direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wijzigingsplan Buitengebied Zwartewaterland, Topweg 5
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1896.BPW007-VS01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

De initiatiefnemer wil de woning aan de Topweg 5 te Genemuiden op een andere locatie op het perceel situeren. Omdat in het geldende bestemmingsplan de locatie van de woning met een bouwvlak is vastgelegd, kan dit niet zonder meer worden gerealiseerd. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een wijziging van het bestemmingsplan. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Zwartewaterland. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen op het adres Topweg 5 in het buitengebied van Genemuiden, binnen de gemeente Zwartewaterland. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1896.BPW007-VS01_0002.png"

Ligging van het plangebied (bron: Openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Topweg 5 in de Zuiderzeepolder, in het buitengebied van Genemuiden. Het is gelegen in een agrarisch landschap. Kenmerken van dit gebied zijn de openheid van het landschap, reliëf en onregelmatige vormen. Verspreid door de polder en op regelmatige afstand van elkaar liggen agrarische bedrijven.

Op de locatie was een woning aanwezig, die een aantal jaren geleden is gesloopt. De naastgelegen schuur op het perceel is nog wel aanwezig. Verder ligt het erf er in de huidige situatie kaal bij. Behalve enkel bomen aan de wegzijde is er geen erfbeplanting aanwezig. Het plangebied is aan de voorzijde via twee inritten ontsloten op de Topweg. Aan de overzijde van de weg liggen twee agrarische bedrijven. Op circa 100 meter naast het plangebied in zuidoostelijke richting bevindt zich eveneens een agrarisch bedrijf. Bijgevoegde afbeelding geeft dit globaal aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1896.BPW007-VS01_0003.png"

Luchtfoto plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2.2 Toekomstige situatie

Het voornemen is om de woning terug te bouwen op een plek verder naar achteren op het perceel. De woning krijgt zo een vrijere ligging en de afstand tot de weg en de tegenover gelegen bedrijven wordt vergroot. De woonkwaliteit wordt hierdoor verbeterd. De woning krijgt een meer zelfstandige positie ten opzichte van de schuur, maar samen blijven zij wel een combinatie van bebouwing. Op onderstaande tekening is de nieuwe situatie weergegeven.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1896.BPW007-VS01_0004.png"

Weergave van toekomstige situatie (tekening: Brouwer, bureau bouwkunde)

Erfinrichting

Om het geheel op een goede wijze in te passen in het landschap is door de ervenconsulent van Het Oversticht een schetsvoorstel gemaakt voor de toekomstige inrichting van het erf. Het voorstel is om het erf aan te kleden met passende, streekeigen beplanting zoals liguster, struweelhagen en bomen. Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1896.BPW007-VS01_0005.png"

Erfinrichtingsschets (ontwerp: Het Oversticht)

Door de aanleg van beplanting wordt de locatie beter ingepast in het landschap. Het perceel blijft op dezelfde wijze ontsloten als in de bestaande situatie het geval is.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijks- en provinciaal beleid

Nationaal Landschap IJsseldelta

Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap IJsseldelta. Nationale landschappen zijn gebieden met unieke landschapskwaliteiten. Als kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn benoemd:

  • de grote mate van openheid;
  • de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek;
  • het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen;
  • de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap.

De kernkwaliteiten zijn verder uitgewerkt in ontwikkelingsperspectieven, waarin ambities zijn neergelegd om uitvoering te geven aan het principe 'behoud door ontwikkeling'. Voor de Zuiderzeepolder zijn het reliëf, de onregelmatige vormen, rivierarmen en dijken genoemd als kenmerkende structuren.

Planspecifiek

Voorliggend plan betreft de verplaatsing van een woning binnen het eigen perceel. De woning wordt ten opzichte van de eerdere situatie iets naar achteren geplaatst, maar blijft binnen de begrenzing van de woonbestemming. Dit heeft geen gevolgen voor de beleving van de openheid in de polder. Het plan leidt niet tot aantasting van kernkwaliteiten van de IJsseldelta.

Gezien de geringe omvang van het plan zijn er geen rijks- of provinciale belangen in het geding. Nadere toetsing aan het rijks- en provinciaal beleid is daarom niet nodig.

