direct naar inhoud van Regels

IJlst - Bezoekers- en doecentrum Molen de Rat

Status: vastgesteld
Idn: NL.IMRO.1900.2015oostBPbezijlst-vast

TOELICHTING

 

 

Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

1.1 Doelstelling

1.2 Leeswijzer

HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving

2.1 Planbeschrijving

2.2 Historie omgeving plangebied

2.3 Huidige planologische situatie

2.4 Stedebouwkundige en ruimtelijke uitgangspunten

HOOFDSTUK 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.2 Provinciaal beleid

3.3 Gemeentelijk beleid

HOOFDSTUK 4 Milieu-aspecten

4.1 Milieuzonering

4.2 Geluid

4.3 Luchtkwaliteit

4.4 Externe veiligheid

4.5 Ecologie

4.6 Cultuurhistorie inclusief archeologie

4.7 Water

4.8 Bodem

4.9 Verkeer

4.10 Kabels en leidingen

4.11 Geur

HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

5.2 Procedure

5.3 Toelichting op de bestemming

HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2 Economische uitvoerbaarheid

6.3 Grondexploitatie

 

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

 

1.1 Doelstelling

 

Friese Merenprojecten

Op verschillende plekken in Fryslân werken de gemeente en de provincie aan het aantrekkelijker maken van de watersportplaatsen voor inwoners en toeristen. Dat is goed voor de watersport, de economie en de natuur.

 

In het kader van de Friese Merenprojecten is voor IJlst een aantal plannen voorgesteld. Eén daarvan is het oprichten van een nieuw bezoekers-/doecentrum, op het perceel naast Molen de Rat.

 

Bestemmingsplan

Voor de realisatie van het bezoekers-/doecentrum dient de nu geldende bestemming ‘Recreatie’ op dit perceel, te worden gewijzigd naar ‘Maatschappelijk’. Met dit bestemmingsplan wordt deze noodzakelijke wijziging doorgevoerd.

Het bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen, kadastraal bekend IJlst, sectie C, nummers 45(dls), 201(dls) en 845(dls). Het bestaande pand op de huidige locatie zal worden gesloopt. Op deze locatie zal het nieuwe bezoekers-/doecentrum worden opgericht.

 

De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn afgestemd op de huidige wet- en regelgeving.

 

Het eindproduct van dit bestemmingsplan is een vrij gedetailleerd vormgegeven bestemmingsplan. Door het opnnemen van verschillende afwijkings- en wijzigingsregels is de nodige flexibiliteit in het plan aangebracht.

 

Het bestemmingsplan is zo vormgegeven dat het voldoet aan de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving en de bijbehorende verbeelding is aangesloten op de regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.2 Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie van de omgeving besproken. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierbij komen het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid aan de orde. In Hoofdstuk 4 worden vervolgens de milieu- en omgevingsaspecten beschreven. In Hoofdstuk 5 wordt de juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling behandeld.

 

HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving

 

2.1 Planbeschrijving

In het kader van de Friese Merenprojecten is een plan voorgesteld om een nieuw bezoekerscentrum voor Molen de Rat te bouwen. Het bezoekerscentrum zal worden gecombineerd met het kijk- en doecentrum van het Museum Nooitgedagt, een Moleninformatiecentrum, de thuishaven van ‘De Houten Bok’ en de ‘Skipper Club Charter’ om zo een recreatieve trekpleister aan het water te creëren. Het voornaamste doel is een toeristisch en ambachtelijk centrum te bouwen en te exploiteren.

 

De locatie is gesitueerd aan het Sneekerpad, ten zuidwesten van de insteekhaven van Molen de Rat, waar het hout ligt te ‘wateren’. ‘De Houten Bok’ zal in een inpandig schiphuis komen te liggen.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Locatie nieuw bezoekers-/doecentrum

 

Vanwege de recreatiebestemming die op het perceel ligt, zal de bestemming moeten worden gewijzigd. Het perceel is na grondruiling in eigendom van de gemeente gekomen.

 

 

2.2 Historie omgeving plangebied

 

 

IJlst

 [image]

 

Eeuwenlang had IJlst een uiterst gunstige ligging aan het water. Het transport van mensen, dieren en goederen ging hoofdzakelijk over het water. Dat voordeel veranderde in een nadeel toen het wegverkeer zich steeds verder ontwikkelde en IJlst feitelijk in een isolement kwam te liggen. In 1965 kreeg IJlst zijn eerste goede wegverbinding naar Sneek.

 

 

Molen De Rat

Het was rond 1829, dat de burgermeester van IJlst, dhr. Ringnalda besloot om de molen ‘De Rat’ aan te kopen en vanuit de Zaanstreek te verplaatsen naar IJlst. De molen werd als bouwpakket uit elkaar gehaald en weer opgebouwd in IJlst. Rond 1850 wordt de molen overgenomen door fa. Oppedijk, die in IJlst ook al de oude molen bezat. Tot 1950 zaagde de Rat voor de fa. Oppedijk balken en planken. Daarna dreigde de sloophamer de molen definitief te vellen. Vanwege de cultuurhistorische waarde van de molen ontfermde de gemeente IJlst zich echter over de molen en zorgde ervoor dat omstreeks 1967 "De Rat" werd gerestaureerd. In 1977 was de restauratie. De Rat kon toen weer zagen op windkracht.

 

 [image]

 

Molen De Rat

 

Woongebied De Rat

Het woongebied De Rat stamt uit de jaren 70 van de vorige eeuw en vormde na de wijk Nijesyl de tweede stadsuitbreiding van IJlst. Naast een groot aantal woningen werd er ook ruimte geboden voor maatschappelijke voorzieningen en een nieuw sportcomplex. De buurt is een typische jaren zeventig wijk met een aantal woonerven en veel groen. In de wijk zijn zowel twee-onder-één-kap als rijenwoningen te vinden. De bebouwing bestaat uit één of twee bouwlagen met een kap.

 

Ten noorden van de woonbebouwing ligt het sportcomplex. Dit complex is door een groene rand van opgaande beplanting omzoomd. Op het terrein staan diverse gebouwen, zoals de sporthal, was- en kleedruimte en kantines. Aan de westzijde van het sportcomplex staat de basisschool (één bouwlaag met kap) en de supermarkt (één bouwlaag met afgeplatte kap). Beide gebouwen worden gescheiden door een ruime parkeervoorziening, die ook de ontsluiting voor de noordelijk gelegen camping, jachthavens en de houtzaagmolen De Rat vormt.

