direct naar inhoud van Artikel 11 Groen
Plan: Buitengebied 2009, geconsolideerde versie
Status: geconsolideerde versie
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1903.BPBUI01004-GC05

Artikel 11 Groen

11.1 Bestemmingsomschrijving

11.1.1 De voor 'groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen, zoals trapvelden, speelplaatsen, plantsoenen, waterpartijen met de daarbij behorende voet- en fietspaden en andere voorzieningen;
  • b. duurzaam bodem- en waterbeheer, waaronder begrepen de aanleg van onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water, ;
  • c. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut,

met dien verstande dat:

  • d. ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' uitsluitend groenstroken met onder- en/of bovengrondse voorzieningen ten behoeve van de opvang en buffering van water zijn toegestaan;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – grondwal' uitsluitend groenstroken met een grondwal zijn toegestaan.

11.1.2 Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 46.

11.2 Bouwregels

Op de tot 'groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken:

  • noodzakelijk met het oog op de regeling van de veiligheid van het verkeer;
  • ten behoeve van de verlichting van wegen, rijwiel- en voetpaden;
  • behorende tot de recreatieve voorziening, zoals recreatieve bewegwijzering, informatieborden en kleinschalige uitzicht- en rustpunten;
  • behorende tot het straatmeubilair;
  • ten behoeve van onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water,

met dien verstande dat:

  • a. de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 4.00 m mag bedragen, met uitzondering van:
  • de hoogte van erfafscheidingen, die ten hoogste 2.50 m mag bedragen;
  • de hoogte van voorzieningen voor verlichting, die ten hoogste 10.00 m mag bedragen.
11.3 Afwijken van de bouwregels

11.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van zend-/ontvangstinstallaties

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 11.2, ten behoeve van het plaatsen van zend-/ontvangsinstallaties ten behoeve van telecommunicatie en alarmering, mits:

  • de installatie past binnen het stedenbouwkundige en landschappelijk beeld ter plaatse;
  • andere waarden en belangen niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad,

met dien verstande dat:

  • a. de hoogte van een mast behorende tot de installatie ten hoogste 40,00 m mag bedragen.

11.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van kunstwerken, voorwerpen betreffende de beeldende kunsten,speelvoorzieningen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4, ten behoeve van het oprichten van kunstwerken, voorwerpen betreffende de beeldende kunsten, speelvoorzieningen en dergelijke, mits:

  • deze qua aard en omvang in de omgeving passen;
  • bij speelvoorzieningen de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen de realisering ervan,

met dien verstande dat:

  • a. de hoogte van deze bouwwerken ten hoogste 6.00 m mag bedragen.