindiging van de mantelzorg.
     
  3. Na het intrekken van de omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, is degene aan wie de omgevingsvergunning was verleend of diens rechtsopvolger, en indien sprake was van afhankelijke woonruimte, verplicht de als dan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.
Artikel 21 Wonen - 2
 
Lid 21.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. woningen;
     
  2. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven in categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
     
  3. uitsluitend garageboxen, ter plaatse van de aanduiding 'garage';
     
  4. een atelier, ter plaatse van de aanduiding 'atelier';
     
  5. een bed & breakfast, ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast'; 
met daarbij horende:
  1. tuinen en erven;
     
  2. (ontsluitings)wegen en paden;
     
  3. parkeervoorzieningen;
     
  4. groenvoorzieningen;
     
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
     
  6. overige functioneel met de bestemming 'Wonen - 2' verbonden voorzieningen.
Lid 21.2 Bouwregels
 
Lid 21.2.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels:
  1. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
     
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
     
  4. Toevoeging van nieuwe woningen is niet toegestaan, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', waarbij geldt dat het aantal toe te voegen woningen niet meer mag bedragen dan aangegeven.
Lid 21.2.2 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels:
  1. Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mogen uitsluitend worden opgericht op het zij- en achtererf;
     
  2. Bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
     
  3. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 36 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 % van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt.
     
  4. De goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 m.
     
  5. De goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  6. De bouwhoogte van het gedeelte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt voor zover gelegen binnen een afstand van:
    1. 1 m van het naburige erf, ten hoogste 3 m;
       
    2. 2 m van het naburige erf, ten hoogste 4 m;
       
    3. 3 m van het naburige erf, ten hoogste 5 m;
       
    4. 4 m en verder van het naburige erf, ten hoogste 6 m.
       
  7. In aanvulling op het bepaalde onder f bedraagt de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken nooit meer dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
     
  8. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen te zijn voorzien van een meerzijdig hellende kap, met dien verstande dat een volledig plat dak is toegestaan indien het bijbehorende bouwwerk niet zichtbaar is vanaf het openbaar gebied;
     
  9. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken in de vorm van overkappingen bedraagt ten hoogste de maximaal toegestane goothoogte.
     
  10. De diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de nog niet uitgebouwde achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste 3 m.
     
  11. Aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de zijgevel mogen ten hoogste 3 m uitsteken buiten het bouwvlak.
Lid 21.2.3 Garageboxen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 21 lid 2.2 gelden voor garageboxen ter plaatse van de aanduiding 'garage' de volgende bouwregels:
  1. Het aanduidingsvlak mag volledig worden bebouwd.
     
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven maximale goot-/boeiboordhoogte en maximale bouwhoogte toegestaan.
Lid 21.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m.
     
  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar het openbaar gebied gekeerde voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m.
     
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Lid 21.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:
  1. artikel 21 lid 2.2 sub d ten behoeve van het doortrekken van de kap over de aangebouwde bijbehorende bouwwerken onder de volgende voorwaarden:
    1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
       
    2. de onder 1 gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
       
    3. de bouw doet geen onevenredige afbreuk aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit en ritmiek van de woningen en een positief welstandsadvies is ontvangen.
       
    4. het toestaan van een kap geen onevenredige aantasting van het beschermd dorpsgezicht tot gevolg heeft;
       
  2. artikel 21 lid 2.2 sub f voor het verhogen van de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk binnen een afstand van 4 m van het naburige erf tot maximaal 6 m onder de volgende voorwaarden:
    1. uit een bezonningsstudie blijkt dat het naburige erf niet onevenredig wordt belast;
       
    2. de onder 1 gestelde onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de eigenaar van het naburige erf akkoord geeft op het bouwplan.
       
    3. het verhogen van de bouwhoogte geen onevenredige aantasting van het beschermd dorpsgezicht tot gevolg heeft.
Lid 21.4 Specifieke gebruiksregels
 
Lid 21.4.1 Aan huis verbonden beroepen/bedrijven
Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Het vloeroppervlak in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis mag niet meer dan 33% bedragen van het gezamenlijke vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m².
     
  2. Het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren.
     
  3. Er mag geen horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel.
     
  4. Het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend. Op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan.
     
