Sneek - Van Giffenstraat
| Status: | vastgesteld |
| Idn: | NL.IMRO.1900.2014oostBPvangiffs-vast |
REGELS
Inhoudsopgave
Artikel 11 Anti-dubbeltelbepaling
Artikel 12 algemene gebruiksregels
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 plan:
het bestemmingsplan Sneek - Van Giffenstraat met identificatienummer NL.IMRO.1900.2014oostBPvangiffs-vast van de gemeente Súdwest-Fryslân;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
1.3 aan-huis-verbonden beroep:
de uitoefening van een beroep of bedrijf (dan wel het verlenen van diensten) op administratief, maatschappelijk, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of een daarmee gelijk te stellen gebied, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij in overwegende mate de woonfunctie blijft behouden en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.4 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.5 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.6 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.7 bebouwingspercentage:
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
1.8 Bedrijf
Een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen;
1.9 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
1.10 bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale (bruto) vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep, een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, een (dienstverlenend) bedrijf en/of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;
1.11 beperkt kwetsbaar object:
een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.12 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.13 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.14 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak;
1.15 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
1.16 bouwgrens:
1.17 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.18 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
1.19 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
1.20 bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
1.21 dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
1.22 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;
1.23 evenement:
een publieke activiteit met een tijdelijk, plaatsgebonden en van het reguliere gebruik afwijkend karakter, plaatsvindend in de open lucht of in tijdelijke onderkomens en in het algemeen bedoeld ter ontspanning en/of vermaak, waaronder begrepen commerciële, culturele, religieuze, recreatieve en/of sportieve of een daarmee gelijk te stellen activiteiten, zoals markten, braderieën, beurzen, kermissen, festiviteiten, wedstrijden, bijeenkomsten, festivals e.d.;
1.24 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.25 hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.26 horecabedrijf:
een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;
1.27 kampeermiddel:
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
1.28 kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden;
1.29 maatschappelijk:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie - met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten en sporten met dieren en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
1.30 overig bouwwerk:
een bouwkundig constructie van enige omvang, geen pand of bijbehorend bouwwerk zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
1.31 ligplaats:
een gedeelte van het openbare water, bestemd of geschikt om door een woonschip met toegestane voorzieningen te worden ingenomen;
1.32 pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
1.33 peil:
indien op het land wordt gebouwd:
de hoogte van het maaiveld;
indien in, op of over het water wordt gebouwd:
het Normaal Amsterdams Peil;
1.34 prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
1.35 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden;
Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.36 verkoopvloeroppervlakte:
de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de (productiegebonden) detailhandel;
1.37 voorbouwgrens:
de naar de weg gekeerde bouwgrens, met dien verstande dat, indien een bouwvlak gericht is op meerdere wegen, de bouwgrens die door de ligging en/of de situatie ter plaatse als voorbouwgrens moet worden aangemerkt;
1.38 vrijstaand bijgebouw:
een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;
1.39 weg:
alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeergelegenheden;
1.40 woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
1.41 woonhuis:
een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
Artikel 2 wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.2 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
2.3 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.4 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS
Artikel 3 Bedrijf
3.1 bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf' aanwezen gronden zijn bestemd voor:
de uitoefening van bedrijven behorende tot de milieucategorieën 1 t/m 3.1 en genoemd in de als bijlage bij de regels gevoegde 'Staat van Bedrijfsactiviteiten';
bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ (bw) op de verbeelding
met daaraan ondergeschikt:
wegen, straten en paden;
parkeervoorzieningen;
groenvoorzieningen;
openbare nutsvoorzieningen;
water;
met de daarbij behorende:
erven en terreinen.
3.2 bouwregels
3.2.1 Algemeen
Op of in de tot 'Bedrijf' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
gebouwen ten dienste van de bestemming;
overige bouwwerken.
