direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1903.TAMOP22h6251NG5-VG01

Regels

Preambule:

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Linderweg 5 Eckelrade en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22h]) van het Omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het Omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Voor dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) geldt:

  • Hoofdstukken moeten worden gezien en gelezen als paragrafen van Hoofdstuk 22h van het Omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten. Hoofdstuk 1 moet worden gezien en gelezen als paragraaf 22h.1, hoofdstuk 2 als paragraaf 22h.2, etc.
  • Voor de in dit deel opgenomen artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct vóór het artikelnummer '22h' worden gelezen. Artikel 1 moet dus worden gezien en gelezen als artikel 22h.1, artikel 2 als artikel 22h.2, etc.
  • Voor de in dit deel opgenomen bijlage bij de regels moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct vóór het nummer 1 '22h' worden gelezen. Bijlage 1 bij de regels van het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet daarom worden gezien en gelezen als Bijlage 22h.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en Bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten.

1.2 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Linderweg 5 Eckelrade met identificatienummer NL.IMRO.1903.TAMOP22h6251NG5 van de gemeente Eijsden-Margraten.

1.3 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.4 agrarisch bouwperceel

een bouwperceel waarop geconcentreerde bebouwing ten behoeve van één agrarisch bedrijf is toegestaan.

1.5 agrarisch gebruik

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.6 agrarisch technisch hulpbedrijf

een bedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verlenen/leveren van goederen en diensten waarbij gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van land-, tuin-, bos-, of natuurbouw wordt verricht en houtachtige producten worden opgeslagen en verwerkt, zoals landschapsonderhoud (landscaping), landschapsinrichting, boomverzorging, fruitteeltloonwerk en een loonwerkbedrijf; of waarbij gebruik wordt gemaakt van het telen van gewassen, grondgebonden agrarische bedrijfsvoering of het toepassen van andere land-, tuin-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.

1.7 antennedrager

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.8 antenne-installatie

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur met bijbehorende bevestigingconstructie ten behoeve van telecommunicatie, radio en televisie en andere vormen van communicatie waar een antenne-installatie voor benodigd is.

1.9 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak

1.10 bedrijf of beroep aan huis

beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend

1.11 bestaande bebouwing

bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan (legaal gerealiseerd) op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning.

1.12 bijgebouw

een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat een functionele eenheid vormt met, ondergeschikt en dienstbaar is, aan een hoofdgebouw.

1.13 bijgebouwgrens

de grens van de aanduiding 'bijgebouwen'.

1.14 (bouw)aanduiding 'bijgebouwen'

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.15 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.16 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.17 bouwwerkperceel

perceel dat als uitgangspunt dient bij het toetsen van een bouwwerk aan de regels van dit plan en het Bbl.

1.18 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.19 dakterras

een voor mensen toegankelijke buitenruimte op het dak van een gebouw.

1.20 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop/huur aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop/verhuur, het verkopen en/of verhuren van goederen aan personen die die goederen kopen/huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.21 draadomheining/-erfafscheiding

een omheining of erfafscheiding bestaande uit één of meerdere evenwijdig aan elkaar lopende of haaks op elkaar staande draden met een onderlinge afstand van ten minste 20 centimeter.

1.22 gastouderschap

kinderopvang die plaatsvindt in een gezinssituatie, na tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Een geregistreerde gastouder verzorgt de opvang op het eigen woonadres of op het adres van één van de ouders. Als de opvang bij de ouders plaatsvindt, kunnen daar ook kinderen van andere ouders worden opgevangen.

1.23 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.24 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste gebouw valt aan te merken.

1.25 mantelzorg

het binnen de woning bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband.

1.26 setback

een bouwlaag die is gelegen op ten minste 2,00 m achter de doorgetrokken gevels van een hoofdgebouw, met een hoogte van maximaal 3,50 m.

1.27 stedenbouwkundig beeld

ruimtelijke verschijningsvorm van de bestaande bebouwing, die wordt bepaald door de situering, de aansluitende terreinen, de bouwmassa's, de gevelindeling en de dakvormen.

1.28 straatpeil

voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang,

1.29 verblijfsgebied

gedeelte van één of meer bouwwerken op een perceel met dezelfde bestemming, met ten minste één verblijfsruimte bestaande uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende ruimten anders dan een toilet-, bad-, technische of verkeersruimte.

1.30 waardevolle graslandvegetatie

graslanden, waarbinnen zich een half-natuurlijke graslandvegetatie van enige omvang bevindt. Hieronder vallen niet graslanden, gedomineerd door cultuurgrassen.

