direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oogstpad 15, Moerkapelle
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op het perceel Oogstpad 15 te Moerkapelle is de firma Jac Oudijk V.O.F. (vanaf nu: Fa. Oudijk) gevestigd, een gerberakwekerij. Fa. Oudijk is voornemens de bestaande bedrijfswoning Oogstpad 15 te slopen en op nagenoeg dezelfde positie, zij het iets dichter naar het Oogstpad, een nieuwe bedrijfswoning te bouwen. Daarnaast is de Fa. Oudijk voornemens de bestaande kassen, waarin ten zuidwesten van de bedrijfswoning een verspringing in de voorgevelrooilijn zit, 'recht te trekken' aan de zijde van het Oogstpad. Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Zuidplas Noord’. De gemeente Zuidplas staat echter positief tegenover deze ontwikkeling en wenst mee te werken aan een bestemmingsplanherziening.

Doel van dit plan is derhalve een juridisch-planologisch kader te bieden voor de (her)bouw van de bedrijfswoning. Daarnaast zal de rooilijn van de bij het bedrijf behorende kassen worden 'rechtgetrokken' aan de zijde van het Oogstpad teneinde een efficiëntere bedrijfsvoering mogelijk te maken in de toekomst.

1.2 Gekozen planopzet

Het onderhavige bestemmingsplan is ontwikkelingsgericht teneinde de nieuwbouw van de bedrijfswoning mogelijk te maken. De nieuwe situatie wordt gedetailleerd bestemd.

1.3 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan het Oogstpad, ten zuidoosten van de kern Moerkapelle, even ten noorden van de Rijksweg A12.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01_0001.jpg"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld)

1.4 Vigerend plan

Op de gronden gelegen binnen het plangebied is momenteel het volgende bestemmingsplan van kracht:

  • het bestemmingsplan 'Zuidplas Noord', dat op 16 juni 2009 is vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle.

De Raad van State heeft bij uitspraak van 10 augustus 2011 het besluit van de raad van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle deels vernietigd. Dit heeft echter geen gevolgen voor onderhavig plangebied.

1.5 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding (plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 de huidige en voorgestane situatie van het plangebied beschreven. Het vigerende beleid wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat de uitkomsten van de milieutechnische onderzoeken met de randvoorwaarden die daaruit voortvloeien, alsmede de waterparagraaf. In hoofdstuk 5 wordt de juridische regeling beschreven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid besproken.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Huidige situatie

Het perceel Oogstpad 15 ligt midden in het kassengebied bij Moerkapelle. De huidige, te slopen bedrijfswoning Oogstpad 15 ligt aan de noordwestzijde van het perceel. Zuidelijker langs het Oogstpad is een waterbassin gesitueerd. Voor het overige bestaat het perceel uit kassen ten behoeve van de kwekerij.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01_0002.jpg"

 Figuur 2.1: Huidige situatie

2.2 Nieuwe situatie

De Fa. Oudijk heeft een glastuinbouwbedrijf voor de teelt van gerbera's, op het perceel Oogstpad 9. Zij hebben het naburige glastuinbouwbedrijf en bijbehorende woning (Oogstpad 15) aangekocht om de groeiambitie van het bedrijf te verwezenlijken. Bij de herinrichting van het kavel / bedrijf staat de woning Oogstpad 15 in de weg voor de bedrijfsvoering.

In dit kader is het de bedoeling dat de huidige woning Oogstpad 15 in Moerkapelle wordt gesloopt en dat ongeveer op dezelfde positie, iets meer richting het Oogstpad, weer een nieuwe woning wordt gebouwd. Het aantal woningen blijft dus gelijk en het bedrijfsmatige gebruik blijft glastuinbouw.

De situering van de nieuwe bedrijfswoning is globaal vastgelegd middels een aanduiding op de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan, waarbij rekening is gehouden met maatgevende afstanden tot de weg (Oogstpad), kassen en aangrenzende percelen.

