direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Kuilart herziening
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 14 juni 2013 is het bestemmingsplan De Kuilart onherroepelijk geworden. Dit bestemmingsplan is opgesteld om in de toekomst op een adequate wijze in te kunnen spelen op de wensen van de recreant en de toenmalige eigenaar van het recreatieterrein De Kuilart. Sinds een aantal jaren kent het recreatiepark twee nieuwe eigenaren. De eigenaren hebben het voornemen om op korte termijn nieuwe recreatiewoningen te bouwen, inclusief een tweede bedrijfswoning voor één van de eigenaren.

De recreatiewoningen zijn gesitueerd aan de aanlegsteigers ten noordoosten van het park. In de huidige situatie zijn hier de afgelopen jaren al een aantal recreatiewoningen gebouwd. In het geldende bestemmingplan is echter geen bouwmogelijkheid voor deze recreatiewoningen opgenomen. De beoogde bedrijfswoning is gesitueerd op de noordwestzijde. Daarnaast heeft een eigenaar een stuk grond ter hoogte van het entreegebied in eigendom verworven. Deze gronden maken om die reden onderdeel uit van het recreatieterrein en dit bestemmingsplan.

De gewenste situatie is op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Voor een uitleg hiervan wordt verwezen naar paragraaf 1.3. Daarom is een nieuw juridisch kader nodig. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft de gronden van het recreatiepark waar de gewenste ontwikkelingen plaatsvinden. Derhalve maakt niet het gehele terrein deel uit van dit bestemmingsplan. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied

1.3 Planologische regeling

Bestemmingsplan De Kuilart

Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan De Kuilart, onherroepelijk geworden op 14 juni 2013. Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan meerdere bestemmingen. De kampeerterreinen, het gebied met de centrale voorzieningen en de terreinen voor de recreatiewoningen zijn voorzien van de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. De wegen en paden die de hoofdstructuur vormen van het interne wegenpatroon van De Kuilart hebben de bestemming 'Verkeer'. Daarnaast hebben de gronden ter hoogte van het entreegebied de bestemmingen 'Verkeer', 'Groen' en 'Water'. Tevens loopt over de toegangsweg van het park de dubbel bestemming 'Leiding - Water'.

Voor het hele terrein geldt een maximaal aantal recreatiewoningen van 150. De recreatiewoningen dienen binnen het gebied met de aanduiding 'recreatiewoning' gebouwd te worden. De oppervlakte per recreatiewoning bedraagt maximaal 100 m2. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' zijn recreatiewoningen van 250 m2 toegestaan. Op het gehele terrein mogen dit er in totaal vijf zijn.

Op het terrein is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Middels een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om een extra bedrijfswoning te realiseren. Hierbij dient onder andere de bedrijfstechnische en bedrijfseconomische noodzaak te worden aangetoond.

Omdat de beoogde recreatiewoningen, die op korte termijn gerealiseerd worden, niet gelegen zijn in het gebied dat is voorzien van de aanduiding 'recreatiewoning', is het voornemen in strijd met het geldende bestemmingsplan. Deze aanduiding is destijds per abuis niet op dit gedeelte van het recreatiepark gelegd. In de huidige situatie staan hier al een aantal (verouderde) recreatiewoningen.

Daarnaast hebben de eigenaren plannen om in het midden van het park een drietal 'grotere' recreatiewoningen te realiseren. Deze gronden zijn echter niet voorzien van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' waardoor deze plannen ook in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Voorts is gebleken dat het receptiegebouw groter is dan het bouwvlak zoals aangegeven in het geldende bestemmingsplan. Tot slot is de bouw van een tweede bedrijfswoning in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Daarnaast geldt nog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Bij ingrepen dieper dan één meter geldt een archeologisch onderzoeksplicht.

