| Plan: | Hegewiersterfjild |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1900.2019noorBPhegekims-vast |
Algemeen
Het Hegewiersterfjild is een belangrijk natuurgebied vlakbij de Waddenzeedijk ten noordwesten van Kimswerd, dat in beheer is bij Natuurmonumenten. Het vormt onder meer broedgebied voor zowel wad- als weidevogels. In het voorjaar zitten er volop grutto's, tureluurs, scholeksters en kieviten. Ook het visdiefje en steltlopers zoals kleine plevier en kluut bevolken dit natte gebied in grote aantallen. De aantallen van deze soorten nemen nog elk jaar toe. Vanuit de vogelkijkhut in het gebied is een kolonie van visdiefjes en kluten goed te bekijken. In het najaar jaagt de slechtvalk op smienten en goudplevieren. De kolgans en brandgans weten het gebied in de winter goed te vinden. Het gebied is dan ook het hele jaar door een waar vogelparadijs.
In het Hegewiersterfjild wordt zoute kwel naar de oppervlakte gestuwd. Hierdoor groeien er ook zoutminnende planten zoals zeekraal, zeeaster en zilte schijnspurrie. Ook de zeldzame gulden sleutelbloem en verschillende orchideeën komen in het gebied voor. Al deze planten bij elkaar geven in het voorjaar een mooie kleur aan het gebied.
Natuurmonumenten is bezig met een vernattingsproject in dit bijzondere natuurgebied. De hoge, droge landbouwpercelen binnen het natuurgebied worden afgegraven zodat ze geschikt worden voor weidevogels in het voorjaar en voor wad- en trekvogels in het najaar. Door dit project hoopt Natuurmonumenten dat er nog meer vogels naar dit gebied komen, zoals bijvoorbeeld de steltkluut.
Planbeschrijving
Natuurmonumenten heeft het voornemen om vier percelen in te richten als broedgebied voor weidevogels, rust- en foerageergebied voor wadvogels en foerageer- en rustgebied voor kleinere trekvogels. De beoogde uitgangsituatie is vergelijkbaar met de plas-dras inrichting die reeds aanwezig is rondom de grote plas in It Hegewiersterfjild.
Ten behoeve van de inrichting wordt circa 100.000 m3 klei afgegraven. Een deel van deze klei (30.000 m3) wordt gewonnen in het plangebied. De klei wordt tijdelijk opgeslagen in een depot buiten het plangebied. Vanuit het depot wordt de vrijgekomen klei afgevoerd naar de Afsluitdijk waar de klei wordt gebruikt voor de versterking van de Afsluitdijk. Tenslotte wordt een greppelpatroon aangelegd waarvoor de bestaande sloten en greppels vergraven worden. Hierdoor ontstaan flauwe oevers. In bijlage 1 Dwarsprofielen bestaande en nieuwe situatie bij deze toelichting, zijn de dwarsprofielen van de nieuwe situatie weergegeven. In bijlage 2 Hoogteligging nieuwe situatie, is de ontworpen maaiveldsligging weergegeven.
Het geldende bestemmingsplan is gericht op het agrarisch gebruik en laat een ontwikkeling en inrichting gericht op een andere functie niet toe. Dit bestemmingsplan moet erin voorzien dat het gebied mag worden gebruikt voor de kleiwinning, waarna de inrichting ten behoeve van de natuurontwikkeling zijn beslag kan vinden en het gebied als natuurgebied gebruikt kan worden.
Rijksbeleid
Het rijk voert het ruimtelijk beleid op baiss van de SvIR (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte). Het hierin geformuleerde beleid betreft uitsluitend de rijkstaken. De natuurontwikkeling is niet langer een rijkstaak, maar is toebedeeld aan de provincie. Het handhaven en bevorderen van de veiligheid is wel een rijkstaak. Het rijk is voortvarend bezig om ervoor te zorgen dat onder meer de Afsluitdijk voldoet aan een hogere veiligheidsnorm. Daarvoor is een inrichtingsplan opgesteld dat momenteel in uitvoering is. Het plangebied wordt gebruikt als winningsgebied voor klein ten behoeve van de versterking van de Afsluitdijk. Het plan past dan ook in het rijksstreven naar een hogere waterveiligheid.