De bedrijfswoning zal een maximale inhoud krijgen van 750 m3 en qua schaal en uitstraling passen in de omgeving. Concreet betekent dit dat de goot- en bouwhoogte niet hoger worden dan respectievelijk 7 meter en 10 meter. Qua beeldkwaliteit dient voldaan te worden aan de criteria uit de Welstandsnota Zuidplas (zie paragraaf 3.3.2), hetgeen betekent dat de uitstraling sober, doelmatig en passend bij de functie dient te zijn. Er is sprake van een licht welstandsniveau.

Het is de bedoeling om de gevel van de nieuwe bedrijfsbebouwing op het perceel in dezelfde lijn te realiseren als de huidige locatie van Oogstpad 9. Het waterbassin zal hiertoe worden gesloopt. In het vigerende bestemmingsplan springt het bouwvlak ter hoogte van het perceel Oogstpad 15 en het thans nog aanwezige waterbassin echter naar binnen. Om een doelmatige en efficiënte reconstructie op het perceel mogelijk te maken, wordt in onderhavig bestemmingsplan de rooilijn recht getrokken, in aansluiting op de bestaande bouw van Oogstpad 9.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (maart 2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau.

Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening (het kleiner worden van de groep jongeren in de bevolkingsopbouw) nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma's.

Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet. Verder wordt genoemd het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS), inclusief de Natura 2000-gebieden. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

3.1.2 Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen directe relatie met het genoemde beleid. Er is derhalve geen sprake van strijdigheid met de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit

Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld. In de visie is het provinciale ruimtelijke ordeningsbeleid en het mobiliteitsbeleid vastgelegd. In de visie staan vier rode raden centraal:

  • Het beter benutten en opwaarderen van bestaande netwerken en bebouwde gebieden;
  • Het vergroten van de agglomeratie;
  • Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • Het bevorderen van de transitie naar een water en energie-efficiënte samenleving.

De provincie Zuid-Holland wil de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit hoofdzakelijk opvangen in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. De opgave voor bijvoorbeeld de glastuinbouw is om te vernieuwen en verduurzamen. Deze sector bevindt zich dan ook in een transitie. Focus daarbij is behoud en versterking van de bestaande glastuinbouwgebieden.

De mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt passen binnen de Visie Ruimte en Mobiliteit.

3.2.2 Verordening Ruimte 2014

De Verordening Ruimte 2014 is op 9 juli 2014 door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgesteld. Het plangebied ligt op grond van deze verordening binnen een glastuinbouwgebied. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een dergelijk glastuinbouwgebied mag op grond van de Verordening uitsluitend glastuinbouwbedrijven toe laten, alsmede de daarbij behorende voorzieningen.

Voor vervanging van een bedrijfswoning binnen een glastuinbouwgebied bestaat op grond van de Verordening geen noodzaak om te toetsen aan de Ladder duurzame verstedelijking, omdat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (gedinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen).

Onderhavig bestemmingsplan is in lijn met de Provinciale Verordening.

3.2.3 Gebiedsprofiel Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas

De provincie Zuid-Holland maakt werk van kwaliteit in de ruimtelijke ordening. Zij wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen.

In de VRM heeft de provincie de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart. Deze kaart is de basis voor het omgaan met de ruimtelijke kwaliteit. Voor de kenmerkende waarden en karakteristieken waaruit de kwaliteitskaart is opgebouwd zijn in de visie richtpunten opgenomen. Deze geven puntsgewijs aan hoe de provincie wil dat er bij nieuwe ontwikkelingen omgegaan wordt met de kwaliteiten in het gebied. Deze kwaliteitskaart is voor zestien gebieden uitgewerkt in “gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit”. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het gebiedsprofiel 'Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas'.