  5. Het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
     
  6. De ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied.
Lid 21.4.2 Bed & breakfast
Ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' is een bed & breakfast met bijbehorende voorzieningen toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. maximaal 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, ten tijde van het aanvragen van de omgevingsvergunning, met een maximum van 50 m², mag hiervoor wordt gebruikt;
     
  2. Het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren.
Lid 21.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
Lid 21.5.1 Kleinschalige verblijfsrecreatie
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 1 voor het toestaan van kleinschalige verblijfsrecreatie, uitsluitend in de vorm van een bed and breakfast met bijbehorende voorzieningen, mits:
  1. maximaal 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, ten tijde van het aanvragen van de omgevingsvergunning, met een maximum van 50 m², hiervoor wordt gebruikt;
     
  2. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein en in 2e instantie in het openbaar gebied hetgeen middels een parkeerdrukmeting onderzocht moet worden;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  5. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten advies wordt gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 21.5.2 Mantelzorg
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in gebruik nemen (van een deel) van het hoofdgebouw of de bijbehorende bouwwerken als extra wooneenheid ten behoeve van mantelzorg mits:
    1. de mantelzorg noodzakelijk is en dat blijkt uit een medische of sociale indicatie.
      Indien er sprake is van een ouder - kind relatie, waarbij de ouder(s) 65 jaar of ouder is (zijn), is geen medische of sociale indicatie noodzakelijk;
       
    2. het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bereikbaar is en blijft voor hulpdiensten;
       
    3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
       
    4. de oppervlakte welke wordt gebruikt als extra wooneenheid voor mantelzorg niet meer bedraagt dan 80 m².
       
  2. Het bevoegd gezag kan de onder a bedoelde omgevingsvergunning intrekken na beëindiging van de mantelzorg.
     
  3. Na het intrekken van de omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder b, is degene aan wie de omgevingsvergunning was verleend of diens rechtsopvolger, en indien sprake was van afhankelijke woonruimte, verplicht de als dan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.
Lid 21.5.3 Atelier/galerie
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 1 voor het toestaan van atelier/galerie met bijbehorende voorzieningen, mits:
  1. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein en in 2e instantie in het openbaar gebied hetgeen middels een parkeerdrukmeting onderzocht moet worden;
     
  2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  4. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.
Artikel 22 Waarde - Archeologie 1
 
Lid 22.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.
 
Lid 22.2 Bouwregels
 
Lid 22.2.1 Algemeen
Op de gronden met bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ mogen geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
 
Lid 22.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van het bepaalde in artikel 22 lid 2.1 mogen op of in deze gronden gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden, mits het gaat om:
  1. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m;
     
  2. bebouwing waarvan de bodemverstoring minder bedraagt dan 50 m²;
     
  3. bebouwing waarvan de bodemverstoring meer bedraagt dan 50 m², maar de bodem niet dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd;
     
  4. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het peil niet wordt uitgebreid;
     
  5. een gebouw of bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Lid 22.3 Afwijken van de bouwregels
 
Lid 22.3.1 Afwijking
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 22 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend, en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat:
    1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld;
       
    2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
       
    3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
       
  2. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op een of meer gebouwen of bouwwerken als bedoeld in artikel 22 lid 2.2 sub c.
     
  3. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op een terrein, binnen dan wel deel uitmaakt van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld onder a, en/of artikel 22 lid 4.3 sub a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 22 lid 3.2 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 22.3.2 Voorschriften omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
     
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
     
  3. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 22.3.3 Advies
Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
 
Lid 22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 22.4.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren zulks ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen:
  1. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld;
     
  2. het ontgronden, baggeren, afgraven (afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur;
     
  3. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen;
     
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
     
  5. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
     
  6. het aanleggen van drainage;
     
  7. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
     
  8. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
     
  9. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
     
  10. het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld.
Lid 22.4.2 Uitzonderingen
Het in artikel 22 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:
  1. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
     
  2. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;
     
  3. indien zij een oppervlakte beslaan van ten hoogstens 50 m2;
     
  4. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
     
  5. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:
    1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;
       
    2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
Lid 22.4.3 Toelaatbaarheid
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 22 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat:
    1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld;
       
    2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;
       
    3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
       
  2. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 22 lid 4.2 sub c.
     
  3. Het bepaalde in tweede lid is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op een terrein, binnen dan wel deel uitmaakt van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 22 lid 3.1, en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 22 lid 4.4 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 22.4.4 Voorschriften omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22 lid 4.3 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
     
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
     
  3. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 22.4.5 Advies
Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
Artikel 23 Waarde - Archeologie 2
 
Lid 23.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.
 
Lid 23.2 Bouwregels
 
Lid 23.2.1 Algemeen
Op de gronden met bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ mogen geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
 
Lid 23.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van het bepaalde in artikel 23 lid 2.1 mogen op of in deze gronden gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden, mits het gaat om:
  1. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m;
     
  2. bebouwing waarvan de bodemverstoring minder bedraagt dan 500 m²;
     
  3. bebouwing waarvan de bodemverstoring meer bedraagt dan 500 m², maar de bodem niet dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd;
     
  4. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het peil niet wordt uitgebreid;
     
  5. een gebouw of bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Lid 23.3 Afwijken van de bouwregels
 
Lid 23.3.1 Afwijking
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 23 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend, en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat:
    1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld;
       
    2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
       
    3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
       
  2. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op een of meer gebouwen of bouwwerken als bedoeld in artikel 23 lid 2.2 sub c.
     
