direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Slangekruid 1 te Nieuwerkerk aan den IJssel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1892.BpSlangekruid1-Va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op het perceel Slangekruid 1 te Nieuwerkerk aan den IJssel, waar voorheen een peuterspeelzaal was gevestigd met een maatschappelijk bestemming, is het voornemen de bestaande bebouwing te gebruiken voor de functie wonen. Om dit mogelijk te maken dient er te worden voorzien in een planologisch-juridisch kader waarin de vigerende bestemming 'Maatschappelijk' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. Er zal geen verandering optreden ten aanzien van de huidige bebouwing. Dit bestemmingsplan heeft bovenstaande tot doel.

1.2 Gekozen planopzet

Het onderhavige bestemmingsplan beoogt de functiewijziging van het perceel Slangekruid 1 te Nieuwerkerk aan den IJssel naar 'Wonen' mogelijk te maken. De nieuwe situatie wordt gedetailleerd bestemd.

1.3 Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Slangekruid te Nieuwerkerk aan den IJssel. De locatie is in het noordoosten van de dorpskern gelegen. Het plangebied wordt omsloten door de Slangekruid aan de zuidzijde, de Schijfmos aan de westzijde, een watergang langs de Kroonkruid aan de oostzijde en de zijgevel van een woning langs de Schijfmos aan de noordzijde.

Het achterpad naar de woningen aan de Schijfmos aan de noordzijde van het plangebied en de parkeerplaatsen langs de Slangekruid worden in onderhavig bestemmingsplan meegenomen, aangezien deze niet langer een maatschappelijke functie dienen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpSlangekruid1-Va01_0001.jpg"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied

1.4 Vigerend plan

Op de gronden gelegen binnen het plangebied is momenteel het volgende bestemmingsplan van kracht:

  • Het bestemmingsplan 'Zuidplaspolder 2008' dat op 22 juni 2008 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Nieuwerkek aan den IJssel.

1.5 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding (plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 de huidige en voorgestane situatie van het plangebied beschreven. Het vigerende beleid wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat de waterparagraaf en hoofdstuk 5 de uitkomsten van de milieutechnische onderzoeken met de randvoorwaarden die daaruit voortvloeien. In hoofdstuk 6 wordt de juridische regeling beschreven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid besproken.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Huidige situatie

Op het perceel Slangekruid 1 te Nieuwerkerk aan den IJssel was voorheen een peuterspeelzaal gevestigd. De bestaande bebouwing bestaat uit een rechthoekig, geleed pand, opgetrokken in baksteen en glas, met een gebogen dakvorm. De kleurstelling van kozijnen en daklijst is veelkleurig (rood, blauw, geel).

Het perceel is voor het overige ingericht als verharde speelplaats en omzoomd met (opgaand) groen.

Het pand is momenteel niet meer in gebruik.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpSlangekruid1-Va01_0002.jpg"

Figuur 2.1: Impressie pand (bron: Google Streetview)

2.2 Nieuwe situatie

De initiatiefnemer is voornemens om in het huidige pand te gaan wonen. Om dit mogelijk te maken dient de maatschappelijke bestemming omgezet te worden naar een woonbestemming.

In de nieuwe situatie zal het pand geen uiterlijke wijzigingen ondergaan ten opzichte van de huidige situatie, behoudens de kozijn- en daklijstkleur. Intern zal het pand verbouwd worden teneinde het voor bewoning geschikt te maken.

De buitenruimte rond het pand zal als tuin in gebruik genomen worden. Rond het perceel zullen erfafscheidingen worden opgericht welke aan de zijde van de Slangekruid maximaal 2 meter hoog kan worden en aan de overige drie zijden maximaal 1,2 meter hoog. De erfafscheidingen zullen bestaan uit een gaaswerk met daar doorheen groen waardoor uiteindelijk een groene uitstraling ontstaat rond om het pand.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (maart 2012)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In het Besluit geeft het Rijk de algemene regels aan, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In samenhang met het beleid dat is aangegeven in de Structuurvisie, zijn deze regels vooral gericht op het veilig stellen van de nationale belangen waarvoor, gelet op de belangen, beperkingen gelden voor de ruimtelijke besluitvorming op lokaal niveau. Voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan zijn geen regels opgenomen in het Barro.

3.1.2 Conclusie

Er is bij de voorgenomen planontwikkeling geen sprake van strijdigheid met de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland' (2010)

In de Visie op Zuid-Holland beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. De visie is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:

  • aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  • duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  • divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  • vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
  • stad en land verbonden.