 

Houten Bok

Het voorliggende plan is zuidwestelijk gelegen ten opzichte van de Molen De Rat. De houten bok is een replica van de boten, zoals die begin negentienhonderd in en rond IJlst voeren.

 

IJlst kende eeuwenlang een achttal scheepswerven en –werfjes, waar houten schepen van diverse types werden gebouwd, o.a. de bok, een houtgebouwd type praam in diverse afmetingen.

 
Een aantal personen, daartoe geruggensteund door de VVV-Wymbrits, de Stichting Houtzaagmolen De Rat en de Stichting Nooitgedagt IJlst, heeft het initiatief genomen om de bok weer terug te halen in IJlst en deze in het stadje te herbouwen. Voor dat doel is de Stichting Houten Bok IJlst opgericht. Vanuit het bezoekers- en doecentrum worden de rondvaarten op deze boot georganiseerd.

 

 [image]

De Houten Bok

 

Kijk- en Doecentrum Nooitgedagt

Een ander onderdeel van het voorliggende plan is de huisvesting van het Doe- en Kijkcentrum Nooitgedagt. Momenteel is het centrum gevestigd in het historische centrum van IJlst. Hier begon Jan Jarigs Nooitgedagt in 1865 met het produceren van houten schaatsen en schaven. In de loop der jaren is deze activiteit steeds meer uitgebreid en is het assortiment uitgebreid met gereedschappen, schaatsen en houten speelgoed.

 

Een collectie van dit materiaal is tentoongesteld in het Doe- en kijkcentrum Nooitgedagt. Hier kan men kennismaken met de producten, die ooit in IJlst zijn gemaakt.

 

De Skipper Club Charter

De Skipper Club Charter is al 39 jaar gevestigd in IJlst. De club heeft 22 schepen in de verhuur. Vaarinstructies worden hier tevens verzorgd. De Skipper Club Charter zal ook kantoor houden binnen het bezoekers-/doecentrum.

 

Met alle verschillende toeristische functies geconcentreerd in één gebouw kan een mooie toeristische trekpleister ontstaan aan het water.

 

 

 

 

 

2.3 Huidige planologische situatie

 

Bestemmingsplan

In het geldende bestemmingsplan ‘IJlst’ hebben de gronden de bestemming ‘Recreatie’. De voor "Recreatie" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. standplaatsen voor kampeermiddelen;

  2. logiesaccommodatie in de vorm van kampeergebouwen;

  3. jachtverhuurbedrijf;

  4. bedrijfswoning;

  5. beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen;

  6. groenvoorzieningen;

  7. openbare nutsvoorzieningen;

  8. sport- en speelvoorzieningen;

  9. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

  10. water.

 

Strijdigheid

Een bezoekers-/doecentrum past niet binnen de bestemming 'Recreatie'.

 

In het bestemmingsplan wordt een maatschappelijke voorziening als volgt gedefinieerd:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

Gelet op het bovenstaande kan een bezoekers- en doecentrum worden gezien als maatschappelijke voorziening vanwege de educatieve en sociaal-culturele functie van het centrum. De bestemming zal daarom worden gewijzigd naar ‘Maatschappelijk’.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fragment plankaart bestemmingsplan IJlst

 

 

2.4 Stedebouwkundige en ruimtelijke uitgangspunten

Het bezoekers-/doecentrum wordt naast de insteekhaven van de molen ‘De Rat’ gebouwd. Het aanwezige gebouwtje van de ‘Skipper Club Charter’ dat nu op deze locatie is gevestigd wordt gesloopt. Vanaf het bezoekers-/doecentrum zal een wandelpad richting het centrum van de stad worden aangelegd om zo een toeristische verbinding te maken.

 

Het rijke houtverleden van IJlst zal zoveel mogelijk in acht worden genomen bij de architectuur van het voorliggende plan. In de gevels zal veel hout worden toegepast. Mede hierdoor ontstaat een aansluiting met de houtzaagmolen ‘De Rat’ op het naastliggende perceel.

 

 

Impressies nieuw bezoekers-/doecentrum

 [image]

 

 

 

Ruimtelijk

 

Aan de noordoostzijde van het plangebied bevindt zich een insteekhaven en de houtzaagmolen ‘De Rat’ met daarachter de bijbehorende bedrijfswoning. Aan de oostzijde van het plangebied is de sporthal ‘Utherne’ gevestigd en aan de zuidwestzijde jachtcharter, haven en camping ‘De Uitkijk’ en de daarbij behorende bedrijfswoning. Nog verder zuidwestelijk is ‘WerkWERF IJlst’, een kantoorpand met 6 vaste werkplekken en 4 flexwerkplekken, een vergaderruimte en zogenaamde belcellen. Naast het kantoorpand staan de ‘sinnehuskes’, vier vakantiehuisjes.

 

 

HOOFDSTUK 3 Beleidskader

 

3.1 Rijksbeleid

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. De SVIR heeft diverse nota’s vervangen, zoals de Nota Ruimte en Nota Mobiliteit. Ook zijn met het SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken vervallen die zijn benoemd in de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;

  • verbeteren van de bereikbaarheid;

  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

 

Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio’s. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

 

Met het voorliggende bestemmingsplan worden geen rijksbelangen geraakt.

 

 

3.2 Provinciaal beleid

Streekplan Fryslân

 

Op 13 december 2006 is door provinciale staten het Streekplan Fryslân 2007 ‘Om de kwaliteit fan de romte’ vastgesteld. In het streekplan zet de provincie haar ruimtelijke beleid voor de periode tot 2015 uiteen.

 

In het streekplan wordt het volgende aangegeven:

 

Bij leefbaarheid en sociale samenhang gaat het over hoe mensen hun woon- en leefomgeving beleven. Hierbij spelen bereikbaarheid van voorzieningen, de aanwezigheid van voldoende werkgelegenheid, de kwaliteit van woning en woonomgeving en de sociale verbanden een grote rol.