  3. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op een terrein, binnen dan wel deel uitmaakt van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld onder a, en/of artikel 23 lid 4.3 sub a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 23 lid 3.2 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 23.3.2 Voorschriften omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
     
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
     
  3. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 23.3.3 Advies
Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
 
Lid 23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 23.4.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren zulks ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen:
  1. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld;
     
  2. het ontgronden, baggeren, afgraven (afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur;
     
  3. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen;
     
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
     
  5. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
     
  6. het aanleggen van drainage;
     
  7. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
     
  8. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
     
  9. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
     
  10. het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld.
Lid 23.4.2 Uitzonderingen
Het in artikel 23 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:
  1. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
     
  2. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;
     
  3. indien zij een oppervlakte beslaan van ten hoogstens 500 m2;
     
  4. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
     
  5. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:
    1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;
       
    2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
Lid 23.4.3 Toelaatbaarheid
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 23 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat:
    1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld;
       
    2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;
       
    3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
       
  2. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 23 lid 4.2 sub c.
     
  3. Het bepaalde in tweede lid is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op een terrein, binnen dan wel deel uitmaakt van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 23 lid 3.1, en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 23 lid 4.4 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 23.4.4 Voorschriften omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23 lid 4.3 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
     
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  1. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 23.4.5 Advies
Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
Artikel 24 Waarde - Archeologie 3
 
Lid 24.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.
 
Lid 24.2 Bouwregels
 
Lid 24.2.1 Algemeen
Op de gronden met bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ mogen geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
 
Lid 24.2.2 Uitzonderingen
In afwijking van het bepaalde in artikel 24 lid 2.1 mogen op of in deze gronden gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden, mits het gaat om:
  1. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m;
     
  2. bebouwing waarvan de bodemverstoring minder bedraagt dan 1.000 m²;
     
  3. bebouwing waarvan de bodemverstoring meer bedraagt dan 1.000 m², maar de bodem niet dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd;
     
  4. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het peil niet wordt uitgebreid;
     
  5. een gebouw of bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Lid 24.3 Afwijken van de bouwregels
 
Lid 24.3.1 Afwijking
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 24 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend, en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat:
    1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld;
       
    2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
       
    3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
       
  2. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op een of meer gebouwen of bouwwerken als bedoeld in artikel 24 lid 2.2 sub c.
     
  3. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op een terrein, binnen dan wel deel uitmaakt van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld onder a, en/of artikel 24 lid 4.3 sub a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 24 lid 3.2 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 24.3.2 Voorschriften omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
     
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
     
  3. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 24.3.3 Advies
Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
 
Lid 24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 24.4.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren zulks ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen:
  1. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld;
     
  2. het ontgronden, baggeren, afgraven (afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur;
     
  3. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen;
     
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
     
  5. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
     
  6. het aanleggen van drainage;
     
  7. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
     
  8. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
     
  9. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
     
  10. het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld.
Lid 24.4.2 Uitzonderingen
Het in artikel 24 lid 4.2 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:
  1. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
     
  2. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;
     
  3. indien zij een oppervlakte beslaan van ten hoogstens 1.000 m2;
     
  4. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
     
  5. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:
    1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;
       
    2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
Lid 24.4.3 Toelaatbaarheid
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 24 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat:
    1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld;
       
    2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;
       
    3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
       
  2. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 24 lid 4.2 sub c.
     
  3. Het bepaalde in tweede lid is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking op een terrein, binnen dan wel deel uitmaakt van eenzelfde ontwikkelgebied, waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 24 lid 3.1, en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 24 lid 4.4 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 24.4.4 Voorschriften omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24 lid 4.3 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
     
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 
  1. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 24.4.5 Advies
Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
Artikel 25 Waarde - Archeologisch rijksmonument
 
Lid 25.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologisch Monument' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van een archeologisch rijksmonument.
Artikel 26 Waarde - Beschermd dorpsgezicht
 
Lid 26.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding, bescherming en herstel van de binnen het beschermd dorpsgezicht voorkomende, dan wel daaraan eigen karakteristieke cultuurhistorische waarden van Loenen aan de Vecht zoals omschreven in het in de bijlage opgenomen aanwijzingsbesluit d.d. 4 augustus 1966.

