Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Buitengebied Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 114
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1896.BP0093-VS01

Toelichting

1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De initiatiefnemer woont sinds jaar en dag in de voormalige bedrijfswoning van het bouwbedrijf Kijk in de Vegte VOF aan de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 114 in Hasselt, gemeente Zwartewaterland. De woning is echter nog wel als bedrijfswoning bestemd in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied Zwartewaterland'. Daarnaast is een perceel (kadastraal bekend als gemeente HST00 sectie F nummer 713) aan de noordzijde bestemd als 'Agrarisch', terwijl het onderdeel uitmaakt van het bouwbedrijf. Verder wordt een bestaande schuur op het perceel (kadastraal bekend als gemeente HST00 sectie F nummer 717) gerenoveerd en als gevolg hiervan uitgebreid. De uitbreiding vindt plaats binnen de bestemming 'Agrarisch' en buiten het op de verbeelding opgenomen bouwvlak.
 
Om de planologische situatie, zoals vastgelegd in het geldende omgevingsplan van rechtswege, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zwartewaterland', zoals vastgesteld op 10 oktober 2013, weer in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik en de renovatie van de bestaande schuur mogelijk te maken, is een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan vormt het nieuwe planologische kader en onderbouwt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Maatschappelijke doelen Omgevingswet

De Omgevingswet stelt maatschappelijke doelen (artikel 1.3, Omgevingswet) met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van Nederland en het beschermen en verbeteren van het leefmilieu. Deze maatschappelijke doelen vertalen zich in het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving:
  • beschermen: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;
  • benutten: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.

1.3 Het TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan biedt binnen het wettelijke kader van de Omgevingswet de mogelijkheid om via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening uit de Wet ruimtelijke ordening) het omgevingsplan te wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen. TAM staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Deze manier van werken maakt het voor gemeenten, die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), mogelijk om de belangrijkste uitvoeringsprocessen te kunnen blijven uitvoeren, totdat zij het DSO wel kunnen gebruiken.

1.4 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Zwartewaterland, circa 320 meter ten zuidoosten van Hasselt, op de hoek van de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan en de Zandvoortweg. Aan de west- en noordzijde wordt het plangebied begrenst door het agrarische bedrijf van de buren op het perceel aan de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 112. Aan de oostzijde van het plangebied begrenst door de Zandvoortweg en aan de zuidzijde door de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan.
 
Globale begrenzing van het plangebied.
 
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente HST00 sectie F nummers 410 (gedeeltelijk), 668, 711 (gedeeltelijk), 713, 714 (gedeeltelijk) en 717. Het gezamenlijke oppervlakte van deze percelen bedraagt circa 4.260 m².

1.5 Geldend omgevingsplan

Het geldend planologisch regime is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. Ter plekke van het besluitgebied geldt in het tijdelijk deel van het omgevingsplan het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zwartewaterland’, zoals vastgesteld op 10 oktober 2013 door de gemeenteraad van Zwartewaterland. Dit bestemmingsplan is van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. Aan het plangebied zijn de functies 'Agrarisch', ‘Bedrijf’, 'Tuin' en 'Wonen'. toegekend. Binnen de functie 'Bedrijf' zijn bedrijven in de categorie 2 toegestaan. Alle bebouwing ligt binnen een bouwvlak, waarbij maximaal 480 m² aan bedrijfsbebouwing is toegelaten. Verder geldt ter plaatse van de functie 'Bedrijf' de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afwijkend gebruik'. Ter plaatse van deze aanduiding is onder meer een bouwbedrijf toegestaan. Verder is één bedrijfswoning toegestaan. Verder geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’.
 
Uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Zwartewaterland' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
 
Verder geldt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan het paraplubestemmingsplan Wonen. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 14 oktober 2021. Dit bestemmingsplan geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Zwartewaterland. Er zijn onder meer regels opgenomen in om het gebruik van woningen voor meer dan één huishouden te voorkomen.

1.6 Opzet van de toelichting

Het tweede hoofdstuk van deze toelichting geven een beschrijving van de bestaande- en toekomstige situatie. In het derde en vierde hoofdstuk wordt voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid en de aspecten van de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk vijf bevat een toelichting op de regels. In hoofdstuk zes en zeven komen achtereenvolgens de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

2 Beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de bestaande en toekomstige situatie besproken. Het hoofdstuk wordt afgesloten met beschrijving van de strijdigheden van de ontwikkelingen met het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

2.2 Bestaande situatie

Het perceel aan de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 114 is een deel van een voormalig agrarisch erf, dat al eens van functie is veranderd. Na het staken van de agrarische bedrijfsactiviteiten is in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen een bouwbedrijf gevestigd. De voormalige agrarische bedrijfswoning is de oorspronkelijke boerderij en is aan te merken als een hallenhuisboerderij. Het oorspronkelijke woongedeelte ligt aan de Zandvoortweg en het bedrijfsgedeelte aan de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan. Bij de vestiging van het bouwbedrijf is de boerderij gesplitst in twee woningen, waarbij de bedrijfswoning van het bouwbedrijf in het oorspronkelijke bedrijfsgedeelte is gesitueerd. De bedrijfswoning en het bouwbedrijf worden ontsloten op de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan. Het oorspronkelijke woongedeelte is in gebruik genomen als 'reguliere' woning. Deze wordt ontsloten op de Zandvoortweg.
 