Provinciaal beleid
Ruimtelijk beleid
Provincie Fryslân voert het ruimtelijk beleid op basis van Streekplan Fryslân en de Provinciale Ruimtelijke Verordening 'Romte 2014'. In de verordening is het plangebied niet specifiek aangegeven als natuurgebied, maar geldt het algemene beleid voor het landelijk gebied. In het Natuurbeheerplan is het plangebied al wel aangewezen als zoekgebied. De aanwijzing tot zoekgebied geeft aan dat de provincie aansturt op het vergroten van het al bestaande natuurgebied met percelen uit dit zoekgebied en daarvoor ook de financiële ruimte heeft om de omzetting naar natuurgebied te helpen financieren.
De ontwikkeling van het perceel tot natuurgebied past daarmee in het streven van de provincie.
Ontgrondingsbeleid
Provincincie Fryslân voert het ontgrondingsbeleid op basis van de Ontgrondingenverordening Fryslân. Deze verordening vormt een uitwerking van de Ontgrondingenwet. In deze verordening is aangegeven wanneer de provincie een ontgrondingsvergunning moet verlenen. Uit de verordening blijkt dat deze vergunning in een aantal situaties niet is vereist. Het plan voldoet niet aan de kenmerken van deze situaties. De belangrijkste afwijkingen zijn:
De uit het plangebied gewonnen klei zal worden benut voor de versterking van de Afsluitdijk. Dit doel wordt breed gedragen en past binnen het rijksbeleid. De ontgrondingenvergunning wordt aangevraagd en zal door de provincie worden verleend.
Gemeentelijk beleid
Gemeente Súdwest-Fryslân voert het ruimtelijk beleid op basis van de Ontwikkelvisie, de Visie Ruimtelijke kwaliteit en het geldende bestemmingsplan Buitengebied en in de nabije toekomst ook op basis van de Omgevingsvisie die nu in voorbereiding is. Uit de genoemde plannen blijkt dat het huidige beleid gericht is op het gebruik van het plangebied als agrarisch gebied. Het gebied kent geen specifieke bescherming op basis van gemeentelijk beleid. Het biedt ook geen basis voor ontgronding ten behoeve van de versterking van de Afsluitdijk.
Het beleid van de gemeente verzet zich niet tegen de omzetting van agrarisch gebied naar natuurgebied. De gemeente kent op dit punt geen specifiek stimuleringsbeleid. Het beleid biedt evenwel geen kader voor het realiseren van het natuurgebied en van het realiseren van de ontgrondingen. Daarvoor is dit bestemmingsplan opgesteld.
In dit hoofdstuk is ingegaan op de beperkingen als gevolg van de ecologie, het oppervlaktewaterbeheer en het erfgoedbeheer die van invloed kunnen zijn voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Uit het navolgende blijkt dat er geen sprake is van beperkingen voor het plan. Andere aspecten zijn in dit kader niet beoordeeld omdat zij niet relevant zijn voor dit bestemmingsplan.
Bodemonderzoek
In verband met het ontgraven van ca. 100.000 m3 kleigrond die deels uit het plangebied zal worden gewonnen en die vervolgens zal worden aangewend voor de verbetering van de Afsluitdijk, is bodemkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek was zowel gericht op het bepalen van de kwaliteit van de klei als materiaal voor het verbeteren van de Afsluitdijk als de milieuhygiënische kwaliteit, is bodemkwaliteitsonderzoek conform NEN5725 uitgevoerd. Het onderzoek is gerapporteerd in het rapport 'Rapport bepalen fysisiche kwaliteit gronden, Hegewiersterfjild te Kimswerd, Percelen 1, 2 en 4' dat als bijlage 3 Bodemkwaliteitsonderzoek bij deze toelichting is gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van bodemverontreiniging.
Ontgrondingsvergunning
Voor de ontgraving van de 100.000 m3 kleigrond is op grond van de provinciale ontgrondingsverordening een ontgrondingsvergunning noodzakelijk. Deze moet zijn verleend voordat het graafwerk van start gaat.
Conclusie
De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet door de bodemkwaliteit beperkt.
Kader
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Deze beoordeling vindt plaats in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb) die per 01-01-2017 in werking is getreden en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid.
Soortenbescherming
Met het oog op de soortenbescherming is nagegaan door middel van bureau- en veldonderzoek of als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan beschermde soorten zodanig in het gedrang kunnen komen dat kan worden geoordeeld dat dit in strijd met de Wnb is. In hoofdstuk 4 van het uitgevoerde natuuronderzoek (zie Bijlage 7 Natuurtoets bij deze toelichting) is uitgebreid verslag gedaan van het soortenonderzoek. Kortheidshalve wordt naar de nihoud van dit hoofdstuk verwezen.