Lid 26.2 Bouwregels
Voor het bouwen op de in artikel 26 lid 1 bedoelde gronden gelden, naast en mogelijk in afwijking van het bepaalde elders in de bestemmingsplanregels, de volgende regels:
  1. de vorm en de nokinrichting van daken van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken dienen in overeenstemming te zijn met de vorm en de nokinrichting van daken, zoals voor het desbetreffende bouwvlak op de als bijlage opgenomen kappenkaarten is aangegeven;
     
  2. tenzij volgens de kappenkaarten een gebroken zadeldak of een afgeplat schilddak moet worden toegepast, dienen de hoofdgebouwen te worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 45º en ten hoogste 55º bedraagt;
     
  3. De situering van de voorgevel van hoofdgebouwen dient in overeenstemming te zijn met de situering van de voorgevel op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
     
  4. Indien het bevoegd gezag voornemens is om een vergunning voor het bouwen te verlenen, die van invloed kan zijn op het beschermde dorpsgezicht, wordt de gemeentelijke monumentencommissie om advies gevraagd.
Lid 26.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 26 lid 2, mits:
  1. het veranderen van de dakvorm of dakhelling een herstel of verbetering van de karakteristieke cultuurhistorische waarden betreft en geen onevenredige aantasting van het beschermd gezicht tot gevolg heeft;
     
  2. de dakhelling niet minder dan 30º bedraagt.
     
  3. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt een ter zake deskundige commissie om advies gevraagd.
Lid 26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 26.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het aanleggen van oppervlakteverhardingen;
     
  2. het vellen en/of rooien dan wel handelingen te verrichten die de dood van of ernstige schade aan de hagen veroorzaken;
     
  3. het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van de openbare ruimte;
     
  4. het bestraten of herstraten van de bestaande profielen, in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal;
     
  5. het bestraten en verharden van onverharde gronden.
Lid 26.4.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
     
  2. andere-werken die verband houden met de normale voortgang van de uitoefening van het agrarisch beheer op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’;
     
  3. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning
Lid 26.4.3 Toelaatbaarheid
  1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26 lid 4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de binnen het beschermd dorpsgezicht voorkomende, dan wel daaraan eigen karakteristieke cultuurhistorische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
     
  2. Een omgevingsvergunning voor het vellen, kappen en/of rooien van hagen als bedoeld in artikel 26 lid 4.1, wordt zeker wel verleend indien instandhouding van de haag vanwege de staat redelijkerwijs niet kan worden geëist, met dien verstande dat:
    1. de aanvraag voor de omgevingsvergunning dient te worden vergezeld van een advies van een terzake deskundige over de staat van de haag;
       
    2. aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden tot herplanten van de te vellen haag.
Lid 26.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
 
Lid 26.5.1 Sloopwerkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen en bouwwerken, zoals theekoepels, theehuizen, schuttingen, tuinmuren, hekken, pergola’s en andere bouwwerken, te slopen of te laten slopen.
 
Lid 26.5.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. werkzaamheden die:
    1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
       
    2. het normale onderhoud betreffen;
       
    3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen of een aanschrijving van het bevoegd gezag;
       
  2. bouwwerken die ten gevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan.
Lid 26.5.3 Toelaatbaarheid
  1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26 lid 5.1 wordt slechts verleend indien:
    1. geen onevenredige schade aan de cultuurhistorische, (historisch-) stedenbouwkundige en (historisch-)architectonische waarden van het beschermd dorpsgezicht plaatsvindt;
       
    2. voor het slopen geen vergunning is vereist of al een vergunning is verleend ingevolge de Monumentenwet 1988, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening;
       
  2. In afwijking van het bepaalde in sub a kan een omgevingsvergunning worden verleend als sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep of als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
     
  3. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de gemeentelijke monumentencommissie om advies gevraagd.
Artikel 27 Waarde - Cultuurhistorie 1
Lid 27.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Cultuurhistorie 1 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Lid 27.2 Bouwregels
  1. Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde;
  1. Ter beoordeling van het bepaalde onder a winnen burgemeester en wethouders deskundig advies in;
  1. Het bepaalde onder 1 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
Lid 27.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Lid 27.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen;
  1. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  1. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
Lid 27.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod
Het verbod als bedoeld in artikel 7 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden:
  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 7 lid 2 in acht genomen is;
  1. betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden;
  1. behoren tot het normaal onderhoud en beheer;
  1. mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning;
  1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
Lid 27.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
Artikel 28 Waterstaat - Waterkering
 
Lid 28.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone.
 
Lid 28.2 Bouwregels
  1. Ten behoeve van de in artikel 28 lid 1 bedoelde bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 3 m worden gerealiseerd.
     