3.2 Gemeentelijk beleid

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland', zoals dat op 10 oktober 2013 is vastgesteld door de raad van de gemeente Zwartewaterland. Binnen dit bestemmingsplan zijn voor het plangebied van toepassing de enkelbestemming 'Wonen' en dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied'. Met een bouwvlak is aangegeven waar een woning mag worden gebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1896.BPW007-VS01_0006.png"

Uitsnede uit het 'Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland 2013' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het voorliggend plan voorziet in de verplaatsing van het bestaande bouwvlak binnen de bestemming 'Wonen'. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee dit mogelijk kan worden gemaakt. In de Algemene wijzigingsregels in artikel 47 is het volgende opgenomen:

Artikel 47 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemmingen 'Artikel 23 Wonen' te wijzigen in die zin dat de situering en de vorm van de in het plan aangegeven bouwvlakken met bijbehorende tuinen, erven, wegen en groenvoorzieningen worden gewijzigd dan wel nieuwe bouwvlakken met bijbehorende tuinen, erven, wegen en groenvoorzieningen in het plan worden aangegeven, mits:

  • a. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • 1. het stedenbouwkundig beeld;
  • 2. de woonsituatie;
  • 3. de verkeersveiligheid;
  • 4. de parkeergelegenheid;
  • 5. de sociale veiligheid;
  • 6. de milieusituatie;
  • 7. de groenstructuur;
  • 8. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden

Planspecifiek

In voorliggend plan wordt de nieuwe woning op grotere afstand van de weg en tegenoverliggende bedrijven gesitueerd. De woning krijgt een vrijere ligging op het perceel en krijgt een meer zelfstandige positie ten opzichte van de schuur. Ruimtelijk gezien blijft het echter één erf. Dit wordt nog versterkt door de te nemen landschappelijke maatregelen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de overige uitvoerbaarheidsaspecten van het plan.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Het plan voorziet niet in een functieverandering van het perceel, het perceel heeft reeds de bestemming wonen. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet nodig.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Bij het onderwerp luchtkwaliteit spelen twee aspecten: de vraag of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (in relatie tot de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wijzigt het aantal woningen niet. De verplaatsing van de woning zal 'niet in betekenende mate' bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit (conform het Besluit NIBM). Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Er is geen toename van het aantal geluidsgevoelige objecten. Door het verplaatsen van het bouwvlak komt de woning juist op grotere afstand te liggen van de weg en de naburige agrarische bedrijven. Van een toename van geluidshinder is geen sprake. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. In dat geval gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.

Planspecifiek

Het plan voorziet in de verplaatsing van een geurgevoelig object binnen een vlak waar wonen reeds is toegestaan. Aan de overzijde van de weg liggen twee agrarische bedrijven. Dit zijn beide melkveebedrijven met vaste afstandsdieren. In de bestaande situatie bedraagt de afstand tussen de woning en de bedrijfsgebouwen 50 meter, waarmee wordt voldaan aan de afstandseis. In de nieuwe situatie komt de woning op een iets grotere afstand te liggen. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen nadelig effect heeft op de geursituatie.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

In- en uitwaartse zonering

Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie (een bedrijf of bedrijventerrein) met als doel milieugevoelige functies uit de omgeving te weren. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de milieugevoelige functie (bijvoorbeeld een woongebied) een bufferzone gecreëerd.

Planspecifiek

Vanuit milieuzonering is het met de uitbreiding van het bouwvlak in voorliggend plan van belang om te kijken naar de gevolgen van de aspecten geur, stof en geluid. Het aspect geur is reeds besproken in paragraaf 4.1.4. Voor de aspecten stof en geluid gelden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' richtafstanden van minimaal 30 meter voor agrarische bedrijven. Aan deze afstand wordt voldaan.

In de omgeving van het plangebied liggen geen andere bedrijven. Voor het gehele plangebied geldt reeds de bestemming 'Wonen'. Omdat het hier enkel een verplaatsing van een milieugevoelig object betreft binnen de bestemming wonen, treedt er geen verandering op ten opzichte van de bestaande situatie.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Binnen het plangebied is reeds een woning toegestaan. Er wordt geen gevoelig object toegevoegd. Om deze reden wordt verder onderzoek met betrekking tot externe veiligheid achterwege gelaten.

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid is het plan uitvoerbaar.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Voorliggende watertoets is opgesteld volgens de uitgangspuntennotitie van het waterschap Drents Overijsselse Delta.

Bestaande waterhuishouding

Het plan ligt in het stroomgebied Mastenbroek. Rond het plangebied ligt een primaire watergang die in het beheer van het waterschap is. Het peilgebied heeft een maximumpeil van -0.65 m. NAP. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte.

afbeelding "i_NL.IMRO.1896.BPW007-VS01_0007.png"

Bestaande waterhuishouding rond het plangebied

Watersysteem

Grenzend aan het plangebied ligt een watergang die in beheer is van het waterschap Drents Overijsselse Delta. De beschermingszone van deze watergang ligt deels over het plangebied. Op dit deel van het perceel vinden echter geen ingrepen plaats.

Beheer en onderhoud

Om de waterhuishouding op orde te houden is beheer en onderhoud nodig. De beschermingszone, zoals hiervoor genoemd, betreft een obstakelvrije zone van 5 meter die nodig is voor onderhoud vanaf de kant. Binnen deze zone vinden geen ingrepen plaats. De woning wordt juist gebouwd aan de andere kant van het bestaande bijgebouw, aan de noordwestzijde van het perceel.