Op de functiekaart (figuur 3.1) is het plangebied gelegen binnen het 'Stads- en dorpsgebied (licht oranje). Dit betreft aaneengesloten bebouwd gebied, waarin de functies wonen, werken en voorzieningen gemengd en gescheiden voorkomen. Het beleid is gericht op concentratie van verstedelijking binnen de bebouwingscontouren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpSlangekruid1-Va01_0003.jpg"

Figuur 3.1 Uitsnede functiekaart Provinciale Structuurvisie

3.2.2 Verordening Ruimte 'Visie op Zuid-Holland' (2010, herziening 2013)

In samenhang met de Structuurvisie is de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. In de provinciale verordening worden geen specifieke regels gesteld aan de locatie van het bestemmingsplan of de soort ontwikkeling

Toepassing SER-ladder woningbouw

De provincie Zuid-Holland wil de kwaliteit van de woonomgeving en het woonmilieu waarborgen, daarom moet bij bestemmingsplannen die voorzien in de bouw van nieuwe woningen een zorgvuldige afweging worden gemaakt volgens de zogenaamde SER-ladder (artikel 6 van de provinciale Ruimtelijke Verordening). Bij de voorgenomen planontwikkeling is sprake van de toevoeging van één enkele woning binnen het bebouwd gebied van Nieuwerkerk aan den IJssel, door middel van transformatie van een bestaand gebouw. Daarmee wordt op een goede manier aangesloten bij de aangrenzende en omliggende bestemmingen en bij de afwegingscriteria van de SER-ladder.

3.2.3 Conclusie

De voorgenomen planontwikkeling wordt passend geacht binnen de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het provinciaal beleid.

3.3 Beleid Gemeente Zuidplas

3.3.1 Structuurvisie Zuidplas 2030

De Structuurvisie Zuidplas 2030 is een kader voor de gebieds- en ruimtelijke opgaven die Zuidplas in de komende decennia wil realiseren. De gemeente Zuidplas wil een gemeente zijn van springlevende dorpen en buurtschappen, waar volop ruimte is voor bedrijvigheid en daarnaast met aantrekkelijke recreatiemogelijkheden in een groene omgeving. Dit alles met een goede bereikbaarheid en oog voor milieu en duurzaamheid.

In de structuurvisie is het plangebied aangeduid als dorp of buurtschap(donker oranje in figuur 3.2). De dorpen worden beschreven als levendige woongemeenschappen, waar vandaan het buitengebied goed bereikbaar is. Nieuwerkerk aan de IJssel in het specifiek beschikt over een groot-dorps karakter.

Onderhavige planontwikkeling past binnen het streven om de kernen levendig en vitaal te houden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpSlangekruid1-Va01_0004.jpg"

Figuur 3.2 Uitsnede structuurvisiekaart Zuidplas 2030

3.3.2 Welstandsnota Zuidplas

De welstandsnota Zuidplas (vastgesteld op 5 maart 2013) legt vast hoe het welstandstoezicht in de gemeente Zuidplas is geregeld en geeft tevens uitgangspunten en criteria voor het welstandsoordeel.

Het plangebied heeft in de nota een 'sturingsniveau licht' gekregen. Dit houdt in dat het gebied niet structuurbepalend is voor Zuidplas en er geen zware toetsing nodig is. Wel is er aanleiding om alert te blijven ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Uitgangspunt is dat bestaande kwaliteiten niet worden aangetast en waar mogelijk worden versterkt.

3.3.3 Conclusie

De voorgenomen planontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Water

4.1 Waterkwantiteit

In het bestemmingsplangebied zijn geen waterpartijen en/of kavelsloten aanwezig. In het bestemmingsplan wordt niet voorzien in een toename van verharding; de bestaande situatie wordt gehandhaafd of er wordt zelfs groen toegevoegd in de vorm van tuin. Er zijn geen gevolgen voor wat betreft waterkwantiteit.

4.2 Waterkwaliteit

In het bestemmingsplan wordt niet voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit, gezien het feit dat de bestaande situatie wordt gehandhaafd.

4.3 Riolering

Het algemeen beleid is dat schoon- en vuilwaterstromen worden gescheiden en gescheiden blijven tot aan het overnamepunt op de perceelsgrens. Schoon regenwater dient bij voorkeur te worden afgevoerd naar de bodem (infiltratie). Indien dit niet mogelijk of gewenst is, dient het water rechtstreeks afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater via een regenwaterriool.

De voorgenomen planontwikkeling voorziet in transformatie van een bestaand gebouw, waarbij gebruik wordt gemaakt van de reeds aanwezige riolering.