  2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Bij die belangenafweging wordt goedkeuring gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Ten behoeve van deze andere onderliggende bestemmingen mogen gebouwd worden conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen.
Lid 28.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
Lid 28.3.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden op de in artikel 28 lid 1 bedoelde gronden de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van burgemeester en wethouders:
  1. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
     
  2. het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
     
  3. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen;
     
  4. het omzetten van grasland in bouwland;
     
  5. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
     
  6. het aanleggen van bos of boomgaard;
     
  7. verlagen van het waterpeil;
     
  8. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
     
  9. het aanleggen of verwijderen van oeverbeschoeiingen;
     
  10. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
     
  11. het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen;
     
  12. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
     
  13. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
     
  14. alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering.
Lid 28.3.2 Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
  1. normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering;
     
  2. andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn.
Lid 28.3.3 Toelaatbaarheid
Het bepaalde in artikel 28 lid 3.1 is slechts toelaatbaar, indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de waterkering.
 
Lid 28.3.4 Voorwaarden
Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning zoals bedoeld in artikel 28 lid 3.1 na schriftelijk goedkeuring van de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 29 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 30 Algemene bouwregels
Lid 30.1 Bestaande afwijkende maatvoering
  1. In die gevallen dat de bestaande goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
     
  2. In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
Lid 30.2 Ondergrondse bouwwerken
  1. Ondergrondse bouwwerken mogen worden gerealiseerd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en binnen de direct omringende gronden, waar de bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht, enkel onder de gebouwen die daar zijn of worden opgericht, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen zijn toegestaan. Indien onder de bestemming is aangegeven dat ondergronds bouwen niet is toegestaan, mag niet ondergronds worden gebouwd.
     
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in het bepaalde onder a ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. De verticale diepte van kelders bedraagt maximaal 3,5 m beneden peil.
       
    2. Een kelder mag, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, niet minder dan 0,10 m onder het aansluitende afgewerkte terrein zijn gelegen.
       
    3. De afstand tot de perceelgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m.
       
    4. Kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel zijn toegestaan.
       
    5. Ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 m buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd, tellen mee in de oppervlakteregeling voor bijgebouwen.
       
    6. Bergbezinkbassins zijn toegestaan op alle gronden binnen het plangebied.
Lid 30.3 Overschrijding bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen
De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bouwgrenzen, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door:
  1. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen met niet meer dan 50 cm;
     
  2. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de voorgevelrooilijn niet meer dan 20 cm bedraagt;
     
  3. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame met niet meer dan 50 cm;
     
  4. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, galerijen en luifels, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 50 cm overschrijden;
     
  5. balkons, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1 m overschrijden;
     
  6. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden;
     
  7. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevelrooilijn met meer dan 1 m overschrijden;
     
  8. vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen, die deel uitmaken van een gebouw, voor zover deze binnen een bouwvlak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 3 m wordt overschreden;
     
  9. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties, voor zover deze niet hoger zijn dan 3 m en geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste bouwlaag van het gebouw, waarop zij worden geplaatst;
     
  10. bergbezinkbassins (dan wel andere waterstaatkundige werken) ten behoeve van de opvang van water (waaronder rioolwater) en afvalinzamelsystemen zowel boven- als ondergronds.
Artikel 31 Algemene gebruiksregels
Lid 31.1 Strijdig gebruik
  1. Onder strijdig gebruik met dit bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:
    1. Seksinrichting, prostitutie of erotisch getinte horecabedrijven;
       
    2. opslag en verkoop van vuurwerk;
       
    3. het gebruik van een (bedrijfs)woning voor meer dan één huishouden;
       
    4. kamerbewoning/-verhuur;
       
    5. Een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval en/of bouwmaterialen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
       
    6. Een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
       
  2. Onder een gebruik, strijdig met een bestemming, wordt niet verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen.
Lid 31.2 Parkeren
  1. In het geval van nieuwbouw of functiewijziging waarbij de parkeerbehoefte toeneemt, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen, waarbij ten minste het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd conform de parkeernormen zoals opgenomen in de bijlage 'Parkeernormen'.
     
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a, indien:
    1. aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd; of
       
    2. op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen.
Artikel 32 Algemene aanduidingsregels
Lid 32.1 Rijksmonument
Ter plaatse van de aanduiding 'rijksmonument' zijn de gronden en gebouwen tevens bestemd voor de bescherming en instandhouding van rijksmonumenten.
 
Lid 32.1.1 Woningsplitsing
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in de bestemmingsregels en ter plaatse van de aanduiding 'rijksmonument' het toevoegen van één extra woning per bouwperceel binnen de bestaande bebouwing toestaan, mits:
  1. in het betreffende pand ingevolge de planregels al één of meer woningen zijn toegestaan;
     
  2. dit noodzakelijk is voor het behoud van het gebouw;
     
  3. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  5. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  6. de karakteristieke waarden van de bebouwing niet worden aangetast;
     
  7. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 32.2 Karakteristiek
Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de gronden en gebouwen tevens bestemd voor de bescherming en instandhouding van karakteristieke bouwwerken.
 