Het gebied Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas is een overwegend open gebied dat zich uitstrekt tussen Rotterdam en het Groene Hart en dat aan beide zijden geflankeerd wordt door glastuinbouw- en woongebieden. Het gebied kent vele identiteiten. Zo is het een recreatiegebied voor de stedelingen in de omgeving, een landbouw- en glastuinbouwgebied voor agrariërs, een werkgebied door de vele bedrijven langs de snelwegen én een buitengebied met natuurbeleving dichtbij de stad. De contrasten in het gebied zijn enorm en de randvoorwaarden en ontwikkelingsdruk vanuit waterveiligheid, recreatie en stedelijke functies zijn groot.

De hoofdambities uit het gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas zijn:

  • Versterken van de ringvaart in beleving en gebruik
  • Identiteit Rotte en Bentwoud behouden en versterken
  • Kwaliteiten rivieren en bovenland behouden en beleefbaar maken
  • Verkavelingsstructuur is uitgangspunt bij ontwikkelingen
  • Concentratie van bedrijventerreinen rondom knooppunten (langs snelweg)
  • Vertelkracht van parels versterken

Het plangebied is gelegen binnen een glastuinbouwgebied, gekarakteriseerd als 'werkgebied met karakter'. Uit de kwaliteitskaart komt de ambitie naar voren dat ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Gericht op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en collectieve voorzieningen, met aandacht voor aansluiting op bestaande landschappelijke structuren. Een netwerk van water- en recreatieve routes is gewenst.

Het contrast tussen het glastuinbouwlandschap en het open polder landschap is groot. Van een weids en open landschap naar een zeer besloten wereld van glas en tuinbouw. De ontwikkelingen in dit gebied gaan snel: innovatie in techniek en teelt, schaalvergroting en professionalisering in presentatie, preventie en veiligheid maken de omgeving sterieler dan ooit. Vanwege lichthinder zijn kassen minder transparant waardoor ook het contact tussen passant en industrie verdwijnt.

De vertelkracht van de sector verdient aandacht en kan aanleiding zijn voor trots en enthousiasme van de streek. De randen naar het landschap verdienen bijzondere aandacht. Hier moeten, in samenhang met een gewenst beeld van de dorpsrand en de beleving vanuit het landschap, keuzes gemaakt worden om de randen juist wel of juist niet in te planten.

Onderhavig plangebied ligt besloten binnen een dergelijkeglastuinbouwgebied. Van een directe overgang tussen glastuinbouw en open polder landschap is derhalve hier geen sprake. Vervanging van de bedrijfswoning en 'rechttrekken' van de bestaande kassen hangen samen met een schaalvergroting en optimalisatie van het betreffende bedrijf en passen derhalve binnen de ambities van het gebiedsprofiel en biedt op dat vlak een positieve bijdrage aan de omgeving.

3.2.4 Conclusie

Binnen het voorliggende bestemmingsplan is geen sprake van strijdigheid met de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het provinciale beleid.

3.3 Beleid Gemeente Zuidplas

3.3.1 Structuurvisie Zuidplas 2030

De Structuurvisie Zuidplas 2030 is een kader voor de gebieds- en ruimtelijke opgaven die Zuidplas in de komende decennia wil realiseren. De gemeente Zuidplas wil een gemeente zijn van springlevende dorpen en buurtschappen, waar volop ruimte is voor bedrijvigheid en daarnaast met aantrekkelijke recreatiemogelijkheden in een groene omgeving. Dit alles met een goede bereikbaarheid en oog voor milieu en duurzaamheid.

In de structuurvisie is het plangebied aangeduid als glastuinbouw (paarse gebied in figuur 3.2). Een glastuinbouwlandschap is hoofdzakelijk bedoeld voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven. Het gebied kent een functionele inrichting en gedegen ontsluiting. Hierbij heeft de gemeente oog voor de ruimte die bijbehorende faciliteiten innemen, zoals waterbassins en ondergrondse voorzieningen. De gemeente voorziet in een concentratie van glastuinbouwbedrijven tussen de dorpen Moerkapelle en Zevenhuizen, rondom het bestaande glastuinbouwgebied Zuidplas-Noord.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01_0003.png"

Figuur 3.2 Uitsnede structuurvisiekaart Zuidplas 2030 (plangebied rood omcirkeld)

3.3.2 Welstandsnota Zuidplas

De welstandsnota Zuidplas (vastgesteld op 13 mei 2015) legt vast hoe het welstandstoezicht in de gemeente Zuidplas is geregeld en geeft tevens uitgangspunten en criteria voor het welstandsoordeel.