 

Kwaliteitsverbetering van recreatieve voorzieningen

Wij streven naar kwaliteitsverbetering van recreatieve voorzieningen. Wij bevorderen dat de mogelijkheden van recreatie en toerisme als (nieuwe) sociaaleconomische drager ten volle worden benut. Bovendien bevorderen wij, door onder andere een verhoogde aandacht voor landschappelijke inpassing, de medeverantwoordelijkheid van de sector voor het beheer van natuur, landschap en erfgoed. Herkenbaarheid van de Friese landschappelijke kernkwaliteiten is hierbij randvoorwaarde. Kwaliteitsverbetering vraagt in een aantal gevallen om meer ruimte, zowel voor bestaande als voor nieuwe voorzieningen. Die ruimte bieden wij in dit streekplan.

 

Verbetering en uitbreiding van toeristisch-recreatieve netwerken

Wij streven naar een verdere verbetering en uitbreiding van de toeristisch-recreatieve netwerken en naar versterking van de onderlinge samenhang. De belangrijkste toeristisch-recreatieve netwerken in Fryslân zijn op kaart 7 ‘Recreatieve en toeristische netwerken’ aangegeven. De aantrekkelijkheid van de netwerken wordt vergroot door op logische punten langs en nabij de netwerken passende voorzieningen voor dag-, verblijfs- en vaarrecreatie mogelijk te maken.

 

Hiervoor hebben wij in eerste instantie de recreatiekernen op het oog. Ook tussenliggende punten langs en nabij de netwerken zijn hierbij in beeld, bijvoorbeeld bij (vrijkomende) boerderijen en bestaande concentraties van recreatieve voorzieningen. Wij zetten in op het opheffen van bestaande barrières en het voorkomen van nieuwe barrières. Bij doorsnijding van een bestaand toeristisch netwerk door nieuwe infrastructuur wordt gekeken naar reële mogelijkheden om de barrièrewerking op te heffen.

 

[image] kaart 7 ‘Recreatieve en toeristische netwerken’

 

 

Dagrecreatie

Op het vaste land is ruimte voor een grootschalige dagattractie met circa 250.000 bezoekers per jaar of meer. Als voorwaarde geldt dat van een optimaal ontsloten locatie wordt uitgegaan, zowel voor autoverkeer als voor het openbaar vervoer. Tevens is een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing randvoorwaarde. Een locatie in of in de nabijheid van een stedelijk centrum ligt voor de hand. Bij een realistisch marktinitiatief zoeken wij gezamenlijk met betrokken gemeente(n) naar een geschikte locatie.

 

Verdere uitbouw en verbetering van vrijetijdsvoorzieningen vinden wij belangrijk. Vooral de toegenomen belangstelling voor cultuur en cultuurhistorie biedt daarvoor kansen. Wij geven daaraan al invulling met de stimulering van informatiepunten, archeologische steunpunten, musea, logiesvormen in historische panden, cultuurhistorische routes en kaarten, evenementen en gidsendiensten. Ook zetten wij in op een betere toegankelijkheid van het landelijk gebied, voor zowel de eigen bewoners als de toerist. Op diverse plaatsen in Fryslân wordt hieraan invulling gegeven. Voorbeelden zijn kerkpaden, jaagpaden en kanoroutes. Met deze inspanningen wordt tevens de multifunctionaliteit van het landelijk gebied vergroot.

Het aanbod speciaal voor de jeugd en het aanbod aan slechtweer- of elkweervoorzieningen is in Fryslân beperkt. Voor nieuwe voorzieningen bieden wij ruimtelijke mogelijkheden wanneer er een geschikte locatie wordt gevonden qua:

  • ontsluiting;

  • aansluiting bij overige recreatieve voorzieningen, met een voorkeur voor de recreatiekernen inclusief de stedelijke en regionale centra;

  • afstand tot (milieu)gevoelige functies.

Wij vragen gemeenten om daaraan nader invulling te geven, rekening houdend met ons algemene vestigingsbeleid voor voorzieningen en detailhandel in hoofdstuk 2.3.

 

Verordening Romte Fryslân 2011

 

Het Streekplan Fryslân uit 2007 heeft op basis van het overgangsrecht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de status van structuurvisie gekregen. Met de invoering van de Wro is de goedkeuringsbevoegdheid van bestemmingsplannen van de gemeente vervallen. De provincie heeft daarentegen wel de mogelijkheid gekregen om een provinciale verordening op te stellen. In 2010 heeft de Provinsje Fryslân derhalve het initiatief genomen om te komen tot de provinciale Verordening Romte Fryslân. Deze is op 15 juni 2011 vastgesteld en is per 1 augustus 2011 in werking getreden.

 

In een ruimtelijk plan kan een nieuwe of uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening uitsluitend worden toegestaan in of aansluitend op een stedelijk centrum, een regionaal centrum of een recreatiekern.

Gedeputeerde Staten kunnen voor een dagrecreatieve inrichting ontheffing verlenen van de voorwaarden in artikel 6.1.1, eerste en derde lid, ten aanzien van situering en omvang indien:

  1. schaal, omvang en ontsluiting van de inrichting passen in de omgeving, en;

  2. wordt bijgedragen aan verbreding van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio.

 

 

 

Conclusie

Aangezien er met het voorliggende plan sprake is van verbetering van de kwaliteit van recreatieve voorzieningen is en het qua schaal, omvang en ontsluiting passend is in de omgeving, wordt het plan passend geacht in het provinciaal beleid.

 

 

3.3 Gemeentelijk beleid

 

Erfgoedvisie en Erfgoednota

Met het vaststellen van de 'Erfgoedvisie Silhouet' (juni 2012) heeft de gemeente haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente stelt zich hierbij ten doel om het culturele erfgoed op een evenwichtige, en duurzame manier in stand te houden en draagvlak hiervoor te ontwikkelen. Op basis van deze visie is de Erfgoednota gemeente SWF 2013-2016 opgesteld, getiteld 'De basis op orde'. Een belangrijk speerpunt van de nota is dat de basis op orde is. Dit betekent dat de gemeentelijke organisatie haar kerntaken op het gebied van erfgoed zorgvuldig uitvoert. Voor een gemeente is het een wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming wat betreft cultuurhistorie.