1.31 woning

een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.32 zolder

ruimte(n) in een gebouw, die geheel is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt (uitmaken) van de daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

2.1 Verhouding met ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.

2.2 Verhouding met regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)

De regels in afdeling 22.2 van het omgevingsplan, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

2.3 Geometrische afbakening TAM-omgevingsplan Linderweg 5 Eckelrade

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Linderweg 5 Eckelrade, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1903.TAMOP22h6251NG5 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op respectievelijk in afwijking van artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.

3.2 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

de kortste afstand van het zijdelingse bouwwerkperceel tot enig punt van het op dat bouwwerkperceel voorkomend vergunningsplichtige bouwwerk.

3.3 de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen.

3.5 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.6 de hoogte van een bouwlaag

de afstand tussen de scheidende vloerdelen, gemeten van bovenkant afgewerkte vloer tot bovenkant afgewerkte vloer.

3.7 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 de oppervlakte van een gebouw

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.9 de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde

de verticale projectie van het gehele bouwwerk, op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.10 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,50 meter.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • b. Onder strijdig gebruik als bedoeld onder a wordt in ieder geval verstaan:
    • 1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch - Bedrijf

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Agrarisch - Bedrijf.

6.2 Functieomschrijving

Een als Agrarisch - Bedrijf aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  • b. agrarische bedrijven met aan de agrarische bedrijfsvoering gelieerde overige bedrijfsactiviteiten, in de vorm van:
  • een agrarisch technisch hulpbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch technisch hulpbedrijf';

met de daarbij behorende voorzieningen.

6.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
6.3.1 Algemeen

Op of in deze gronden mogen worden gebouwd:

  • gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het onder artikel 6.2 toegestane gebruik;
  • (tijdelijke) teeltondersteunende voorzieningen, regenkappen, hagelnetten, mestopslagplaatsen en ondergrondse en/of bovengrondse voorzieningen ten behoeve van de opvang en buffering van water;
  • bedrijfswoningen, tot ten hoogste het per bouwkavel aangeduide 'maximum aantal wooneenheden', mits ter plaatse van de desbetreffende bouwkavel sprake is van een volwaardig bedrijf;

en de daarbij behorende andere bouwwerken, welke qua aard en afmeting bij deze bestemming passen, met dien verstande, dat:

  • a. gebouwen, boogkassen en mestopslagplaatsen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd, tijdelijke boogkassen mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, met uitzondering van boogkassen, ten hoogste 6.50 m mag bedragen;
  • c. de inhoud van een bedrijfswoning ten hoogste 800 m3 mag bedragen;
  • d. de inhoud van de mestopslagplaatsen per bouwperceel in totaal ten hoogste 2.500 m3 mag bedragen;
  • e. de oppervlakte aan boogkassen per bouwperceel ten hoogste 2.500 m² mag bedragen, tenzij een grotere oppervlakte is aangeduid;
  • f. de bouwhoogte van boogkassen ten hoogste 3.50 m mag bedragen;
  • g. de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 8.00 m mag bedragen, met uitzondering van:
  • de hoogte van erfafscheidingen, die ten hoogste 2.50 m mag bedragen.
6.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen - bouwactiviteiten
6.4.1 Overschrijding bouwgrenzen

In aanvulling op artikel 6.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning de bouwgrenzen te overschrijden.

6.4.2 Beoordelingsregels overschrijding bouwgrenzen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt alleen verleend als:

  • de overschrijding om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk is,

met dien verstande dat:

  • a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 200 m².
6.4.3 Afwijken van de maximale goothoogte van bedrijfsgebouwen

In aanvulling op artikel 6.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning bedrijfsgebouwen met een goothoogte groter dan 6.50 m te bouwen.

6.4.4 Beoordelingsregels afwijken van de maximale goothoogte van bedrijfsgebouwen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.3 wordt alleen verleend als:

  • de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind,

met dien verstande, dat:

  • a. de goothoogte ten hoogste 8.00 m mag bedragen.
6.4.5 Vergroten van de maximale inhoud van een bedrijfswoning

In aanvulling op artikel 6.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale inhoud van de bedrijfswoning te vergroten ten behoeve van de huisvesting van de rustende boer.

6.4.6 Beoordelingsregels vergroten van de maximale inhoud van een bedrijfswoning

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.5 wordt alleen verleend als:

  • dit niet leidt tot een zelfstandige extra woning,

met dien verstande dat:

  • a. de inhoud ten hoogste 1000 m3 mag bedragen.
6.4.7 Vergroten van de maximale hoogte van andere bouwwerken

In aanvulling op artikel 6.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale hoogte van andere bouwwerken, daaronder begrepen windenergie-installaties, te vergroten.