3.2.2 gebouwen
Voor het bouwen bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
een gebouw uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd;
het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’ (m) staat aangegeven;
de bouwhoogte van een gebouw niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding “maximale bouwhoogte” (m) staat aangegeven;
Met betrekking tot bedrijfswoningen geldt dat:
een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken uitsluitend mag worden gebouwd binnen een bouwvlak;
een bedrijfswoning uitsluitend mag worden gebouwd op de gronden ter plaatse van de aanduiding “Bedrijfswoning” (bw);
het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal;
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen danwel een inpandige bedrijfswoning ten hoogste 150 m2 mag bedragen.;
de goothoogte van een bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding “maximale goot- en bouwhoogte” (m) staat aangegeven;
de bouwhoogte van een bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding “maximale goot- en bouwhoogte” (m) staat aangegeven;
3.2.3 Overige bouwwerken
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m mag bedragen;
de bouwhoogte van vlaggenmasten ten hoogste 8 meter mag bedragen;
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen gebouw zijnde ten hoogste 5,5 m bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is;
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken binnen een bouwvlak mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” aangegeven bouwhoogte, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is;
3.3 nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
een goede woonsituatie;
de sociale veiligheid;
de milieusituatie;
de verkeersveiligheid;en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.4 afwijken van de gebruiksregels
Burgemeester en Wethouders kunnen afwijken van het
bepaalde in lid 1 sub a voor:
De vestiging van bedrijven die niet zijn genoemd in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ en die volgens de VNG brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onder een hogere milieucategorie vallen, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de reeds toegelaten categorie.
Een onder a. genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het straat- en bebouwingsbeeld;
de milieusituatie;
de verkeersveiligheid;
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
de sociale veiligheid;
de externe veiligheid.
3.5 specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van:
transportbedrijven;
bedrijven zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
detailhandel, anders dan in de vorm van productiegebonden detailhandel;
Inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage;
vuurwerkbedrijven.
Artikel 4 Groen
4.1 bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
groenvoorzieningen;
bermen en beplanting;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
het recreatief medegebruik;
met daaraan ondergeschikt:
voet- en fietspaden;
parkeervoorzieningen;
speelvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
met de daarbij behorende:
verhardingen.
4.2 bouwregels
4.2.1 Algemeen
Op of in de tot 'Groen' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
bouwwerken ten dienste van de bestemming.
4.2.2 Gebouwen
Met betrekking tot gebouwen geldt dat:
deze uitsluitend mogen worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen;
de inhoud van een gebouw ten hoogste 50 m3 mag bedragen;
de hoogte van een gebouw ten hoogste 3 m mag bedragen.
4.2.3 Overige bouwerken
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen;
de bouwhoogte van speelvoorzieningen zal ten hoogste 4,00 m bedragen;
de bouwhoogte van overige bouwwerken zal ten hoogste 6,00 m bedragen.
4.3 nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
de verkeersveiligheid; en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 5 Maatschappelijk
5.1 bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
maatschappelijke doeleinden in de vorm van onderwijs en openbare dienstverlening,
met de daarbij behorende:
parkeervoorzieningen;
groenvoorzieningen en water;
bouwwerken, andere werken en bijbehorende voorzieningen;
ter plaatse van de aanduiding 'toren' een droog en oefentoren ten behoeve van een brandweerkazerne.
5.2 bouwregels
5.2.1 Algemeen
Op of in de tot 'Maatschappelijk' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
gebouwen ten dienste van de bestemming;
overige bouwwerken.
5.2.2 Gebouwen
Met betrekking tot gebouwen geldt dat:
een gebouw uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd;
de bouwhoogte van een gebouw niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" staat aangegeven.
5.2.3 Overige bouwwerken
Met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat:
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 1 m mag bedragen met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen op een afstand van meer dan 1 meter achter de naar de weg gekeerde gevels ten hoogste 2 m mag bedragen;
de hoogte van vlaggenmasten ten hoogste 8 m mag bedragen;
de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5,5 m mag bedragen;
de hoogte van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'toren' ten hoogste 20 m mag bedragen.