Lid 32.2.1 Woningsplitsing
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in de bestemmingsregels en ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' het toevoegen van één extra woning per bouwperceel binnen de bestaande bebouwing toestaan, mits:
  1. in het betreffende pand ingevolge de planregels al één of meer woningen zijn toegestaan;
     
  2. dit noodzakelijk is voor het behoud van het gebouw;
     
  3. voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein;
     
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
     
  5. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  6. de karakteristieke waarden van de bebouwing niet worden aangetast;
     
  7. ten aanzien van de bovengenoemde aspecten dient advies te worden gevraagd aan een terzake deskundige.
Lid 32.2.2 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen of bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen.
     
  2. Geen omgevingsvergunning is nodig voor sloopwerkzaamheden die:
    1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
       
    2. het normale onderhoud betreffen;
       
    3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen of een aanschrijving van het bevoegd gezag;
       
    4. plaatsvinden bij bouwwerken die ten gevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan.
       
  3. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt slechts verleend indien geen onevenredige schade plaatsvindt van de karakteristieke waarden van de bebouwing;
     
  4. In afwijking van het bepaalde onder c kan een omgevingsvergunning worden verleend als sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep of als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
     
  5. indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub c of d, wordt een ter zake deskundige commissie om advies gevraagd.
Lid 32.3 Vrijwaringszone - molenbiotoop
Lid 32.3.1 Aanduidingsregels
De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de vrije windgang van en het zicht op molens.

Lid 32.3.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse voorkomende bestemming(en) gelden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ de volgende regels:
  1. op of in de gronden binnen de zone, gemeten vanaf 0 m tot 100 m van de molen, mag niet hoger worden gebouwd dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  1. binnen een afstand van 100 tot 400 m van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/100 van de afstand van het bouwwerk tot de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  1. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 1 en 2, indien:
     
    1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing;
     
    1. toepassing van de in dit lid onder 1 en 2 bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden; mits vooraf advies is ingewonnen bij de betreffende molenbeheerder.
  1. indien op grond van de bestemmingsregels in hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte onder 2 dan prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de bestemmingsregels in hoofdstuk 2;
  1. in afwijking van het bepaalde onder 1 en 2 is de maatvoering van de met omgevingsvergunning gebouwde bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan toegestaan.
 
Lid 32.3.3 Omgevingsvergunning uitvoeren werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden
  1. Het is verboden op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. binnen een afstand van 100 m rondom de molen: het oprichten van beplanting die hoger is of zal worden dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    2. binnen een afstand van 100 m tot 400 m van de molen: het oprichten van beplanting die hoger is of zal worden 1/100 van de afstand van de beplanting tot de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek
  2. Het onder 1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: 
    1. in het kader van het normale beheer en onderhoud
    2. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.  
  3. Werken en werkzaamheden als bedoeld in dit lid zijn slechts toelaatbaar indien:
    1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing dan wel beplanting en de windvang en het zicht op de molen neit verder worden beperkt door de nieuw aan te brengen beplanting; of 
    2. toepassing van de onder a bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw aan te brengen beplanting onevenredig zouden schaden.
Lid 32.3.4 Advies
Alvorens omtrent het verlenen van omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de molenbeheerder.
Artikel 33 Algemene afwijkingsregels
Lid 33.1 Afwijkingen
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor:
    1. het oprichten van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse inhoud van maximaal 75 m3 en een goothoogte van maximaal 4 m;
       
    2. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met niet meer dan 15%;
       
    3. overschrijdingen van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover dat van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover dat noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen niet meer dan 3 m bedragen en het bouwvlak mag niet meer dan 15% worden vergroot;
       
    4. de bouw van reclameobjecten met inbegrip van aankondigingsborden, reclamemasten, gevel- en lichtreclames en gebouwenaanduidingen met dien verstande dat de reclameborden geen onevenredig afbreuk doen aan de ruimtelijke situatie en de beeldkwaliteit ter plaatse;
       
    5. het oprichten van masten en antenne-installaties ten behoeve van (tele)communicatie-doeleinden tot een bouwhoogte van maximaal 40 m waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, met bestaande of nieuw op te richten bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied;
       
    6. voor het gebruik van de gronden voor opslag en verkoop van vuurwerk na goedkeuring door de Veiligheid Regio Utrecht (VRU) of de opvolger van deze organisatie onder een andere naam;
       