Bestaande situatie ter plaatse van het perceel aan de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 114
   
Het terrein ten westen van de bedrijfswoning is ingericht ten behoeve van het bouwbedrijf. In de loop van de tijd zijn daar diverse bedrijfsgebouwen/overkappingen gebouwd voor de opslag van bouwmateriaal en materieel. Het totale oppervlakte van deze bebouwing bedraagt circa 405 m². In deze bedrijfsgebouwen zijn houtbewerkingsmachines aanwezig. Deze worden incidenteel gebruikt, het merendeel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd op de locaties elders waar het bouwbedrijf aan het werk is. Dit deel van het plangebied wordt ontsloten op de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan. Het noordelijke deel van het terrein is ingericht als tuin en erf ten behoeve van het wonen. Het erf wordt ontsloten op Zandvoortweg.
    

2.3 Voorgenomen ontwikkeling

De bewoners van de bedrijfswoning hebben al langere tijd geen economische binding met het bouwbedrijf, omdat het bouwbedrijf is overgegaan in handen van hun zoon. Om die reden wordt de functie van bedrijfswoning omgezet naar de functie 'Wonen'. Verder wordt een bestaande schuur op het perceel van het bouwbedrijf gerenoveerd. Als gevolg van de renovatie verplaatst de achtergevel van de schuur circa 2,00 meter buiten het bouwvlak. Het bebouwde oppervlakte van de bedrijfsbebouwing neemt hierdoor toe tot circa 525 m² binnen het bouwvlak. Het gebruik van de schuur wijzigt niet ten opzichte van de bestaande situatie.
 
Landschappelijke inpassing
Op grond van gemeentelijk beleid dienen ontwikkelingen in het buitengebied, waaronder functiewijzigingen, landschappelijk te worden ingepast. Het landschap waar de planlocatie onderdeel van is heeft een open karakter. De aanwezige bebouwing, veelal (voormalige) agrarische bedrijven, liggen vrij in het landschap. Dit geldt zowel voor de (bedrijfs)woningen als voor de bedrijfsgebouwen. Met uitzondering van de tuinen, ontbreken structurele beplantingen in de vorm hagen en singels rondom de aanwezige bebouwing. Kenmerkend voor met name de oudere erven is het verspreid voorkomen van vrijstaande bomen op het erf.
 
Deze karakteristiek is ook van toepassing op de erfinrichting op de planlocatie. Hiermee is het erf in de huidige situatie passend binnen het open karakter van het omliggende landschap. Het toevoegen van beplanting in de vorm van bomen, hagen en singels zal het bestaande beeld vertroebelen. In overleg met de gemeente is om die reden bepaald dat er geen maatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing genomen hoeven te worden en dat de instandhouding van bestaande erfinrichting volstaat.

2.4 Strijdigheid omgevingsplan

De voorgenomen ontwikkelingen zijn op twee punten strijdig met het omgevingsplan. Het bewonen van een bedrijfswoning door een huishouden dat geen economische binding heeft met het bedrijf waarvan de bedrijfswoning deel uit maakt is in strijd met de regels van de functie 'Bedrijf'. Daarnaast is het volgens de bouwregels van deze functie niet toegestaan om bedrijfsgebouwen te realiseren buiten het bouwvlak. Met de renovatie van de schuur wordt tevens het oppervlak aan bedrijfsgebouwen dat op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied' is toegelaten overschreden.

3 Relevant ruimtelijk beleid

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het relevante ruimtelijke beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit besluitgebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in deze ruimtelijke onderbouwing afgewogen.

3.2 Rijksbeleid

Het relevante Rijksbeleid is vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Centraal bij de afweging van diverse belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond, zogenaamd ‘omgevingsinclusief’ beleid. In het NOVI zijn hier voor drie afwegingsprincipes onderscheiden:
  1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  3. Afwentelen wordt voorkomen.
Het streven naar integraliteit komt samen in vier verschillende prioriteiten, te weten:
  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio’s;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
In de Omgevingswet is de evenwichtige toedeling uitgewerkt in de maatschappelijke doelen (zie par. 1.2 van deze ruimtelijke motivering) van de wet. In het Bkl zijn de maatschappelijke doelen en beleidsdoelen uitgewerkt in instructieregels. De instructieregels bevatten onder meer regels voor de onderzoeksinspanningen die voor specifieke voorgenomen activiteiten van toepassing zijn.
 
Toets voorgenomen ontwikkeling
Het omzetten van de functie ‘Bedrijf’ van de bedrijfswoning in de functie ‘Wonen’ is niet in strijd met nationale belangen, zoals vastgelegd in het ruimtelijke beleid van het Rijk.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Overijssel Beken Kleur

Op 12 april 2017 heeft Overijssel haar nieuwe Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie wordt jaarlijks geactualiseerd. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel.
 
Duurzaamheid
De provincie hanteert de volgende definitie van duurzaamheid: ‘duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.’ De provincie heeft 4 duurzame kwaliteitsambities geformuleerd:
  • Een klimaatbestendig Overijssel
  • Een duurzame energiehuishouding
  • Kringlopen sluiten, ofwel: toegroeien naar een circulaire economie
  • Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur
Ruimtelijke kwaliteit
Ruimtelijke kwaliteit wordt door de provincie vooral gezien als functioneel, mooi en toekomstbestendig. Dit is een optelsom van:
  • gebruikswaarde: functionaliteit, bereikbaarheid, toegankelijkheid, nut en noodzaak van een initiatief dat ontwikkeld wordt;
  • belevingswaarde: beeldkwaliteit, het ‘mooie’, de identiteit van een gebied, het gevoel van (toekomstige) gebruikers en bewoners;
  • toekomstwaarde: het vermogen om ruimtelijke gevolgen van veranderende omstandigheden op te vangen (flexibiliteit, beheerbaarheid).
Sociale kwaliteit
Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of ‘goed voelen’ van de mens. Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en armoede. Sociale kwaliteit gaat ook over leefbaarheid in bredere zin, over binding met de buurt en betrokkenheid bij de eigen leefomgeving.
 