6.4.8 Beoordelingsregels vergroten van de maximale hoogte van andere bouwwerken

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.7 wordt alleen verleend als:

  • de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind,

met dien verstande, dat:

  • a. de hoogte ten hoogste 15.00 m mag bedragen.
6.4.9 Vergroten maximale inhoud van mestopslagplaatsen

In aanvulling op artikel 6.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale inhoud van mestopslagplaatsen te vergroten.

6.4.10 Beoordelingsregels vergroten van de maximale inhoud van mestopslagplaatsen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.9 wordt alleen verleend als:

  • de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind,

met dien verstande, dat:

  • a. de inhoud ten hoogste 5000 m3 mag bedragen.
6.4.11 Vergroten van de oppervlakte aan boogkassen

In aanvulling op artikel 6.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning de oppervlakte aan boogkassen te vergroten.

6.4.12 Beoordelingsregels vergroten van de oppervlakte aan boogkassen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.11 wordt alleen verleend als:

  • de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.
6.5 Specifieke gebruiksregels
6.5.1 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. standplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  • c. nieuwvestiging van een niet grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • d. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
  • e. woondoeleinden, anders dan in een bedrijfswoning; bij de bedrijfswoning zijn mantelzorg en huisvesting van de rustende boer toegestaan voor zover dit niet leidt tot het ontstaan van een nieuwe zelfstandige woning;
  • f. ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  • g. recreatieve doeleinden;
  • h. horecadoeleinden, anders dan ondergeschikt aan het toegelaten gebruik;
  • i. agrarische hulp- en nevenbedrijfsdoeleinden, tenzij dit gebruik door middel van de aanduiding 'agrarisch technisch hulpbedrijf' is toegestaan;
  • j. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.
6.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het (doen/laten) gebruik(en) van de bestemming ‘Agrarisch bedrijf' overeenkomstig de bepalingen in artikel 6.2 is uitsluitend toegestaan als de landschappelijke inpassing overeenkomstig Bijlage 2 'Landschappelijk inpassingsplan' bij de regels, binnen 2 jaar na inwerkingtreding van het plan, is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.

6.6 Afwijken landschappelijke inpassing

Van het landschappelijk inpassingsplan als vermeld in artikel 6.5.2 kan op ondergeschikte onderdelen - zulks ter beoordeling van Burgemeester en Wethouders - gemotiveerd worden afgeweken.

6.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen - gebruiksactiviteiten
6.7.1 Bewerking en/of verkoop aan de boerderij van agrarische producten

In aanvulling op artikel 6.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning boerderijverkoop, bewerking van agrarische producten en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten uit te voeren.

6.7.2 Beoordelingsregels bewerking en/of verkoop aan de boerderij van agrarische producten

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 wordt alleen verleend als:

  • de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische en/of agrarisch technische hulp bedrijfsactiviteiten;
  • de activiteiten binnen de bestaande bouwmassa kunnen worden uitgevoerd. Alleen wanneer de noodzaak daartoe is aangetoond is uitbreiding of vervangende nieuwbouw van bestaande bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak toegestaan, mits daardoor geen cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing verloren gaat;
  • de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  • de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  • boerderijverkoop onderdeel uitmaakt van een functionerend agrarisch bedrijf en wordt beëindigd bij beëindiging van het agrarisch bedrijf;
  • uitsluitend boerderijverkoop plaats vindt van in hoofdzaak op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan op andere agrarische bedrijven geproduceerde of bewerkte agrarische producten;
  • bewerking van agrarische producten uitsluitend de bewerking van op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan op andere agrarische bedrijven geproduceerde producten betreft;

met dien verstande dat:

  • a. het vloeroppervlak voor boerderijverkoop ten hoogste 200 m² mag bedragen.
6.7.3 Zorg, dagrecreatie en culturele activiteiten

In aanvulling op artikel 6.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning

  • werk en verzorging aan hulpbehoevende mensen;
  • dagrecreatie in de vorm van het bieden van dagarrangementen, excursies en bezichtigingen van (sier)tuinen, alsmede ondergeschikte horeca;
  • culturele activiteiten zoals natuurcursussen en exposities;

en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten aan te beiden.

6.7.4 Beoordelingsregels zorg, dagrecreatie en culturele activiteiten

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.3 wordt alleen verleend als:

  • de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • de activiteiten binnen de bestaande bouwmassa kunnen worden uitgevoerd. Alleen wanneer de noodzaak daartoe is aangetoond is uitbreiding of vervangende nieuwbouw van bestaande bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak toegestaan, mits daardoor geen cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing verloren gaat;
  • de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  • de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  • de dagrecreatieve en ondergeschikte horeca-activiteiten kleinschalig zijn en ten dienste staan van extensieve recreatie in het buitengebied c.q. ondersteunend zijn aan wandel- en fietsroutes.
6.7.5 Kamperen op de boerderij

In aanvulling op artikel 6.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning kamperen op de boerderij en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten aan te bieden.