Uitgangspunt van de nieuwe welstandsnota is: 'welstandsvrij tenzij'.

Het kassengebied waarbinnen onderhavig plangebied is gelegen valt in een welstandsvrij gebied.

3.3.3 Conclusie

Binnen het voorliggende bestemmingsplan is geen sprake van strijdigheid met de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien het laatste decennium steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieuwetgeving kan soms beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1 Geluid

4.1.1 Wet- en regelgeving

Wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai en/of industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh) en spoorwegen (art. 1 Wgh en art 1.3 Bgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen.

De Wgh verplicht er tevens toe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). In beginsel zijn geluidgevoelige bestemmingen binnen deze zone niet toegestaan.

Om te kunnen bepalen of sprake is van goede ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplanwijziging die mogelijk leidt tot een toename van verkeersbewegingen of ligt binnen de zone van een gezoneerd industrieterrein, inzichtelijk te worden gemaakt wat de effecten op omliggende geluidgevoelige bestemmingen zijn.

4.1.2 Onderzoek

De Rijksweg A12 heeft een geluidszone van 600 m. De planlocatie bevindt zich buiten deze zone (die middels een aanduiding op de verbeelding is weergegeven). Onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege verkeer op de A12 is dus niet nodig. Overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vanwege deze weg is niet aannemelijk.

Ook naar de geluidsbelasting vanwege verkeer op de Bredeweg, die een geluidszone heeft van 250, is geen onderzoek noodzakelijk, gezien de afstand van ruim 500 meter tussen deze weg en de planlocatie.

Het Oogstpad zelf betreft een weg met maximale snelheid van 30 km/uur, waarvoor op grond van de Wgh geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is.

De aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai zijn in het onderzoek niet nader beschouwd. Voor railverkeerslawaai geldt dat het plangebied buiten de zone van de ten zuiden van de Rijksweg A12 gelegen spoorlijn is gelegen. Er is geen gezoneerd industrieterrein in de nabijheid gelegen.

Gezien de afstand van de nieuwe bedrijfswoning ten opzichte van omliggende bedrijvigheid (zie paragraaf 4.3) is toetsing ten aanzien van de vergunde geluidsruimte van bestaande bedrijven in het kader van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk.

4.1.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is toelaatbaar vanuit het oogpunt van wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai en industrielawaai.

4.2 Luchtkwaliteit

4.2.1 Wettelijk kader

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Er moet worden voldaan aan de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden zijn minder strenge grenswaarden van kracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01_0004.jpg"

Tabel 5.1: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit

Wet luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:

  • a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt;
  • b. de luchtkwaliteit tengevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 ìg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld);
  • d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten of projecten “in betekenende mate” (IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.

4.2.2 Onderzoek

Aangezien de bouw van een vervangende woning ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging, behoeft geen nader onderzoek en toetsing aan de in de Wet luchtkwaliteit gestelde grenswaarden plaats te vinden. De woning ligt buiten de 300 m zone van de Rijksweg A12.

Uit de Monitoringstool 2012 is op te maken dat langs het Oogstpad geen rekenpunten voor zowel NO2 als PM10 zijn opgenomen. Dit houdt verband met de lage verkeersintensiteiten, waardoor de luchtkwaliteit met zekerheid voldoet aan de normen uit de Wet milieubeheer. De meest nabijgelegen wegen waarlangs wel toetspunten zijn gelegen zijn de Rijksweg A12 en de Bredeweg. Direct langs deze weg blijven de concentraties NO2 en PM10 ruim onder de norm. Ook het aantal overschrijdingsdagen PM10 blijft onder de norm van 35.