Toets voorgenomen ontwikkeling
Het omzetten van de functie ‘Bedrijf’ van de bedrijfswoning in de functie ‘Wonen’ is niet in strijd met
leidende principes uit de provinciale omgevingsvisie.

3.3.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
 
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
 
Toets voorgenomen ontwikkeling
Voor de locatie van de voorgenomen ontwikkeling zijn in de Omgevingsverordening geen instructieregels opgenomen. Het omzetten van de functie ‘Bedrijf’ van de bedrijfswoning in de functie ‘Wonen’ is niet in strijd met instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Zwartewaterland

In de omgevingsvisie kunnen inwoners, ondernemers en andere partners van Zwartewaterland lezen waar de gemeente voor staat. Het biedt helderheid over welke kant/richting Zwartewaterland op wil ontwikkelen. De omgevingsvisie stuurt op de hoofdopgaven van de gemeente. De gemeente kijkt of initiatieven uit de samenleving passen binnen de kaders in de omgevingsvisie. Daarmee draagt de omgevingsvisie bij aan snellere en eenduidige besluitvorming.
 
De gemeente heeft de Omgevingsvisie opgesteld aan de hand van de volgende ambities:
  • samenwerkend Zwartewaterland bereikt meer;
  • een uitnodigende leefomgeving om te bewegen, ontmoeten en verblijven;
  • nieuwe energie en klimaatadaptatie krijgen de ruimte;
  • een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  • beleef mix van cultuur en ondernemen in Zwartewaterland;
  • ons buitengebied is klaar voor de toekomst.
Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in verschillende thema’s, zoals cultuur, landschap en natuur, gezondheid, energie en wonen. Voor dit plan is met name de ambitie ‘ons buitengebied is klaar voor de toekomst’ relevant.
 
Ons buitengebied is klaar voor de toekomst
Het buitengebied staat een aantal grote veranderingen te wachten. Verwacht wordt dat het aantal agrarische bedrijven afneemt in de toekomst. Bijvoorbeeld door gebrek aan opvolging. Door bodemdaling moeten er oog zijn voor de toekomst van het veengebied. Dit kan gevolgen hebben voor de grondgebonden veehouderij. Daarnaast is de opwek van nieuwe energie een functie die ruimte zoekt in het buitengebied. Ook krijgen agrarische bedrijven er af en toe andere functies bij, denk aan een zorgboerderij of kamperen bij de boer.
 
Het toevoegen van niet-agrarische functies in het buitengebied biedt meer en nieuwe kansen voor behoud van het economisch rendement van het buitengebied. Er gelden wel voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen. Er moet rekening houden worden met landschappelijke waarden en de natuur. Maar ook met de omgeving, zoals de bestaande agrarische functie.
De landbouw is een belangrijke drager van het landschap en is van grote cultuurhistorische betekenis. Het landschap heeft mede daardoor zijn huidige vorm gekregen. Tegelijkertijd spelen er een aantal opgaven in het buitengebied. Samen met de regiogemeenten en andere partijen die deelnemen aan de Gebiedsgerichte Aanpak Noordwest Overijssel beoordelen we hoe we hieraan een toekomstbestendige invulling kunnen geven. 
Het buitengebied zonder duidelijk aanwezige agrarische sector verandert fundamenteel van karakter. Behoud en beleefbaarheid van de agrarische sector is daarom uitgangspunt. Tegelijk zien we andere ruimteclaims op het buitengebied (wonen, energie, natuur, recreatie). Daardoor kan de agrarische sector de huidige omvang mogelijk niet behouden. Behoud kan ook worden bereikt door (gedeeltelijke) transities in de sector. Van belang is dat het agrarisch ondernemerschap niet in gevaar komt.
 
Wonen in het buitengebied
Woningbouw vindt zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwde omgeving plaats. Dit gaat vóór uitbreiding van het bebouwd gebied. Echter, bouwen buiten bestaand bebouwd gebied zal niet altijd te voorkomen zijn. In die gevallen zorgen we voor een zorgvuldige inpassing in groen en landschap volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en het Groenbeleidsplan. Het is gebaseerd op het provinciale beleid dat ervan uit gaat dat nieuwe ontwikkelingen mogen als zij bijdragen aan het in-stand-houden van en versterken van ruimtelijke kwaliteit. Voor alle nieuwe en grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied geldt dat een goede ruimtelijke inpassing verplicht is. Naast deze basisinspanning kan het zijn dat er extra kwaliteitsprestaties nodig zijn. Ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties moeten in evenwicht zijn. Nieuwe woonkavels in kernen en op bestaande erven behoren tot de mogelijkheden. Alleen voor karakteristieke woningen worden extra mogelijkheden toegestaan in gebruik en bouw.
 