 

Bij het vastgestelde erfgoedbeleid is meegenomen dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd is. In dit besluit is vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Dit was al verplicht voor archeologie. Met de Erfgoednota is het gemeentelijk erfgoedbeleid hierop aangepast. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de provinciale cultuurhistorische kaart (CHK). De kaart is daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Echter niet alle waarden aangegeven op deze kaart kunnen bij voorbaat behouden blijven, hier zal een gemeentelijke afweging aan te pas komen.

 

In de Erfgoednota is verder uiteengezet hoe in het kader van bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met het erfgoed. Zo zijn er kaders aangegeven voor de uitvoering van werken, maar ook voor de opzet van de bestemmingsplanregeling. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is daarmee rekening gehouden.


Ontwikkelvisie
De gemeentelijke Ontwikkelvisie is op 22 maart 2012 vastgesteld. In deze visie staan de gemeentelijke ambities betreffende sociale, ruimtelijke en economische ontwikkelingen beschreven. De visie vormt een belangrijke basis voor nieuw beleid en ruimtelijke plannen. De visie maakt duidelijk hoe de gemeente zich naar de toekomst toe wil positioneren, wat de belangrijkste speerpunten zijn en op welke aandachtsgebieden wordt ingezet. De ontwikkelvisie beslaat een periode van tien jaar. De ontwikkelvisie rust op zes pijlers waar een visie op is geformuleerd en waar een koers per landelijk of stedelijk cluster voor is uitgezet. De pijlers betreffen:

 

  1. Verscheidenheid in kernen.

  2. Weidsheid van het landschap.

  3. Economische verscheidenheid.

  4. Grote sociale verbondenheid.

  5. Grote rijkdom aan cultuur en erfgoed.

  6. Sterke aantrekkingskracht voor toeristen.

 

Pijlers 2 en 6 vormen tot op zekere hoogte aanknopingspunten voor dit bestemmingsplan.

 

De gemeente staat voor om zorgvuldig met de ‘Weidsheid van het landschap’ om te gaan, maar daarbij naar aard en schaal wel ruimte te willen bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De gemeente Súdwest-Fryslân wil zich daarnaast ontwikkelen tot meest gastvrije gemeente van Nederland. Wat betreft de gewenste ‘Sterke aantrekkingskracht voor toeristen’ wil de gemeente derhalve ruimte voor kwalitatief hoogwaardig en een onderscheidend aanbod aan toeristisch-recreatieve voorzieningen bieden.

 

Visie ruimtelijke kwaliteit

De gemeenteraad heeft deze visie in juni 2013 vastgesteld. De visie gaat vooral over de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Het landschap van de gemeente Súdwest-Fryslân is waardevol. Het grootste deel van onze gemeente maakt onderdeel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Het landschap met zijn weidsheid is belangrijke ruimtelijke kwaliteit waar de gemeente zorgvuldig mee om moet gaan. Dat betekent niet dat er geen ruimte kan worden geboden aan nieuwe ontwikkelingen, maar dat we hier wel kritisch mee om moeten gaan.

Hoofduitgangspunt van de visie is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kenmerken en kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn.

 

Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die negatieve gevolgen hebben voor het landschap van de gemeente.

 

 

Masterplan IJlst

In hoofdlijnen komt het ‘Masterplan Houtstad IJlst’ neer op:

  • Verbeteren van de entrees naar de stad over land en water, zorgen dat het plekken zijn waar de bezoekers direct of indirect informatie over de stad kunnen krijgen. Zorgen dat ze een herkenbare, bij IJlst passende, uitstraling krijgen.

  • Uitbreiden van het netwerk van vaar-, wandel-, en fietsroutes rond IJlst. Omdat het gaat om rustige vormen van recreëren laat het zich goed combineren met de ontwikkeling van natuur langs oevers en op bermen.

  • Ligplaatsen voor passanten beter herkenbaar maken en zorgen voor een goede verwijzing naar vrije ligplaatsen in de jachthavens.

  • Verbeteren en deels ook verlengen van twee belangrijke routes door de stad: de Stadslaan en het Sneekerpad. Deze routes verbinden de belangrijke voorzieningen met elkaar en moeten er voor zorgen dat de wandeling tussen deze voorzieningen een aangename tocht is.

  • Verbeteren van het ijsbaanterrein, het gebied aantrekkelijker en multifunctioneler maken.

  • Herontwikkelen van het gebied tussen het Frisia-plein en molen De Rat als “IJlster houthavens” met allerlei bijkomende voorzieningen en activiteiten op het gebied van houtbouw (scholing, winkel, horeca).

  • Aanleggen of verbeteren van drie voorzieningen: de aanleg van een trailerhelling aan de Geau en een steiger voor het Wapen van IJlst en de op te waarderen zwemplek aan de Geau.

 

Een drietal voorstellen is niet op de kaart terug te vinden, ze hebben betrekking op de hele stad of zijn niet ruimtelijk:

  • Faciliteren van de vestiging van Hotel IJlst, van winkeltjes, kleine bedrijfjes, galeries, verhuur van sloepen, kano’s en elektroboten etc. verspreid in de stad.

  • Ontwikkelen van een eigentijds, bij IJlst passend systeem van informatievoorziening.

  • Onderzoeken of het mogelijk is om de taak van de havenmeester uit te bouwen tot een echte gastheer/vrouw van IJlst met een eigen kantoor.

 

Alle ingrepen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • zorg dat ze bijdragen aan het thema IJlst Houtstad,

  • behoed de cultuurhistorische elementen van de stad, niet alleen de monumenten maar bijvoorbeeld ook de overtuinen,

  • zorg voor goede architectuur van alle nieuwbouw, vooral op zichtlocaties,

  • zorg dat de ingrepen duurzaam zijn,

  • zorg dat de mogelijkheden om natuurwaarden te vergroten worden benut.

 

Conclusie

Het voorliggend plan draagt bij aan de verbetering van de entree naar de stad over land en water. Daarnaast kunnen bezoekers informatie inwinnen over de stad bij het bezoekerscentrum. Het gebouw heeft een passende uitstraling vanwege de toepassing van veel houtwerk.

 

Daarnaast wordt in het onderhavige plan een voetpad gerealiseerd naar het centrum van de stad. Ook dit is één van de speerpunten uit het Masterplan.

 

Structuurvisie 2020 Sneek en Wymbritseradiel noord

In de Structuurvisie 2020 Sneek en Wymbritseradiel noord staat ten aanzien van recreatie het volgende aangegeven:

(…)Sneek en IJlst zijn recreatiekernen, waar het water de basis is van versterking van zowel de watersport als het cultuurtoerisme. De aantrekkelijke beschermde stadsgezichten en bezienswaardigheden als de Sneker Waterpoort en de houtzaagmolen De Rat, verhalen van hun historische ontwikkeling aan het water. Hier krijgt de gedachte van de ‘Vaaras door IJlst’, langs de Geeuw tot aan het centrum van Sneek en het Sneekermeer gestalte.(…)

 

 [image]

De Vaarassen door Sneek en IJlst

 

(…)Een recreatieve impuls wordt voorgestaan voor IJlst. De basis hiervoor ligt in de cultuurhistorische waarden van de stad aan het water. Vanouds een stad waar wonen en ambacht vermengd waren. Niet alleen de herkenbare binnenstadsgrachten, vooral ook de houtzaagmolen De Rat en de omgeving van de Geeuw, tevens bereikbaar voor historische zeilschepen, bieden tal van aanknopingspunten. Een aantrekkelijke multifunctionele voorziening, goede overnachtingsmogelijkheid, een nieuwe passantenhaven, kanocentrum en goede inkoopmogelijkheden, zullen zich nabij De Rat aan de Geeuw kunnen ontwikkelen. Hier bevindt zich in onze visie een zoekgebied, waar waterrecreatie en cultuurtoerisme dienen te worden versterkt mogelijk met meer havenruimte met de bedoeling om IJlst toeristisch en voor de bewoners beter op de kaart kunnen zetten.(…)

 

Conclusie

Gelet op het bovenstaand kan worden geconcludeerd dat het plan invulling geeft aan de ambities uit de Structuurvisie.

 

Bestemmingsplan IJlst

Het woongebied De Rat stamt uit de jaren 70 van de vorige eeuw en vormde na de wijk Nijesyl de tweede stadsuitbreiding van IJlst. Naast een groot aantal woningen werd er ook ruimte geboden voor maatschappelijke voorzieningen en een nieuw sportcomplex. De buurt is een typische jaren zeventig wijk met een aantal woonerven en veel groen. In de wijk zijn zowel twee-onder-één-kap als rijenwoningen te vinden. De bebouwing bestaat uit één of twee bouwlagen met een kap.

 

Ten noorden van de woonbebouwing bevindt zich het sportcomplex. Dit complex is door een groene rand van opgaande beplanting omzoomd. Op het terrein bevinden zich diverse gebouwen, zoals de sporthal, was- en kleedruimte en kantines. Aan de westzijde van het sportcomplex bevindt zich de basisschool (één bouwlaag met kap) en de supermarkt (één bouwlaag met afgeplatte kap). Beide gebouwen worden gescheiden door een ruime parkeervoorziening, die tevens de ontsluiting voor de noordelijk gelegen camping, jachthavens en het rijksmonument de houtzaagmolen De Rat vormt.

 

Toelichting op de bestemming

De gronden waar molen De Rat is gevestigd heeft de bestemming ‘Bedrijf’. De houtzaagmolen kent een hogere milieucategorie dan 1 en 2. Ten aanzien van deze locatie is in de regels bepaald dat ter plaatse de bestaande bedrijvigheid (in casu de houtzaagmolen) is toegestaan, dan wel bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2. Detailhandel ter plaatse is middels een aanduiding uitgesloten. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte mag niet meer dan de op de plankaart aangegeven hoogte bedragen, ofwel de op de bouwvormenkaart aangegeven maten moeten in acht worden genomen.

 

De camping en het jachtverhuurbedrijf aan het Sneekerpad zijn bestemd voor ‘Recreatie’. De aanwezige jachtwerf is als zodanig aangeduid. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte mag niet meer dan de op de plankaart aangegeven hoogte bedragen. Ter plaatse is ten hoogste 1 bedrijfswoning toegestaan.

 

De gronden bestemd voor "Water" betreft De Geau, de Wiiddraai, Bolswarderfeart, It Sou, Tsjerkesleat en de Riper Feart, en de grootschalige waterpartijen in de buurt De Iendracht. De gronden zijn bestemd voor water en oeverstroken, waterhuishoudkundige voorzieningen en bruggen, uitsluitend voor zover de gronden als zodanig op de plankaart zijn aangeduid.

 

Ten behoeve van het voorliggende plan dient de bestemming ‘Maatschappelijk’ te worden opgenomen ter plaatse van het bezoekers-/doecentrum. De op de plankaart voor maatschappelijke doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, begraafplaats voor zover de gronden zijn aangeduid met "begraafplaats" en groen- en speelvoorzieningen.

Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte mag niet meer dan de op de plankaart aangegeven hoogte bedragen ofwel de op de bouwvormenkaart aangegeven maten moeten in acht worden genomen. Dienstwoningen mogen er niet worden gebouwd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Welstandsnota

Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van gemeente Súdwest-Fryslân de welstandsnota gemeente Súdwest-Fryslân vastgesteld. Deze welstandsnota is een samenvoeging van alle bestaande welstandsnota’s van de voormalige fusiegemeenten. De welstandsnota biedt het kader voor het welstandstoezicht in de gemeente. De toetsing van bouwplannen, in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, vindt plaats op basis van voor dit gebied geldende welstandscriteria.

 

Voor het welstandsbeleid voor IJlst is onderscheid gemaakt in 7 deelgebieden. De verschillende deelgebieden zijn hieronder weergegeven.

 

 

 [image]

Fragment Welstandsnota gemeente Súdwest-Fryslân

 

Het onderhavige plangebied is gelegen in deelgebied (Recreatiegebieden) G. Het beleid is hier grotendeels gericht op het beheer en de verdere ontwikkeling van de bestaande situatie.

 

 

 

 

HOOFDSTUK 4 Milieu-aspecten

 

 

4.1 Milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Op deze wijze wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen danwel zoveel mogelijk beperkt en omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden dat deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden.

Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijfsmatige activiteiten heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) de handreiking “Bedrijven en milieuzonering” opgesteld (verder genoemd de VNG handreiking). Deze VNG handreiking is opgesteld uitgaande van de standaardbedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De lijst is onderverdeeld in bedrijfsklassen en bedrijfstypen. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven en voorzieningen milieuhinder (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie) kunnen veroorzaken, kent de lijst aan de bedrijven en voorzieningen een milieucategorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de milieu-indeling op van 1 t/m 6, met bijbehorende richtafstanden tot een “rustige woonwijk” of een “gemengd gebied”.

 

 

Het bezoekers-/doecentrum is deels ten dienste van de houtzaagmolen. Daarnaast is het doel van het centrum om toeristen aan te trekken. Ook de camping en de sinnehuskes zullen hierbij gebaat zijn. Het onderhavige bouwplan kan bovendien bijdragen aan een opwaardering van de gehele omgeving. Ook het gebruik van de WerkWERF zal daardoor positief worden beïnvloed.

 

Gelet op de functies die in het onderhavige plan zullen worden ondergebracht zal de nabij omgeving geen hinder ondervinden van het plan.

 

 

4.2 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke (spoor)weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen/functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige gebouwen anderzijds. (Bedrijfs)woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Als geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone behorend bij een zoneplichtige (spoor)weg worden geprojecteerd bij een bestemmingsplanprocedure, dient door middel van akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (voor wegen) of 55 dB (voor spoorwegen). Wegen waar deze zone in principe niet geldt, zijn:

  • wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;

  • wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30km/uur.

 

Het voorliggende bestemmingsplan betreft geen geluidsgevoelig object. Een verdere toetsing aan de Wet geluidhinder is om deze reden niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan kan vanuit het oogpunt van het aspect geluidhinder uitvoerbaar worden geacht.

 

4.3 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).

 

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit aangepakt moeten worden. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de Minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

 

Ook projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Vg/m3 NO2 of PM10) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd.

 

Het onderhavige bestemmingsplan zal geen significante invloed op de luchtkwaliteit mogelijk maken aangezien bestaande functies zullen worden gehuisvest. Een wijziging van de luchtkwaliteit wordt daarom niet verwacht. Er zijn binnen de gemeente Súdwest-Fryslân geen knelpunten bekend met betrekking tot de luchtkwaliteit.

 

 

4.4 Externe veiligheid

Sinds 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Die beperkingen moeten in milieuvergunningen en bestemmingsplannen zijn vastgelegd. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Na een inventarisatie van het gebied op de Risicokaart (Risicokaart.nl) blijkt dat het gebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);

  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;

  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;

  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

 

Gelet op het bovenstaande is een nader onderzoek niet vereist.

 

 

4.5 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening te worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.

 

 

4.5.1 Gebiedsbescherming

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn. De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Natuurbeschermingswet. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, dient een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het provinciaal beleid ten aanzien van de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS).

Wat betreft de gebiedsbescherming kan worden vastgesteld dat het plangebied geen deel uitmaakt van de nationale of de provinciale Ecologische Hoofdstructuur (EHS), noch in de onmiddellijke omgeving daarvan ligt. Het voorliggende ruimtelijke plan heeft dus geen invloed op de beschermde waarden van deze natuurgebieden.

 

4.5.2 Soortenbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.

De Flora- en faunawet is altijd onverkort van kracht. Dit betekent dat op het moment dat nieuwe activiteiten aan de orde zijn ook - in het kader van de Flora- en faunawet - de mogelijke effecten op de te beschermen soorten worden meegewogen.

Een beoordeling op het moment dat activiteiten daadwerkelijk aan de orde zijn (en dus niet ten tijde van het maken van het bestemmingsplan) geeft het meest actuele en beschermingswaardige beeld. Indien op dat moment blijkt dat sprake is van (een) beschermde soort(en) en de activiteit in strijd is met de bepalingen uit de Flora- en faunawet, zal de betreffende activiteit pas plaats kunnen vinden na het verkrijgen van een ontheffing.

 

Mochten er in het plangebied sloopwerkzaamheden plaatsvinden, dan is het noodzakelijk de betreffende gebouwen te controleren op de mogelijke aanwezigheid van kraamkolonies van vleermuizen. Sloop kan dan pas plaatsvinden op het moment dat is vastgesteld dat er zich geen kraamkolonies en verblijfplaatsen in het betreffende pand bevinden. Dit om te voorkomen dat de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet en de Habitatrichtlijn worden overtreden. Ook voor de gier- en huiszwaluwen geldt dat in geval van sloop de mogelijke aanwezigheid van deze vogels onderzocht dient te worden.

 

Omdat het gebouw zal worden gesloopt is het noodzakelijk om een zogenaamde quickscan uit te voeren.

 

 

4.6 Cultuurhistorie inclusief archeologie

 

4.6.1 Toetsingskader en beleid

 

De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van het erfgoed is de Monumentenwet 1988. Ter implementatie van het Verdrag van Malta, is deze Monumentenwet gewijzigd. De kern van de Monumentenwet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van art. 3.6.1, lid 1 van het Bro geleid. Ieder ruimtelijk plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Zover hier sprake van is, dient daarnaast aangegeven te worden op welke wijze met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze zijn geborgd in het plan.

Conform de gemeentelijke erfgoedvisie en –nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie ‘Grutsk op ‘e Romte’ waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Friesland beschreven staan.”

 

 

 

 

4.6.2 Archeologie

 

Het plangebied ligt in - volgens de uitsnede van de gemeentelijke FAMKE (zie fragmenten hieronder) - een archeologische verwachtingszone. Bij ingrepen vanaf 2500 m2 en dieper dan 40 cm die nu of in de toekomst mogelijk worden gemaakt met de bestemmingsplanwijziging zal archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

 

Aangezien het plangebied aanmerkelijk kleiner is dan 2500 m2 is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

 

 [image]

IJzertijd-Middeleeuwen (advies: Karterend onderzoek 2 (middeleeuwen))

 

Middeleeuwen: Karterend onderzoek 2 (6 boringen per hectare)

In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 2500m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Dit archeologisch onderzoek moet bestaan uit minimaal zes boringen per hectare, met een minimum van zes boringen per plan, waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn.