4.2.3 Conclusie

De luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel Oogstpad 15 is aanvaardbaar. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Derhalve is de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan toelaatbaar.

 

4.3 Bedrijven en Milieuzonering

4.3.1 Wettelijk kader

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Tengevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan.

4.3.2 Onderzoek

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of voor het bestemmingsplan wordt voldaan aan de afstanden zoals in bedrijven en milieuzonering opgenomen.

Er is reeds een bedrijfswoning op het perceel Oogstpad 15 gevestigd. De afstand van zowel de huidige (te slopen) woning als de nieuwe bedrijfswoning tot de kassen op het eigen perceel bedraagt circa 10 meter. Deze afstand wordt door het slopen van de oude en oprichten van de nieuwe bedrijfswoning niet kleiner. In die zin wijkt de nieuwe situatie niet af van de bestaande.

Een bedrijfswoning is echter voor een bedrijf dat niet bij deze bedrijfswoning behoort een gevoelig object. Vanuit dat oogpunt dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwbouw aanvaardbaar is. Er zijn diverse glastuinbouwbedrijven aan het Oogstpad gelegen. Onderzocht is of de locatie van de nieuwe woning geen ander bedrijf belemmert in de bedrijfsvoering.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is gebruik gemaakt van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De directe omgeving van het onderhavige plangebied is volgens de VNG-systematiek een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een sterke tot matige functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven, maar ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

Milieucategorie   Richtafstand (meters) tot woningen in  
  Rustige woonwijk   Gemengd gebied  
1   10   0  
2   30   10  
3.1   50   30  
3.2   100   50  
4.1   200   100  

Tabel 5.2: Richtafstanden volgens Bedrijven en milieuzonering

In de directe nabijheid zijn meerdere glastuinbouwbedrijven gelegen, welke vallen onder milieucategorie 2. Gezien de ligging in 'gemengd gebied' dient hierbij een richtafstand van 10 meter gehanteerd te worden (zie figuur 5.1). Deze richtafstand levert, gezien vanaf de nieuw te realiseren bedrijfswoning, geen beperkingen op voor nabijgelegen bedrijven.

Ten opzichte van het dichtstbijzijnde bedrijf, Oogstpad 8, wordt een afstand van circa 30 meter aangehouden. Er is derhalve geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01_0005.jpg"

Figuur 5.1: Richtafstand categorie 2 bedrijven vanaf locatie nieuwe bedrijfswoning

Het dichtstbijgelegen categorie 3.1 bedrijf, Camping de Randstad aan de Bredeweg 66b, is gelegen op ruim 150 meter van de nieuwe bedrijfswoning en wordt derhalve niet belemmerd in haar bedrijfsvoering.

4.3.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling wordt toelaatbaar gedacht in het kader van milieuzonering.

4.4 Externe Veiligheid

4.4.1 Wet- en regelgeving

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vormt het wettelijk kader voor het omgaan met risico’s ten gevolge van bedrijven (inrichtingen) met gevaarlijke stoffen.

Het wettelijk kader voor de risico’s ten gevolge van transport van gevaarlijke stoffen wordt gevormd door de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Daarnaast is, voor zover van toepassing, gebruik gemaakt van gegevens uit het Basisnet Weg (definitief ontwerp 2009) en het Basisnet Water (definitief ontwerp 2008).

Plaatsgebonden risico (PR)

Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.

Groepsrisico (GR)

Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.

4.4.2 Onderzoek

In de nabijheid van Oogstpad 15 bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor de nieuwe bedrijfswoning. De aanwezige bovengrondse propaantank bij Camping de Randstad heeft een risicoafstand van 25 meter en is derhalve niet relevant voor onderhavig plangebied.

Het plangebied is wel gelegen in de nabijheid van de Rijksweg A12, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied van deze weg bedraagt 200 meter. Gezien de afstand tot het plangebied (ca. 650 meter) vormt dit echter geen belemmering.