5.3 nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
een goede woonsituatie;
de sociale veiligheid;
de verkeersveiligheid; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Artikel 6 Sport
6.1 bestemmingsomschrijving
De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
sportvoorzieningen in de vorm van een sporthal en een roeivereniging;
met de daarbij behorende:
parkeervoorzieningen;
groenvoorzieningen en water;
bouwwerken, andere werken en bijbehorende voorzieningen.
6.2 bouwregels
6.2.1 Algemeen
Op of in de tot 'Sport' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
gebouwen ten dienste van de bestemming;
overige bouwwerken.
6.2.2 Gebouwen
Met betrekking tot gebouwen geldt dat:
een gebouw uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd;
de goothoogte van een gebouw niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)" staat aangegeven;
de bouwhoogte van een gebouw niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)" staat aangegeven.
ter plaatse van de aanduiding 'karakeristiek' de bestaande hoofdvorm (bouwhoogte, goothoogte en dakhelling) van de gebouwen gehandhaafd dient te blijven.
6.2.3 Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen;
de bouwhoogte van overige bouwwerken zal ten hoogste 6,00 m bedragen.
6.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
6.3.1 Vergunningplicht
Voor het slopen van bouwwerken is, ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ een omgevingsvergunning vereist.
6.3.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 6.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:
het normale onderhoud betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
6.3.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
Artikel 7 Verkeer
7.1 bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wegen;
fiets- en voetpaden;
met daaraan ondergeschikt:
parkeervoorzieningen;
kunstwerken;
nutsvoorzieningen;
groenvoorzieningen;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.2 bouwregels
7.2.1 Algemeen
Op of in de tot 'Verkeer' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
overige bouwwerken.
7.2.2 Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen;
de bouwhoogte van overige bouwwerken, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, zal ten hoogste 6,00 m bedragen.
7.3 nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
de verkeersveiligheid; en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 8 Water
8.1 bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
vaarten, sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
kaden en oeverstroken;
aanleggelegenheid;
met daaraan ondergeschikt:
recreatief medegebruik;
groenvoorzieningen;
wegen, straten en paden;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
nutsvoorzieningen.
8.2 bouwregels
8.2.1 Algemeen
Op of in de tot 'Water' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
overige bouwwerken ten dienste van de bestemming.
8.2.2 Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van steigers zal ten hoogste 1,50 m bedragen;
de bouwhoogte van overige bouwwerken zal ten hoogste 6,00 m bedragen.
8.3 nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
de verkeersveiligheid.
8.4 specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van gronden als ligplaats voor een woonschip;
het gebruik van gronden als (permanente) liggelegenheid voor (recreatie)vaartuigen, met uitzondering van gebruik als ligplaats overeenkomstig de ligplaatsenverordening Súdwest-Fryslân, zoals deze geldt ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan;
het gebruik van vaartuigen voor permanente bewoning.
Artikel 9 Wonen
9.1 bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf;
bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken
alsmede voor de daarbij behorende:
erven
paden;
9.2 bouwregels
Op de in lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met dien verstande dat:
Met betrekking tot hoofdgebouwen geldt dat:
als hoofdgebouw uitsluitend woningen mogen worden gebouwd;
het aantal woningen ten hoogste het bestaande aantal mag bedragen;
een hoofdgebouw uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd;
ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' de bestaande hoofdvorm (bouwhoogte, goothoogte en dakhelling) van de woning gehandhaafd dient te blijven
Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen geldt dat:
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 100 m2 mag bedragen met dien verstande dat niet meer dan 50 % van het bouwperceel buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd, dan wel ten hoogste het bestaande percentage indien dit meer is;
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten hoogste 3m en de bouwhoogte ten hoogste 5,50 m mag bedragen;
de goothoogte van aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is.
de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorende bouwwerk ten minste 1 m lager dient te zijn dan de bestaande hoogte van het hoofdgebouw.
bijbehorende bouwwerken op tenminste 3 meter van de naar de openbare weg gekeerde perceelsgrenzen moeten worden geplaatst.