Toets voorgenomen ontwikkeling
Het omzetten van de functie ‘Bedrijf’ van de bedrijfswoning in de functie ‘Wonen’ is niet in strijd ambities en uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Zwartewaterland. De functie 'Wonen' wordt gerealiseerd in een bestaand gebouw. Door de functiewijziging komt de ruimtelijke kwaliteit niet onder druk te staan en worden agrarische bedrijven in de directe omgeving niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.

3.5 Conclusie ruimtelijk beleid

Het relevante ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Zwartewaterland vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4 Fysieke leefomgeving

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven en worden de waterbelangen afgewogen.

4.2 Voorgenomen activiteiten

De initiatiefnemer wil functie ‘Bedrijf' van de huidige aangeduide bedrijfswoning omzetten in de functie ‘Wonen’. Hiermee is beoogd het planologische regime in overeenstemming te brengen met huidige gebruik van het perceel. Daarnaast wil de initiatiefnemer het bouwvlak van een bestaande schuur uitbreiden zodat de schuur gerenoveerd kan worden. Hiermee wordt de bestemming 'Agrarisch' omgezet naar de bestemming 'Bedrijf'. Binnen het plangebied zijn geen bouwactiviteiten voor het realiseren van nieuwe gebouwen voorzien.

4.3 Cultuurhistorie en monumenten

4.3.1 Beoordelingskader

De duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staan in de Erfgoedwet. De omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving moet een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

4.3.2 Motivering

Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of Rijksmonumenten aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. Het plangebied is geen onderdeel van een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht. Binnen het plangebied zijn geen ‘karakteristieke objecten’ of andere overige cultuurhistorische waarden (denk bijvoorbeeld aan waardevolle bomen of groenstructuren) aanwezig waarmee rekening mee moet worden gehouden.

4.3.3 Conclusie

Het aspect 'cultuurhistorie en monumenten' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.4 Archeologie

4.4.1 Beoordelingskader

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het (zoveel mogelijk) behouden van archeologische resten in de bodem (in situ) en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Het cultureel erfgoed bestaat uit gebieden, objecten, gebouwen, structuren en ensembles vanaf de vroege prehistorie tot het recente verleden. Het cultureel erfgoed maakt deel uit van onze identiteit en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de stad.
 
In het Bkl (artikel 5.130) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd en regels ter voorkomen van aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast is het artikel gericht op het voorkomen van aantasting van de omgeving van monumenten.
 
Omgeving van het monument
Nieuw aan de Omgevingswet is de instructieregel voor cultureel erfgoed (bovengronds en ondergronds) ter bescherming van de omgeving van monumenten. Hierbij is het de bedoeling dat in het omgevingsplan regels worden gesteld om aantasting van de omgeving van monumenten te voorkomen. Het gaat bij dit onderdeel niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting van de omgeving van een monument die dat monument ontsiert of beschadigt. Omdat de omgeving van een monument verschillend kan zijn, gaan we werken met procesregels in het omgevingsplan. Dit betekent dat we bij afwijkingen van het omgevingsplan onderzoeken of de nieuwe ontwikkeling van invloed is op de omgeving van het monumenten.
 
Regels voor archeologie
Om op een passende en effectieve wijze zorg te kunnen dragen voor het kostbare bodemarchief wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst aan de regels voor archeologie in het omgevingsplan, waarin het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Hellum-Siddeburen’ als tijdelijk deel van het omgevingsplan is opgenomen.
 

4.4.2 Motivering

Het plangebied ligt binnen een zone met aanduiding ‘Waarde – Archeologie’. Binnen deze aanduiding geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan respectievelijk 100 m². De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die leiden tot bodemingrepen groter dan 100 m². Om die reden is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

4.4.3 Conclusie

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.5 Bodem

4.5.1 Beoordelingskader

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving. Daaronder wordt ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem verstaan. Onder de Omgevingswet is het wettelijk instrumentarium voor de bodem gebaseerd op drie pijlers:
  1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
  2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties);
  3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning.

4.5.2 Motivering

De voorgenomen activiteiten bestaan uit het omzetten van de functie van de bedrijfswoning in een reguliere woning om het planologische regime in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik. Verder wordt het bouwvlak van de bestaande schuur in beperkte mate vergoot, zodat deze schuur gerenoveerd kan worden. Deze activiteiten leiden niet tot bouwactiviteiten die voorzien in nieuwe gebouwen en het vrijkomen van grond. Om die reden is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk.

4.5.3 Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.6 Milieueffectrapportage

4.6.1 Beoordelingskader

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan (inclusief omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
 
Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
 
De plan-m.e.r.-beoordeling is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets vindt plaats aan de hand van de criteria van bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.6.2 Motivering

Uit toetsing aan de regels uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit volgt dat de voorgenomen ontwikkeling als een ontwikkeling die betrekking heeft op een klein gebied op lokaal niveau. Er kan dus worden volstaan met een plan-m.e.r.-beoordeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling in dit hoofdstuk de belangrijkste milieuaspecten beschouwd. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde Mededeling in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

4.6.3 Conclusie

Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.7 Mobiliteit en parkeren

4.7.1 Beoordelingskader

Mobiliteit
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen over mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom) en de CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek).
 
Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen (zie paragraaf 1.2) van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). Gemeenten nemen daarom ook verkeersveiligheid mee in de afweging bij het inrichten van de fysieke leefomgeving. Zo zal verkeersveiligheid, een goede afhandeling van verkeerstromen en het voorkomen van (voorzienbare) parkeerhinder voor een gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow). De inrichting en inpassing van infrastructuur in de omgeving heeft invloed op de veiligheid. Zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Maar ook bebouwing of een bouwwerk naast de (water)weg kan effect hebben op de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid is dan ook een onderdeel van de afweging om ruimte te verdelen en gebieden aan te wijzen voor een bepaalde functie.
 
Parkeren
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in het Parkeerbeleidsplan Zwartewaterland 2023 - 2030.  2020. In het parkeerbeleidsplan is opgenomen dat bij het toetsen van bouwplannen en functiewijzigingen de parkeerkencijfers van het CROW worden gehanteerd.

4.7.2 Motivering

Mobiliteit
De voorgenomen activiteiten bestaan uit het omzetten van de functie van de bedrijfswoning in een reguliere woning om het planologische regime in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik. Verder wordt het bouwvlak van de bestaande schuur in beperkte mate vergoot, zodat deze schuur gerenoveerd kan worden. Als gevolg van deze activiteiten is er geen sprake van een toename van de mobiliteit op de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan en de Zandvoortweg.
 
Parkeren
Op grond van de parkeerkencijfers van het CROW geldt voor een vrijstaande woning in weinig stedelijk gebied, in het buitengebied geldt dat per woning minimaal 1,7 parkeerplaats en maximaal 2,5 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om te voorzien in deze behoefte.
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling verandert de aard en de omvang van de bedrijfssituatie niet. Het bedrijf voert zijn activiteiten vooral uit op locatie waar de bouwactiviteiten plaatsvinden. De parkeerbehoefte is om die reden zeer beperkt. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is, zowel op het voorterrein als ter hoogte van de bedrijfsbebouwing, voldoende ruimte voor het parkeren van bedrijfsauto's. 

4.7.3 Conclusie

Het aspect 'mobiliteit en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.8 Bedrijfsactiviteiten en milieuzonering

4.8.1 Beoordelingskader

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.
 
De Milieuzonering Nieuwe Stijl is nog niet uitgewerkt in een nieuwe VNG-publicatie. Totdat deze is verschenen wordt gewerkt met de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering 2009. Deze publicatie vormt dan ook het toetsingskader om te komen tot een passende afweging.

4.8.2 Motivering

Op het perceel aan de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 114 is een bouwbedrijf gevestigd. Voor het bouwbedrijf (bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m²) geldt een richtafstand van 50 meter als gevolg van het geluid van bedrijfsactiviteiten. Hieronder valt het geluid van machines en het laden en lossen van voertuigen. Voor de aspecten geur, stof en gevaar geldt een richtafstand van respectievelijk 10, 30 en 10 meter. 
 
Geluid
Voor het aspect geluid geldt een richtafstand van 50 meter. De feitelijke afstand bedraagt circa 9 meter. Om die reden dient gemotiveerd te worden met een akoestisch onderzoek dat dit aspect geen hinder oplevert voor de beoogde woonsituatie. In paragraaf 4.9 wordt hier nader op ingegaan.
 
Stof
Voor het aspect stof geldt een richtafstand van 30 meter. De feitelijke afstand bedraagt circa 9 meter. Om die reden dient gemotiveerd te worden dat dit aspect geen hinder oplevert voor de beoogde woonsituatie. Het grootste deel van de werkzaamheden van het bouwbedrijf worden elders, op de bouwlocatie, uitgevoerd. Incidenteel worden er werkzaamheden uitgevoerd op de bedrijfslocatie in het bedrijfsgebouw. Het bedrijfsgebouw is hiervoor ingericht met diverse houtbewerkingsmachines en voorzien van een afzuiginstallatie. Deze zuigt vrijkomend stof als gevolg van de houtbewerking direct bij de machine af. Het vrijkomende stof wordt zo afgevangen en komt niet vrij in de lucht. Het aspect stof vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.
      
Overige aspecten
Een nader onderzoek naar de gevolgen van geur en gevaar als gevolg van de bedrijfsvoering van het bouwbedrijf op de woningen is niet noodzakelijk.

4.8.3 Conclusie

Het aspect 'bedrijfsactiviteiten en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.9 Geluid

4.9.1 Beoordelingskader

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
 
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Bkl. Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Bij nieuwe ontwikkelingen met geluidgevoelige gebouwen, gelegen binnen een geluidaandachtsgebied van deze bronnen, moet worden beoordeeld in hoeverre de geluidsbelasting van deze bronnen op de geluidgevoelige gebouwen het woon- en leefklimaat beinvloed.

4.9.2 Motivering geluid door (spoor)wegen

De voorgenomen activiteiten bestaan uit het omzetten van de functie van de bedrijfswoning in een reguliere woning om het planologische regime in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik.
De bedrijfswoning ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan en de Zandvoortweg. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Zwartewaterland’ is de bedrijfswoning als zodanig bestemd. Daarbij is de bedrijfswoning getoetst aan de toen geldende standaardwaarden en grenswaarden voor geluid. Voor een bedrijfswoning geldt dezelfde geluidsbelasting als voor een reguliere woning. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot een toename van het verkeer. Om die reden is een onderzoek naar de geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer over de Dr. H.A.W. van der Vechtlaan en de Zandvoortweg niet noodzakelijk.