 

Mochten er een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats. Indien de vindplaats een nieuw aangetroffen terp betreft, geldt het advies: ‘waarderend onderzoek op terpen'. De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Mocht het plangebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan.

 

 [image]

Steentijd-Bronstijd (advies: Karterend onderzoek 3 (steentijd))

 

Steentijd: Karterend onderzoek 3 (3 boringen per hectare)

In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal drie boringen per hectare worden gezet, met een minimum van drie boringen voor gebieden kleiner dan een hectare.

 

De resultaten van een dergelijk karterend booronderzoek kunnen inzicht geven aanwezigheid en diepte van een eventueel aanwezige podzolbodem, waarin zich archeologisch resten kunnen bevinden. Het booronderzoek dient zich vooral te richten op de aanwezigheid van podzol, de diepte en het reliëf van de zandlagen in de bodem. Bij aanwezigheid van een podzolbodem, bevelen wij aan het boorgrid te verdichten tot zes boringen per hectare (zie advies ‘karterend onderzoek 2'). De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.

 

 

 

 

 

 

4.6.3 Cultuurhistorie

 

 

Inventarisatie en waardering

Op basis van de Erfgoednota is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân getoetst. Op deze kaart wordt aangegeven dat het plangebied aan de cultuurhistorische waardevolle vaarweg De Geeuw ligt en dat de nabijgelegen molen De Rat beschermd is als een rijksmonument.

 

 [image]

 

Afb. Uitsnede Cultuurhistorische Kaart Fryslân

 

Eeuwenlang had IJlst een uiterst gunstige ligging aan het water, omdat het transport van mensen, dieren en goederen hoofdzakelijk over het water ging. Dat voordeel veranderde in een nadeel toen het wegverkeer zich steeds verder ontwikkelde en IJlst feitelijk in een isolement kwam te liggen. Eerst in 1965 kreeg IJlst zijn eerste goede wegverbinding naar Sneek.

Als gevolg van de ligging aan het water gingen praktisch alle transporten, zowel van de houthandels als van de boeren, over het water.

Het was rond 1829, dat de burgemeester van IJlst, dhr. Ringnalda besloot om de molen ‘De Rat’ aan te kopen en vanuit de Zaanstreek te verplaatsen naar IJlst. De molen werd als bouwpakket uit elkaar gehaald en weer opgebouwd in IJlst. Rond 1850 wordt de molen overgenomen door fa. Oppedijk, die in IJlst ook al de oude molen bezat. Tot 1950 zaagde de Rat voor de fa. Oppedijk balken en planken, toen dreigde de sloophamer de molen definitief te vellen. Vanwege de cultuurhistorische waarde van de molen ontfermde de gemeente IJlst zich over de molen en zorgde ervoor dat omstreeks 1967 "De Rat" werd gerestaureerd die in 1977 was voltooid. De Rat kon toen weer zagen op windkracht.

 

Molens zijn levende monumenten. Het zijn werktuigen. Voor hun werking stellen ze specifieke eisen aan hun omgeving. Wordt niet aan die eisen voldaan, dan is de molen gedoemd tot stilstaan en verval. De omgeving, waarmee een molen in relatie staat, noemen we de molenbiotoop.

Met dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de molenbiotoop van molen de Rat.

 

Voor een windmolen is een goede windvang van cruciaal belang. Daarnaast staat met name de zichtbaarheid van de molen centraal. Deze is historisch zo gegroeid en maakt dat een molen vaak sfeerbepalend is.

 

Dit heeft tot gevolg dat er rekening gehouden moet worden met de hoogte van de omringende bebouwing. Daarom zijn in het plan regels opgenomen die de maximaal aanvaardbare hoogte van obstakels rondom de molen beperken tot max. 8 meter, zodanig dat de molen hier geen onoverkomelijke hinder van ondervindt.

 

 

 

4.6.4 Conclusie

 
Het betreft hier het bouwen van een nieuw bezoekers- en doecentrum. Bij het ontwerp hiervan zal rekening moeten worden gehouden met de bestaande cultuurhistorische waarden van de nabije omgeving. Gelet op de beperking in de maatvoering in de bouwregels van het voorliggende plan, is hier voor zover mogelijk rekening mee gehouden. Het bestemmingsplan mag vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar worden geacht.

 

4.7 Water

Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument die moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder.

 

Voor het bestemmingsplan is een digitale watertoets gedaan. Het Wetterskip zal op basis van de watertoets een wateradvies geven. Deze is zal in bijlage 1 bij de toelichting worden opgenomen.

 

 

 

4.8 Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.

 

Voor de locatie is bij de gemeente geen bodemonderzoek bekend. Er wordt daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

 

4.9 Verkeer

 

Het doel van het nieuwe bezoekers-/doecentrum is om meer toeristen te trekken en dan met name vanaf het water. Echter, zal door de vestiging van het centrum met alle verschillende functies naast verkeer vanaf het water ook verkeer vanaf de weg aantrekken.

 

Er is een openbaar parkeerterrein in de directe omgeving van het plangebied. Dit parkeerterrein biedt voldoende parkeerruimte voor de gasten van het bezoekers- en doecentrum.

 

 

4.10 Kabels en leidingen

In en rond het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die planologische bescherming genieten en waar rekening mee gehouden moet worden.

 

 

 

4.11 Geur

 

In de Wet geurhinder en veehouderij zijn regels gesteld aan de geuruitstoot van dierverblijven bij agrarische bedrijven. De kern van de wet is, dat voor verschillende diersoorten geuremissie factoren zijn bepaald. Op basis van berekeningen wordt vervolgens de geurbelasting op nabijgelegen geurgevoelige objecten bepaald. Niet voor alle diersoorten zijn geuremissiefactoren vastgesteld. Voor sommige dieren zijn vaste afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten opgenomen.

 

Er bevinden zich geen professionele dierenverblijven in een straal van 100 m1 rondom de locatie.

 

 

HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting

 

 

5.1 Algemeen

 

Wet ruimtelijke ordening, Besluit ruimtelijke ordening en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare

BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast.