6.7.6 Beoordelingsregels kamperen op de boerderij

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.5 wordt alleen verleend als:

  • de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  • de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  • kamperen alleen plaatsvindt tijdens het kampeerseizoen;
  • buiten het kampeerseizoen geen kampeermiddelen op het terrein aanwezig zijn;
  • in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien binnen de bestemming 'agrarisch-bedrijf';
  • de afstand tot de erfgrens van naastgelegen woningen tenminste 50 m bedraagt;
  • het kampeerterrein landschappelijk wordt ingepast in de omgeving, overeenkomstig de op de directe omgeving van toepassing zijnde landschapskarakteristiek;
  • bij beëindiging van het agrarisch bedrijf het kamperen op de boerderij wordt beëindigd, uitgezonderd de situatie dat de kinderen van degenen, die het agrarisch bedrijf laatstelijk uitoefenden, het kamperen op de boerderij mogen voortzetten,

met dien verstande dat:

  • a. bij de omgevingsvergunning het voor het kamperen op de boerderij te gebruiken deel van de bouwkavel wordt vastgelegd;
  • b. maximaal 15 standplaatsen per locatie aanwezig mogen zijn; op de standplaatsen mogen geen chalets, trekkershutten of stacaravans worden geplaatst;
  • c. sanitaire voorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht.
6.7.7 Bed & breakfast

In aanvulling op artikel 6.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bed and breakfast en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten te faciliteren.

6.7.8 Beoordelingsregels bed & breakfast

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.7 wordt alleen verleend als:

  • het pand is gelegen binnen de dubbelbestemming 'waarde-cultuurhistorie', respectievelijk handhaving van het pand noodzakelijk is voor of ondersteunend is aan handhaving van de stedenbouwkundige structuur,
  • het pand een minimale inhoud heeft van 800 m³;
  • het gebruik ten behoeve van bed & breakfast gekoppeld en ondergeschikt is aan de woonfunctie bij het ararisch bedrijf ter plaatse;
  • de bed & breakfast binnen de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd;
  • de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex behouden blijven;
  • de parkeerbalans in de directe omgeving niet nadelig wordt beïnvloed;
  • er geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaan;
  • de bed and breakfast door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kan functioneren als een zelfstandige woning. Een aparte kookgelegenheid bij de bed and breakfast is niet toegestaan,

met dien verstande dat:

  • a. ten hoogste 8 slaapplaatsen per bed & breakfast mogen worden gerealiseerd.
6.7.9 Vakantieappartementen

In aanvulling op artikel 6.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning vakantieappartementen en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten te exploiteren.

6.7.10 Beoordelingsregels vakantieappartementen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.9 wordt alleen verleend als:

  • de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • het betreft karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, respectievelijk handhaving van de bestaande bebouwing noodzakelijk is voor of ondersteunend is aan handhaving van de stedenbouwkundige structuur;
  • de activiteiten binnen de bestaande bouwmassa kunnen worden uitgevoerd;
  • de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  • de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden,

met dien verstande, dat

  • a. het totale vloeroppervlak van een vakantieappartement ten hoogste 100 m2 mag bedragen;
  • b. ten hoogste 5 vakantieappartementen per agrarisch bedrijf mogen worden gerealiseerd.
6.7.11 Stallen van kampeermiddelen en/of de opslag van materialen

In aanvulling op artikel 6.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning het stallen van kampeermiddelen tot een maximum van 50 kampeermiddelen dan wel ten behoeve van de opslag van materialen, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik toe te laten.

6.7.12 Beoordelingsregels stallen van kampeermiddelen en/of de opslag van materialen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.11 wordt alleen verleend als:

  • stalling en/of opslag plaatsvindt in bestaande gesloten gebouwen;
  • ter plaatse aanwezige natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast.
6.7.13 Huisvesten van arbeidsmigranten

In aanvulling op artikel 6.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning huisvesten van arbeidsmigranten op de bouwkavel binnen het bouwvlak te realiseren.

6.7.14 Beoordelingsregels huisvesten van arbeidsmigranten

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.13 wordt alleen verleend als:

  • het betreft huisvesting van arbeidsmigranten die bij het desbetreffende bedrijf werkzaam zijn;
  • op het moment dat de noodzaak voor de vestiging van de arbeidsmigranten niet meer aanwezig is, de huisvestingsmogelijkheden worden ontmanteld, opdat voorkomen wordt dat permanente woongelegenheden ontstaan;
  • in het geval in de behoefte aan huisvesting wordt voorzien door de plaatsing van woonunits, deze landschappelijk goed inpasbaar zijn;
  • de totstandkoming van een aanvaardbaar woonmilieu in de te realiseren huisvesting gegarandeerd kan worden,

met dien verstande dat:

  • a. er minimaal 10 m² woonoppervlak per werknemer met enige privacy aanwezig is;
  • b. er in een gebouw met maximaal 2 bouwlagen gehuisvest wordt.

Artikel 7 Agrarisch met waarden

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Agrarisch met waarden.

7.2 Functieomschrijving

Een als Agrarisch met waarden aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. agrarisch gebruik;
  • b. bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast, waaronder begrepen de aanleg van onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water;
  • c. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden en de daarmee samenhangende landschapskarakteristiek;
  • d. ontsluiting van de afzonderlijke percelen ten behoeve van het toegestane gebruik;
  • e. extensief recreatief medegebruik;
  • f. bescherming van aangrenzend natuurgebied;

alsmede:

  • g. voor wandel-, ruiter-, fiets-, wielren- en mountainbike-evenementen op bestaande wegen/paden.
7.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
7.3.1 Bouwverbod

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

7.3.2 Kleinschalige recreatieve voorzieningen en voederbergingen of voederruiven voor wild

Het bouwverbod uit artikel 7.3.1 geldt niet voor kleinschalige recreatieve voorzieningen (zit- en schuilgelegenheid, picknickplaatsen) en voederbergingen of voederruiven voor wild, voor zover deze geen onevenredige afbreuk doen aan het agrarisch gebruik en de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap, met dien verstande dat:

  • a. het oppervlak aan bouwwerken per voorziening ten hoogste 12 m² bedraagt;
  • b. de goothoogte ten hoogste 2.00 m bedraagt;
  • c. de nokhoogte ten hoogste 3.00 m bedraagt;
  • d. bouwwerken, voorzien van een dak, plat of met een kap van ten hoogste 45° afgedekt worden.
7.3.3 Omheiningen en/of erfafscheidingen

Het bouwverbod uit artikel 7.3.1 geldt niet voor omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat:

  • a. de hoogte ten hoogste 1.50 m mag bedraagt.
7.3.4 Bestaande bebouwing

Het bouwverbod uit artikel 7.3.1 geldt niet voor bestaande, in het verleden op legale wijze tot stand gekomen bebouwing, welke in de bestaande situering, vorm en omvang mag worden gehandhaafd.

7.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen - bouwactiviteiten
7.4.1 Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

In aanvulling op artikel 7.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, waaronder begrepen containervelden, boogkassen en regenkappen te realiseren.

7.4.2 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 wordt alleen verleend als:

  • in het geval de oppervlakte ten behoeve van tijdelijke boogkassen en tijdelijke regenkappen na omgevingsvergunning meer dan 10% van de totale teeltoppervlakte van een bedrijf uitmaakt, vooraf advies is verkregen van de adviescommissie BOM+;
  • omliggende waarden en functies niet onevenredig worden aangetast;
  • de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus, zoals aangegeven op de kaart hellingklassen teeltondersteunende voorzieningen behorende bij de provinciale “Beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen”;
  • de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op hellingen met een hellingspercentage van meer dan 4%, volgens de bij de herziening “Beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen” behorende kaart hellingklassen teeltondersteunende voorzieningen;
  • zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing, zoals in de vorm van een omsluitende haag van voldoende hoogte,

met dien verstande, dat:

  • a. containervelden en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van boogkassen en regenkappen, voor zover deze niet binnen het bouwvlak van een agrarische bouwkavel opgericht kunnen worden, enkel mogen worden opgericht op aan de agrarische bouwkavel aansluitende gronden, indien en voor zover niet gelegen binnen de dubbelbestemming beekdal; bij de omgevingsvergunning worden de voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te gebruiken gronden vastgelegd;
  • b. indien vanuit agrarische en/of landschappelijke motieven aangetoond kan worden dat aansluiting aan de bestaande agrarische bouwkavel niet mogelijk is, containervelden en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van regenkappen en boogkassen ook op verder gelegen gronden mogen worden opgericht, waarbij geen zelfstandige bouwkavel mag ontstaan;
  • c. de hoogte van boogkassen ten hoogste 2.50 m bedraagt;
  • d. de hoogte van regenkappen ten hoogste 4.00 m bedraagt;
  • e. de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen alleen aanwezig mogen zijn, als deze daadwerkelijk in gebruik zijn, met een maximum van 6 maanden per jaar. Op momenten dat de teeltondersteunende voorzieningen niet in gebruik zijn, dienen deze te worden verwijderd;
  • f. bij een negatief advies van de Kwaliteitscommissie slechts omgevingsvergunning mag worden verleend, nadat Gedeputeerde Staten hiermee hebben ingestemd.
7.4.3 Hagelnetten

In aanvulling op artikel 7.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning hagelnetten op te richten.