4.9.3 Motivering geluid door industrieterreinen

In de omgeving van het plangebied ligt niet in een geluidaandachtsgebied van een industrieterrein. In paragraaf 4.7 is opgenomen een akoestisch onderzoek noodzakelijk is om de geluidsbelasing van activiteiten in de bedrijfsgebouwen op de beoogde woning te bepalen. Om deze reden zijn diverse geluidsmetingen in het bedrijfsgebouw en de woning, waarbij een zaagmachine en de afzuiginstallatie in werking waren. De metingen zijn verricht met de deuren van het bedrijfsgebouw open en gesloten. Uit de meting blijkt dat de geluidsbelasting in de woning maximaal 31 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de binnenwaarde van een geluidgevoelig gebouw. De resultaten van de meting zijn onderbouwd in de in bijlage 1 van de bijlagen bij toelichting opgenomen memo bouwkundige geluidsmeting.

4.9.4 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.10 Luchtkwaliteit

4.10.1 Beoordelingskader

Voor luchtkwaliteit gelden doelen en omgevingswaarden. De doelen voor luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het Schone Lucht Akkoord, waarbij het Rijk, de provincies en een groot aantal gemeenten streven naar het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit. De maatregelen uit het akkoord moeten leiden tot een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Hierdoor leven mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit van leven. Initiatieven moeten een positieve bijdrage leveren aan de maatregelen die hieruit voortvloeien.
 
Naast het Schone Lucht Akkoord zijn in Afdeling 2.2. van het Bkl omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon opgenomen. In Nederland worden over het algemeen alleen mogelijke overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) verwacht. Als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide of fijnstof in de buitenlucht, dan moeten de omgevingswaarden uit afdeling 2.2. van het Bkl in acht worden genomen. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. In 2024 worden door de EU nieuwe omgevingswaarden vastgesteld, deze waarden gaan vanaf 2030 gelden. Hierbij worden de grenswaarden verder aangescherpt en komen er voor meerdere stoffen resultaatsverplichtingen.
 
De luchtkwaliteit hoeft in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Er bestaat namelijk een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal).
 
Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien:
 
  • aannemelijk is gemaakt dat het project niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde of niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde;
  • aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het project per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; of bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het project samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering);
  • aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.
 
Gevoelige functies
De belangrijkste bepalende factor voor de blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer is de afstand tussen bron en ontvanger. Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen.
 

4.10.2 Motivering

Volgens de Atlas voor de Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl/check-je-plek) bedraagt in de bestaande situatie de concentratie fijnstof in de lucht 7 µg PM2,5/m³. Dit is hoger dan de advieswaarde (volgens de World Health Organization) van 5 µg PM2,5/m³. De concentratie stikstofdioxide in de lucht bedraagt 8 µg NO2/m³. Deze waarde ligt onder de advieswaarde van 10 µg NO2/m³ van de WHO.
 
De voorgenomen activiteiten bestaan uitsluitend uit het omzetten van de functie van de bedrijfswoning in een reguliere woning om het planologische regime in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik. Verder wordt het bouwvlak van de bestaande schuur in beperkte mate vergoot, zodat deze schuur gerenoveerd kan worden. Deze activiteiten leiden niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.10.3 Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.11 Geur

4.11.1 Beoordelingskader

Er zijn diverse sectoren waarbij geuremissie een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
  • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven);
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Zwartewaterland heeft nog geen normen voor geurhinder in het omgevingsplan opgenomen. Tot die tijd geldt de Bruidsschat.

4.11.2 Motivering

De voorgenomen activiteiten bestaan uit het omzetten van de functie van de bedrijfswoning in een reguliere woning om het planologische regime in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik. Op circa 50 meter, gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf tot de gevel van de woning, is op Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 112 een grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd. Hiervoor geldt een richtafstand voor geur van 50 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand en vormt de functiewijziging van de bedrijfswoning naar een reguliere woning geen nieuwe belemmering voor het agrarische bedrijf.

4.11.3 Conclusie

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.12 Omgevingsveiligheid

4.12.1 Beoordelingskader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, risico’s door windturbines, het overstromingsrisico, wateroverlast en natuurbranden. Het risico wordt bepaald door de kans op een incident per jaar te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers dat kan vallen op een bepaalde locatie of in een gebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Naast deze risicobenadering is in de Omgevingswet een effectbenadering geïntroduceerd met het begrip ‘aandachtsgebieden’. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
 
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Het plaatsgebonden risico wordt op basis van de vastgestelde afstanden vastgelegd in een contour.
 
Groepsrisico
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico (artikel 5.15 van het Bkl).
 
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren (effectgebieden en geen risico-afstanden) zichtbaar op de kaart (Zie Atlas Leefomgeving op www.atlasleefomgeving.nl, Register externe veiligheid), zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. De gemeente mag een brand- of explosie –aandachtsgebied (of delen ervan) aanwijzen als voorschriftengebied waardoor er extra bouwkundige eisen gaan gelden voor nieuwe gebouwen.
 
Kwetsbare functies
Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage VI). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen; de meeste basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:
 
  • Hoeveel personen zijn in dat gebouw of op die locatie gelijktijdig aanwezig?
  • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen?
  • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident.
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren, aandachtsgebieden en het groepsrisico. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het toedelen van functies aan locaties. Daarnaast moet het bevoegd gezag motiveren (artikel 5.14 Bkl) waarom van een brand- en/of explosie-aandachtsgebied een voorschriftengebied wordt gemaakt als in dit gebied nieuwe (beperkt-) kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt.
  