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat er in het geheel geen sprake is van een effect op de beschermde flora, beschermde zoogdieren, vogels. In het onderzoek wordt niet uitgesloten dat als gevolg van de werkzaamheden in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten kunnen worden geschaad. Dit past binnen het kader van de Wnb. Ook voor overige soortgroepen geldt dat er geen sprake is van een effect.
Voor alle broedvogels geldt los van bovenstaande conclusie het volgende. Alle broedvogels zijn gedurende het broedseizoen beschermd en mogen in deze periode niet verstoord of geschaad worden op een dusdanige wijze dat het broedsucces in gevaar komt. Als broedseizoen wordt gehanteerd: periode van nestbouw, periode van broed op de eieren en de periode dat de jongen op het nest gevoerd worden. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. Wilde eend broedt echter vroeger; soms al eind februari.
Gebiedsbescherming
NNN - EHS
Met het oog op de beoordeling van de gebiedsbescherming is nagegaan in hoeverre het plangebied en de omgeving beleidsmatig voor natuur zijn aangewezen/beschermd. Uit de natuurbeleidskaart bij de Provinciale Verordening romte 2014 blijkt dat het gebied (nog) niet is aangewezen als EHS-gebied (tegenwoordig ook NNN-gebied). Het aansluitend gebied ten noorden en westen heeft al wel de EHS-status (aangewezen voor 'Overige natuur'). Uit de Natuurbeheerkaart 2019 (zie kaartfragment hierna) blijkt dat de provincie het gebied al wel heeft aangewezen als 'agrarisch zoekgebied - open grasland'. Op grond van de huidige beleidsmatige situatie worden de natuurwaarden van het gebied niet beschermd. De provincie geeft in haar overlegreactie op dit bestemmingsplan aan (zie Bijlage 8 Overlegreactie provincie Fryslân) dat de gronden ook in de toekomst niet zullen worden voorzien van de status EHS.
Kaartfragment Natuurbeleidsplan 2019
In de nabijheid ligt het Natura 2000-gebied IJsselmeer. Natura 2000-gebied is in Nederland het best beschermde natuurgebied dat op grond van Europese regelgeving ook is beschermd tegen externe effecten. Dit is geregeld in de Wet natuurbescherming. Met het oog op het beoordelen van de gewenste ontwikkelingen binnen het plangebied (het aftiggelen van de bovenlaag ten behoeve van de kleiwinning en vervolgens de natuurontwikkeling) is nagegaan of de werkzaamheden die hiermee gepaard gaan mogelijk een extern effect hebben op het Natura 2000-gebied IJsselmeer.Het effect dat hier zou kunnen optreden is beperkt tot het effect van verzuring en vermesting als gevolg van vrijkomende stikstofoxiden. Deze komen onder meer vrij bij het gebruik van bijvoorbeeld dieselmotoren die bij de inrichting van het gebied worden ingezet. In verband met de beoordeling van het effect van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebieden is een Aeriusberekening gemaakt. De rapportage van deze berekening is opgenomen in Bijlage 7 Natuurtoets bij deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van een effect dat boven de drempel van 0,00 mol stikstofoxiden per jaar uitkomt. Op grond daarvan kan worden gesteld dat er geen sprake is van een vermestings- of verzuringseffect als gevolg van de inrichting van het plangebied.
Conclusie
De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet beperkt door ecologische waarden of effecten op de ecologie.
Ten behoeve van dit bestemmingsplan is de digitale watertoets uitgevoerd. Deze toets is bedoeld om de beheerder van het oppervlaktewater te betrekken bij de voorbereiding van het ruimtelijke plan zodat zo nodig advies kan worden gegeven voor de wijze waarop het beste met het belang van het oppervlaktewaterbeheer kan worden omgegaan.
Omdat er geen sprake is belangrijke fysieke aanpassingen van de inrichting in dit gebied reageert Wetterskip Fryslân als volgt:
Met de gegevens die u heeft opgegeven is bepaald dat het plan geen invloed heeft op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de procedure 'geen waterschapsbelang' worden gevolgd voor de watertoets.
Figuur 1. Fragment leggerkaart Wetterskip Fryslân
Uit de Leggerkaart van Wetterskip Fryslân (waarvan hierboven een fragment is weergegeven) blijkt dat de westelijke en oostelijke sloten van het plangebied schouwsloten zijn (paarse onderbroken lijn) . De sloot aan de noordzijde vormt een hoofdwatergang (aangegeven met kobaltblauwe lijn).Met het oog op het beheer van deze hoofdwatergangen is het noodzakelijk dat ten minste 5 m ruimte langs de sloot beschikbaar blijft voor het beheer van de sloot. Schouwsloten hebben geen beheerzone. Verder blijkt uit de legger dat aan de noordzijde van het gebied twee dammen aanwezig zijn die zijn voorzien van een duiker. De duiker moet in stand worden gehouden. Wanneer aanpassingen in het oppervlaktewaterbeheer noodzakelijk zijn, dan moet Wetterskip Fryslân daarvoor in het kader van een Waterwetvergunning toestemming voor verlenen.