Waterveiligheid

Het plangebied ligt de Zuiderzeepolder. Deze gehele polder is een overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebieden in verband met het overstromingsrisico). Dit gebied worden niet beschermd door primaire waterkeringen en liggen daarmee wettelijk buitendijks. De provinciale Verordening geeft aan dat in deze gebieden wel mag worden gebouwd, maar dat nieuwe kapitaalintensieve functies worden geweerd in verband met het overstromingsrisico.

Voorliggend plan voorziet niet in een nieuwe functie, maar in de verplaatsing van een reeds aanwezige functie (woning). Bij de ontwikkeling van het bouwplan zal worden onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om de woning waterveiliger te maken. Hierbij kan worden gedacht aan:

  • waterbestendig bouwen, verhoogde drempels,
  • verhoogd bouwen zoals op terpen of palen of aanleg van een dijkring rond de locatie;
  • aanleg van kwetsbare onderdelen (zoals stopcontacten, meterkasten en andere installaties) op hoogte.

Het noordoostelijke deel van de Zuiderzeepolder ligt relatief hoog (het verschil bedraagt ruim een meter) ten opzichte van andere delen van de polder. Het is derhalve geen gebied dat snel kan overstromen. Het plan betreft een woning, waarin de bewoners in principe zeldredzaam zijn en derhalve in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1896.BPW007-VS01_0008.png"

Hoogtekaart met ligging plangebied (bron: Actueel Hoogtebestand Nederland)

Waterkwantiteit

Voorliggend plan betreft de verplaatsing van een woning. Het verhard oppervlak zal met dit plan niet noemenswaardig veranderen. Het hemelwater op daken en verhardingen zal direct worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Om te zorgen dat het hemelwater schoon blijft, zullen geen materialen worden gebruikt die kunnen leiden tot verontreinigingen (geen gebruik van lood, koper, zink).

Digitale watertoets

Voor het plan is de digitale watertoets ingevuld. De samenvatting hiervan is te vinden in bijlage 1. Hieruit blijkt dat er belangen van waterschap Drents Overijsselse Delta worden geraakt vanwege de ligging in een overstromingsrisicogebied en de beschermingszone van de naastgelegen watergang die deels over het plangebied ligt. Op dit deel van het perceel vinden echter geen ingrepen plaats. Het voorontwerpbestemmingsplan zal worden voorgelegd aan het waterschap.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Voorliggend plan voorziet in de verplaatsing van de woning op het bestaande erf, dat reeds grotendeels is verhard. De bestaande woning is reeds gesloopt. Ten behoeve van het plan hoeven geen beplantingen te worden verwijderd. Aangenomen mag worden dat het plan geen gevolgen heeft voor (leefgebieden van) bijzondere soorten. Een nader ecologisch onderzoek is niet nodig.

De nieuwe woning wordt gasloos gebouwd. Het plan heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de stikstofdepositie op natuurgebieden in de omgeving.

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ecologie.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. In de huidige situatie zijn er twee inritten aanwezig: een ter hoogte van de schuur en een voor de woning. Beide inritten blijven gehandhaafd. De verkeersbelasting zal als gevolg van voorliggend plan niet veranderen. Parkeren gebeurt op eigen terrein. Op grond van parkeercijfers van het CROW dienen er bij een woning in het buitengebied ruimte te zijn voor drie geparkeerde auto's. Op het erf is hiervoor voldoende ruimte aanwezig.

Geconcludeerd wordt dat het plan uitvoerbaar is voor het onderdeel verkeer en parkeren.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Het plangebied ligt niet in een gebied met cultuurhistorische waarden. De aanwezige bebouwing wordt niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol.

Archeologie

Het plangebied valt niet onder de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en kent volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden een lage trefkans van archeologische resten. Een archeologisch onderzoek is niet nodig.

Het initiatief is uitvoerbaar voor het aspect cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het wijzigingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Met voorliggend bestemmingsplan blijven de vigerende bestemmingen in stand. De wijziging heeft betrekking op de verplaatsing van het bouwvlak waarbinnen een woning is toegestaan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • Wonen
  • Waterstaat - Waterbergingsgebied

Er is ervoor gekozen om bij dit plan geen set regels op te nemen, maar rechtstreeks te verwijzen naar de bestaande regels van het moederplan, het bestemmingsplan "Buitengebied Zwartewaterland" met identificatienummer NL.IMRO.1896.BP0035-VS01.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Middels een digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd over het plan. Gezien het beperkte karakter van het plan kan worden afgezien van vooroverleg met de provincie.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Aangezien er gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan en gelet op de beperkte impact van het plan, wordt er geen inspraakperiode ex artikel 3.1.6 Bro georganiseerd. Het plan gaat direct als ontwerp ter inzage. De initiatiefnemer heeft omwonenden op de hoogte gesteld van het plan.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan heeft van 18 september tot en met 30 oktober 2019 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.