Bestemmingsplan Koudum- Galamadammen

Op de gronden van de uitbreiding van het entreegebied is het bestemmingsplan Koudum- Galamadammen van toepassing. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoningen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Binnen de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoningen' zijn recreatiewoningen toegelaten met onder andere daaraan ondergeschikt groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water. Binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' is voor ingrepen dieper dan 40 centimeter een archeologisch onderzoek vereist.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een toelichting gegeven van de huidige en voorgenomen situatie in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het voornemen getoetst aan het relevante beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het plan getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 6 wordt tot slot een weergave gegeven van de uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied maakt onderdeel uit van het recreatiecentrum De Kuilart en is gelegen op één kilometer afstand van de kern Koudum, ter hoogte van de Galamadammen. De omgeving van De Kuilart wordt gekenmerkt door een grote mate van openheid. Aan de westzijde van het recreatiecomplex, in de Dammense polder, liggen agrarisch gebruikte graslandpercelen. Aan de noordoostzijde wordt het complex begrensd door het natuurgebied De Samenvoeging. Aan de zuidzijde van het plangebied liggen het Johan Frisokanaal en De Holken/de Fluessen. Het recreatieve water bij De Kuilart vormt daarvan een inham met aanlegvoorzieningen. Dit water is deels door middel van een strekdam gescheiden van het Johan Frisokanaal. Het Johan Frisokanaal is een belangrijke vaarweg - voor met name de recreatievaart - en verbindt Stavoren met het Prinses Magrietkanaal.

Op het terrein zijn verschillende recreatieve en verblijfsrecreatieve terreinen/accommodaties aanwezig dan wel planologisch mogelijk. Op het terrein is tevens een bedrijfswoning aanwezig. Verder wordt het terrein omzoomd met randbeplanting. Een overzicht van de huidige situatie is weergeven in figuur 2.1. Een aanzicht op het entreegebied is weergeven in figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0002.png"

Figuur 2.1 Overzicht bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0003.png"

Figuur 2.2 Aanzicht op het recreatieterrein

2.2 Voorgenomen situatie

Het voornemen is om op het recreatiepark een aantal nieuwe recreatiewoningen te bouwen, inclusief een tweede bedrijfswoning. Het maximum aantal van 150 recreatiewoningen blijft in de gewenste situatie gehandhaafd. De tweede bedrijfswoning is bedrijfstechnisch en bedrijfseconomisch noodzakelijk. Middels een brief aan het college van B&W is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de noodzaak.

Wijzigingen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan

Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan vinden onderstaande wijzigingen plaats. Voor het overige blijven de uitgangspunten uit het geldende bestemmingsplan van toepassing:

  • de bouw van een extra bedrijfswoning. De woning is aan de noordwestzijde van het recreatieterrein beoogt. In figuur 2.3 is de locatie van de woning aangeven met cijfer '1'. Op deze plek is op basis van het geldende bestemmingsplan een 'grotere' recreatiewoning van 250 m2 toegestaan. De bedrijfswoning krijgt een oppervlakte van 175 m2. Voor het overige zal de woning voldoen aan de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan.
  • het mogelijk maken van de bouw van nieuwe recreatiewoningen ter hoogte van de jachthaven buiten het gebied dat in het geldende bestemmingsplan is voorzien van de aanduiding 'recreatiewoning'. Tevens worden de bestaande recreatiewoningen op deze locatie met dit bestemmingsplan juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. De woningen krijgen een maximale oppervlakte van 100 m². In figuur 2.3 is de locatie van deze recreatiewoningen aangeven met cijfer '2';
  • het mogelijk maken van drie recreatiewoningen met een oppervlakte van 250 m2 in het midden van het recreatieterrein. Op basis van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan zijn op drie verspreid liggende locaties met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – afwijkende maatvoering” recreatiewoningen toegestaan met een oppervlakte van maximaal 250 m2. Op het gehele terrein mogen dit er maximaal vijf zijn. De drie locaties vervallen en de drie grotere recreatiewoningen worden thans bij elkaar geconcentreerd op het midden van het terrein, in figuur 2.3 aangegeven met cijfer '3';
  • het wijzigen en vergroten van het entreegebied ter bevordering van een verbeterde verkeers doorstroming en voor de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen. Hiervoor wordt de bestaande sloot gedeeltelijk verplaatst. De gronden voor de uitbreiding zijn weergeven met cijfer '4' in figuur 2.3. In figuur 2.4 is een situatietekening van de toekomstige situatie van het entree gebied weergeven;
  • volgens de verbeelding van het geldende bestemmingplan komt het bouwvlak van het receptiegebouw niet overeen met de contouren van het huidige gebouw; het bouwvlak zal derhalve op de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan worden aangepast. In figuur 2.3 is de locatie van het receptiegebouw aangegeven met het cijfer '5'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0004.png"