4.4 Grondwater

Een eigenaar van een perceel mag geen hinder aan eigenaren van andere erven of percelen toebrengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over het perceel stromend water of van het grondwater en dergelijke. In geval van (bouw)activiteiten dient er rekening mee gehouden te worden dat het niet is toegestaan om grondwateroverlast te veroorzaken door het aanbrengen van ondergrondse constructies en dat het verboden is om grondwater te onttrekken met als gevolg dat er sprake is van een grondwaterstandverlaging in de omgeving. Ook het ophogen van percelen is, gezien de mogelijk negatieve effecten voor aangrenzende percelen, niet zonder meer toegestaan. Binnen onderhavig plangebied zal hiervan geen sprake zijn.

Belangrijk is dat ruimtelijke ontwikkelingen geen verslechtering van de oorspronkelijke grondwaterstand en -stroming mogen veroorzaken (bodemdaling, grondwateroverlast en - onderlast, paalrot, zettingen). Daarom is versnelde afvoer van grondwater naar de oppervlakte (in de vorm van permanente drainage) in principe niet toelaatbaar. De sponswerking van de bodem dient zoveel als mogelijk te worden benut. Onderhavig plan maakt geen nieuwe ondergrondse bebouwing, anders dan randvoorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding mogelijk.

4.5 Conclusie

Bij de voorgenomen planontwikkeling binnen onderhavig plangebied wordt rekening gehouden met alle relevante wateraspecten. Er zijn vanuit dat oogpunt geen beperkingen voor de functiewijziging.

Hoofdstuk 5 Milieu

5.1 Geluid

Wettelijk kader

Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht:

  • Onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen.
  • Een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour (voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Het gebied binnen deze contour is de zone van het industrieterrein. Middels zonering worden enerzijds bedrijven beschermd tegen oprukkende geluidgevoelige bestemmingen en anderzijds worden geluidgevoelige bestemmingen beschermd tegen eventuele uitbreidingen van de activiteiten op het industrieterrein.

Onderzoek

Het perceel is gelegen binnen de zone van de Rijksweg A20. Derhalve is door de Omgevingsdienst Midden Holland (verder: ODMH) een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het verkeerslawaai afkomstig van de Rijksweg A20. De akoestische rapportage is gedateerd op 3 april 2014, heeft als kenmerk 2014047993 en is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Naar aanleiding van nadere uitleg van de toekomstige gebruiker van het pand en aan de hand van bouwtekeningen is duidelijk geworden dat op de eerste verdieping geen geluidsgevoelige ruimten kunnen komen. Thans is er enkel een technische ruimte. Deze nadere informatie heeft geleid tot een aangepast akoestisch rapport d.d. 28 mei 2014 (ref. 2014047993, versie 2). Dit aangepaste akoestisch rapport is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting

Uit dit laatste akoestisch onderzoek blijkt dat voor een aantal gevels van het bestaande pand een hogere waarde procedure dient te worden doorlopen. Omdat op de eerste verdieping geen geluidsgevoelige ruimten aanwezig zijn, behoeven gevels niet doof te worden uitgevoerd en is het volgen van een hogere waarde procedure het enige vereiste. Het Besluit Hogere Waarden is bijgevoegd als Bijlage 3 van deze toelichting.

Het perceel ligt tevens binnen de zone van het spoorbaan Gouda-Rotterdam. In de akoestische rapportage zijn ook berekeningen uitgevoerd om aan de grenswaarden voor railverkeerslawaai te kunnen toetsen. Uit deze berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB niet wordt overschreden. Ten behoeve van de bestemmingswijziging behoeft er voor railverkeerslawaai geen hogere waarde vastgesteld te worden.

Industrielawaai is in dit kader niet relevant, omdat er geen gezoneerd industrieterrein nabij het plangebied aanwezig is.

Conclusie

Voor de bestemmingswijziging dient voor wegverkeerslawaai een hogere waarde procedure te worden doorlopen. Deze procedure zal parallel aan de procedure van onderhavig bestemmingsplan worden doorlopen. De woning dient tevens te worden uitgevoerd met dove gevels.

5.2 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen.

Onderzoek en conclusie

De bestemmingswijziging van een maatschappelijke functie naar één woning betreft een project Niet in betekende mate (NIBM). Dit betekent dat de bestemmingswijziging voor wat betref Luchtkwaliteit toelaatbaar is.

5.3 Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar.

Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.

Onderzoek en conclusie

In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkel woningen. De meest dichtbij zijnde andere functie betreft een basisschool op ca. 150 meter, ruim buiten de richtafstand. In het kader van Bedrijven en milieuzonering is de bestemmingswijziging toelaatbaar.

5.4 Externe veiligheid

Wettelijk kader

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vormt het wettelijk kader voor het omgaan met risico's ten gevolge van bedrijven (inrichtingen) met gevaarlijke stoffen.

Het wettelijk kader voor de risico's ten gevolge van transport van gevaarlijke stoffen wordt gevormd door het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Onderzoek en conclusie

Omdat een peuterspeelzaal en een woning beide kwetsbare objecten zijn, alsmede de locatie binnen in een woonwijk ligt, heeft de bestemmingswijziging geen gevolgen voor de veiligheidsrisico's. De bestemmingswijziging is voor wat betreft Externe Veiligheid toelaatbaar.

5.5 Bodem

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Omgevingswet voor het onderdeel bouwen stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen

Onderzoek en conclusie

Uit het bodembestand van de ODMH is gebleken dat de bodem van het perceel is onderzocht voor de bouw van de peuterspeelzaal. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is. De wijziging van een peuterspeelzaal naar een woonbestemming is voor het aspect bodem niet relevant. Er zullen tevens geen werkzaamheden in de bodem plaatsvinden. De bestemmingswijziging is derhalve toelaatbaar.

5.6 Archeologie

Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Wamz behelzen o.a. het integreren van archeologie in de RO-procedures (zoals vergunningen en projectbesluiten) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen (art. 38 en 41 Wamz).

Met een goede archeologisch-wetenschappelijke motivatie en onderbouwing kunnen gemeenten ervoor kiezen niet al het aanwezige archeologisch erfgoed onder alle omstandigheden te beschermen: gemeenten kunnen een eigen vrijstellingsbeleid vaststellen en gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid. De gemeente Zuidplas heeft een eigen beleidskader voor archeologie.

Onderzoek en conclusie

Het perceel ligt in een zone waar een lage verwachtingswaarde geldt. Omdat er tevens geen bouw of verbouw plaatsvindt, waarbij de bodem wordt verstoord is het aspect Archeologie niet relevant en is de bestemmingswijziging toelaatbaar. Er hoeft voor de locatie tevens geen dubbelbestemming te worden opgenomen, gezien de lage verwachtingswaarde.

5.7 Ecologie

Wettelijk kader

Om natuurwaarden in Nederland te beschermen geldt een drietal landelijke wetten en beleidsplannen: de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het Natuurbeleidsplan 1990 (Nota Ruimte met daarin de Ecologische Hoofdstructuur). Daarnaast geldt provinciaal beleid, te weten: de Structuurvisie Provincie Zuid-Holland; het natuurbeheerplan 2014 en het Provinciaal Compensatiebeginsel 2013.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en één veldbezoek) te worden vastgesteld of:

Er overtreding van de verbodsbepalingen voor beschermde soorten plaatsvindt (toetsing Flora- en faunawet);

Er mogelijke significante gevolgen zijn voor beschermde gebieden (toetsing Natuurbeschermingswet) en gevolgen binnen de begrenzing van de EHS (ecologische hoofdstructuur).

Onderzoek en conclusie

Omdat er op het perceel geen fysieke wijzigingen plaatsvinden, zijn effecten op flora en fauna uitgesloten. De bestemmingswijziging is op basis van ecologie toelaatbaar.

Hoofdstuk 6 Juridische toelichting

6.1 Regels

De beschrijving en uitwerking van de regels is afgestemd op de Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro). Dit betekent dat enkele regels anders geformuleerd zijn dan tot op heden gebruikelijk was dan wel achterwege blijven omdat hierin op andere wijze wordt voorzien. Zo wordt bijvoorbeeld niet meer gesproken over vrijstellingen of ontheffingen, maar over afwijkingen bij omgevingsvergunning.

De opbouw van het bestemmingsplan is conform de SVBP2012 (standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen). Gesproken wordt in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) over bestemmingen en regels. De regels in het bestemmingsplan staan in vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgang- en slotregels aan de orde komen.

Veelal is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Zuidplaspolder 2008', teneinde een eenduidige regeling ten opzichte van de directe omgeving te handhaven en teneinde bestaande rechten te respecteren.

6.1.1 Inleidende regels

In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

6.1.2 Bestemmingsregels

Groen

Gebruik

De oever langs de watergang aan de noordoostzijde van het plangebied is bestemd tot 'Groen'.

Bouwen

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van openbaar nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht.

Tuin

Gebruik

Het bouwvlak wordt aan alle zijden begrensd door de bestemming 'Tuin'. Deze gronden mogen gebruikt worden als tuin, water, toegangspaden, in-en uitritten en parkeervoorzieningen.

Bouwen

Op of in de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m1 aan de zijde van de Slangekruid en 1,2 m1 aan de overige zijden.

Verkeer - Verblijfsgebied

Gebruik

De parkeerplaatsen aan de Slangekruid en het achterpad naar de woningen aan de Schijfmos zijn gezien het openbare karakter bestemd tot de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

Bouwen

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van openbaar nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht.

Wonen

Gebruik

Het bestaande bouwvlak heeft de bestemming 'Wonen' gekregen. Naast wonen morgen deze gronden ook gebruikt worden voor aan-huis-verbonden beroepen, tuinen, bijbehorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden, speeltoestellen, waterlopen en waterpartijen en kunstwerken. Aan-huis-verbonden bedrijvigheid en mantelzorg is middels een afwijkingsbevoegdheid mogelijk.

Bouwen

Binnen deze bestemming dienen zowel het hoofdgebouw als bijbehorende bouwwerken en overkappingen binnen het aangegeven bouwvlak gerealiseerd te worden, met inachtneming van het bebouwingspercentage zoals opgenomen op de verbeelding. De maximale goot- en bouwhoogte van de woning is opgenomen op de verbeelding en bedraagt respectievelijk 4 meter en 7 meter. Voor bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn specifieke maatvoeringen opgenomen in de regels.

6.1.3 Algemene regels

Antidubbeltelregel

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meegeteld mag worden bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels

In de algemene bouwregels zijn algemene bepalingen opgenomen ten aanzien van (beperkte) overschrijdingen van bouwgrenzen en toegelaten bouwwerken met afwijkende maten. Daarnaast is de Bouwverordening deels buiten toepassing verklaart.

Algemene gebruiksregels

In dit artikel is een verbodsbepaling opgenomen voor strijdig gebruik.

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten behoeve van maximum toegestane maten, percentages en oppervlaktes. De criteria voor toepassing van deze afwijking zijn hierin tevens opgenomen.

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor beperkte overschrijdingen of verschuivingen van bestemmingsgrenzen ten behoeve van (technisch) betere realisatie van projecten of correctie van afwijkingen.

Overige regels

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van ondergronds bouwen en het uitvoeren van ondergrondse werken en is bepaald dat de wettelijke regelingen waarnaar verwezen wordt, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

6.1.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels

In dit artikel wordt inhoud gegeven aan het overgangsrecht betreffende bouwwerken en het gebruik, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Slotregel

Als laatste is de slotregel opgenomen, welke de titel van het plan bevat.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1 Wro moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Bro beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro);
  • er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro).

De 'Grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden.

Voorliggend bestemmingsplan behelst een particuliere ontwikkeling. In de privaatrechtelijke overeenkomst welke gesloten is bij de verkoop van het pand zijn afspraken gemaakt over verhaal van kosten. Een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

7.2 Maatschappelijk uitvoerbaarheid

7.2.1 Inspraak en vooroverleg

Per 1 juli 2005 is de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) in werking getreden. Artikel 6a Wro is daarmee vervallen en daarmee ook de inspraakverplichting. Dat betekent dat ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) worden voorbereid met toepassing van de UOV (Awb). Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze een ieder zijn/haar mening kenbaar kan maken.

De inspraakverordening van de gemeente Zuidplas geeft aan dat het college besluit of er inspraak verleend wordt bij bestemmingsplannen. Het college van de gemeente Zuidplas heeft besloten om het voorontwerp bestemmingsplan niet ter inzage te leggen voor inspraak. Hier is voor gekozen omdat sprake is van een ontwikkelplan met een zeer beperkte impact voor de directe omgeving.

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het ontwerp bestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners. Er zijn tijdens deze vooroverlegperiode geen reacties ontvangen.

7.2.2 Ontwerp terinzagelegging

Het ontwerpbestemmingsplan 'Slangekruid 1 te Nieuwerkerk aan den IJssel' is overeenkomstig artikel 3.8 Wro met ingang van 1 mei 2014 gedurende zes weken ter inzage gelegd ten behoeve van het indienen van zienswijzen. In deze periode is een ieder in de gelegenheid om mondeling of schriftelijk te reageren op de inhoud van het ontwerpbestemmingsplan. Er zijn tijdens de termijn van ter inzage legging geen zienswijzen ontvangen.