direct naar inhoud van Regels

Makkum-Achterterrein Krommesloot 11

Status: vastgesteld
Idn: NL.IMRO.1900.2015westBPmakkkr11-vast

TOELICHTING

 

 

 

Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Ligging van het plangebied

1.3 Doelstelling

1.4 Herziening

1.5 Leeswijzer

HOOFDSTUK 2 Bestaande situatie

2.1 Ligging

2.2 Ruimtelijke karakteristiek

HOOFDSTUK 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.2 Provinciaal beleid

3.3 Gemeentelijk beleid

3.4 Gemeentelijk afweging plan Hamoen

HOOFDSTUK 4 Randvoorwaarden

4.1 Algemeen

4.2 Bedrijven en voorzieningen

4.3 Geluidhinder

4.4 Externe veiligheid

4.5 Luchtkwaliteit

4.6 Archeologie

4.7 Cultuurhistorie

4.8 Bodem

4.9 Ecologie

4.10 Water

HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

5.2 Bestemmingsplanprocedure

5.3 Toelichting op de regels

5.4 Overige aspecten

HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

 

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

Sinds de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de wettelijke verplichting voor gemeenten ingesteld om bestemmingsplannen actueel te houden. Op grond van de in deze wet opgenomen actualiseringsplicht mogen bestemmingsplannen vanaf 1 juli 2013 niet ouder dan 10 jaar zijn. De geldende bestemmingsplannen/Dorpsvernieuwingsplan voor Makkum-Centrum waren verouderd. De raad heeft daarom op 27 juni 2013 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor Makkum-Centrum.

 

Tegen het bestemmingsplan Makkum Centrum is door de heer J. Hamoen, Krommesloot 11, 8754 GD te Makkum beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspaak van de Raad van State.

 

Op 8 oktober 2014 heeft de Raad van State het beroep gegrond verklaard en het besluit van de raad van 27 juni 2013, voor zover daarbij geen bouwvlak is opgenomen voor het perceel achter de woning Krommesloot 11 te Makkum, vernietigd. Daarbij heeft de Raad van State de gemeenteraad opgedragen binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met in achtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het genoemde perceel en dit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken.

 

1.2 Ligging van het plangebied

 

In figuur 1 is de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven. Hierbij is het kadastrale perceel gemeente Makkum , sectie A, nummer 6600 als uitgangspunt genomen. Het perceel is in eigendom bij de heer J. Hamoen en mevrouw M. Konings. Het plangebied grenst aan de westkant aan de woonpercelen aan de Krommesloot. Aan de noordkant grenst het plangebied aan de woonpercelen van de Grote Zijlroede. De oostgrens wordt bepaald door woonpercelen aan zowel de Krommeslot als de Trasmolen.

 

 [image]

 

 

Figuur 1. Luchtfoto plangebied

 

 

 

1.3 Doelstelling

De doelstelling van dit bestemmingsplan kan worden samengevat als het treffen van een actueel juridisch-planologische regeling met in achtneming van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat laat echter onverlet dat de gemeente vasthoudt aan een invulling zoals destijds opgenomen in het op 27 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan Makkum-Centrum. In hoofdstuk 3.4 volgt een nadere uiteenzetting.

 

1.4 Herziening

Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling, ligt het plangebiedje thans nog in het Dorpsvernieuwingsplan Makkum-Kom, vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 31 maart 1999 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Fryslân d.d. 21 juli 1999.

Op het betreffende perceel van Hamoen rust de bestemming ‘woondoeleinden’ met de nadere aanduiding ‘tuincentrum’. Het perceel ligt binnen de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht. Op de ruimtelijke inrichtingskaart is een vlak opgenomen met de verklaring ‘overig pand’.

 

Het bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving en de bijbehorende verbeelding is aangesloten op de regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan voldoet aan de digitale verplichtingen zoals deze per 1 januari 2010 van kracht is geworden.

 

 

1.5 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van deze toelichting is een beschrijving van het plangebied gegeven.

 

In hoofdstuk 3 is het van toepassing zijnde beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. In dit hoofdstuk wordt door de gemeente een nadere uiteenzetting gegeven waarom vast wordt gehouden aan de in het bestemmingsplan Makkum - Centrum gegeven bestemming.

 

Een beschrijving van de planologische milieukundige randvoorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 4.

 

Hoofdstuk 5 betreft een juridische toelichting op het bestemmingsplan. Hierin is nader ingegaan op de bestemmingsplanprocedure en is een toelichting van de regels van dit bestemmingsplan gegeven.

 

HOOFDSTUK 2 Bestaande situatie

 

2.1 Ligging

 

Makkum is gelegen in het westen van de gemeente Súdwest-Fryslân, ten zuiden van de aansluiting van de Afsluitdijk aan de IJsselmeerkust van Fryslân. De ligging van Makkum is gunstig door de Afsluitdijk, die een zeer goede verbinding creëert met de Randstad. Ook in oostelijke richting kent Makkum via de A7 een goede verbinding. De ligging bij het IJsselmeer en recreatiegebied de Holle Poarte maakt Makkum en de omgeving een aantrekkelijk gebied om te wonen, werken en recreëren.

 

Het plangebied is gelegen achter de woning Krommesloot 11 te Makkum. Het betreft een perceel met een oppervlakte van 1557 m² en maakt onderdeel uit van het historisch centrum van Makkum.

 

 

2.2 Ruimtelijke karakteristiek

In deze paragraaf wordt ingegaan op de ruimtelijke structuur binnen het beschermde dorpsgezicht. De ruimtelijke structuur is verder per gebiedsdeel nader gedetailleerd. In het bestemmingsplan Makkum- Centrum zijn drie gebiedsdelen opgenomen. In dit bestemmingsplan wordt alleen het gebiedsdeel toegelicht waarin het plangebied is gelegen.

 

 

 

2.2.1 Beschermd dorpsgezicht

 

Op grond van artikel 20 van de Monumentenwet 1961 is het centrum van Makkum op 27 januari 1987 van rijkswege aangewezen als ‘beschermd dorpsgezicht’. Thans is voor dit gebied artikel 35 van de Monumentenwet 1988 van kracht. Het plangebied ligt binnen het beschermd dorpsgezicht.

 

 [image]

 

Figuur 4. Beschermd dorpsgezicht van Makkum (Bron: Provinsje Fryslân, 2012)

 

 

Bij een aanwijzing van een gebied als beschermd dorpsgezicht gaat het om een groep van onroerende zaken die van algemeen belang is wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en waar zich één of meer monumenten bevinden. In figuur 4 is de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht inzichtelijk gemaakt.

 

Op grond van de volgende (samenvattende) motivering heeft aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht van Makkum plaatsgevonden:

“Het beschermde dorpsgezicht betreft de kom van het dorp Makkum, gelegen aan de westkust van Friesland op een afstand van circa 15 km ten zuiden van Harlingen. In het dorpsgebied van het terpdorp Makkum, aan de oostkust van de Zuiderzee, ontstond vanaf de 16de eeuw een nederzetting bij een aldaar gelegen uitwateringssluis. Ten gevolge van de gunstige ligging groeide deze nederzetting, met name gedurende de 17de eeuw, uit tot een plaats met een belangrijke handels-, scheepvaart- en nijverheidsfunctie. Nadat in de l8de eeuw de groei van Makkum stagneerde, trad vanaf het begin van de 19de eeuw een sterke teruggang van deze bestaansbronnen op, zodat het van oorsprong overwegend 17de-eeuwse nederzettingspatroon tot het midden van de 20ste eeuw nagenoeg geen uitbreiding heeft ondergaan. Naast een aantal nijverheidsbedrijven dat zich in het dorp heeft kunnen handhaven, vormen de voorzieningen en de toeristische functie de huidige bestaansbasis van Makkum. Het nederzettingspatroon, dat zich uitstrekt aan weerszijden van de Grote Zijlroede met aan de noordzijde een uitloper tot aan het oorspronkelijke terpdorp, is door de geleidelijke en weinig ingrijpende ruimtelijke ontwikkeling gaaf bewaard gebleven, waarbij het nog aanwezige water en het sluiscomplex een duidelijk beeld geven van het ontstaan en de historische ontwikkeling van het dorp. In samenhang met de overwegend goede historische kwaliteit van de bebouwing, waaronder ruim 50 beschermde monumenten, levert dit een beeld van zodanige cultuurhistorische waarde dat een aanwijzing van Makkum als beschermd dorpsgezicht gerechtvaardigd is.”

 

De gehele toelichting bij de beschikking tot aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht is als bijlage 2 bij de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Deze toelichting geeft richting aan het ruimtelijke beleid van de historische kern van Makkum.

 

Het beleid voor een beschermd dorpsgezicht is gericht op het behouden en versterken van de ruimtelijke structuur, waardoor de historische ontwikkeling van het gebied herkenbaar blijft. Het beleid ten aanzien van het bouwen en verbouwen is in deze gebieden dan ook strikter dan doorgaans het geval is in de gemeente.

 

Binnen beschermd dorpsgezicht

De huidige ruimtelijke structuur refereert sterk aan de ontstaansgeschiedenis van het dorp. Deze historische kwaliteit, de stedenbouwkundige structuur, alsmede de bijzondere (tijdsgerelateerde) architectuur is aanleiding geweest om het centrum van het dorp als beschermd dorpsgezicht aan te wijzen. Het plangebiedje maakt onderdeel uit van het beschermde dorpsgezicht.

 

De volgende kenmerken zijn van betekenis voor de ruimtelijke structuur:

  • Een vrij oorspronkelijk patroon van de dijk met daarachter het dorp, de wegenstructuur, de structuur van waterlopen met sluis en bruggen.

  • De agrarische structuur rond de terp van Kerkeburen (het vroegere Mackingum) met verspreid bebouwingspatroon.

  • De stedelijke structuur in het voormalige Statum met aaneengesloten, op water en wegen georiënteerde bebouwingswanden met een vrij rechtlijnige opzet.

  • Bedrijfsgebieden langs de Grutte en de Lytse Sylroede. De bedrijfsfunctie is hier grotendeels verdwenen en vervangen door een woonfunctie. De oriëntatie op deze waterlopen is echter behouden gebleven.

 

De historisch ruimtelijke structuur is het meest waardevol in de omgeving van de Voorstraat, het Vallaat, de Pruikmakershoek en het westelijk deel van de Turfmarkt. De rooilijnen in deze straten komen nog vrijwel overeen met het kadastrale Minuutplan uit circa 1830. Het water is daarbij nog volledig aanwezig. Tevens komen in dit gebied veel monumenten voor.