Figuur 2.3 Locatie beoogde wijzigingen

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0005.png"

Figuur 2.4 Toekomstige situatie entreegebied

2.3 Ruimtelijk-functionele inpassing

Het park is als geheel al landschappelijk ingepast. De beplanting blijft gehandhaafd. De huidige ruimtelijke kwaliteit met betrekking tot de landschappelijke inpassing wordt hiermee gecontinueerd. De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats binnen de plangrenzen van het bestaande recreatieterrein. Er is enkel sprake van een uitbreiding van het entreegebied. Het entree gebied wordt in de toekomst afgeschermd middels het aanbrengen van een beplantingsstrook. De herontwikkeling van de nieuwe recreatiewoningen zorgt daarnaast voor een visuele kwaliteitsimpuls ten opzichte van de voormalige recreatiewoningen.

2.4 Verkeer en parkeren

De ontwikkeling in het plangebied mag voor de omgeving geen overmatige verkeers- en parkeerdruk geven. Bij de ontwikkeling gaat het in dit geval echter om zeer geringe wijzigingen ten opzichte van hetgeen planologisch al mogelijk is. Het aantal recreatiewoningen neemt niet toe ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Hierdoor is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het park. De bestaande parkeervoorzieningen op het park bieden voldoende capaciteit voor de aanwezige parkeerbehoefte. Hiervoor zijn geen nieuwe maatregelen nodig.

Tevens zorgt het aangepaste en vergrote entreegebied ervoor dat de verkeersveiligheid wordt verbeterd. Er zal namelijk sprake zijn van een overzichtelijke verkeerssituatie met vrije uitzichthoeken.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels voor de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.

Duurzame Verstedelijking

In de SVIR is ook 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Sinds 1 juli 2017 dient bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van de behoefte te worden opgenomen, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.


Het plan maakt een gewijzigde inrichting van het recreatieterrein mogelijk, waarbij planologisch gezien het bebouwde oppervlakte vrijwel gelijk blijft. De ontwikkeling wordt daarom niet aangemerkt als vorm van stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Toetsing aan de ladder is daarom niet nodig.

3.2 Provinciaal beleid

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een gewijzigde inrichting van het recreatieterrein. Met dit bestemmingsplan worden recreatiewoningen mogelijk gemaakt op gronden waar op basis van het geldende bestemmingsplan geen recreatiewoningen zijn toegestaan. Het aantal recreatiewoningen wijzigt evenwel niet. Ook in dit bestemmingsplan blijft het totaal aantal toegestane recreatiewoningen op maximaal 150 gehandhaafd. Het provinciaal beleid heeft sinds de inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan niet tot nieuwe uitgangspunten geleid.

Voor het provinciaal beleid wordt derhalve verwezen naar het provinciaal beleid uit het geldende bestemmingsplan.

3.3 Gemeentelijk beleid

Ontwikkelvisie 2011-2021

De ontwikkelvisie geeft de visie op de uitdagingen die worden voorzien en de kansen die de gemeente wil grijpen op sociaal, economisch en ruimtelijk gebied.


De gemeente wil het gebied voor recreatie en toerisme versterken. De gemeente streeft namelijk naar een sterke aantrekkingskracht voor toeristen. In de gemeente is sprake van een divers aanbod van recreatieve functies. Gezien de diversiteit van het huidig aanbod en de vele plannen die er zijn voor vernieuwing, ziet de gemeente vooral mogelijkheden in het revitaliseren en verdiepen van het bestaande aanbod.