4.12.2 Motivering

Risicovolle objecten
De voorgenomen activiteiten bestaan uit het omzetten van de functie van de bedrijfswoning in een reguliere woning om het planologische regime in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik. De bedrijfswoning was al een zeer kwetsbaar gebouw (woning) mogelijk gemaakt. Met de functiewijziging van de bedrijfswoning naar een reguliere woning wordt er geen nieuw zeer kwetsbaar gebouw (woning) mogelijk gemaakt.
In de directe omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen voor.
 
Overstromingsrisico
Het plangebied ligt in een gebied met een kans 1 keer per 30 tot 300 jaar op overstroming vanuit zee, meer of rivier. 
 
Natuurbranden
Het plangebied ligt niet in een risicogebied voor natuurbranden.

4.12.3 Conclusie

Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.13 Ecologie

4.13.1 Beoordelingskader

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.
 
Flora- en fauna-activiteiten
Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’.
 
Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
 
  • Er soorten aanwezig zijn;
  • Welke soorten dat zijn.
 
Gebiedsbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.
 
Natura 2000
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.
 
Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
 
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
 
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
 
  • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
  • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee.
 

4.13.2 Motivering

Gebiedsbescherming
De voorgenomen activiteiten leiden niet tot (significante) negatieve effecten op beschermde natuurgebieden als gevolg van directe verstoring (licht, geluid, trillingen en/of stikstofemissie en depositie). Wettelijk beschermde houtopstanden zijn niet aanwezig.
 
Soortenbescherming
De voorgenomen activiteiten leiden niet tot (significante) negatieve effecten op eventueel aanwezige beschermde plant- en diersoorten.
 
Zorgplicht
In artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Lid 1 van het artikel luidt als volgt:
 
  1. “Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:
    1. “alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
    2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
    3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.”
 
Deze zorgplicht wordt nader geconcretiseerd omdat initiatiefnemers op grond van lid 2 verplicht zijn zich ervan dienen te vergewissen dat op de locatie van de voorgenomen activiteit, geen in het wild levende dieren van beschermde soorten of hun belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn (BIJ12, 2024).

4.13.3 Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.14 Waterbelangen

4.14.1 Inleiding

In deze paragraaf worden de waterbelangen van het project afgewogen. Hiertoe is een watertoets uitgevoerd.

4.14.2 Watertoets

Het doel van de watertoets is om in een vroeg stadium in overleg te treden met het waterschap over de voorgenomen ontwikkeling. Hiertoe is een watertoets uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat er geen waterschapsbelang is. De voorgenomen functiewijziging heeft geen invloed op de waterhuishouding. Het resultaat van de watertoets is als bijlage 1 opgenomen in de ruimtelijke motivering.

4.14.3 Conclusie

Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen in het geding. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.15 Duurzame fysieke leefomgeving

4.15.1 Beoordelingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet (zie paragraaf 1.2) zijn maatschappelijke doelen opgenomen met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Uit deze maatschappelijke doelen komt naar voren dat de wet draait om het bereiken van een duurzame balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het realiseren van een duurzame fysieke leefomgeving vormt de invulling van de maatschappelijke doelen.

4.15.2 Motivering

De initiatiefnemer wil functie ‘Bedrijf' van de huidige aangeduide bedrijfswoning omzetten in de functie ‘Wonen’. Hiermee is beoogd het planologische regime in overeenstemming te brengen met huidige gebruik van het perceel. Daarnaast wil de initiatiefnemer het bouwvlak van een bestaande schuur uitbreiden zodat de schuur gerenoveerd kan worden. Binnen het plangebied zijn geen bouwactiviteiten voor het realiseren van nieuwe gebouwen voorzien. Uit de motivering van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op een duurzame fysieke leefomgeving, denk aan bodem, ecologie en waterhuishouding, komt naar voren dat de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten hebben op de leefomgeving, maar ook niet leiden tot een duurzamere fysieke leefomgeving.

4.15.3 Conclusie

Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.16 Gezonde leefomgeving

 

4.16.1 Beoordelingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet (zie paragraaf 1.2) zijn maatschappelijke doelen opgenomen met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Uit deze maatschappelijke doelen komt naar voren dat de wet draait om het bereiken van een duurzame balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het realiseren van een duurzame fysieke leefomgeving vormt de invulling van de maatschappelijke doelen.
 
De gezondheid van de mens wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg en de sociale en fysieke leefomgeving. Bij het bieden van bescherming gaat het om bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt, elektromagnetische straling en de gevolgen van klimaatverandering. Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering) en het stellen van regels voor activiteiten over aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen, bodemkwaliteit en hittebestendigheid/verkoeling. Op (een aantal van) deze aspecten is ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering.
 
Bij het bevorderen van gezondheid en faciliteren van een gezondere leefstijl gaat het om een aantrekkelijke en veilige inrichting en om maatregelen die bijdragen aan een gezondere leefstijl. Het gaat dan om mogelijkheden tot bewegen, spelen, sporten en ontspanning en om de aanwezigheid van dagelijkse voorzieningen in de buurt. Maar ook om mogelijkheden van het maken van gezonde keuze als het gaat om voeding, ontmoeten, sociale veiligheid en verkeersveiligheid. Verder gaat het om gedragsbeïnvloedende maatregelen, zoals rookvrije openbare locaties.
De fysieke omgeving kan op verschillende manieren positieve dan wel negatieve invloed hebben op de gezondheid van inwoners. Daarom wordt de invloed van het initiatief op gezondheid van gebruikers en de directe omgeving (naast de verschillende onderdelen) ook in totaliteit bekeken en afgewogen. Een negatief effect op gezondheid vanuit één aspect wordt niet automatisch gecompenseerd door een positief effect op een ander aspect. Dit hangt van de situatie en de betrokken aspecten af.
 