 

De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit onder meer dat niet meer wordt gesproken van voorschriften maar van regels. Tevens zijn er een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in het artikel aangaande begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan de wijze van meten. In het Bro is een formulering opgenomen ten aanzien van de antidubbeltelregel in het overgangsrecht. Deze teksten staan in de planregels.

 

Wet algemene bepalingen en Besluit omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. De invoering van de Wabo en het Bor heeft grote gevolgen voor het ruimtelijk omgevingsrecht zoals dat nu geldt op grond van de Wro. Met de inwerkingtreding van de Wabo is de Wro deels vervallen en opgegaan in de Wabo.

 

In de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning geïntroduceerd en geregeld.

In de omgevingsvergunning zijn de verschillende toestemmingen voor locatie gebonden activiteiten geïntegreerd, waarbij sprake is van een samenloop met andere locatie gebonden activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook de ontheffingen die in een bestemmingsplan zijn geregeld, zijn na 1 oktober 2010 vervangen door de omgevingsvergunning. Dit geldt ook voor de aanlegvergunning. Het algemene gebruiksverbod dat is opgenomen in artikel 7.10 Wro is komen te vervallen en is vervangen door het algemene gebruiksverbod dat is opgenomen in artikel 2.1 Wabo. Voor een gebruik in strijd met een bestemmingsplan is een omgevingsvergunning vereist

 

 

 

 

5.2 Procedure

 

Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:

 

Voorbereidingsfase

Door burgemeester en wethouders wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.3.1 van het Bro kennis gegeven van het voornemen om dit bestemmingsplan op te stellen. De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan vervolgens onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente.

 

De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1. van het Bro haar voornemen (vaak in de vorm van een voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook biedt de gemeente eventueel de mogelijkheid om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. Dat is met dit plan niet het geval. De gemeente geeft een reactie op de overleg- en inspraakreacties. De uitkomsten hiervan worden vermeld in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan en voor zover noodzakelijk verwerkt in regels en verbeelding.

 

Terinzageleggingsfase

Na de aankondiging in de Staatscourant, in tenminste één plaatselijk dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en op de internetpagina van de gemeente wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd.

In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.

 

Vaststellingsfase

Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.

 

Beroepsfase

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

 

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

 

 

 

5.3 Toelichting op de bestemming

In deze paragraaf is een toelichting op de juridische regels behorende bij het plan gegeven.

 

 

 

5.3.1 Maatschappelijk

Het bezoekers- en doecentrum heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’ waaronder het bezoekers- en doecentrum expliciet wordt genoemd. Verder wordt onder maatschappelijke voorzieningen het volgende verstaan:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie - met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten en sporten met dieren en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

Bovengenoemde functies zijn dan ook bij rechte toegestaan op deze locatie. Ondergeschikte horecavoorzieningen en ondergeschikte detailhandel is eveneens toegestaan binnen deze bestemming.

 

 

 

5.3.2 Waarde - Archeologie 2

Binnen de gemeente Súdwest-Fryslân wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde archeologie 1” en “Waarde archeologie 2”. Waarde archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en derhalve de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Binnen dit bestemmingsplan is er alleen sprake van een waarde archeologie 2 gebied.

 

 

 

HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid

 

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voor een bestemmingsplanprocedure vroegtijdig overleg plaatsvinden met de betrokken adviespartners en overheden. Het voorontwerpbestemmingsplan is daarom toegezonden aan een aantal vaste overleg- en adviesinstanties.

 

Van het Wetterskip Fryslân, de brandweer Fryslân en de provincie Fryslân is een reactie ontvangen. De provincie Fryslân geeft aan dat er nog geen bouw- en goothoogtes zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Dit is aangepast. De overige overleginstanties hebben geen inhoudelijke opmerkingen op het plan. De overlegreacties zijn in bijlage 1 opgenomen en het wateradvies is in bijlage 2 opgenomen.

 

Het ontwerpplan wordt vervolgens gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid wordt gebracht zienswijzen in te dienen. Deze zienswijzen wordt vervolgens betrokken in de vaststellingsfase. Het plan wordt uiteindelijk al dan niet gewijzigd vastgesteld.

 

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een actuele juridisch-planologische regeling. Er is geen sprake van te maken uitvoeringskosten. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan komen voor rekening van de gemeente. De gemeenteraad heeft hiervoor in de begroting van dit jaar een bedrag beschikbaar gesteld. De kosten kunnen hieruit gedekt worden. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

 

In het najaar van 2012 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân een subsidieaanvraag ingediend bij Provincie Fryslân voor de uitvoering van de deelprojecten uit het Friese Merenproject Wymbritseradiel 2e fase. Deze aanvraag is gebaseerd op de bestuursovereenkomst die in 2010 tussen de gemeente en de provincie is gesloten en bevat de uitgewerkte plannen per projectonderdeel.

 

Het "Friese Merenproject Wymbritseradiel 2e fase" bevat 7 gemeentelijke deelprojecten en 1 provinciaal deelproject. Eén van de gemeentelijke deelprojecten is het onderdeel "Uitbreiding Houtzaagmolen De Rat", het voorliggende plan. De provincie heeft ingestemd met het beschikbaar stellen van de gevraagde subsidiebijdrage voor de ingediende deelprojecten met het doel meer bestedingen aan de wal uit te lokken, waarbij de focus van de investeringen ligt in de watersportkernen Heeg, Woudsend en IJlst.

 

In de subsidiebijdrage zijn de kosten van projectvoorbereiding, toezicht en de uitvoering meegenomen. De toegekende subsidie betreft een voorschot. Na voltooiing van de deelprojecten dient de gemeente een verzoek tot vaststelling van de subsidie in bij de provincie, waarna de hoogte van de subsidie aan de hand van de eindafrekening definitief wordt vastgesteld.

 

 

 

6.3 Grondexploitatie

Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken, planschade en kosten voor het opstellen van een bestemmingsplan. Indien sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor een exploitatieplan vast te stellen. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien als voornoemde kosten “anderszins verzekerd” zijn en het stellen van eisen met betrekking tot kwaliteit en fasering niet noodzakelijk wordt geacht.

 

In dit bestemmingsplan zijn de kosten anderszins verzekerd. Het vaststellen van een grondexploitatieplan bij het bestemmingsplan is dan ook niet aan de orde.