In dit bestemmingsplan is sprake van een kwaliteitsverbetering en verdieping van het recreatiecomplex De Kuilart. Hiermee wordt een divers aanbod mogelijk gemaakt die voldoet aan de huidige wensen van de recreant. Het bestemmingsplan is daarom in overeenstemming met de ontwikkelvisie.

Erfgoedvisie 2012

Met het vaststellen van de 'Erfgoedvisie Silhouet' (juni 2012) heeft de gemeente haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente stelt zich hierbij ten doel om het culturele erfgoed op een evenwichtige, en duurzame manier in stand te houden en draagvlak hiervoor te ontwikkelen.

Erfgoednota 2013-2016

Op basis van deze visie is de Erfgoednota gemeente SWF 2013-2016 opgesteld, getiteld 'De basis op orde'. Een belangrijk speerpunt van de nota is dat de basis op orde is. Dit betekent dat de gemeentelijke organisatie haar kerntaken op het gebied van erfgoed zorgvuldig uitvoert. Voor een gemeente is het een wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming wat betreft cultuurhistorie.

Bij het vastgestelde erfgoedbeleid is meegenomen dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd is. In dit besluit is vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Dit was al verplicht voor archeologie. Met de Erfgoednota is het gemeentelijk erfgoedbeleid hierop aangepast. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de provinciale cultuurhistorische kaart (CHK). De kaart is daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Echter niet alle waarden aangegeven op deze

kaart kunnen bij voorbaat behouden blijven, hier zal een gemeentelijke afweging aan te pas komen.

In de Erfgoednota is verder uiteengezet hoe in het kader van bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met het erfgoed. Zo zijn er kaders aangegeven voor de uitvoering van werken, maar ook voor de opzet van de bestemmingsplanregeling. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is daarmee rekening gehouden.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. Het gaat hierbij om het minimaliseren van de invloeden vanuit het plangebied op de omgeving en omgekeerd. Dat zijn milieu aspecten (bedrijvigheid, geluid, bodem) en water, archeologie, cultuurhistorie, ecologie, luchtkwaliteit, externe veiligheid, kabels en leidingen.

4.1 Vorm vrije m.e.r.

In het Besluit milieueffectgrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, zie aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In categorie D.10 van het Besluit mer wordt de activiteit 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbeho-rende voorzieningen en permanente kampeer- en caravanterreinen' genoemd. In dit geval is sprake van een wijziging van een vakantie-dorp/permanent kampeer- en caravanterrein.

De drempelwaarde voor deze activiteit is:

  • 250.000 bezoekers of meer per jaar;
  • Een oppervlakte van 25 ha of meer;
  • Een oppervlakte van 10 ha of meer in gevoelig gebied.

Er is sprake van een oppervlakte van 4,5 ha en het bezoekersaantal zal minder dan 250.000 bezoekers bedragen. Daarmee wordt de drempel-waarde genoemd in categorie D.10 niet overschreden en is daarmee niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.

Sinds 7 juli j.l. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan – ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” mer-beoordeling.

Kenmerken van het project

De kenmerken van het project, zoals beschreven in paragraaf 2.2 rechtvaardigen geen MER.

Plaats van het project en kenmerken potentiele effecten

Het plangebied ligt niet in een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000-gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk. In de navolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving. De plaats en de kenmerken van het project rechtvaardigt geen MER.

Conclusie

Gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat er hiermee geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.

4.2 Geluid

Op grond van de Wet Geluidshinder (Wgh) is rond inrichtingen die "in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken", wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Binnen het plangebied wordt de bouw van een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Dit betreft een geluidgevoelig object. Het recreatiepark is gelegen aan de Kuilart, de Galamadammen en wordt vervolgens ontsloten op de provinciale weg N359. De maximaal toegestane snelheid is hier respectievelijk 60, 60 en 80 km/uur. De bedrijfswoning wordt op een afstand van circa 375 meter tot de dichtstbijzijnde weg gebouwd. De plek voor de bedrijfswoning valt daarmee niet binnen geluidzones van onderzoeksplichtige wegen. Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk.

Ook de geluidsbelasting afkomstig van het reacreatieterrein op de gevels van de woningen in de omgeving nemen ten gevolge van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan nauwelijks toe. Het aanpassen van het entree gebied en parkeerterrein van het vakantiepark is er op gericht de afwikkeling voor de receptie van komende en vertrekkende gasten in goede banen te leiden. Er is nu te weinig parkeermogelijkheid voor gasten die aankomen op de camping en zich melden in de receptie, daardoor ontstaan veel onnodige verkeersbewegingen, in de nieuwe situatie zijn er in de buurt van het receptiegebouw een aantal parkeerplaatsen gedacht waardoor de verkeersbewegingen afnemen en daardoor ook de geluidsbelasting.

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.3 Luchtkwaliteit

Voor het aspect luchtkwaliteit is de Wet Milieubeheer van toepassing. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Om te onderzoeken of de luchtkwaliteit in en rond het plangebied aan de grenswaarden voldoet, wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020). Hierbij wordt gekeken naar de gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) en de gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2).

Het aantal verkeersbewegingen van en naar het park wijzigt niet, omdat het aantal recreatiewoningen niet toeneemt. De luchtkwaliteit wijzigt dan ook niet in negatieve zin. Ook de bouw van een tweede bedrijfswoning draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.4 Bodem

Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in het projectgebied. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen.

Op 6 maart 2007 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijefurd de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan Zuidwest-Fryslân vastgesteld. Deze kaart en het bodembeheerplan zijn samen met de gemeenten Bolsward, Gaasterlân-Sleat, Lemsterland, Littenseradiel en Wûnseradiel opgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart is de actuele bodemkwaliteit van de gemeente(n) onderscheiden naar verschillende deelgebieden in zones van vergelijkbare kwaliteit. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld aan de hand van gegevens over bodemopbouw, de gebruikshistorie en uitgevoerde bodemonderzoeken.

Uit de kaart blijkt dat de bodem in het gebied voldoet aan de gewenste bodemkwaliteit. Daarnaast wijzen verschillende onderzoeken die in het verleden zijn uitgevoerd op het recreatieterrein uit, dat er geen sprake is van ernstige bodem-verontreiniging in de grond en het grondwater (Bodemonderzoeken locatie De Kuilart, rapportnummers: B1185, B1558-2, 62544, 63753, 02-M1318, 03-M1867, 04-M2298.).

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Het plangebied maakt deel uit van een recreatiepark. De ontwikkelingen op het park hebben slechts betrekking op een gewijzigde stedenbouwkundige opzet. De situatie op het gebied van de milieuzonering (inwaarts en uitwaarts) wijzigt niet.

Ten aanzien van de nieuwe bedrijfswoning geldt dat deze onderdeel uitmaakt van de eigen inrichting en derhalve geen belemmering voor het recreatiepark oplevert. Het dichtsbijzijnde bedrijf van derden bevindt zich op een afstand van meer dan 400 meter en betreft een veehouderij. Een veehouderij valt onder milieucategorie 3.2, waarvoor een richtafstand van 100 meter geldt. Aan de richtafstand wordt dan ook voldaan. Het bedrijf wordt niet in zijn bedrijfsvoering beperkt. Er is daarom voor het aspect bedrijven en milieuzonering geen nader onderzoek noodzakelijk. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.6 Water

Vanwege het belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. De watertoets is een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden. Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân. Hieruit is de normale procedure naar voren gekomen. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als bijlage 2. Op 25 september 2017 heeft het Wetterskip op de resultaten van de watertoets gereageerd. Het Wetterskip heeft aangegeven dat op basis van de aanvraag volstaan kan worden met de korte procedure omdat in het huidige bestemmingsplan het thema “water” goed is geborgd en geen aanpassingen noodzakelijk zijn op basis van de nieuwe inrichting. Wel ziet het Wetterskip graag dat het thema “klimaatadaptatie” nog wordt toegevoegt aan de waterparagraaf. Derhalve wordt hieronder nader ingegaan op dit thema. Het aspect water vormt verder geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Klimaatadaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemd advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden. Daarnaast is het streven er op gericht om het recreatiepark een zo groen mogelijke inrichting te geven. Dit komt de beleving van de recreanten ten goede.