    7. het afwijken van parkeernormen zoals opgenomen in deze regels, indien redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de eis tot realisatie van parkeerplaatsen conform de voorgeschreven parkeernorm onder de voorwaarde dat met behulp van de parkeerdrukmeting wordt aangetoond dat de parkeerbehoefte van gezamenlijke functies in de omgeving te allen tijde kan worden afgewikkeld op de al aanwezige of geplande beschikbare parkeergelegenheid;
       
    8. het gebruik van gebouwen voor kamerbewoning/-verhuur, mits:
      1. er sprake is van langdurige leegstand (langer dan 3 maanden);
         
      2. het gebruik voor kamerbewoning/-verhuur geen ontwrichting van de ruimtelijke omgeving en daardoor overlast tot gevolg heeft;
         
      3. het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren;
         
      4. de tijdelijkheid van de kamerbewoning/-verhuur moet aantoonbaar zijn.
         
  2. Afwijking als bedoeld onder a wordt niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de als gevolg van de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
     
  3. De afwijkingsbevoegdheden mogen niet cumulatief worden gebruikt samen met afwijkingsmogelijkheden uit de afzonderlijke bestemmingen uit hoofdstuk 2 of ten opzichte van een eerder verleende afwijking.
Lid 33.2 JOP
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de regels en toestaan dat een jongerenontmoetingsplaats (JOP) wordt gerealiseerd, mits:
  1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m²;
     
  2. er geen gebouwen worden gebouwd;
     
  3. de bouwhoogte van overkappingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 2,5 m;
     
  4. de realisatie niet direct naast gebouwen plaatsvindt, waarvan de gebruikers overlast kunnen ondervinden van de jongeren, zoals woningen en winkels, waarbij de afstand tot een woning in ieder geval niet minder bedraagt dan 50 m;
     
  5. niet direct naast doorgaande wegen wordt gerealiseerd;
     
  6. de jop goed bereikbaar is voor hulpdiensten;
     
  7. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
     
  8. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
     
  9. de landschappelijke en natuurlijke waarden, indien als zodanig op de verbeelding aangegeven, en de waarden van het beschermde dorpsgezicht onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Artikel 34 Algemene wijzigingsregels
Lid 34.1 Algemene wijziging
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van:
  1. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
     
  2. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. 
De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
 
Lid 34.2 Wijziging Staat van Bedrijfsactiviteiten
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen in die zin dat de categorie-indeling van bedrijven kan worden gewijzigd, indien en voor zover een wijziging van de milieubelasting van het desbetreffende type bedrijf daartoe aanleiding geeft.
 
Lid 34.3 Wijziging bestemming Waarde - Archeologie 1/2/3
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.
 
Lid 34.4 Wijzigingsgebied 1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 1' te wijzigen ten behoeve van de bouw van woningen met bijbehorende tuinen, met dien verstande dat:
  1. op het bouwperceel Oud Over 20-24 maximaal 1.640 m2 aan bebouwing is toegestaan, bestaande uit maximaal 8 grondgebonden woningen met bijbehorende bouwwerken. De woningen bestaan uit 1 bouwlaag met kap en de bijbehorende bouwwerken dienen qua afmetingen ondergeschikt te zijn aan de hoofdbebouwing (woning);
     
  2. op het bouwperceel Oud Over 30 maximaal 120 m2 aan bebouwing is toegestaan, bestaande uit 1 grondgebonden woning en bijbehorende bouwwerken. De woning bestaat uit 1 bouwlaag met kap en de bijbehorende bouwwerken dienen qua afmetingen ondergeschikt te zijn aan de hoofdbebouwing (woning);
     
  3. indien in verband met een ruimtelijk betere indeling de bouwpercelen Oud Over 20-24 en Oud Over 30 tezamen worden herontwikkeld, is het toegestaan de woning voor Oud Over 30 op het perceel van Oud Over 20-24 te realiseren. Tevens is het dan toegestaan het perceel met de bestemming 'Groen' bij de ontwikkeling te betrekken, waarbij de onder a en b genoemde aantallen en afmetingen van kracht blijven;
     
  4. de uiteindelijke bestemmings- en bouwvlakken strak rond de bebouwing worden gelegd en worden omringd door de bestemming 'Tuin';
     
  5. de ontwikkeling geen onevenredige afbreuk mag doen aan de in de omgeving aanwezige functies;
     
  6. de ontwikkeling geen onevenredige afbreuk mag doen aan de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  7. de parkeernorm ten behoeve van de woningen is gesteld op 2 parkeerplaatsen per woning waarbij de parkeerplaatsen binnen het wijzigingsgebied moeten worden gerealiseerd;
     
  8. er geen sprake mag zijn van milieuhygiënische belemmeringen;
     