Ten zuiden van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen. Voor deze gasleiding geldt dat er geen PR 10-6 contour ontstaat buiten de leiding zelf. Het plaatsgebonden risico levert dus geen belemmeringen voor het plangebied. Het plangebied ligt ook buiten het invloedsgebied (1% letaliteitsgebied) van deze gasleiding. Ook deze gasleiding vormt derhalve geen belemmering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01_0006.jpg"

Figuur 5.3: Weergave risicobronnen Externe Veiligheid (bron: www.risicokaart.nl; plangebied groen omcirkeld)

4.4.3 Conclusie

Er zijn geen beperkingen voor het bestemmingsplan vanwege externe veiligheid.

4.5 Bodem

4.5.1 Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.

Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Zuidplas beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorend grondstromenbeleid. Uitgangspunt is dat grondverzet niet mag leiden tot verslechtering van de bodemkwaliteit ter plaatse. Alle grondverzet dient te worden gemeld bij de Omgevingsdienst Midden-Holland.

4.5.2 Onderzoek

De bestemming van het perceel verandert niet. Daarmee is de nieuwe situatie met betrekking tot de chemische bodemkwaliteit niet meer gevoelig dan de huidige bestemde situatie. Bodemonderzoek naar de geschiktheid van de bodem van het gehele perceel is derhalve niet noodzakelijk.

De locatie is in 1999 onderzocht en destijds is gebleken dat de bodemkwaliteit voldoende was voor de bestaande c.q. beoogde functie. De locatie wordt op grond hiervan vooralsnog als 'niet-verdacht' beschouwd. Aangezien het echter een verouderd bodemonderzoek betreft en de bouw van de beoogde bedrijfswoning die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet onderzocht is, kan dit onderzoek niet dienen als onderbouwing.

Ten behoeve van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen dient nog een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 worden verricht. Mede gezien de huidige staat van het terrein - de woning zal ongeveer ter plaatse van de huidige bedrijfswoning worden gerealiseerd - is dit onderzoek nog niet uitgevoerd.

4.5.3 Conclusie

Er zijn in beginsel geen beperkingen vanwege de chemische bodemkwaliteit voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend dient nog een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 worden verricht.

4.6 Archeologie

4.6.1 Wettelijk kader

Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Wamz behelzen o.a. het integreren van archeologie in de RO-procedures (zoals vergunningen en Projectbesluiten) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen (art. 38 en 41 Wamz). De Wamz verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij een omgevingsvergunning rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving.

De gemeente Zuidplas heeft per 23 november 2010 vastgesteld beleid. Aan de hand van de hiervan onderdeel uitmakende archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Hierop is een aanpassing gekomen dat de meest lichte vorm van archeologische verwachtingswaarden niet meer hoeft te worden opgenomen in het bestemmingsplan.

4.6.2 Onderzoek

Onderzocht is welke verwachtingswaarden voor het gebied gelden en welke dubbelbestemmingen derhalve in het bestemmingsplan dienen te worden opgenomen. Tevens is onderzocht of in het kader van de voorgenomen ontwikkeling archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Ter plaatse van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting (geel in figuur 5.4). Slechts bij een verstoring met een oppervlakte groter dan 0,5 ha en dieper dan 30 cm is hier archeologisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast is op de locatie van de nieuw te bouwen bedrijfswoning water (blauw in figuur 5.5) gelegen, waar nader onderzoek niet vereist is.

De Omgevingsdienst Midden Holland heeft beoordeeld of voor onderhavig bestemmingsplan een archeologisch onderzoek noodzakelijk is (zie Bijlage 2). Direct ten oosten van het plangebied is in 2005 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de afzettingen van de aanwezige stroomgordel, eveneens aanwezig in het plangebied, dieper ligt dan 5 meter onder het maaiveld. Op deze stroomgordelafzettingen zijn wel aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen.