 

Maar ook vele andere straten in het plangebied zijn uit historisch-ruimtelijk oogpunt waardevol; onder meer de omgeving van de NH-kerk, de Kerkstraat, de Bleekstraat, de Middenstraat en de Schoolbuurt, het Plein en de Markt, het Achterdijkje, een gedeelte van de Turfmarkt, de Achterstraat, de Blokmakersstraat, een gedeelte van de Schans en de Workumerdijk en de Krommesloot.

 

De rooilijnen zijn hier grotendeels oorspronkelijk. De bebouwing is in het algemeen qua bouwvorm bepalend voor het historisch beeld. In deze omgeving is het water op een aantal plaatsen gedempt, zoals ter plaatse van de Markt en het Plein, ter plaatse van de Bleekstraat en langs de Buren. Het waren logische ontwikkelingen die destijds samenhingen met een grotere ruimtebehoefte voor het verkeer. Een andere wijziging in de structuur is de bouw van het postkantoor ter afsluiting van het Marktplein. Minder waardevol qua bebouwingsbeeld, maar qua bebouwingsstructuur nog wel oorspronkelijk zijn de Slotmakersstraat en de Vermaningssteeg.

 

 

 

2.2.2 Detaillering van de ruimtelijke structuur

 

Voor een nadere ruimtelijke beschrijving, wordt het deelgebied omschreven waarvan het plangebied onderdeel vanuit maakt. Het gaat hier om het gebied Makkum-Zuid, zijnde het gebied ten zuiden van de Grutte Sylroede.

 

Structuur

  • IJsselmeerdijk, Grutte Sylroede, Krommesloot;

  • Bebouwing georiënteerd op het water en op achterliggende wegen en stegen;

  • Overwegend gesloten bebouwingswanden in zuidelijke richting overgaand in een losser patroon.

 

Bebouwing

Vallaat

  • Van oorsprong 17de-eeuwse bebouwing in twee bouwlagen met kap aan de westzijde en in één bouwlaag met kap aan de oostzijde;

  • Rechte 19de-eeuwse lijstgevels, veelal geleed in drie traveeën en met een dakkapel in het voorste dakschild; ook enige klok- en tuitgevels.

Krommesloot

  • Lage, overwegend 19de-eeuwse woningen in een gesloten rooilijn aan de oostkant. Aan de westoever meer losstaande bebouwing waaronder een van oorsprong 17de-eeuws pakhuis.

Schans, Brouwerssteeg en Blokmakersstraat

  • Vanouds min of meer het randgebied van de bebouwde kom van Makkum;

  • In het noordelijk deel van het gebied lage, langs paden en stegen gegroepeerde woningen en schuren met een minder hoge kwaliteit van architectuur. In het zuidelijke deel een losse bebouwingsstructuur met min of meer willekeurig gesitueerde woningen;

  • Aan de Schans en Alde Syl is nieuwbouw gepleegd, waaronder 9 dijkwoningen;

  • Aan de zuidzijde overwegend groene oevers. Mogelijk resten van voormalige schans en blokhuis.

 

Het materiaalgebruik van bebouwing bestaat voornamelijk uit bruinrode steen voor de straatgevels, terwijl de zijgevels in veel gevallen zijn opgebouwd met Friese gele stenen. Als dakbedekking overheersen rode oudhollandse en Friese pannen, gesmoorde blauwe pannen komen in mindere mate voor. De gevelindeling wordt in het algemeen gekenmerkt door een verticale geleding.

 

Openbare ruimte

  • Overgang van een ‘versteende’ inrichting aan de noordkant naar een meer groene omgeving aan de zuidkant;

  • Bij Vallaat zijn stenen kaden aanwezig langs het water en stoepen voor de bebouwingswand;

  • De stegen en paden hebben een eenduidige verharding die van bebouwingswand tot bebouwingswand loopt;

  • Het water langs de Krommesloot heeft grotendeels een groene oever;

  • De Workumerdijk heeft door het dijklichaam en een aantal grasveldjes een groen karakter;

  • Bijzonder element in de inrichting is de klapbrug in de Krommesloot.

 

 

HOOFDSTUK 3 Beleidskader

 

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. De SVIR heeft diverse nota’s vervangen, zoals de Nota Ruimte en Nota Mobiliteit. Ook zijn met het SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken vervallen die zijn benoemd in de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:

  • Vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk- economische structuur van Nederland.

  • Verbeteren van de bereikbaarheid.

  • Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

 

Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio’s. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

 

 

3.2 Provinciaal beleid

Streekplan Fryslân (2007)

Op 13 december 2006 is het streekplan vastgesteld door Provinciale Staten. Het streekplan geeft de visie van Provinciale Staten op het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Het streekplan vormt de basis van het provinciale beleid voor de periode 2006 tot 2016.

 

Uitgangspunt van het streekplan is het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Hiermee bedoelt de provincie dat in (ruimtelijke) plannen, ontwerpen en in de uitvoering uitdrukkelijk de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde worden toegevoegd aan de omgeving. Door deze waarden is een ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling van Fryslân gewaarborgd. Met een duurzame ontwikkeling wordt voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder daarbij de mogelijkheden te beperken van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien.

 

 

Provinciale Verordening Romte Fryslân (2011)

Het Streekplan Fryslân uit 2007 heeft op basis van het overgangsrecht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de status van structuurvisie gekregen. Met de invoering van de Wro is de goedkeuringsbevoegdheid van bestemmingsplannen van de gemeente vervallen. De provincie heeft daarentegen wel de mogelijkheid gekregen om een provinciale verordening op te stellen. In 2010 heeft de Provinsje Fryslân derhalve het initiatief genomen om te komen tot de Provinciale Verordening Romte (PVR). Deze is op 15 juni 2011 vastgesteld en is per 1 augustus 2011 in werking getreden.

 

Herziening Verordening Romte

Op 25 juni 2014 is door provinciale staten de “Verordening Romte Fryslân 2014” vastgesteld. Dit is een herziening van de “Verordening Romte Fryslân”. Ook in de “Verordening Romte Fryslân 2014” heeft de provincie voor die onderwerpen die de provincie van ‘provinciaal belang’ acht, regels opgenomen. Bij onderhavig bestemmingsplan gaat het hier om een continuering van de bestaande (feitelijke) situatie. Provinciale belangen zijn hier derhalve niet in het geding.

 

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Wûnseradiel (2009)

In 2009 is de Structuurvisie Wûnseradiel vastgesteld. Deze structuurvisie heeft ten doel voor het gemeentelijk grondgebied een samenhangend kader te bieden voor de ruimtelijke ontwikkeling in de periode tot 2020 waaraan concrete initiatieven met ruimtelijke effecten kunnen worden getoetst. De structuurvisie gaat in op verschillende thema’s en geeft daarnaast ook een beleidskoers op de verdere ontwikkeling van Makkum:

  • Bedrijvigheid: Zowel lokale als regionale bedrijvigheid kan zich vestigen op bedrijventerreinen. Bedrijven in de hogere milieucategorieën kunnen een plaats krijgen op de bestaande bedrijventerreinen. De sterke punten van Makkum dienen te worden benut en te worden verbeterd, zoals de watersportgebonden bedrijvigheid.

  • Woningbouw: In Makkum zal ontwikkeling van woningbouw plaats blijven vinden. Ook dient aandacht te worden besteed aan de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en de openbare ruimte. Voor nieuwbouw geldt dat duurzaamheidscriteria een rol spelen.

  • Toerisme en recreatie: Wat betreft de toeristisch-recreatieve sector wordt ingezet op een verdere kwaliteitsverbetering en capaciteitsgroei. In Makkum zijn er mogelijkheden voor het opwaarderen van het centrum, het realiseren van een veelzijdige horeca en het aantrekkelijker maken van Makkum op (cultuur)historisch vlak. Ook de dagrecreatie kan verder ontwikkeld worden.

 

Ontwikkelvisie gemeente Súdwest-Fryslân (2012)

De gemeentelijke Ontwikkelvisie is op 22 maart 2012 vastgesteld. In deze visie staan de gemeentelijke ambities betreffende sociale, ruimtelijke en economische ontwikkelingen beschreven. De visie zal een belangrijke basis voor nieuw beleid en plannen gaan vormen. De visie maakt duidelijk hoe de gemeente zich wil positioneren, wat de belangrijkste speerpunten zijn en op welke aandachtsgebieden wordt ingezet. De ontwikkelvisie beslaat een periode van tien jaar.

 

In de gemeente worden vijf landelijke clusters, waaronder Makkum, en één stedelijk cluster rondom Bolsward en Sneek onderscheiden. De ontwikkelvisie rust op zes pijlers waar een visie op is geformuleerd en waar een koers per landelijk of stedelijke cluster voor is uitgezet. De pijlers met bijbehorende visie betreffen:

  1. Verscheidenheid in kernen: Gebiedsgerichte aanpak via clusters, met oog voor samenhang. Aandacht voor unieke ruimtelijke structuur, sociaaleconomische kenmerken en toekomstvisies van de kernen. Extra aandacht voor plattelandskernen en stadswijken waar de leefbaarheid onder druk staat.

  2. Weidsheid van het landschap: Zorgvuldig met weidsheid omgaan, maar ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen naar aard/schaal. Er worden hoge eisen aan ruimtelijke kwaliteit gesteld.

  3. Economische verscheidenheid: Gebiedsgerichte aanpak om te zorgen dat gemeente zich in totaliteit sterk ontwikkelt. Ruimtelijke keuzes maken ten aanzien van economische ontwikkeling. Extra aandacht voor sterke sectoren vanwege hun groeipotentie en innovatief vermogen. Bijeenbrengen onderwijs en arbeidsmarkt, zodat vraag en aanbod beter aansluiten.

  4. Grote sociale verbondenheid: Iedereen kan (naar vermogen) meedoen. De huidige sociale infrastructuur wordt optimaal benut. Betere samenwerking en afstemming tussen partijen. Betere afstemming aanbod. Uitgangspunten zijn eigen verantwoordelijkheid, eigen kracht en zelfredzaamheid. Kwetsbare groepen actief opsporen.

  5. Grote rijkdom aan cultuur en erfgoed: Cultuur en cultureel erfgoed hebben verbindende werking op de samenleving en grote aantrekkingskracht op toeristen. Daarom wordt gezorgd voor een divers cultureel aanbod en voor bescherming, behoud en ontsluiting van cultureel erfgoed.

  6. Sterke aantrekkingskracht voor toeristen: Toerisme en recreatie als verbinding tussen stad/platteland, cultuur, natuur, sport, zorg, land- en tuinbouw. Verdiepen van bestaand aanbod, kwaliteitsverbetering en slim combineren van aanbod. Watertoerisme versterken door samen- werking andere vaargebieden.