4.16.2 Motivering

Uit de motivering van de omgevingsaspecten in de vorige paragraven blijkt dat er sprake is van een gezonde leefomgeving. De voorgenomen activiteiten hebben geen gevolgen voor de gezonde leefomgeving.

4.16.3 Conclusie

Het aspect 'gezondheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

4.17 Conclusie fysieke leefomgeving

De milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.

5 Toelichting op de regels

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving. Op basis van de informatie uit deze hoofdstukken wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze informatie is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.
 
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de functies aan locaties.
 
Met het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Buitengebied Dr. H.A.W. van der Vechtlaan 114' worden de huidige bestemmingen gewijzigd, zodat de functie van de bedrijfswoning wordt gewijzigd in een 'reguliere' woning en het bouwvlak van een schuur in beperkte mate wordt vergroot ten behoeve van de renovatie van die schuur.
 
De regels van het TAM-omgevingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken:
  • Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen;
  • Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen;
  • Hoofdstuk 3 Algemene bepalingen;
  • Hoofdstuk 4 Overgangsregels.

5.2 Opzet van de regels

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. In verband met de publicatievereisten van een TAM-omgevingsplan wordt er op de verbeelding nog gewerkt met ‘bestemmingen’ in plaats van ‘functies’.

5.2.1 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende bepalingen, deze regels gelden voor het gehele plangebied en bestaan uit:
  • Artikel 1 Toepassingsbereik: dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
  • Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen: in dit artikel is opgenomen dat de begripsbepalingen uit de wet van toepassing zijn op dit omgevingsplan.
  • Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen: in dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voorzover niet zijn vastgelegd in de wet en specifiek van toepassing zijn op dit omgevingsplan, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
  • Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod: het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.

5.2.2 Functieregels

In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In paragraaf 5.3 van de toelichting worden de verschillende bestemmingen nader toegelicht.

5.2.3 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
  • Artikel 10 Algemene bouwregels: in de algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van het voorzien in de noodzakelijke parkeerbehoefte en het laden en lossen. Daarbij wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernormennota, die als bijlage bij de regels is opgenomen;
  • Artikel 12 Algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kan in bepaalde gevallen, wanneer sprake is van kleine overschrijdingen van functie- en/of bouwvlakken of de beoordelingsregels voor het bouwen, worden afgeweken van de functieregels uit hoofdstuk 2 van de regels.

5.3 Nadere toelichting op de functies

Het omgevingsplan voorziet voor het plangebied in de functies 'Bedrijf', 'Tuin' en 'Wonen'. De functie 'Bedrijf' is bedoeld voor het huisvesten van het bestaande bouwbedrijf in de bestaande bebouwing. Door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afwijkend gebruik' is de vestiging van het bouwbedrijf binnen het plangebied expliciet toegestaan. Bebouwing moet plaats vinden binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.
De functie 'Tuin' is bedoeld voor tuinen behorend bij de aangrenzende woning. Binnen deze functie is uitsluiten het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan.
De functie 'Wonen' is bedoeld voor de huisvesting van een huishouden in een woonhuis. Het woonhuis mag uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak.

6 Financiele uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. De kosten voor het opstellen van deze ruimtelijke motivering (inclusief de uitgevoerde onderzoeken), de realisatie van het project en de eventuele nadeelcompensatie als gevolg hiervan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

6.3 Kostenverhaal en nadeelcompensatie

Afdeling 13.6 Kostenverhaal bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen van de Omgevingswet gaat ervan uit dat bij het wijzigen van het omgevingsplan met mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving het kostenverhaal verzekerd is. In dit geval vinden de kostenverhaalplichtige activiteiten (bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen) op gronden die in het bezit zijn van de initiatiefnemer. De voor het verlenen van de omgevingsvergunning te maken kosten, waaronder nadeelcompensatie, zijn daarmee voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente en de initiatiefnemer hebben dit vastgelegd in een overeenkomst.

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Inleiding

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

7.2 Participatie

De gemeente Zwartewaterland heeft participatiebeleid voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving vastgesteld. In het beleid is vastgelegd op welke manier initiatiefnemer omwonenden en anderen betrekken bij de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente heeft hiervoor de participatiewijzer ontwikkeld. Aan de hand van het beantwoorden van vragen wordt het impactniveau van de ontwikkeling bepaald. Voor het omzetten van de functie ‘Bedrijf’ van de bedrijfswoning in de functie ‘Wonen’ is het impactniveau 0. Dit betekent dat er geen participatie met de omgeving nodig is om het omgevingsplan in procedure te brengen.
 
De initiatiefnemen heeft desondanks de direct omwonenden geinformeerd over het planvoornemen.

7.3 Overleg

Het TAM-omgevingsplan wordt in het kader van het overleg toegestuurd aan bevoegde instanties. Eventuele reacties worden in deze paragraaf opgenomen.

7.4 Zienswijzen

Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de inzage termijn kon een ieder schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen naar voren brengen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingebracht.