20.1 Bestemmingsomschrijving
20.1.1 De voor 'recreatie-verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
a. bestaande ter plaatse reeds gevestigde verblijfsrecreatieve voorzieningen, overeenkomstig de aanduiding:
- 'specifieke vorm van recreatie-1':
toeristische plaatsen voor toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren, trekkershutten en tenthuisjes;
- 'specifieke vorm van recreatie-2:
toeristische plaatsen zoals genoemd onder 'specifieke vorm van recreatie-1', alsmede stacaravans en chalets;
- 'specifieke vorm van recreatie-3':
toeristische plaatsen zoals genoemd onder 'specifieke vorm van recreatie-1', stacaravans en chalets, alsmede recreatiewoningen;
- 'specifieke vorm van recreatie-4':
een groepsaccommodatie, recreatiewoningen en toeristische plaatsen zoals genoemd onder -'specifieke vorm van recreatie-1';
- 'specifieke vorm van recreatie-5':
een zomerhuis;
- 'specifieke vorm van recreatie-6':
toeristische plaatsen voor toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren, trekkershutten en tenthuisjes, die uitsluitend tijdens het kampeerseizoen in gebruik mogen zijn;
-
b. horecavoorzieningen, ondergeschikt en/of inherent aan de verblijfsrecreatieve functie, uitgezonderd bij zomerhuizen, waarbij geen horecavoorzieningen zijn toegestaan,
en de daarbij behorende voorzieningen.
20.1.2 Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 46.
20.2 Bouwregels
20.2.1 Algemeen
Op de tot 'recreatie-verblijfsrecreatie' aangewezen gronden mogen, met in acht name van het gestelde onder 20.1 uitsluitend worden ingericht of gebouwd:
- standplaatsen voor toercaravans, vouwwagens, campers, tenten en huifkarren;
- trekkershutten en tenthuisjes;
- standplaatsen voor stacaravans;
- chalets;
- recreatiewoningen;
- een groepsaccommodatie;
- een zomerhuis;
- gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van de daarbij behorende voorzieningen;
- bedrijfswoningen, tot ten hoogste het per bouwperceel aangeduide 'maximum aantal wooneenheden',
en de daarbij behorende andere bouwwerken, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande, dat:
-
a.
gebouwen
recreatiewoningen, groepsaccommodaties, zomerhuizen, gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van de bij de berblijfsrecreatieve inrichting behorende voorzieningen en bedrijfswoningen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd; chalets mogen uitsluitend in het bouwvlak of ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal chalets' worden gebouwd tot ten hoogste het aangeduide aantal;
-
b. het bouwvlak geheel mag worden bebouwd, tenzij een 'maximum bebouwingspercentage' is aangeduid, in welk geval het bouwvlak tot maximaal het aangeduide percentage mag worden bebouwd;
-
c. sanitaire en daarmee vergelijkbare voorzieningen ook buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd, met dien verstande, dat het bebouwingspercentage buiten het bouwvlak ten hoogste 15% mag bedragen;
-
d.
de goothoogte van trekkershutten, tenthuisjes, stacaravans, chalets en recreatiewoningen
en van voorzieningengebouwen buiten het bouwvlak ten hoogste 3.50 m mag bedragen;
-
e.
de goothoogte van de overige gebouwen binnen het bouwvlak ten hoogste 6.50 m en buiten het bouwvlak ten hoogste 3.50 m mag bedragen;
-
f. de dakhelling ten hoogste 60° mag bedragen;
-
g. het vloeroppervlak van een trekkershut of tenthuisje ten hoogste 30 m² mag bedragen;
-
h. het oppervlak van stacaravans ten hoogste 40 m² mag bedragen;
-
i. het vloeroppervlak van chalets ten hoogste 70 m² mag bedragen;
-
j. het totale vloeroppervlak van een recreatiewoning ten hoogste 100 m² mag bedragen;
-
k. het vloeroppervlak van gebouwen in gebruik voor kantine/ontspanningsruimte/horeca-accommodatie ten hoogste 200 m² per verblijfsrecreatieve voorziening mag bedragen;
-
l. de inhoud van een bedrijfswoning ten hoogste 800 m3 mag bedragen;
-
m. een bedrijfswoning voor het overige voldoet aan de bepalingen in artikel 24.2.2;
-
n. de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 4.00 m mag bedragen, met uitzondering van:
- de hoogte van erfafscheidingen, die ten hoogste 2.50 m mag bedragen.
20.2.2 Bestaande bebouwing
Voor zover bestaande maten en hellingen afwijken van de bepalingen in dit lid, mogen de bestaande maten en hellingen gehandhaafd worden.
20.3 Nadere eisen
20.3.1 Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:
- de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;
- de aard, hoogte en de situering van erfafscheidingen;
- voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
een en ander op basis van een landschappelijk inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) en indachtig de regels zoals deze gesteld zijn in de POL-uitwerking BOM+.
20.3.2 De onder 20.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:
- indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing, of
- ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden, of
- in verband met maatwerk ten aanzien van het bouwperceel en de verbetering van de gebiedskwaliteit.
20.4 Afwijken van de bouwregels
20.4.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van grotere goothoogte
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 20.2, ten behoeve van
de bouw van voorzieningengebouwen buiten het bouwvlak met een goothoogte groter dan 3.50 m, mits:
- de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
- landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind,
met dien verstande, dat:
-
a. de goothoogte ten hoogste 6.50 m mag bedragen.