4.7 Ecologie

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot en bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Daarnaast is in elke provinciale verordening een uitwerking van de Wnb opgenomen. In de provincie Fryslân wordt in de Verordening Romte Fryslân vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden worden vrijstellingen verleend en aanzien van de soorten genoemd in Bijlage I bij de verordening. Per soort worden de handelingen, middelen en methoden genoemd die mogen worden toegepast, slechts voor zover er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uit maken van het Europese Netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

Toetsing

Natura 2000

Het plangebied grenst aan Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving. De ontwikkelingen zijn kleinschalig van aard en vinden buiten het Natura 2000-gebied plaats. Er is geen sprake van areaalverlies of versnippering. Het habtiattype Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden is gevoelig voor stikstofdepositie (KDW 2143 mol/ha/jr.). Gezien de huidige zeer lage achtergrond depositie (859 mol/ha/jr.) en de geringe ontwikkeling, zal als gevolg van de ontwikkeling geen sprake zijn van meetbare toename van stikstofdepositie ter plaatse van het habitattype.

Gezien de afstand (400 meter) van de ontwikkellocaties tot Natura 2000, de huidige verstoring van het gebied door de jachthaven en de werkzaamheden van tijdelijke aard zijn, leiden de werkzaamheden niet tot significante effecten.

De bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot tijdelijke verstoring van de kwalificerende soorten. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de kwalificerende soorten kolgans, brandgans, smient en nonnetje. De ontwikkelingen vinden plaats in een reeds ontwikkeld gebied en leiden hierdoor niet tot afname van foerageergebied voor de niet-broedvogelsoorten. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende vogelsoorten kunnen worden uitgesloten.

Uit de voortoets uit 2003 die is uitgevoerd door Altenburg en Wijmenga (Actualisatie ecologische beoordeling camping De Kuilart te Koudum, A&W rapport 1610) blijkt eveneens dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

Natuurnetwerk

Het plangebied grenst aan Natuurnetwerk Nederland. Ten noorden van het gebied is ganzenfoerageergebeid aanwezig. De ontwikkelingen vinden plaats binnen bestaand ontwikkeld gebied en hebben geen effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurgebied of de ganzenfoerageergebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2017zuidBPkuilart-vast_0008.png"

Figuur 2.5 Overzicht beschermde natuurgebieden provincie Fryslân

Soortenbescherming

In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Toetsing

Dit bestemmingsplan voorziet in de nieuwbouw van bedrijfs- en recreatiewoningen en het vergroten van het entreegebied. De sloop van de voormalige recreatiewoningen is reeds uitgevoerd middels een sloopvergunning. De ontwikkeling voorziet derhalve niet in sloop van bebouwing. Voor het dempen/verleggen van de watergang in het entreegebied is reeds een omgevingsvergunning aangevraagd. Het verwijderen van opgaande vegetatie is ook niet aan de orde.

De ontwikkelgebieden zijn door de aanwezige verstoring en het intensieve gebruik/beheer niet van grote betekenis voor beschermde soorten. Mogelijk kunnen algemene soorten gebruik maken van het gebied, voor deze soorten geldt een vrijstelling in provincie Fryslân. Broedende vogelsoorten kunnen worden beïnvloed door de werkzaamheden. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of wanneer er geen broedgeval aanwezig is, kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Daarnaast geldt de algemene zorgplicht, dit betekent dat rekening moet worden gehouden met de alle aanwezige soorten. Met inachtneming van de benoemde maatregelen, is geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb en het beleid van de provincie.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader en beleid

De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van het erfgoed is de Erfgoedwet en de Wet ruimtelijke ordening. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.


Ter implementatie van het Verdrag van Malta, is deze Monumentenwet gewijzigd. De kern van de Monumentenwet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ).