 

Woningbouwprogramma 2011 -2016 (Concept, 2010)

Het nieuwe thans in concept beschikbare gemeentelijke woningbouwprogramma vormt in de eerste plaats de harmonisatie van de vijf oude woningbouwprogramma’s van de voormalige gemeenten Sneek, Bolsward, Nijefurd, Wymbritseradiel en Wûnseradiel. In de tweede plaats zijn demografische en marktontwikkelingen geanalyseerd om tot een actualisatie van bestaande woningbouwplannen te komen. Kortweg is het beeld als volgt:

  • Bevolkingskrimp in de gemeente zal zich in kernen tot 1.000 inwoners voordoen. Voor Súdwest-Fryslân geldt dat 56 van de 69 kernen krimpgevoelig en dus kwetsbaar zijn. De gemeente Súdwest-Fryslân is in zijn geheel echter geen krimpgemeente, want Sneek en Bolsward compenseren krimp op het platteland.

  • Door de kredietcrisis is gebleken dat de demografische ontwikkeling slechts ten dele bepalend is voor het functioneren van de woningmarkt. In feite zijn de ontwikkelingen in de financieel-economische sector, de koopwoning- en de huurwoningmarkt momenteel bepalend.

 

Uit bovenstaande is een nieuwe en realistische koers naar voren gekomen met als gevolg een integrale heroverweging van een groot aantal woningbouwplannen. Het doel is om voor ieder cluster (Makkum betreft één van de vijf landelijke clusters) een samenhangend realistisch woningbouwprogramma te realiseren. De koers die wordt ingezet is om het accent van woningbouw in de landelijke clusters in de grote kerndorpen te leggen. Woningbouw voor specifieke doelgroepen dient tevens in deze kerndorpen in relatie tot het aanwezige voorzieningenniveau gerealiseerd te worden.

 

Welstandsnota voormalig Wûnseradiel – Herziening (2011)

Voor het plangebied gelden eisen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Deze eisen zijn opgenomen in de “Welstandsnota voormalig Wûnseradiel – Herziening” die op 22 september 2011 is vastgesteld.

 

Makkum, beschermd dorpsgezicht

Het beleid is grotendeels gericht op het beheer van de bestaande situatie. De historisch ruimtelijke structuur is zeer waardevol en gaaf. In veel straten zijn de rooilijnen vrijwel gelijk aan de situatie zoals die voorkomt op kadastrale minuutplan uit circa 1830. Tevens komen in dit gebied veel monumenten voor. De historische kwaliteit, zowel in structurele zin als uit het oogpunt van architectuur, is aanleiding geweest voor aanwijzing van een groot gedeelte van de kern van Makkum tot beschermd dorpsgezicht. Gedurende de jaren zijn op veel panden veranderingen aangebracht. Deze ontwikkelingen gaan nog steeds door en vormen een lichte bedreiging voor het historische bebouwingsbeeld. Vanwege de aanwezige waarden is dit gebied aangemerkt als een beschermd dorpsgezicht. Het accent ligt daarbij op het handhaven en respecteren van de bestaande kwaliteiten. Veranderingen en vernieuwingen dienen derhalve zorgvuldig te worden ingepast.

 

 

 

3.4 Gemeentelijk afweging plan Hamoen

 

 

3.4.1 Uitspraak Raad van State

 

Met ingang van 1 maart 2013 heeft het ontwerp-bestemmingsplan Makkum-Centrum zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn heeft de heer Hamoen een zienswijze ingediend, waarbij de raad wordt voorgesteld om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. In die zin dat een woning op het achterterrein Krommesloot 11 te Makkum kan worden toegestaan.

 

Op 27 juni 2013 heeft de raad besloten het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Hierbij is de zienswijze van de heer Hamoen deels gegrond verklaard. Het vaststellingsbesluit voorziet echter niet in de bouw van een woning.

 

Tegen het besluit van 27 juni 2013 wordt bij brief van 31 oktober 2013, ingekomen bij de Raad van State op 4 november 2014, beroep aangetekend door de heer Hamoen.

 

Het beroep wordt vervolgens door de Afdeling op 4 augustus 2014 behandeld.

 

Op 8 oktober 2014 doet de Afdeling de volgende uitspraak:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigd het besluit van de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân van 27 juni 2013 voor zover daarbij geen bouwvlak is opgenomen voor het perceel achter de woning aan de [locatie] te Makkum;

III. draagt de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het onder II. genoemde perceel en dit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken;

In zijn overwegingen geeft de Afdeling onder andere het volgende aan:

 

4.4“…..Onder verwijzing naar de uitspraken van 21 juli 2010 in zaak nr. 200906283/1/R2 en 17 juli 2013 in zaak nr. 201210659/1/R1 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat het, met het oog op een snelle actualisatie van verouderde bestemmingsplannen, aanvaardbaar kan zijn het uitgangspunt te hanteren om slechts concrete plannen in het bestemmingsplan te verwerken.

Echter, in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is een bestemmingsplan bij uitstek het ruimtelijk instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd en is deze kaderstellend voor verdere ruimtelijke besluitvorming. Het standpunt van de raad dat het opnemen van een bouwvlak ten behoeve van het realiseren van een woning niet bij de vaststelling van het plan aan de orde kan komen, moet dan ook in strijd worden geacht met de systematiek van de Wro

 

Uit de zienswijze en de conceptaanvraag voor een omgevingsvergunning blijkt immers van een concreet initiatief van Hamoen om een woning te realiseren op het perceel achter de Krommesloot 11. Door enkel te verwijzen naar het uitgangspunt geen nieuwe ontwikkelingen mee te nemen in het plan, heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij dit concrete initiatief en daarmee de belangen van Hamoen heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan. Voor zover de raad op basis van de door Hamoen aangeleverde ruimtelijke onderbouwing onvoldoende gegevens had om een afweging te maken, hetgeen hij eerst na het bestreden besluit kenbaar heeft gemaakt, had het op de weg van de raad gelegen om Hamoen in de gelegenheid te stellen nadere gegevens aan te leveren. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vereiste zorgvuldigheid voorbereid.”

 

De Afdeling bevestigt in bovengenoemde overwegingen de vaste rechtspraak die zij hanteert omtrent concrete bouwplannen en de ruimtelijke afweging die de raad in het kader van een bestemmingsplan hierover moet maken. In het bijzonder verwijst de Afdeling onder andere naar de uitspraak van 17 juli 2013, zaak nr. 201210659/1/R1. De Afdeling verwerpt in deze uitspraak, nadrukkelijk, in lijn met eerdere uitspraken, het uitgangspunt van de raad dat alleen bouwplannen in de ruimtelijke afweging worden betrokken, indien daarover afgeronde besluitvorming heeft plaatsgevonden. Dat uitgangspunt is volgens de Afdeling in strijd met het systeem van de Wro. In voornoemde uitspraak worden vervolgens een aantal omstandigheden genoemd waardoor er sprake is van een concreet bouwplan:

  1. voor vaststelling van het bestemmingsplan is een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend;

  2. het gemeentebestuur heeft toegezegd in principe medewerking te willen verlenen aan het bouwplan;

  3. het gemeentebestuur is reeds geruime tijd bekend met de uitbreidingsplannen;

  4. initiatiefnemer heeft een aantal onderzoeksrapporten ter onderbouwing van haar aanvraag overgelegd;

  5. initiatiefnemer heeft het bouwvoornemen nog eens kenbaar gemaakt in haar zienswijze op het bestemmingsplan.

 

De omstandigheden die de Afdeling in voornoemde zaak noemt spitsen zich toe op de casus en lenen zich niet gelijk voor herhaalde toepassing. Toch komen een aantal van de omstandigheden overeen met die van het bestemmingsplan Makkum-Centrum. Zo heeft Hamoen een concept-aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Daarnaast heeft Hamoen zijn bouwvoornemen nog eens kenbaar gemaakt in zijn zienswijze op het bestemmingsplan. Hierdoor is de gemeenteraad tijdig op de hoogte geraakt van de bouwvoornemens en heeft deze voldoende tijd gehad om het initiatief mee te nemen bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

 

Conclusie:

De uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014 is in lijn met de vaste rechtspraak die zij hanteert. Dit heeft tot gevolg dat de gemeenteraad een nieuw besluit moet nemen (bestemmingsplan moet opstellen) voor het perceel achter de woning aan de Krommesloot 11 te Makkum. De gemeenteraad moet het initiatief en de belangen van Hamoen meewegen bij de vaststelling van dit plan.

 

 

3.4.2 Historie (bouw schuur werkplaats)

 

Eind 2010 heeft de heer Hamoen bij de voormalige gemeente Wûnseradiel een aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur/werkplaats op/achter het perceel Krommesloot 11 te Makkum ingediend. De ingediende aanvraag was niet compleet en kon daarom niet goed beoordeeld worden. Om te voorkomen dat de aanvraag geweigerd moest worden, is in overleg met de heer Hamoen de aanvraag omgezet in een vooroverlegplan.

 

Op het moment van indienen van het vooroverlegplan was het Dorpsvernieuwingsplan “Makkum-Kom” van toepassing. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling is dit plan voor het betreffende perceel (nog steeds) van toepassing. Op grond van dit plan rust op het perceel van Hamoen de bestemming ‘woondoeleinden’ met de nadere aanduiding ‘tuincentrum’, bestemd voor een tuincentrum. Het perceel ligt binnen de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht. Op de ruimtelijke inrichtingskaart is een vlak opgenomen met de verklaring ‘overig pand’. In de beschrijving in hoofdlijnen is hierover het volgende opgenomen:

Er mag slechts worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:

  1. de goothoogte, de bouwhoogte en dakvorm van het bestaande hoofdgebouw mogen gehandhaafd blijven;

  2. burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de goothoogte, bouwhoogte, dakvorm en situering van het hoofdgebouw.

 

Op grond van de bestemming ‘woondoeleinden’ mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Verder mogen aan- en uitbouwen en losstaande bergingen uitsluitend gebouwd worden op de gronden aangeduid met ‘te bebouwen erven’. Het gaat daarbij om een oppervlakte van 50 m², een goothoogte van 3 meter en een bouwhoogte van 5,5 meter. In de regels is een binnenplanse ontheffingsmogelijkheid opgenomen waarbij de maximale oppervlakte van aan- en uitbouwen en losstaande bergingen kan worden vergroot tot 100 m2 en dat genoemde gebouwen buiten de aanduiding ‘te bebouwen erven’ mogen worden gebouwd.

 

In het bestemmingsplan is opgenomen dat zowel binnen als buiten het beschermde dorpsgezicht bijgebouwen qua maatvoering en situering ondergeschikt dienen te blijven aan de hoofdbebouwing (Krommesloot 11). Het bouwplan is hiermee in strijd omdat onderhavig gebouw een oppervlakte heeft van ± 100 m², de goothoogte is ± 4,5 meter terwijl de nokhoogte ± 9 meter bedraagt. Daarbij opgemerkt dat op het perceel reeds ondergeschikte bebouwing aanwezig is. Een en ander heeft er in geresulteerd dat het college de heer Hamoen bij brief van 2 februari 2012 heeft medegedeeld dat het vooroverlegplan negatief is beoordeeld.

 

 

3.4.3 Huidig bouwplan (bouw woning)

 

Op 3 mei 2013 is in het kader van vooroverleg (VB) een aanvraag ingekomen voor een woning op de locatie waar in eerste instantie de schuur/werkplaats zou worden gebouwd. De maatvoering van de woning is nagenoeg vergelijkbaar met die van de schuur/werkplaats (zie paragraaf 3.4.2). Op 5 augustus 2013 heeft de gemeente een afwijzend standpunt ingenomen ten aanzien van dit principe-verzoek. De argumentatie wordt hieronder nader toegelicht.

 

Ondanks de afwijzing van het principeverzoek, wordt op 6 maart 2014 een officiële aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de woning.

 

Bij brief van 10 mei 2014 richt de heer Hamoen een verzoek aan de gemeenteraad om het bestemmingsplan Makkum-Centrum partieel te wijzigen, zodanig dat de bouw van de woning mogelijk wordt.

 

In zijn vergadering van 3 juli 2014 heeft de gemeenteraad besloten het verzoek om de bestemming van het betreffende perceel waar de woning gebouwd zou moeten worden, af te wijzen. De volgende motivering ligt hieraan ten grondslag.

 

De bouwlocatie ligt op het achtererfgebied van de woning op het perceel Krommesloot 11 te Makkum en past niet in het bebouwingsbeeld van de Krommesloot, Grote Zijlroede en de Trasmolen. Het feit dat op deze locatie in het verleden een tuincentrum gevestigd is geweest, staat los van de huidige situatie. De kassen van het voormalige tuincentrum zijn al lang geleden gesloopt en het terrein is ingericht als groenstrook of tuin.

 

De beoogde woning heeft/krijgt stedenbouwkundig gezien geen enkele binding met de omliggende percelen. De woning is te hoog en te massaal en verstoort daardoor het stedenbouwkundige beeld. Daarnaast heeft het perceel geen eigen ontsluiting. De enige en beoogde ontsluiting ligt op gemeentegrond.

 

De bouw van de beoogde woning op deze locatie maakt inbreuk op de privacy van de omliggende woningen en schept een ongewenste precedentwerking. De bewoners van de omliggende woningen hebben in 2011 op basis van de eerste planvorming al negatieve reacties gestuurd. Gezien de ligging op het achtererfgebied, kan een vergelijking worden getrokken met het verzoek om een woning te bouwen op een achtererf aan de Kerkstraat 41 ( de gemeenteraad heeft hier destijds niet mee ingestemd en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het ingestelde beroep op 14 mei 2014 ongegrond verklaard).

 

In het woningbouwprogramma is in Makkum één woningbouwlocatie aangewezen, dit betreft “Melkvaart”. Hier kunnen 23 woningen worden gebouwd. Daarnaast zijn er 11 woningen beschikbaar op diverse inbreidingslocaties. Met inbreidingslocaties worden zeker geen bestaande particuliere erven bedoeld. Het gaat dan om ongewenste lege plekken in het straatbeeld van de kernen, die beschikbaar komen door functiewijziging (bijvoorbeeld voormalige schoollocaties).

 

De gemeente heeft de heer Hamoen bij brief van 21 juli 2014, verzonden d.d. 22 juli 2014, op de hoogte gesteld van het standpunt van de gemeenteraad van 3 juli 2014. Tegen dit besluit heeft de heer Hamoen bezwaar gemaakt

 

Gelet op bovenstaande, heeft het college op 30 juli 2014 (verzendatum 5 augustus 2014) besloten voornemens te zijn de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Daarbij is aanvrager is de gelegenheid gesteld om binnen 2 weken een zienswijze in te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Vervolgens is het college overgegaan tot het weigeren van de omgevingsvergunning. Tegen dit besluit heeft de heer Hamoen bij brief van 12 december 2014, ingekomen d.d. 16 december 2014, beroep ingesteld bij de Rechtbank, sector Bestuursrecht.

 

De raad heeft zich dus op 3 juli 2014 op het standpunt gesteld dat aan de bouw van een woning op het achterterrein nabij de woning Krommesloot 11 te Makkum geen medewerking kan worden verleend.

 

In het kader van het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan heeft initiatiefnemer een ruimtelijke onderbouwing ingediend. Initiatiefnemer ziet uit stedenbouwkundig oogpunt perspectief om de bouw van de woning op het achterterrein Krommesloot 11 positief te benaderen. In dat kader worden drie invalshoeken genoemd:

  1. inbreiding in de ruimtelijke structuur van Makkum;

  2. het historisch perspectief gerelateerd aan het “Sloterdijckhuis/Bumaslot “;

  3. het doelmatig gebruik.

 

1.Inbreiding in de ruimtelijke structuur van Makkum

Historisch gezien is het niet ongebruikelijk dat er op binnenterreinen of achtererven woonbebouwing is gerealiseerd. Deze percelen zijn doorgaans via een steeg ontsloten op de openbare weg. Reden daarvoor was vaak de beperkte bouwgrond die op hogere delen voorhanden was. De aanwezigheid van bebouwing op achtererven is ook kenmerkend voor het beschermde dorpsgezicht van Makkum.

 

Reactie gemeente. Het is een feit dat in beschermde dorpsgezichten nog woningen aanwezig zijn op achtererven of binnenterreinen. En daarbij gaat het vooral om locaties waar een dorp of stad zijn oorsprong heeft. In de loop der jaren zijn veel woningen om achterterreinen gesloopt omdat de leefomstandigheden te wensen overlieten. In zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat wonen op achterterreinen niet meer gefaciliteerd wordt. In onderhavige situatie heeft de gewenste woning stedenbouwkundig gezien geen enkele binding met de omliggende woningen die nagenoeg allemaal direct aan de openbare weg liggen.

 

2.Historisch perspectief

Met het verzoek om op deze locatie weer een woning te realiseren, wordt de mogelijkheid geboden om met verwijzing naar het oorspronkelijk gebruik van de kavel een stuk authentiek Makkum te herstellen. Er wordt daarbij verwezen naar een zomerhuis dat onderdeel uitmaakte van het Sloterdijckhuis, later Bumaslot. Dit slot stond op de hoek Grote Zijlroede en de Krommesloot. Het monumentale pand met bijgebouwen zou rond 1877 zijn gesloopt. Vanwege de historie zijn architectonische referenties naar een bijgebouw, tuinmanswoning of historisch verantwoorde opzet in de vormgeving verwerkt. Daarbij gaat men uit van een huis van een beperkte omvang met een lange goot.

 

Reactie gemeente. Historisch gezien blijkt dus dat het perceel destijds als achterterrein in gebruik was. Het perceel maakte onderdeel uit van het Sloterdijckhuis, later Bumaslot. Er ligt dan ook geen historische grondslag voor de bouw van een zelfstandige woning. In dat kader hebben wij dan ook twijfels over de maatvoeringen. De gevraagde woning heeft een oppervlakte van ± 100 terwijl een goothoogte van 4,5 meter van toepassing is.

 

3.Het doelmatig gebruik.

Doordat de kavel zelfstandig is ontsloten door een openbaar pad of steeg, is er een voorwaarde gegeven voor een zelfstandige functie, los van de omringende bebouwing. Daarbij wordt tevens verwezen naar het eerder aanwezige tuincentrum.

 

Reactie gemeente. Het feit dat de kavel kan worden ontsloten en dat ter plaatse een tuincentrum heeft gezeten, geeft nog geen rechtvaardiging om ter plaatse nu een zelfstandige woning te faciliteren. Hoewel het Dorpsvernieuwingsplan op dit moment nog voorziet in een aanduiding ‘tuincentrum’, is dit geen ontwikkeling die wij in de toekomst voorstaan met het oog op de omliggende woonbebouwing. Dat is ook de reden dat dit bestemmingsplan niet opnieuw voorziet in het opnemen van de aanduiding ‘tuincentrum’. Het tuincentrum is beïndigd in de jaren ’60 van de vorige eeuw. De gemeente gaat thans uit van een onbebouwd gebied met ondergeschikte bebouwing. Dat laatste komt overeen met de (historisch) ruimtelijke structuur van het perceel.

 

Tenslotte leeft initiatiefnemer in de veronderstelling dat het plan niet op gespannen voet zou staan met de Welstandsnota, het Woningbouwprogramma en het bestemminsplan Makkum Centrum. Zoals wij hiervoor hebben aangegeven zijn wij de mening toegedaan dat de plannen in strijd zijn met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten. Met betrekking tot de toets aan de Welstandsnota, bestaat nog de behoefte het volgende op te merken.

 

Vanwege de ligging van het perceel binnen de grenzen van het beschermde dorpsgezicht, is het voorgaande plan (schuur/werkplaats) tevens aan de orde geweest bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 10 januari 2012. De Rijksdienst adviseerde toen over de bouw van de werkplaats op het betreffende perceel als volgt.

 

Het plangebied is gelegen op een achtererf van Krommesloot 11, aan de rand van het beschermde dorpsgezicht Makkum. De doelstelling van het beschermde gezicht is gericht op het behouden, versterken en benutten van de aanwezige cultuurhistorische karakteristieken. Het plan voor de bouw van een werkplaats achter de bebouwing aan de Krommesloot is eerder besproken in het Ruimtelijk Planoverleg bij het Steunpunt Monumentenzorg Fryslân (5 oktober 2010).

 

Achterterreinen zijn van oudsher benut voor utilitaire bouwwerken zoals werkplaatsen of opslagloodsen. Nieuwbouw op een achtererf is dus geen onlogische ontwikkeling. Van belang daarbij is wel dat het gebouw zoveel mogelijk ondergeschikt is aan de hoofdmassa aan de straat, en een vormgeving die aansluit bij het utilitaire karakter van en werkplaats.

 

Ten opzichte van eerdere plannen is nadrukkelijk gekeken naar een inpassing die aansluit bij de omgeving. De beoogde nieuwbouw lijkt door zijn opzet en uitwerking (kapvorm, positie openingen) echter nog erg op een traditionele woning. Daarmee zal de hiërarchie tussen formele bebouwing aan de hoofdstraat en informele bebouwing op het achtererf kunnen verwateren. Om die reden is te adviseren het utilitaire karakter bij de ontwerpopgave op deze locatie meer tot uiting te laten komen.

 

Het advies had nog betrekking op de bouw van een werkplaats. Thans gaat het om de bouw van een woning. Daarbij wordt min of meer dezelfde maatvoering gehanteerd als de werkplaats. Het hoeft verder dan ook geen uitgebreid betoog dat deze woning eveneens op zeer gespannen voet staat met het advies van de Rijksdienst. Overigens sluit dit advies naadloos aan op de gemeentelijke argumentatie over deze zaak.

 

 

HOOFDSTUK 4 Randvoorwaarden

 

 

 

4.1 Algemeen

De randvoorwaarden zijn voor een groot deel afkomstig uit het bestemmingsplan Makkum - Centrum waar het plangebied eerst onderdeel van uitmaakte.

 

4.2 Bedrijven en voorzieningen

 

Wet- en regelgeving

Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een omgevingsvergunning milieu te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen, zo veel mogelijk voorkomen.

 

Het gaat hier om een continuering van de bestaande situatie zodat dit onderwerp geen verdere uitwerking behoeft.

 

4.3 Geluidhinder

In 1979 is de Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. De Wgh is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoor- weglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. Deze wet is op 1 januari 2007 voor het laatst gewijzigd. De Wgh bepaalt dat de ‘geluidsbelasting’ op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm. In veel gevallen is deze norm 48 dB, die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

 

Het gaat hier om een continuering van de bestaande situatie zodat dit onderwerp geen verdere uitwerking behoeft.

 

 

 

 

 

 

4.4 Externe veiligheid

 

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door deze activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

 

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.

 

Groepsrisico

Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting.

 

Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi en bijbehorende regeling (Revi) zijn de plaatsgebonden risiconormen en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico met betrekking tot risicovolle bedrijven wettelijk vastgelegd.

  2. Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS): De circulaire is van toepassing op bestemmingsplannen die liggen binnen de invloedsgebieden van transportroutes met vervoer van gevaarlijke stoffen.

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatie waarde voor het groepsrisico.

  4. Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit): Het activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de op- volger van een groot aantal AMvB’s. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden.

 

Verantwoordingsplicht

Voor het groepsrisico gelden, anders dan voor het plaatsgebonden risico, geen grenswaarden maar slechts oriënterende waarden. In bovenstaande besluiten is de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes middels een belangenafweging moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Bij een toename van het groepsrisico moet ten opzichte van de oriëntatiewaarde gekeken worden naar alternatieven, zoals de rol van de brandweer en dergelijke.

 

Risicokaart

De Provinsje Fryslân heeft in het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) een zogenoemde risicokaart2 ontwikkeld. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).

 

 

Onderzoek

Om na te gaan of voor dit bestemmingsplan ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Een kaartfragment hiervan voor het plangebied is in figuur 13 opgenomen. Enkel het aspect risicovolle inrichtingen is voor het plangebied van belang.

 

 [image]

 

Figuur 13. Kaartfragment Risicokaart (Bron: Provinsje Fryslân, 2012)

 

Conclusie

Binnen het plangebied komen geen risicovolle inrichtingen voor. Ook buiten het plangebied zijn in de directe nabijheid geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. Op grond van bovenstaande mag worden geconcludeerd dat externe veiligheid geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan vormt.

 

4.5 Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving

Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de hiervoor gestelde grenswaarden. Een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) wordt als ‘niet in betekenende mate’ beschouwd. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.853 voertuigbewegingen (van personenwagens) per weekdagetmaal leidt.

 

Onderzoek

Met voorliggend actualiserend en conserverend bestemmingsplan worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Vanwege dit bestemmingsplan valt geen toename van verkeersstromen te verwachten. Derhalve vindt geen verslechtering van de luchtkwaliteit plaats. Het plan moet worden beschouwd als ‘niet in betekende mate’ van invloed op de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

 

Conclusie

Dit bestemmingsplan wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.

 

 

4.6 Archeologie

Wet- en regelgeving

In 1992 is het Europees Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland. Het doel hiervan is het veiligstellen van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid, wat betekent dat bij de voorbereiding van bestemmingsplannen meer aandacht moet worden besteed aan de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden en dat een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van die archeologische waarden. Daarbij wordt het veroorzakerprincipe gehanteerd. Dit houdt in dat diegene die mogelijke archeologische waarden in de bodem verstoord financieel verantwoordelijk is voor voldoende onderzoek naar, en het behoud van die, archeologische waarden. Ter implementatie van het Verdrag van Malta is op 1 september 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet regelt onder andere dat er in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Met de inwerkingtreding van de Wamz zijn de Monumenten- wet 1988, de Ontgrondingenwet, de Wet milieubeheer en de Woningwet gewijzigd. Voor een inzicht in archeologische (verwachtings)waarden hanteert de gemeente een uitsnede van de provinciale Friese Archeologische Monumenten- kaart Extra (FAMKE). Hierop wordt aangegeven wat voor het gemeentelijk grondgebied de bekende als wel de te verwachten archeologische waarden zijn. Daarbij worden twee verschillende onderzoeksperioden onderscheiden.

 

 

Steentijd – bronstijd

Figuur 14 toont de provinciale aanbevelingen voor het plangebied ten aanzien van archeologie uit de periode steentijd – bronstijd. Voor het noordelijk deel van het plangebied geldt het advies dat ‘geen onderzoek noodzakelijk’ is bij ruimtelijke ingrepen. Voor het zuidelijke deel van het plangebied geldt ‘karterend onderzoek 3’ bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal 3 boringen per ha en per plan worden gezet.

 

[image]Figuur 14. Kaartfragment FAMKE periode steentijd - bronstijd (Bron: Provinsje Fryslân , 2012)

 

IJzertijd - middeleeuwen

Op figuur 15 is het advies van de FAMKE opgenomen voor de periode ijzertijd- middeleeuwen. Voor het grootste deel van het plangebied geldt een hoge archeologische waarde. Hier geldt het advies ‘streven naar behoud’. Dit betreft namelijk de oude dorpskern van Makkum. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat zich hier vanaf de late middeleeuwen sporen bevinden van het oude dorp Makkum. In principe mogen hier geen ingrepen plaatsvinden, dieper dan 40 cm, die het bodemarchief kunnen schaden. Voor bodemingrepen van minder dan 50 m2 is echter geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

 

 

Voorts wordt in het plangebied een ‘karterend onderzoek 1’ of een ‘karterend onderzoek 2’ wordt geadviseerd. De provincie beveelt ter plaatse van deze gebieden aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 respectievelijk 2.500 m2 in het plangebied een karterend archeologisch onderzoek te verrichten. Hiertoe moeten ten minste 6 boringen per ha en per plan worden gezet. Met name sporen van verkaveling en ontginning uit de periode ijzertijd-middeleeuwen kunnen hier worden verwacht.

 

 

 

[image]Figuur 15. Kaartfragment FAMKE periode ijzertijd - middeleeuwen (Bron: Provinsje Fryslân , 2012)

 

Regeling in dit bestemmingsplan

Aangezien onderhavig bestemmingsplan actualiserend en conserverend van aard is en er dientengevolge geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, is nader archeologisch onderzoek ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan niet noodzakelijk. Dit geldt met name voor de verwachtingzones ‘karterend onderzoek 1 en 2’, die pas vanaf ingrepen van 500 m2 gaan spelen. Hiervoor zou een bestemmingsplanwijziging of een projectafwijking noodzakelijk zijn. Derhalve zijn deze zones niet op de verbeelding opgenomen.

 

Voor de zone ‘streven naar behoud’ geldt echter een vrijstellingsgrens van maximaal 50 m2, waardoor binnen het voorliggende bestemmingsplan wel ingrepen mogelijk kunnen zijn. Voor deze zone is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen.

 

Conclusie

Dit bestemmingsplan mag gelet op bovenstaande en de getroffen beschermingsregeling op het onderdeel archeologie uitvoerbaar worden geacht.

 

 

4.7 Cultuurhistorie

 

 

Wet- en regelgeving

De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van art. 3.6.1, lid 1 van het Bro geleid. Ieder ruimtelijk plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Zover hier sprake van is, dient daarnaast aangegeven te worden op welke wijze met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

 

Onderzoek

Op de CHK2 van de Provinsje Fryslân is informatie opgenomen over cultuurhistorische waarden. Naast het eerder in hoofdstuk 2 omschreven beschermde dorpsgezicht en de diverse aanwezige monumenten blijkt uit de CHK2 dat in het plangebied ook diverse overige historisch-geografische aspecten van belang zijn, zoals een tweetal voormalige vestingwerken (schansen), een state, twee voormalige zuivelfabrieken, de zeedijk, de Grutte Sylroede en Lytse Sylroede als vaarweg, enkele kerken, een boerderijplaats, wederopbouwwijkjes uit de jaren ’50 van de vorige eeuw en een buurtje in de architectuurstijl Delfts Rood. Daarnaast is in de periode van ongeveer 1870 tot 1950 een tramweg door het centrum van Makkum aanwezig geweest.

 

 [image][image]

Figuur 16. Fragment Cultuurhistorische Kaart Fryslân 2

(Bron: Provinsje Fryslân, 2012)

 

Dit bestemmingsplan is gericht op het actualiseren en conserveren van de bestaande situatie in het plangebied. De historisch-geografische karakteristiek van het plangebied hangt nauw met de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van Makkum samen. De gemeente is zich bewust van de historische waarde van het plangebied. Mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen worden derhalve met zorg ingepast waarbij cultuurhistorische structuren en waarden niet of zo min mogelijk worden doorbroken en aangetast.

 

Wat betreft archeologie is reeds in voorgaande paragraaf de in dit bestemmingsplan opgenomen beschermingsregeling omschreven. Ten aanzien van cultuurhistorie zijn de volgende beschermingsregelingen in dit bestemmingsplan getroffen.

 

 

Regeling in dit bestemmingsplan

 

Beschermd dorpsgezicht

Het plangebied is aangewezen als beschermd dorpsgezicht (zie paragraaf 2.3). Hiertoe is een gebiedsaanduiding “beschermd dorpsgezicht” op de verbeelding opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is de bestemming in kwestie mede gericht op het behoud en herstel van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het dorpsgezicht, zoals weergegeven in de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Makkum als beschermd dorpsgezicht. Dit aanwijzingsbesluit is als bijlage bij de regels opgenomen.

 

In de gemeentelijke welstandsnota is daarnaast vastgelegd dat het beleid in het beschermde dorpsgezicht grotendeels gericht is op het handhaven en respecteren van de bestaande kwaliteiten. Eventuele veranderingen en vernieuwingen binnen de regels van dit bestemmingsplan dienen zorgvuldig te worden ingepast. Hier ziet de welstandsnota op toe.

 

Conclusie

Dit bestemmingsplan is actualiserend en conserverend van aard; bestaande ruimtelijke structuren worden niet gewijzigd. Er worden dan ook geen cultuurhistorische waarden als gevolg van dit bestemmingsplan aangetast. Daarnaast zijn diverse beschermingsregelingen ten aanzien van cultuurhistorie met dit getroffen. Dit bestemmingsplan mag uit cultuurhistorisch oogpunt derhalve uitvoerbaar worden geacht.

 

 

4.8 Bodem

 

Wet- en regelgeving

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan.

 

Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico’s voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel worden voorkomen.

 

Onderzoek

Op de kaart van het Bodemloket is zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem. Het bodemloket biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die zijn uitgevoerd. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar ‘verdachte’ werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. In figuur 17 is het kaartfragment voor het plangebied van de bodemkaart opgenomen. Ook voor onverdachte terreinen geldt overigens dat bodemverontreiniging kan worden aangetroffen, omdat altijd activiteiten kunnen hebben plaatsgevonden die tot verontreiniging van de bodem hebben geleid en die thans niet bekend zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 [image][image]

 

 

Figuur 17. Fragment bodemadvieskaart

(Bron: Bodemloket, 2012)

 

Op de kaart is zichtbaar dat in het plangebied op verschillende plaatsen bodemonderzoek is uitgevoerd, dat nog in procedure is. Ook is in het plangebied bodemonderzoek uitgevoerd waarvoor geen vervolg nodig is geweest. Diverse locaties zijn gesaneerd. Ter plaatse van het plangebied zijn voorts enkele historische activiteiten bij het bodemloket bekend die kunnen wijzen op verontreiniging van de bodem.

 

In het kader van in de toekomst uit te voeren projecten binnen de regels van dit bestemmingsplan zal daar waar nodig nader onderzoek moeten worden ver- richt. In de voorbereiding- en uitvoeringsfase moet daarom rekening worden gehouden met verkennend of actualiserend bodemonderzoek en het werken in en het afvoeren van licht tot sterk verontreinigde grond. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt hierdoor echter op voorhand niet door onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit van de bodem belemmerd.

 

Om er bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende zeker van te zijn dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, is het in het kader van het traject van een omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk dat er een vooronderzoek uitgevoerd wordt, conform de NEN 5725. Als uit de resultaten van het vooronderzoek geen zaken naar voren komen die een verdenking van bodemverontreiniging veroorzaken, kan worden volstaan met een dergelijk vooronderzoek. Als er wel verdenkingen van bodemverontreiniging zijn, dan dient een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 te worden uitgevoerd. Dergelijk onderzoek dient voorafgaand aan bouw- en graafwerkzaamheden plaats te vinden. Het uitvoeren van het vooronderzoek, en indien noodzakelijk een verkennend bodemonderzoek, is een voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen in werking kan treden.

 

Conclusie

Voorliggend plan is zoals reeds genoemd een conserverend en actualiserend plan. Naast reeds toegelaten reguliere perceelsgebonden bouwmogelijkheden worden er geen nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied mogelijk gemaakt. Geconcludeerd kan worden dat de status quo met betrekking tot bodemverontreiniging in het plangebied acceptabel is. De aanwezigheid van (potentieel) vervuilde locaties vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

 

 

4.9 Ecologie

 

Wet- en regelgeving

In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving. Juridisch en beleidsmatig strekken de planologisch relevante natuur- en landschapsaspecten zich uit over soortenbescherming en gebiedsbescherming.

 

De soortenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Ffw). De Ffw is gericht op het beschermen en het behouden van de goede staat en de instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten en hun directe leefomgeving. Uitgangspunt hierbij is het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat werkzaamheden en dergelijke in beginsel niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hier op grond van een vrijstelling of ontheffing van worden afgeweken. In de Ffw is onder andere bepaald dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten te handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna, gedwongen is dergelijk handelen of nalaten achterwege te laten. Dit voor zover dit in redelijkheid van hem kan worden gevraagd. Diegene moet alle maatregelen nemen die in redelijkheid van hem kunnen worden gevraagd om die nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

 

De Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden. In de Nbw zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Onder de Nbw zijn drie typen gebieden aangewezen en beschermd: Natura 2000-gebieden, Staats- en Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands. Verder is deze wet de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is geregeld. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. De EHS is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân 2007.

 

In het kader van de gebiedsbescherming heeft het plangebied te maken met (aangrenzende) beschermde gebieden, namelijk de Friese IJsselmeerkust en IJsselmeer (Natura 2000-gebieden) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

 

 [image]

Figuur 18. Ligging Natura 2000-gebied (rood) en EHS (groen) nabij Makkum

 

Onderzoek

Alhoewel voorliggend plan een beheersplan betreft waarin geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, is ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan in verband met art. 3.1.6. Bro wel aandacht besteed aan de natuurwet- en regelgeving. Met betrekking tot de natuurwet- en regelgeving heeft een inventarisatie van beschermde natuurgebieden (Nbw en EHS) plaatsgevonden en is een inschatting gemaakt van het voor- komen van beschermde soorten (Ffw). Daarnaast is aangegeven wanneer eventueel overtredingen van verbodsbepalingen plaatsvinden.

 

Gebiedsbescherming

Inventarisatie

Het dichtstbijzijnde beschermde gebied in het kader van de Nbw betreft het Natura 2000-gebied IJsselmeer. Dit gebied ligt ongeveer 200 m ten westen van het plangebied. Het IJsselmeergebied is eveneens het meest nabij gelegen beschermde gebied in het kader van de EHS. De begrenzing in het kader van de EHS ligt nog iets dichter nabij het plangebied. Nabij Makkum gaat het om de deelgebieden Makkumer Noardwaard en Súdwaard. Overige beschermde gebieden liggen op meer dan 4,5 km (Waddenzee) afstand van het plangebied.

 

De Makkumer Noardwaard en Súdwaard bestaan uit brede, ondiepe oeverzones, kale en begroeide zandplaten, schelpenbanken, moerassen, rietvelden, schraalgrasland, wilgenstruweel en -bos.

 

Hieronder worden de habitattypen en soorten genoemd waarvoor het Natura 2000-gebied IJsselmeer is aangewezen.

  • Habitattypen van de Habitatrichtlijn: kalkhoudende oligomesotrofe wateren met op de bodem zittende draadwiervegetaties, voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en overgangs- en trilveen.

  • Diersoorten van de Habitatrichtlijn: rivierdonderpad, meervleermuis, noordse woelmuis en groenknolorchis.

  • Broedvogels van de Vogelrichtlijn: aalscholver, roerdomp, lepelaar, bruine kiekendief, porseleinhoen, bontbekplevier, kemphaan, visdief, snor en rietzanger.

  • Niet-broedvogels van de vogelrichtlijn: fuut, aalscholver, lepelaar, kleine zwaan, toendrarietgans, kleine rietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, bergeend, smient, krakeend, wintertaling, wilde eend, pijl- staart, slobeend, tafeleend, kuifeend, topper, brilduiker, nonnetje gro- te zaagbek, meerkoet, kluut, goudplevier, kemphaan, grutto, wulp, dwergmeeuw, reuzenstern en zwarte stern.

 

 

Effecten

Bestaand gebruik is niet vergunningplichtig in het kader van de Nbw (wetswijziging van 29 december 2008). In het kader van externe werking is aandacht nodig voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen en belangrijke vliegroutes van meervleermuis. Bij soortenbescherming wordt hierop verder ingegaan. Aangezien er geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, zullen er als gevolg van het bestemmingsplan geen negatieve effecten op beschermde natuurwaarden optreden.

 

Conclusie

Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en de aard van het plan zijn er geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten.

 

Soortenbescherming

Achter de Ffw staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Deze soorten worden opgesomd in de ‘lijsten beschermde inheemse planten- en diersoorten’. Deze zorgplicht betekent dat een ontheffing van het verbod op verstoren (of erger) alleen kan worden verleend, als geen afbreuk wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. Deze voorwaarde geldt voor alle beschermde soorten.

 

De Algemene Maatregel van Bestuur ex artikel 75 van de Ffw van 23 februari 2005, kent een driedeling voor het beschermingsniveau van planten- en dier- soorten. In een toelichting zijn deze soorten opgenomen in tabellen. Voor soorten uit tabel 1 (licht beschermd) geldt een vrijstellingsregeling van de ver- boden. Voor soorten uit tabel 2 (middelzwaar beschermd) en voor vogels geldt een vrijstelling als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Als niet wordt gewerkt volgens een gedragscode, kan voor de soorten uit tabel 2 ontheffing van de verboden worden verleend als geen sprake is van economisch gewin en als zorgvuldig wordt gehandeld. Voor de soorten uit tabel 3 (strikt beschermd) kan bij ruimtelijke ontwikkeling niet altijd ontheffing worden verleend. Er mag dan geen afbreuk worden gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort, er moet afhankelijk van de soort een in de wet of in de richtlijn genoemde reden zijn en een redelijk alternatief voor de ingreep moet ontbreken. Ook voor het verstoren van vogels geldt dat een ontheffing meestal niet verleend kan worden. Er moet dan met mitigatie van een ecologisch werkprotocol voor de ingreep worden gewerkt.

 

Bronnen

Bekende gegevens

Bij Het Natuurloket is (d.d. 13 april 2010) een rapportage opgevraagd van de kilometerhokken waarin Makkum ligt. Naast Het Natuurloket zijn Natuurwaardenonderzoeken geraadpleegd die zijn opgesteld voor ruimtelijke plannen welke gelegen zijn in de omgeving van het plangebied.

 

Inventarisatie

Binnen het plangebied kunnen de strikt beschermde gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis verwacht worden. Deze soorten kunnen hier verblijfplaatsen bewonen in gebouwen en oudere bomen. Uit de geraadpleegde bronnen komen alleen vastgestelde verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis uit de directe omgeving naar voren. Als gevolg van sloop en verbouwing van gebouwen en het verwijderen van op- gaand groen kunnen dieren gedood worden en verblijfplaatsen en foerageergebied verloren gaan. De watergangen de Grutte Sylroede en Kromme Sleat zullen voor meervleermuis en watervleermuis van belang zijn als vliegroute. Beide soorten zijn gevoelig voor verstoring als gevolg van overmatige verlichting van hun vliegroutes.

 

In genoemde watergangen kunnen ook de strikt beschermd bittervoorn en middel zwaar beschermde kleine modderkruiper verwacht worden. Beide soorten zijn op verschillende plaatsen in de omgeving aangetroffen. Als gevolg van onder meer baggerwerkzaamheden aan watergangen, het beschoeien van oevers en het dempen van watergangen kunnen exemplaren gedood worden en leefgebied verstoord worden. Onder dakpannendaken van gebouwen zullen vogelsoorten, zoals huismus en gierzwaluw, tot broeden komen. In het opgaand groen kunnen broedvogels zoals heggenmus, houtduif, merel en roodborst verwacht worden. Bij onder meer sloop en renovaties van gebouwen met dakpannendaken en het verwijderen van opgaand groen kunnen nestplaatsen verstoord worden of verloren gaan.

 

Verder kunnen licht beschermde soorten zoals bruine kikker, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, huisspitsmuis, veldmuis en zwanenbloem binnen het plangebied verwacht worden. Met name bij grondwerkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden.

 

Het voorkomen van overige in de omgeving bekende middelzwaar en strikt beschermde soorten zoals noordse woelmuis, waterspitsmuis, brede orchis, riet- orchis en vleeskleurige orchis worden op basis van biotoopeisen niet direct binnen het plangebied verwacht.

 

 

Effecten

Aangezien er geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt zullen er als gevolg van het plan geen negatieve effecten op beschermde soorten optreden.

 

Conclusie

Nieuwe ontwikkelingen in het plangebied worden hoofdzakelijk mogelijk gemaakt door middel van het verlenen van binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan of het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Het betreft in alle gevallen particulier initiatief, waarbij de natuurwetgeving een zelfstandige werking heeft. De ontwikkelingen die binnen dit bestemmingsplan mogelijk zijn, zijn van een dusdanige geringe omvang dat deze geen bedreiging zullen vormen voor de gunstige staat van instandhouding van binnen het bestemmingsplangebied voorkomende soorten. De aanwezige licht beschermde soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Ffw.

 

Het is verboden nesten van vogels (indien nog in functie) te vernietigen of te verstoren. Met betrekking tot uitvoering van werkzaamheden dient derhalve rekening te worden gehouden met het broedseizoen. De Ffw kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het is van belang of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. De nestplaatsen van huismus en gierzwaluw zijn, in tegenstelling tot die van de meeste vogelsoorten, het gehele jaarrond beschermd. Deze jaarronde bescherming geldt ook voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Niet te voorkomen verstoring en vernietiging van dergelijke jaarrond beschermde verblijfplaatsen zal gemitigeerd en gecompenseerd moeten worden. Dit geldt ook voor verstoring of vernietigen van het leefgebied waterpartijen van bittervoorn en kleine modderkruiper.

 

Bij gebruikmaking van vergunningsvrije ingrepen of uitbreidingsmogelijkheden bij recht, is de initiatiefnemer gebonden aan de wetgeving zoals vastgelegd in de Ffw. Gezien het voorkomen van enkele zwaar(der) beschermde soorten binnen het bestemmingsplangebied dient derhalve bij ruimtelijke ontwikkelingen alsnog een uitgebreider onderzoek in het kader van de Ffw te worden uitgevoerd.

 

Uitvoerbaarheid

Gelet op voorgaande mag dit bestemmingsplan wat betreft ecologie uitvoerbaar worden verondersteld.

 

 

 

 

 

4.10 Water

 

Wet- en regelgeving

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.

 

Waterwet en Nationaal waterplan

De Waterwet, die per 22 december 2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van waterwetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. De NWP bevat de hoofddoelstelling voor waterbeheer in Nederland en is de vervanger van de Vierde Nota Waterhuishouding en alle voorgaande nota’s hieromtrent. Het NWP is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening en is opgesteld voor de planperiode 2009-2015. Het NWP gaat uit van integraal waterbeheer en van een watersysteembenadering. Het hoofd- thema is ‘Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst’. Het NWP beoogt te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het beleid richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en andere vormen van gebruik van water. In het NWP is beleid opgenomen voor het IJsselmeergebied, de Noordzee en de stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water. Daarnaast bevat het NWP, naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008, beleid over maatregelen die genomen moeten worden vanwege de verwachte klimaatsveranderingen.

 

 

Een voor dit bestemmingsplan belangrijk onderdeel van het NWP is uiteraard het beleid dat voor het IJsselmeergebied is opgenomen. Voor het IJsselmeergebied wordt uitgegaan van het behouden en versterken van de kernkwaliteiten natuur, (water)landschap en cultuurhistorie. Nieuwe ontwikkelingen in het gebied moeten daarom zorgvuldig worden ingepast. Overheden, maatschappelijke organisaties en private partijen maken plannen voor nieuwe buitendijkse ontwikkelingen, voor wonen, werken, recreatie, infrastructuur en windenergie. Meestal gaat het om kleinschalige ontwikkelingen verspreid over het gebied. Op een aantal plekken gaat het ook om grootschaliger initiatieven voor stedelijke ontwikkeling in en aan het water, zoals de gebiedsontwikkeling in de regio Amsterdam-Almere.

 

Buitendijkse ontwikkelingen moeten een toegevoegde waarde hebben voor de bestaande kernkwaliteiten en karakteristieken van het bestaande (water)landschap. Verrommeling moet worden voorkomen door bijvoorbeeld de bestaande zichtlijnen niet te doorbreken. Naast esthetische voorwaarden is het belangrijk om bij buitendijkse ontwikkelingen te streven naar versterking van ecologie en veiligheid. Dit kan door in het ontwerp aandacht te besteden aan overgangen van land naar water. Bij buitendijkse bebouwing moet aansluiting met bestaande bebouwing en infrastructuur worden gezocht. Hierbij zijn een goede inpasbaarheid en de maatvoering van bebouwing de te overwegen factoren.

 

Om tegemoet te komen aan de groeiende zoetwatervraag voor de korte termijn zal het kabinet in 2013 een nieuw peilbesluit nemen voor het IJsselmeergebied. Bij dit peilbesluit zal het vaste streefpeil, voor zover de huidige infrastructuur het toelaat, vervangen worden door een bandbreedte waarbinnen het waterpeil mag fluctueren. Een combinatie van opzetten en uitzakken wordt mogelijk, waardoor meer water beschikbaar komt voor de zoetwatervoorziening. De bovengrens van de bandbreedte zal maximaal 0,30 m boven het huidige zomerstreefpeil (van NAP -0,20 m) liggen. Met dit peilregime is de zoetwatervoorziening voor de korte termijn gewaarborgd zonder dat daarvoor aanpassingen aan dijkhoogten noodzakelijk zijn.

 

 

Met de inwerkingtreding van de Waterwet is tevens de Watervergunning van kracht geworden. Watervergunning (en/of Keurontheffing) van Wetterskip Fryslân als waterbeheerder is nodig voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen en wegen in het beheer van het water- schap, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater. Daarnaast is Rijkswaterstaat IJsselmeergebied voor bepaalde (buitendijkse) handelingen en werkzaamheden bevoegd gezag en vergunningverlener.

 

Provinciaal waterbeleid

In het Waterhuishoudingsplan (WHP) van de Provinsje Fryslân en het Waterbeheerplan (WBP) van Wetterskip Fryslân staat vermeld hoe de provincie en het waterschap vorm willen geven aan het waterbeheer in de periode 2010-2015. In het WHP staan doelen die de Provinsje Fryslân in de planperiode wil bereiken. Het plan geeft kaders voor het waterbeheer, dat door het waterschap, gemeenten en andere partijen wordt uitgevoerd. In het WBP staan de maatregelen die Wetterskip Fryslân van 2010-2015 neemt om het watersysteem op orde te houden en te verbeteren. Waterveiligheid, voldoende water en schoon water. Deze drie thema's vormen de basis voor het waterbeheer in Fryslân.

 

Onderzoek/Wateradvies

In het kader van het bestemmingsplan is een watertoets aangevraagd. Per mail van 18 maart 2015 heeft Wetterskip Fryslân gereageerd.

 

Conclusie

Vooropgesteld dient te worden dat het onderhavig bestemmingsplan een conserverend plan is. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De gemeente volgt de wettelijk gestelde eisen die door Wetterskip Fryslân aan het wateraspect in het plangebied zijn gesteld. Er bestaan voor het aspect water geen belemmeringen ten aanzien van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan mag uitvoerbaar worden geacht.

 

HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting

 

5.1 Algemeen

 

Wro, Bro en SVBP

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (in werking getreden per 1 juli 2008) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP2008) (in werking getreden op 1 januari 2010) toegepast.

 

De SVBP2008 bevat een aantal voorschriften dat moet worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit onder meer dat niet meer wordt gesproken van voorschriften maar van regels. Tevens zijn er een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in het artikel aangaande begrippen. Ook schrijft de SVBP2008 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan de wijze van meten. In het Bro is een formulering opgenomen ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht. Deze teksten zijn neergelegd in de planregels.

 

Wabo en Bor

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. De invoering van de Wabo en het Bor heeft grote gevolgen voor het ruimtelijk omgevingsrecht zoals dat nu geldt op grond van de Wro. Met de inwerkingtreding van de Wabo is de Wro deels vervallen en opgegaan in de Wabo.

 

In de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning geïntroduceerd en geregeld. In de omgevingsvergunning zijn de verschillende toestemmingen voor locatiegebonden activiteiten geïntegreerd, waarbij sprake is van een samenloop met andere locatiegebonden activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook de ontheffingen die in een bestemmingsplan zijn geregeld, zijn na 1 oktober 2010 vervangen door de omgevingsvergunning. Dit geldt ook voor de aanlegvergunning. Het algemene gebruiksverbod dat is opgenomen in artikel 7.10 Wro is komen te vervallen en is vervangen door het algemene gebruiksverbod dat is opgenomen in artikel 2.1 Wabo. Voor een gebruik in strijd met een bestemmingsplan is een omgevingsvergunning vereist.

 

Door de komst van de Wabo en het Bor zijn een aantal begrippen uit de Wro vervallen (onder andere ontheffing en aanlegvergunning); deze begrippen worden ook in de RO-standaard SVBP2008 gebruikt. In september 2010 zijn er werkafspraken met betrekking tot de SVBP2008 gepubliceerd. Het voorliggende plan is aangepast aan de werkafspraak september 2010 SVBP2008. Zo wordt er niet meer gesproken over ontheffingen, maar over afwijkingen. De in het overgangsrecht genoemde bouwvergunning is vervangen door een omgevingsvergunning voor het bouwen.

 

 

 

 

5.2 Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:

 

Voorbereidingsfase

Door burgemeester en wethouders wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.3.1. van het Bro (in Huis aan Huis en via de website) kennis gegeven van het voornemen om dit bestemmingsplan te herzien. De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan vervolgens onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro haar voornemen (vaak in de vorm van een voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook biedt de gemeente eventueel de mogelijkheid om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. De gemeente geeft een reactie op de overleg- en inspraakreacties. De uitkomsten hiervan worden vermeld in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan en voor zover noodzakelijk verwerkt in regels en verbeelding.

 

Terinzageleggingsfase

Na de aankondiging in de Staatscourant, in ten minste één plaatselijk dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en op de internetpagina van de gemeente, wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.

 

Vaststellingsfase

Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.

 

Beroepsfase

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vast- stellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

 

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

 

5.3 Toelichting op de regels

 

In deze paragraaf is een toelichting op de juridische regels behorende bij het plan gegeven. Voor de diverse bestemmingen is aangegeven welke doeleinden worden nagestreefd. Bovendien is aangegeven op welke gronden de onderscheiden bestemmingen van toepassing zijn. Overigens gelden naast de directe bestemmingen ook een aantal dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen die naast de daadwerkelijke functie van de gronden ook andere belangen planologische bescherming bieden.

 

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Artikel 1: Begrippen

In artikel 1 worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Een deel van deze begrippen is voorgeschreven in de SVBP2008.

 

Artikel 2: Wijze van meten

De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is voor een belangrijk deel voorgeschreven in de SVBP2008. Deze regels zijn overgenomen in artikel 2 van dit bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

Het beleid in dit bestemmingsplan is gericht op handhaving van de bestaande functies. Dit komt ook tot uitdrukking in de bestemmingen zoals deze in de regels zijn opgenomen en op de verbeelding zijn weergegeven.

 

Artikel 3: Wonen

 

Voor woonfuncties in het plangebied is de bestemming “wonen” opgenomen. Het gebruik van deze gronden is gericht op het wonen. Bij onderhavig plangebied moet wel de kanttekening worden geplaatst dat het hier om achtererfgebied gaat. In dat kader zijn binnen het plangebied alleen zogenaamde bijbehorende bouwwerken toegestaan. Het realiseren van een zelfstandige woning is uitgesloten. Dat is ook de reden dat binnen het plangebied geen bebouwingsvlak is opgenomen.

 

In het bestemmingsplan geldt voorts een afzonderlijk beschermingsbeleid ten aanzien van bouwen. Binnen het plangebied zijn geen specifieke bouwaanduidingen opgenomen. Dat laat echter onverlet dat moet worden gestreefd naar het behoud van cultuurhistorische waarden zoals omschreven in de bijlage ‘aanwijzing Makkum tot beschermd dorpsgezicht’.

 

 

 

 

Voor het verlenen van omgevingsvergunning voor het afwijken van het be- stemmingsplan en het toepassen van wijzigingsbevoegdheden geldt ook een beschermend beleid, in die zin dat deze bevoegdheden niet worden toegepast wanneer dit leidt tot een onevenredige aantasting van de ruimtelijke en cultuurhistorische waarden van het beschermd dorpsgezicht.

 

Artikel 4: Waarde – Archeologie 1

Het plangebied is middels een dubbelbestemming tevens bestemd als ‘Waarde – Archeologie 1’. Binnen deze bestemming is bouwen verboden en zijn diverse verstorende activiteiten gekoppeld aan een aanlegvergunningstelsel.

 

Artikel 5: Waarde - Beschermd dorpsgezicht

De dubbelbestemming 'Waarde - beschermd dorpsgezicht' is opgenomen om de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het dorpsgezicht Makkum te beschermen. Het beleid is gericht op het behoud en herstel van de ruimtelijke en cultuurhistorische waarden van het dorpsgezicht zoals die in de onderbouwing van het besluit tot aanwijzing van Makkum als beschermd dorpsgezicht zijn aangegeven. Deze onderbouwing is als bijlage bij de regels opgenomen. Op het beschermd dorpsgezicht van Makkum is in paragraaf 2.2.1 nader ingegaan.

 

Hoofdstuk 3: Algemene regels

 

Artikel 6: Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.

 

Artikel 7: Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval strijdig is met de in de regels gegeven bestemmingsomschrijvingen.

 

 

Artikel 8: Algemene afwijkingsregels

De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren.

 

Artikel 9: Algemene wijzigingsregels

Binnen de algemene wijzigingsregels is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Dit om het plan te kunnen wijzigen ten behoeve van het bouwen bouwwerken van openbaar nut, met een maximum inhoud van 400 m3 en een maximum bouwhoogte van 4 meter.

 

 

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

 

Artikel 10 en 11: Overgangsrecht en slotregels

De in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht is opgenomen in deze regels.

 

 

5.4 Overige aspecten

Additionele voorzieningen

In dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidswerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld.

 

Kamperen

Kamperen op reguliere of kleinschalige kampeerterreinen in het plangebied, wordt met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. In het op 25 mei 2009 vastgestelde facetbestemmingsplan Openluchtrecreatie is nader ingegaan op het kampeerbeleid dat vanaf 1 januari 2008 van kracht is geworden in verband met de intrekking van de Wet op de Openluchtrecreatie op die datum. Het facetbestemmingsplan is in dit bestemmingsplan verwerkt.

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid

 

6.1 Economische uitvoerbaarheid

 

Wet- en regelgeving

In het kader van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden opgesteld indien er sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Dit is anders indien de kosten bij de vaststelling van het bestemmingsplan anderszins zijn verzekerd. Dan vervalt deze verplichting. De gemeenteraad moet wel expliciet besluiten dat een exploitatieplan niet wordt vastgesteld, omdat de uitvoerbaarheid anderszins verzekerd is.

 

Onderzoek

Dit bestemmingsplan is een actualiserend en conserverend plan. Dit houdt in dat de huidige bestaande situatie in het plangebied is inbestemd. Met dit bestemmingsplan worden geen grootschalige nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bij recht in het plangebied mogelijk gemaakt. Kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied kunnen plaatsvinden door middel van het bij omgevingsvergunning afwijken van de bouw- of gebruiksregels. Dit betreft in alle gevallen particulier initiatief waaraan in beginsel geen kosten voor de gemeente zijn verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen voor omgevingsvergunning. Deze kosten worden door middel van leges gedekt.

 

Na vaststelling van het bestemmingsplan zijn planschadekosten de enige kosten die verder nog uit dit bestemmingsplan kunnen voortkomen. Planschadekosten zijn op voorhand niet uit te sluiten. De gemeente zal daarom bij iedere aanvraag bezien of er planschade kan ontstaan. Indien dit het geval kan zijn, zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten, zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wro. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap de planschadekosten moet betalen die gemaakt worden in het belang van de aanvrager.

 

Gezien het bovenstaande is een exploitatieplan voor dit bestemmingsplan niet nodig. Mochten zich in de toekomst toch ontwikkelingen voordoen waarbij de gemeente kosten moet maken, dan zullen die uitsluitend onder de wijzigingsbevoegdheden vallen. Er zal dan eerst worden bezien of er een kostenverhaal- overeenkomst kan worden gesloten. In het uiterste geval kan worden overwogen om bij wijzigingsbevoegdheden een exploitatieplan vast te stellen. Dat is geen uitgangspunt en gezien de ontwikkelingsmogelijkheden ook niet de verwachting.

 

Conclusie

Voorgaande betekent dat de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

 

 

 

 

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

 

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het bestemmingsplan Makkum - Centrum, waar het voorliggend plangebiedje onderdeel van uitmaakte, op 14 november 2012 naar verschillende maatschappelijke instanties verstuurd. De in kennis gestelde instanties zijn tot 12 december 2012 in de gelegenheid gesteld om een reactie op het plan in te dienen. Hierop zijn drie reacties binnengekomen. Deze reacties uit het vooroverleg zijn als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan opgenomen. In het hiernavolgende is nader op deze reacties ingegaan.

 

De reacties hebben in principe ook betrekking op onderhavig bestemmingsplan. Te meer nu de planologische situatie ongewijzigd is ten opzichte van het bestemmingsplan

 

1. Brandweer Fryslân

Brandweer Fryslân heeft per brief van 4 december 2012 op het plan gereageerd. Geadviseerd wordt om conform artikel 13 Besluit externe veiligheid inrichtingen een verantwoording van het groepsrisico op te stellen, waarin de door Brandweer Fryslân aangereikte conclusies uit de overlegreactie kunnen worden meegenomen. De toelichting van het bestemmingsplan moet op dit punt worden aangepast.

 

Reactie

De reactie van de Brandweer Fryslân heeft geen betrekking op onderhavig plangebied.

 

2. N.V. Nederlandse Gasunie

N.V. Nederlandse Gasunie heeft per mail van 15 november 2012 op het plan gereageerd. Gasunie geeft aan dat toetsing van het plan aan het huidige ex- terne veiligheidsbeleid heeft plaatsgevonden betreffende de aardgastransport- leidingen van Gasunie. Uit deze toetsing blijkt dat het plangebied buiten de 1%-letaliteitgrens van de meest nabij gelegen leiding valt. Deze leiding heeft derhalve geen invloed op verdere planontwikkeling.

 

Reactie

De door Gasunie ingediende reactie geeft geen aanleiding om het plan aan te passen en is ter kennisgeving aangenomen.

 

3. Provinsje Fryslân

Provinsje Fryslân heeft per brief van 15 januari 2013 op het plan gereageerd. Provinsje Fryslân geeft aan dat de provinciale belangen op juiste wijze in het plan zijn verwerkt, behoudens één onderdeel:

 

 

 

 

 

Opmerking: Archeologie (cat. 2 )

Wat betreft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ is in de planregels (art. 13.2 en 13.3) als maat 40 cm gehanteerd waar beneden bodemingrepen niet zonder meer zijn toegestaan. Volgens de systematiek van FAMKE is een maat van 30 cm evenwel gewenst. Een afwijking hiervan zou gemotiveerd moeten worden. Geadviseerd wordt de maatvoering op 30 cm te zetten.

 

Reactie

Gemeenten mogen zelf bepalen welke diepte zij hanteren als vrijstellingsdiepte. De gemeente Súdwest-Fryslân hanteert in haar Erfgoedverordening een diepte van 40 cm als vrijstellingsgrens. De Erfgoedverordening is op 24 januari 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Ten opzichte van de modelverordening, zoals de ambtelijke werkgroep archeologie van de Vereniging Friese Gemeenten deze nader heeft uitgewerkt in overleg met de Provinsje Fryslân, is er een aanpassing van de maximale vrijgestelde diepte doorgevoerd. Zo is de toegestane verstoringsdiepte iets verruimd en van 30 cm naar 40 cm gegaan, dit om onnodig onderzoek te voorkomen. Doorgaans blijkt namelijk dat de archeologische lagen dieper zitten dan deze 30 cm. Daar waar duidelijk is op grond van uitgevoerd archeologisch onderzoek dat ingrepen tot een diepte van 40 cm de archeologische waarden wel onevenredig onherstelbaar aan zullen tasten, kan de gemeente kiezen voor een strenger regime. Mocht anderzijds op grond van archeologisch onderzoek bijvoorbeeld duidelijk zijn dat archeologische waarden in terreinen dieper liggen dan 40 cm, dan kan de gemeente het regime versoepelen. Er zijn voor het plangebied geen gegevens bekend waaruit blijkt dat een strenger, dan wel soepeler regime aan de orde moet zijn. De door de provincie gemaakte opmerking geeft daarom geen aanleiding om het plan aan te passen.