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat uitvoerbaarheid van het plan niet wordt beperkt door het opeprvlaktewaterbeheer.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en - zodra die wet in werking treedt - deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten.
In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Volgens de gemeentelijke erfgoedvisie en -nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Friesland beschreven staan.
Voor het plangebied is archeologisch onderzoek verricht. Het verkennend onderzoek, waarin meerdere locaties zijn meegenomen, is gerapporteerd in Bijlage 4 Verkennend archeologisch onderzoek bij deze toelichting. Daaruit blijkt dat er aanleiding bestaat voor aanvullend (boor)onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd; de uitkomsten zijn gerapporteerd in Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat er geen bijzondere waarden binnen het plangebied zijn aangetroffen die aanleiding geven voor het nemen van maatregelen. Provincie Frslân merkt in haar overlegreactie (zie Bijlage 8 Overlegreactie provincie Fryslân) op dat het in het kader van het aanvullend archeologisch onderzoek onderzochte gebied nog mogelijk sprake zou kunnen zijn van een stins. Het betreffende gebied waarop de provincie doelt maakt echter geen deel uit van het bestemmingsplangebied.
Conclusie
De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet door erfgoedwaarden beperkt.
Gemeente Súdwest-Fryslân heeft ten behoeve van de beoordeling van de cultuurhistorische waarden van het landschap de 'Historische-geografische inventarisatie en waardering' laten opstellen. Dit rapport is als Bijlage 1 bij de regels opgenomen. Daarin is de gebieds- en landschapsontwikkeling van de gehele gemeente beschreven. Van de verkaveling is een waarderingskaart opgesteld (zie ook Bijlage 2 bij de regels). Uit de waarderingskaart blijkt dat de waarde van het verkavelingspatroon waarvan het plangebied deel uitmaakt, als hoog wordt beoordeeld.
Met het oog op de beoordeling van de cultuurhistorische waarden van het plangebied is naast beide genoemde bijlagen ook de CHK2 geraadpleegd. Hieronder is het relevante fragment van de CHK2 weergegeven. Daaruit blijkt dat er verder geen specifieke cultuurhistorische waarden zijn die in het kader van dit bestemmingsplan be schermd moeten worden.
Fragment CHK2 - rode lijn is de grens van het plangebied
Al ligt het maaiveld van het perceel hoog, het hoogteprofiel van deze akker is in het verleden al aangetast, doordat er een sloot is gedempt, waarna de gronden verschoven zijn. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met de hoge ligging van het maaiveld op de oeverwal van de Marne en dit wordt daarom gradueel afgegraven. Op deze manier sluit het perceel aan de zuidkant beter aan bij de hoge percelen van de oeverwal van de Marne.
Conclusie
De cultuurhistorische waarde van het perceel zijn in het verleden al verloren gegaan. In het geldend plan was nog de aanduiding "overige zone-reliëf" van toepassing. Gezien de situatie en de uitvoering van het inrichtignsplan kan deze van dit perceel afgehaald worden. Bij de inrichting van het perceel wordt niet alles afgegraven maar wordt geprobeerd de oorspronkelijke hoogte van het perceel aan de zuidkant aan te houden. Dit sluit ook aan bij het advies dat de provincie geeft in haar overlegreactie (zie Bijlage 8 Overlegreactie provincie Fryslân bij deze toelichting). Het voorstel is vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook acceptabel. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet door cultuurhistorische waarden beperkt. In het kader van een afwegingsprocedure die deel uitmaakt van de regels van dit plan, kan de waarde van de verkaveling voldoende worden geborgd.
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een perceel (nu nog) agrarische grond waarop niet zal worden gebouwd. Het weergeven van de economische uitvoerbaarheid ten behoeve van de inzet van gemeentelijke middelen door middel van een cijfermatige opzet, is daarom voor het plangebied niet relevant.