Ieder ruimtelijk plan moet een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Zover hier sprake van is, moet ook aangegeven worden hoe met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij moet de historische (stede)bouwkunde en historische geografie worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven moet worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze zijn geborgd in het plan.


Conform de gemeentelijke erfgoedvisie en -nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Friesland beschreven staan."


Archeologie

Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en Ijzertijd - Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken (zie afb). Voor het gehele gebied geldt op grond van deze kaart een archeologische verwachting en is in principe bij ingrepen vanaf 500 m2 archeologisch onderzoek noodzakelijk.


In het verleden zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd, deze resultaten zijn nog niet verwerkt op de FAMKE. In het kader van het bestemmingsplan 'De Kuilart' is een archeologisch onderzoeksrapport opgesteld door 'De Steekproef'. Het betreft een onderzoek uit 2008 en is derhalve ouder dan 5 jaar en dient in principe geactualiseerd te worden. Het archeologisch onderzoeksgebied is sinds de vaststelling van het bestemmingsplan 'De Kuilart' niet gewijzigd: de contouren van de aanduidingen op de FAMKE zijn sinds de vaststelling van het bestemmingsplan 'De Kuilart' ongewijzigd gebleven. Om die reden wordt nog volstaan met het geldende onderzoek. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat alleen in het noordelijke deel van het plangebied mogelijk sprake is van archeologische waarden vanwege de aanwezigheid van een dekzandkop met een intacte podzolbodem. Hier is archeologisch onderzoek nodig bij ingrepen dieper dan 1 meter onder NAP. Voor dit gedeelte van het plangebied blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' ook in dit bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing. De beoogde bedrijfswoning is binnen deze dubbelbestemming gesitueerd. De ingrepen die met de werkzaamheden gepaard gaan reiken niet dieper dan 1 meter. Nader archeologisch onderzoek is derhalve niet nodig.


Voor de ingrepen ter hoogte van het entree gebied is vrij recent ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting toegevoegd. Geconcludeerd wordt dat er geen archeologische verwachting voor het onderzochte gebied is en derhalve geen archeologisch vervolg onderzoek noodzakelijk is. Het aspect archeologie staat de uitvoering van de plannen niet in de weg. Om die reden krijgen de gronden ter hoogte van het entreegebied ook niet meer de bestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Een klein deel van het park 'De Kuilart' is echter nog niet onderzocht. Dit deel krijgt wel bestemming 'Waarde- Archeologie 2'.

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied.

Voor een inzicht in de cultuurhistorische waarden is de provinciale cultuurhistorische kaart (CHK) geraadpleegd. In het plangebied zelf is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Wel wordt de omgeving van het projectgebied aangemerkt als bijzonder waardevol. De belangrijkste zichtbare cultuurhistorische drager in de omgeving van het projectgebied is de vaarweg De Morra. De

vaarweg maakt deel uit van de vaarroute Het Oudhof naar Stavoren. Deze vaarweg dient te worden gerespecteerd. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in een ingreep in de vaarweg. De cultuurhistorische waarde blijft daardoor behouden.

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit plan.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6 contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Toetsing

In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Fryslân bekeken. In en rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Over de N359 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De vervoersintensiteiten van dit vervoer zijn dermate laag, dat er geen nadere afweging van het groepsrisico noodzakelijk is. Over het Johan Frisokanaal vindt geen bulktransport van goederen plaats. Het kanaal vormt daarom geen risico in het kader van externe veiligheid. Tot slot zijn er geen buisleidingen aanwezig.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.10 Planologisch relevante kabels en leidingen

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om de veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.

In het westen van het plangebied loopt een hoofdwaterleiding. Deze is op de verbeelding aangegeven. Daarbij is tevens een bebouwingsvrije zone opgenomen die moet worden aangehouden.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op het geldende bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek van het bestemmingsplan toegelicht.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen gehanteerd:

Enkelbestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie

Net als in het geldende bestemmingsplan blijft de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie zoveel mogelijk van toepassing. Deze herziening ziet alleen op dat deel van het bestemmingsvlak waar de recreatiewoningen gebouwd mogen worden. De wijzigingen vinden ook alleen in dat gebied plaats. Binnen dat bestemmingsonderdeel zijn onder andere recreatiewoningen tot 100 m2 toegestaan. Deze dienen binnen de aanduiding 'recreatiewoning' gebouwd te worden. De drie 'grotere' recreatiewoningen van elk 250 m2 zijn binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' toegestaan. De beoogde tweede bedrijfswoning dient te worden gebouwd in het aangegeven bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Deze mag maximaal 175 m2 groot zijn. Voor het overige blijven de regels uit het geldende bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing.

Enkelbestemming Groen

De bestemming Groen ziet op een deel van de gronden ter plaatse van de nieuwe entree. De structuur van die nieuw entree is vrij gedetailleerd vastgelegd om er voor te zorgen dat die structuur ook op de voorgestelde wijze wordt gerealiseerd. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen en daaraan ondergeschikte paden, sloten, bermen en speelvoorzieningen mogelijk. Bebouwing is niet toegestaan.

Enkelbestemming Water

Datzelfde uitgangspunt geldt ook ten aanzien van de bestemming Water. Derhalve hebben de sloten ter hoogte van het entreegebied de bestemming 'Water' gekregen. Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.

Enkelbestemming Verkeer

De bestemming 'Verkeer' heeft betrekking op de hoofd infrastructuur die midden door het park loopt en het entreegebied ten westen van het plangebied. Binnen de bestemming zijn wegen, paden en parkeervoorzieningen toegestaan. Tot deze bestemming worden tevens direct aangrenzende ondergeschikte functies zoals groenvoorzieningen, bebossing, sloten, bermen en nutsvoorzieningen gerekend. Gebouwen zijn binnen de bestemming niet toegestaan. Het bouwen van een bouwwerk (geen gebouw en overkapping zijnde) tot 6 meter hoog is wel toegestaan. Daarbij kan met nadere eisen een afweging worden gemaakt of met het bouwwerk de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en of de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet worden beperkt/ongedaan worden gemaakt.

Dubbelbestemming Leiding - Water

In het plangebied loopt een tracé van een belangrijke hoofdtransportwaterleiding. Het tracé van deze leiding dient te worden beschermd tegen bebouwing, diepwortelende beplanting en grondwerkzaamheden. Hiervoor is een strook opgenomen waarmee aan weerszijden van de leiding een bebouwingsvrije strook van 5 meter gegarandeerd wordt.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1

Voor de gronden die een onderzoeksverplichting hebben, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Bij ingrepen dieper dan 1 meter onder NAP moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2

Voor de gronden die een onderzoeksverplichting hebben, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) met een oppervlakte groter dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven en dieper dan 40 cm, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan. Hierbij zijn de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid van belang.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.

Inspraak en overleg

In het kader van de inspraak is het voorontwerpbestemmingsplan niet ter inzage gelegd. Wel is het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg toegezonden aan de verschillende overlegpartners.

Het voorontwerp heeft gedurende een periode van 6 weken voor hen ter inzage gelegen.

Er is een inhoudelijke overlegreactie ontvangen van Provincie Fryslân (voor de volledige brief zie 4). Zij geeft in haar schrijven van 12 december aan dat de provinciale belangen in het bestemmingsplan op een juiste wijze verwerkt is.

Zienswijze

Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon een ieder een zienswijze indienen (artikel 3.8 Wro). Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Vaststelling

Het bestemmingsplan is vervolgens op 17 mei 2018 vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt 6 weken ter inzage. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom bij de initiatiefnemer. De kosten voor het bouw- en woonrijp maken van de recreatiewoningen en de bedrijfswoning worden door de initiatiefnemers gedragen. Aangenomen wordt dat deze over voldoende financiële middelen beschikken om de plannen te kunnen realiseren.

De gemeentelijke kosten met betrekking tot de planologische procedure en daaraan verwante kosten worden verhaald via de leges van de gemeente. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

De beoogde ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' grondexploitatieregeling aangemerkt. Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Ten aanzien van planschade is tevens een planschadeverhaalsovereenkomst opgesteld.