7.4.4 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit hagelnetten

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.3 wordt alleen verleend als:

  • door de zichtbaarheid van de hagelnetten geen onevenredige aantasting van de beleving van het landschap, zoals die wordt bepaald door het reliëf rond de beek- en droogdalen, de openheid op de plateaus en de ligging ten opzichte van wegen, paden, dorpen en bebouwing, ontstaat of kan ontstaan, dan wel door landschappelijke inpassing, zoals in de vorm van een omsluitende haag van voldoende hoogte, een en ander kan worden voorkomen;
  • voldaan wordt aan de “Beleidsregel hagelnetten”, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg op 9 maart 2004, of een daarvoor in de plaats tredend beleidskader,

met dien verstande dat:

  • a. bij de omgevingsvergunning de voor hagelnetten te gebruiken gronden worden vastgelegd;
  • b. de hagelnetten niet door mogen lopen tot aan de grond;
  • c. de hoogte van hagelnetten ten hoogste 4.00 m bedraagt.
7.4.5 Schietboom

In aanvulling op artikel 7.3 is het verboden om zonder omgevingsvergunning een schietboom te realiseren.

7.4.6 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit schietboom

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.5 wordt alleen verleend als:

  • de schietboom past binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld ter plaatse;
  • de schietboom en/of de activiteiten, die gepaard gaan met het gebruik van de schietboom, geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • de schietboom en/of de activiteiten die gepaard gaan met het gebruik van de schietboom, niet leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap;
  • de activiteiten die gepaard gaan met het gebruik van de schietboom, niet leiden tot onevenredige verkeersoverlast en parkeeroverlast;
  • andere waarden en belangen niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad,

met dien verstande dat:

  • a. de hoogte van een schietboom ten hoogste 20.00 m bedraagt.
7.5 Specifieke gebruiksregels

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. standplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. sport- en wedstrijdterrein, buitenmanege, ligplaats en speelweide of volkstuin;
  • c. het beproeven van voertuigen, de beoefening van motorsport, het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen al dan niet in wedstrijdverband;
  • d. het racen of crossen met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen al dan niet in wedstrijdverband;
  • e. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  • f. militaire oefeningen met uitzondering van marsoefeningen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen;
  • g. terrein voor het aanbrengen, het hebben van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen, behoudens het bepaalde in artikel 7 van de Grondwet;
  • h. het opslaan van mest(stoffen), waaronder het opslaan van mest in mestzakken;
  • i. nieuwvestiging van een niet grondgebonden agrarisch bedrijf en/of een veehouderij;
  • j. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik; onder opslag inherent aan het toegelaten gebruik wordt niet begrepen de opslag van in plastic verpakte hooibalen;
  • k. bedrijfswegen ten behoeve van het agrarisch bedrijf;
  • l. het bebossen van gronden.
7.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen - gebruiksactiviteiten
7.6.1 Militaire oefeningen

In aanvulling op artikel 7.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning militaire oefeningen te houden.

7.6.2 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit militaire oefeningen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.6.1 wordt alleen verleend als:

  • a. de agrarische en landschappelijke waarden en belangen niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
7.6.3 Kamperen op de boerderij

In aanvulling op artikel 7.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning kamperen op de boerderij en/of daarmee qua aard en omvang gelijk te stellen activiteiten toe te laten.

7.6.4 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit kamperen op de boerderij

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.6.3 wordt alleen verleend als:

  • de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten van een aangrenzend functionerend agrarisch bedrijf;
  • de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • de activiteiten niet leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap;
  • de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  • kamperen alleen plaatsvindt tijdens het kampeerseizoen;
  • buiten het kampeerseizoen geen kampeermiddelen op het terrein aanwezig zijn;
  • in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien binnen de aangrenzende bestemming 'agrarisch-bedrijf';
  • de afstand tot bestaande kampeerterreinen en campings ten minste 500 m bedraagt;
  • de afstand tot de erfgrens van naastgelegen woningen tenminste 50 m bedraagt;
  • het kampeerterrein landschappelijk wordt ingepast in de omgeving, overeenkomstig de op de directe omgeving van toepassing zijnde landschapskarakteristiek;
  • bij beëindiging van het agrarisch bedrijf het kamperen op de boerderij wordt beëindigd, uitgezonderd de situatie dat de kinderen van degenen, die het agrarisch bedrijf laatstelijk uitoefenden, het kamperen op de boerderij mogen voortzetten,

met dien verstande dat:

  • a. bij de omgevingsvergunning het voor het kamperen op de boerderij te gebruiken perceelsgedeelte en het daarop te realiseren maximum aantal kampeerplaatsen worden vastgelegd;
  • b. maximaal 15 standplaatsen per locatie aanwezig mogen zijn; op de standplaatsen mogen geen chalets, trekkershutten of stacaravans worden geplaatst;
  • c. sanitaire voorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak van het aangrenzende agrarisch bedrijf mogen worden opgericht.
7.6.5 Bedrijfswegen

In aanvulling op artikel 7.5 is het verboden om zonder omgevingsvergunning bedrijfswegen ter ontsluiting van agrarische bouwkavels of veldkavels aan te leggen.

7.6.6 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bedrijfswegen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.6.5 wordt alleen verleend als:

  • a. dit niet leidt tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap.
7.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.7.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven of ophogen met meer dan 0.30 m en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen/infiltratievoorzieningen voor hemelwater;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • d. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting, niet zijnde bebossing, anders dan ten behoeve van de ecologische structuur of de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap.
7.7.2 Uitzonderingen

Het in 7.7.1 bepaalde is niet van toepassing voor:

  • a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
7.7.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.7.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in lid 7.2 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de eerst bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 6

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 6.

8.2 Functieomschrijving

Een als Waarde - Archeologie 6 aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

8.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
8.3.1 Binnen deze functie

Gebouwd mogen worden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

8.3.2 Voor de overige functies op deze locatie

Voor het bouwen ten behoeve van de overige op deze locatie aanwezige functies is bouwen uitsluitend toegestaan, voor zover het betreft:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid;
  • b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
  • c. een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 25.000 m².


Hierbij zijn de desbetreffende regels behorende bij die functie van toepassing.

8.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.2 sub a, met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels;
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a. wordt verleend, indien:
    • 1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
    • 2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a. kan voorts worden verleend indien mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de ontheffing voorwaarden te verbinden gericht op:
    • 1. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. het doen van opgravingen, of;
    • 3. het laten begeleiden van de bodemverstorende activiteit door een deskundige op het terrein
    • 4. van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
8.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • c. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
8.5.2 Uitzonderingen

Het verbod, als bedoeld in artikel 8.5.1, is niet van toepassing indien:

  • a. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • b. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;
  • c. de werken een oppervlakte hebben tot ten hoogste 25.000 m² of smaller zijn dan 1,50 meter;
  • d. er reeds een ontgrondingsvergunning of omgevingsvergunning is verleend;
  • e. de werken reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  • f. de werken behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  • g. de werken ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
8.5.3 Beoordelingsregels

Voor zover mede op basis van archeologisch onderzoek bepaald is dat de in artikel 8.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 9 Waterstaat-Erosie

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waterstaat-Erosie.

9.2 Functieomschrijving

Een als Waterstaat-Erosie aangewezen locatie heeft als functie het bestrijden en voorkomen van:

  • a. bodemerosie en wateroverlast;
  • b. het verloren gaan van het voortbrengend vermogen van de bodem;
  • c. de aantasting van het grondwaterpakket.
9.3 Specifieke gebruiksregels

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het geheel of gedeeltelijk egaliseren of slechten van graften;
  • b. het in hun functioneren belemmeren of aantasten van aanwezige of kunstmatige waterbuffers (inclusief aan- en afvoervoorzieningen).
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
9.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het rooien en/of verwijderen van opgaande begroeiing (met een hoogte van 0.30 m of meer) op graften en of landschapselementen, in de vorm van groenstroken, grasbanen, bermen en hagen of daarmee vergelijkbare elementen, voor zover deze van belang zijn in het kader van de bestrijding van erosie;
  • b. het ophogen of egaliseren van de in het landschap aanwezige laagten, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 0.30 m wordt gewijzigd.
  • c. het afgraven van grond, indien door de afgraving de kans op bodemerosie en/of wateroverlast toeneemt;
  • d. het aanbrengen van verhardingen op gronden steiler dan 10%.
9.4.2 Uitzonderingen

Het in 9.4.1 bepaalde is niet van toepassing voor:

  • a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van infiltratievoorzieningen voor hemelwater;
  • e. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
9.4.3 Beoordelingsregels

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 9.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in 9.2 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 10 Waarde - Landschapselement

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Landschapselement.

10.2 Functieomschrijving

Een als Waarde - Landschapselement aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en herstel van de in het buitengebied aanwezige kleine landschapselementen en de daarmee samenhangende landschappelijke en natuurlijke waarden, alsmede het daarmee samenhangende waterbergend vermogen van de grond.

10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
10.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden, met daarop een klein landschapselement of steilrand, zoals aangeduid op de kaart kleine landschapselementen (Bijlage 1 Kleine landschapselementen bij de regels), zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het vellen, rooien, slopen, dempen, egaliseren of verwijderen van kleine landschapselementen, dan wel het verrichten van werkzaamheden, die ernstige beschadiging of de dood of verdwijning van kleine landschapselementen tot gevolg hebben;
  • b. het verwijderen of afgraven van steilranden of het verrichten van andere grondwerkzaamheden die een aantasting hiervan inhouden of kunnen inhouden.
10.3.2 Uitzonderingen

Het in 10.3.1 bepaalde is niet van toepassing voor:

  • a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
10.3.3 Beoordelingsregels
  • a. De werken of werkzaamheden als bedoeld in 10.3.1 zijn slechts toelaatbaar:
    • 1. indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in 10.2 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorwaarden stellen ter compensatie.
  • b. De werken of werkzaamheden als bedoeld in 10.3 zijn slechts toelaatbaar:
    • 1. voor zover, in het geval de werken of werkzaamheden betrekking hebben op kleine landschapselementen ten hoogste 20% van elk ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp bestaand klein landschapselement wordt geveld/gerooid/verwijderd/gekapt;
    • 2. voor zover, in het geval de werken of werkzaamheden worden uitgevoerd ter plaatse van waterlopen en of poelen, de ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp bestaande waterlopen en poelen worden gehandhaafd.
    • 3. voor zover de werken of werkzaamheden de ecologie van de aanwezige natuurwaarden niet aantasten.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 milieuzone - bodembeschermingsgebied

Binnen het bodembeschermingsgebied Mergelland is duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden een als bijzondere bescherming van de bodem noodzakelijk. Het streven is naar een kwaliteit van bodem, grondwater en landschap die voldoet aan de eisen die de aanwezige bijzondere biotische, abiotische en cultuurhistorische waarden stellen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met dan wel afstemming te worden gezocht met het beleid ter zake van de Provinciale Milieuverordening Limburg en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg.

12.2 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan en met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Provinciale Milieuverordening Limburg worden gesteld.

12.3 milieuzone - spuitvrije zone

Binnen de 'milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik maken van chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen of andere verspuitbare- of drift veroorzakende middelen die leiden tot schadelijke effecten op het goed woon- en leefklimaat, niet toegestaan.

Artikel 13 Omgevingsplanactiviteiten

Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken:

  • a. van de in deze regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Afwijken is niet mogelijk ten aanzien van de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij woningen;
  • b. in afwijking van sub a. mag in die gevallen waarin reeds uit hoofde van de regels in de respectievelijke artikelen een omgevingsvergunning voor het afwijken is verleend, niet nogmaals op grond onderhavige afwijkingsregel een omgevingsvergunning worden verleend;
  • c. van deze regels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft;
  • d. van deze regels en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • e. van deze regels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat:
  • 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
  • 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.

Artikel 14 Overige regels

14.1 Voorrangsregel

Voor zover de locaties van de artikelen 6 en 7 samenvallen met de locaties van artikel 8 tot en met 10, gelden primair de regels van artikel 8 tot en met 10.

14.2 Onderlinge relatie

Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen artikel 8 tot en met 10, geldt dat gelet op het totaalbeleid, waarden gericht op het instandhouden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebouwing voorgaan boven waarden met bebouwing. In concrete wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de functies:

  • waarde-landschapselement;
  • waarde-archeologie;
  • waterstaat-erosie.

Uitzondering hierop, in de vorm van nevenschikking, is mogelijk, wanneer compensatie van eventueel verlies aan kwaliteit is gegarandeerd.

14.3 Parkeren
14.3.1 Parkeernorm

Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. in het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • b. in het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • c. voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid dient te worden voldaan aan het bepaalde in Bijlage 3 Bepalen parkeerbehoefte. Indien parkeerbeleid wordt vastgesteld door de gemeenteraad, wordt de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het gewijzigde parkeerbeleid, zoals geldend ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning;
  • d. de parkeervoorzieningen zoals bedoeld onder a. en b. dienen in stand te worden gehouden;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder a., b. en c. kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen:
  • f. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit, en;
  • g. voor zover op andere redelijke wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.