Met betrekking tot overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat,
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 2 m mag bedragen;
de hoogte van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, ten hoogste 5,5 m mag bedragen;
de hoogte van vlaggenmasten ten hoogste 8 meter mag bedragen;
9.3 specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:
het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor detailhandel en overige bedrijfsactiviteiten anders dan een beroep of bedrijf aan huis, al dan niet in combinatie met de daarvoor benodigde opslagruimte;
het gebruik van een woning ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of bedrijf in strijd met de volgende bepalingen:
de woonfunctie mag worden gecombineerd met een beroep / bedrijf aan huis, voorzover de oppervlakte hiervan ten hoogste 30% van de begane grond oppervlakte van de woning, inclusief aan-, en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen mag bedragen met een maximum van 50 m2.
een aan huis verbonden beroep of bedrijf is uitsluitend toegestaan in het hoofdgebouw en in de aangebouwde bijbehorende bouwwerken;
alleen het beroeps- of bedrijfsmatig gebruik dat niet vergunningplichtig of meldingplichtig is ingevolge de Wet milieubeheer is toegestaan;
de omvang van reclame-uitingen mag ten hoogste 0,5 m2 bedragen;
parkeren dient op eigen erf plaats te vinden;
er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeers- en/of
publieksaantrekkende werking;
detailhandel, anders dan die welke direct voortvloeit uit het bedrijfs- of beroepsmatig gebruik; is niet toegestaan
er mag geen buitenopslag van goederen plaatsvinden;
9.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
9.4.1 Vergunningplicht
Voor het slopen van bouwwerken is, ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ een omgevingsvergunning vereist.
9.4.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 9.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:
het normale onderhoud betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
9.4.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
Artikel 10 Leiding - Gas
10.1 bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
een gastransportleiding met een belemmeringenstrook van 4 meter ter weerzijden van de hartlijn van de leiding.
10.2 Voorrangsbepaling
In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Verder geldt voor zover de op de verbeelding weergegeven dubbelbestemming 'Leiding - Gas' voorrang krijgt.
10.3 bouwregels
10.3.1 Vergunningplicht
In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en), mag niet worden gebouwd, anders dan ten dienste van de bestemming 'Leiding - Gas'
10.3.2 Andere bouwwerken
Op of in de gronden als bedoeld in lid 9.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:
andere bouwwerken.
de bouwhoogte van andere bouwwerken zal ten hoogste 2 m bedragen.
10.4 afwijken van de bouwregels
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
het bepaalde in lid 9.3.1 in die zin dat de in de andere op de gronden voorkomende bestemming(en) toegelaten gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, mits:
vooraf advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder;
geen afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding.
er geen kwetsbare objecten worden toegevoegd.
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Vergunningplicht
Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen, een omgevingsvergunning vereist:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
het permanent opslaan van goederen;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen van oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen;
het rooien van bomen en andere beplantingen die diep wortelen of kunnen wortelen.
10.5.2 Uitzondering
Het bepaalde in lid 10.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
het normale onderhoud betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
10.5.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning zal slechts worden verleend, indien geen afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding en vooraf advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder.
10.6 wijzigingsbevoegdheid
10.6.1 Bevoegdheid
Burgemeester en Wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' wordt verwijderd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder.
10.6.2 Toetsingscriteria
Burgemeester en Wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 10.6.1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid indien hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan een veilig en doelmatig functioneren van de leiding.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 11 Anti-dubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12 algemene gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- en/of vliegtuigen, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering;
het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bedrijfsvoering, bouwactiviteiten, werken en werkzaamheden;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:
de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, indien dit om bouwtechnische redenen of om redenen van doelmatigheid van de bouw noodzakelijk is.
het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bouw- c.q. het bestemmingsvlak in die zin dat de grenzen van het bouw- c.q. het bestemmingsvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen;
mits: de bouwgrens met niet meer dan 1,50 m overschrijdend.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 14 overgangsrecht
14.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%.
Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 15 slotregel
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan Sneek - Van Giffenstraat
van de gemeente Súdwest-Fryslân