Grondexploitatie
Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten voor bijvoorbeeld bouw- en woonrijp maken en hebben zij sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie van derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor een exploitatieplan op te stellen, tenzij voornoemde kosten ‘anderszins verzekerd’ zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten en het stellen van eisen met betrekking tot kwaliteit, en fasering niet noodzakelijk wordt geacht. Het bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van bouwplannen zoals opgenomen in het Bro. Daarom kan van het opstellen van een exploitatieplan worden afgezien. Hiervoor zal de gemeenteraad expliciet een keuze maken bij de vaststelling van het plan.
Overige kosten
Met dit bestemmingsplan worden geen grootschalige nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bij recht in het plangebied mogelijk gemaakt. Dit betreft in alle gevallen particulier initiatief waaraan in beginsel geen kosten voor de gemeente zijn verbonden, afgezien van eventuele kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen voor omgevingsvergunning. Deze kosten worden door middel van leges gedekt.
Planschade
Na vaststelling van dit bestemmingsplan zijn planschadekosten de enige kosten die verder nog uit dit bestemmingsplan kunnen voortkomen. Planschadekosten zijn op voorhand niet uit te sluiten. De gemeente zal daarom bij iedere aanvraag bezien of er planschade kan ontstaan. Indien dit het geval kan zijn, zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten, zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wro. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap de planschadekosten moet betalen die gemaakt worden in het belang van de aanvrager. Gezien de aard van het gebied ligt planschade niet voor de hand.
Conceptontwerpbestemmingsplan
Over dit bestemmingsplan wordt in overeenstemming met de gemeentelijke Inspraakverordening geen gelegenheid tot inspraak geboden. Het plan is voorgelegd aan de betrokken diensten en instanties als bedoeld in het Overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Provincie Fryslân heeft hiervan gebruik gemaakt. Haar reactie is opgenomen in Bijlage 8 Overlegreactie provincie Fryslân bij deze toelichting. De reacties zijn in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt.
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 1 mei 2020 gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerp toegezonden aan de betrokken instanties. Op het plan zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend. Het plan is ongewijzigd vastgesteld.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staan de regels voor de bestemmingsplanprocedure. De procedure bestaat uit de volgende onderdelen:
Voorbereidingsfase
Ontwerpfase
Vaststellingsfase
De gemeenteraad stelt de zienswijzennota en het ontwerpbestemmingsplan, met of zonder wijzigingen, vast. Dit moet binnen een periode van ten hoogste 12 weken na de termijn van inzage van het ontwerp gebeuren.
Beroepsfase
Terinzagelegging
Bij de onderdelen Ontwerp en Beroep moet het plan ter inzage worden gelegd. Voor een voorontwerpbestemmingsplan is dit niet verplicht en kan het dus voorkomen dat deze niet ter inzage wordt gelegd. Voor de bekendmaking van een plan plaatsen B&W een publicatie. Dit gebeurt in het Gemeenteblad en/of de Staatscourant. Hierin staat onder andere vermeld óf en binnen welke periode er gereageerd kan worden en waar deze reactie naartoe gestuurd moet worden.
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog evenals in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud. De hoofdstukindeling van de regels is op een standaardwijze opgesteld, namelijk:
Hoofdstuk 1, Inleidende regels
In de Inleidende regels (artikel 1 en 2) zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden. Door een vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten te hanteren, wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid hiervan vergroot.
Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels
In de bestemmingsregels is de bestemming en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De verbeelding van het bestemmingsplan geeft aan waar de gehanteerde bestemming van toepassing is. De regels bestaan uit de volgende onderdelen:
In de paragraaf 5.3 volgt een nadere toelichting op de gehanteerde bestemmingen.
Hoofdstuk 3, Algemene regels
In de algemene regels staan artikelen benoemd die in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan gelden en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden in een apart hoofdstuk opgenomen. Het gaat hierbij om de:
Hoofdstuk 4, Overgangs- en slotregels
In de overgangs- en slotregels is overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP-2012 de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen opgenomen.
De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen, zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Het bestemmingsplan geeft aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd. In de navolgende paragrafen worden de afzonderlijke bestemmingen, zoals deze in de regels zijn opgenomen en op de verbeelding zijn weergegeven, per hoofdcategorie kort beschreven.
Bestemming 'Natuur'
De natuurbestemming in dit plan heeft betrekking op nieuwe te realiseren natuurwaarden. De doelstelling is de ontwikkeling en aansluitend het behoud van de diverse natuurlijke en/of landschappelijke waarden van de natuurgronden.
Dubbelbestemming Waarde - landschap verkaveling
De onderkende landschappelijke waarden uit oogpunt van verkaveling in de voormalige gemeente Nijefurd zijn als zodanig weer op de verbeelding overgenomen waar in de regels een beschermingsregeling aan verbonden is.