  9. gezien de ligging binnen het beschermd dorpsgezicht de ontwikkeling geen afbreuk mag doen aan de cultuurhistorische en architectonische waarden. Hier dient advies te worden ingewonnen bij een terzake deskundige.
Lid 34.5 Wijzigingsgebied 2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 2' te wijzigen ten behoeve van de bouw van woningen met bijbehorende tuinen en een gebouw ten behoeve van religieuze doeleinden, met dien verstande dat:
  1. ten hoogste 12 grondgebonden woningen mogen worden gerealiseerd met tuinen, alsmede een gebouw ten behoeve van religieuze doeleinden;
     
  2. de woningen ten hoogste 2 bouwlagen met kap mogen bedragen waarbij een goothoogte van maximaal 6 m en een bouwhoogte van maximaal 10 m geldt;
     
  3. het gebouw ten behoeve van religieuze doeleinden ten hoogste 370 m² mag bedragen met een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 11 m.
     
  4. de parkeernorm ten behoeve van de woningen is gesteld op 2 parkeerplaatsen per woning waarbij de parkeerplaatsen op het perceel moeten worden gerealiseerd;
     
  5. de parkeernorm ten behoeve van het gebouw voor religieuze doeleinden dient de voldoen aan de CROW normering, waarbij conform het huidige gebruik de parkeerplaatsen in het openbaar gebied mogen worden aangehouden;
     
  6. in geval het gebouw ten behoeve van religieuze doeleinden geen doorgang krijgt, het is toegestaan in plaats hiervan 3 extra grondgebonden woningen te realiseren waarvoor de regels zoals gesteld onder b van toepassing zijn.
     
  7. er dient te worden aangesloten op het bestaande stratenpatroon;
     
  8. rond de nieuwbouw een groene schil dient te worden gerealiseerd ten behoeve waarvan minimaal de volgende afstanden tot de gevellijnen moeten worden aangehouden:
    1. langs de Rijksstraatweg een afstand van 5 m;
       
    2. langs de Margrietlaan een afstand van 10 m;
       
    3. langs het landelijk gebied een afstand van 12 m;
       
    4. langs de naast het perceel gelegen school een afstand van 10 m.
       
  9. er geen sprake mag zijn van milieuhygiënische belemmeringen.
Lid 34.6 Wijzigingsgebied 3
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 3' te wijzigen ten behoeve van de bouw van een woning met bijbehorende tuin, met dien verstande dat:
  1. ten hoogste één grondgebonden woning met bijbehorende bouwwerken is toegestaan;
     
  2. de woning ten hoogste 2 bouwlagen met kap mag bedragen waarbij een goothoogte van maximaal 7 m en een bouwhoogte van maximaal 10 m geldt;
     
  3. de bijbehorende bouwwerken qua afmetingen ondergeschikt dienen te zijn aan de hoofdbebouwing;
     
  4. de ontwikkeling geen onevenredige afbreuk mag doen aan de in de omgeving aanwezige functies;
     
  5. de ontwikkeling geen onevenredige afbreuk mag doen aan de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  6. er geen sprake mag zijn van milieuhygiënische belemmeringen.
Lid 34.7 Wijzigingsgebied 4
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 4' te wijzigen in een woonbestemming ten behoeve van het gebruik van de bestaande panden als woning en bijbehorend bouwwerk bij de woonfunctie, met dien verstande dat:
  1. de bouwvlakken en de maximale goot- en bouwhoogte niet mogen worden aangepast;
     
  2. in het pand Molendijk 30a ten hoogste één grondgebonden woning is toegestaan;
     
  3. in het pand Molendijk 28 geen woning is toegestaan, maar dat dit pand in gebruik kan worden genomen als bijbehorend bouwwerk bij de woonfunctie;
     
  4. de ontwikkeling geen onevenredige afbreuk mag doen aan de in de omgeving aanwezige functies;
     
  5. de ontwikkeling geen onevenredige afbreuk mag doen aan de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
     
  6. er geen sprake mag zijn van milieuhygiënische belemmeringen.
Artikel 35 Overige regels
Lid 35.1 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening
De regels van stedenbouwkundige aard van paragraaf 2.5 van de bouwverordening zijn uitsluitend van toepassing, voor zover het betreft:
  1. de ruimte tussen bouwwerken;
     
  2. parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen.
Lid 35.2 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen
Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerp van het bestemmingsplan.

4 Overgangs- en slotregels
Artikel 36 Overgangsrecht
Lid 36.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het tenietgaan als ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sub met maximaal 10 %.
  3. sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Lid 36.2 Overgangsrecht gebruik
  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met het plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. indien het gebruik, bedoeld in sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 37 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan 'Loenen aan de Vecht – geconsolideerd'.