Uit de bijlage blijkt dat het plangebied slechts voor een klein deel overlapt met de zone met een hoge archeologische verwachting, de overlap is op het breedste deel nog geen 25 m. Bij de nieuwbouw worden veel heipalen gebruikt, maar de verstorende werking op de (diepere) ondergrond wordt relatief laag geacht. Vanaf het maaiveld vinden er ook geen diepe ontgravingen plaats.

Uit reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek blijkt dat pas vanaf 5 m onder het maaiveld archeologische resten verwacht worden. Gezien de zeer geringe overlap met de zone met een hoge archeologische verwachting en de geringe verstoringen als gevolg van het heien, wordt de kans zeer klein geacht dat bij de ontwikkelingen binnen het plangebied archeologische waarden verloren gaan. Derhalve acht de Omgevingsdient Midden Holland een archeologisch onderzoek voor de ontwikkelingen niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.BpOogstpad15Mkp-Va01_0007.jpg"

Figuur 5.4: Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Zuidplas (plangebied rood omcirkeld)

4.6.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.7 Ecologie

4.7.1 Wettelijk kader

Meer en meer wordt onderkend dat goed werkende ecosystemen voor mensen verschillende onmisbare functies hebben. Ter bescherming van deze eigenschappen van de natuurlijke omgeving en vanuit de gedachte dat alle levende wezens een intrinsieke waarde hebben, geldt een drietal landelijke wetten en beleidsplannen: de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 (NBwet) en het Natuurbeleidsplan 1990 (Nota Ruimte met daarin de Ecologische Hoofdstructuur).

Daarnaast geldt provinciaal beleid, te weten: Provinciale Structuurvisie Zuid-Holland en Provinciaal Compensatiebeginsel.

4.7.2 Onderzoek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Tritium Advies een Quick-scan flora en fauna uitgevoerd (kenmerk 1406/069/RV-01, d.d. 6 februari 2015; zie Bijlage 1).

Beschermde gebieden

Het onderzoeksgebied is op relatief grote afstand van zowel Natura 2000-gebieden als EHS-gebieden gelegen. Gezien de afstand, aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep zal er geen negatief effect te verwachten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden van zowel de EHS als Natura 2000-gebieden. Hierdoor is er geen noodzaak voor toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische Hoofdstructuur (gebiedsbescherming).

Beschermde soorten

In het onderzoeksgebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten dieren voor die vermeld staan op de lijsten van de Flora- en faunawet. Deze soorten zijn echter tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren heeft eveneens niets opgeleverd.

Soorten van FFlijst 1

In het onderzoeksgebied komen mogelijk enkele planten, grondgebonden zoogdieren en een aantal soorten amfibieën voor die staan vermeld op FFlijst 1. Voor soorten van FFlijst 1 geldt een vrijstelling: bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.

Soorten van FFlijst 2/3

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vogelsoorten staan vermeld op FFlijst 3 en zijn feitelijk ontheffingsplichtig. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het onderzoeksgebied aanwezig zijn kunnen verstorende werkzaamheden als een eventuele verwijdering van bebouwing en beplanting niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen half augustus en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht op vogels. Dit laatste verdient derhalve grote aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels en is het niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.

Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vleermuizen staan vermeld op FFlijst 3 en zijn ontheffingsplichtig. Voor vleermuizen geldt dat er op basis van het uitgevoerde veldbezoek geen nadelige effecten ten aanzien van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes worden verwacht. De in de omgeving van het onderzoeksgebied aanwezige bebouwing en bomen blijven namelijk gehandhaafd en er zijn binnen het onderzoeksgebied geen vleermuizen, of sporen van vleermuizen, aangetroffen. Op basis van de uitgevoerde inspectie is het bovendien redelijkerwijs uit te sluiten dat vleermuizen van de te slopen bebouwing gebruik maken als verblijfplaats aangezien er geen geschikte sparingen of toegangen tot de spouw zijn geconstateerd. Het uitvoeren van nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is derhalve niet aan de orde.

Er zijn geen beschermde soorten planten aanwezig.

Waarde - Ecologie

Ter plaatse van de nieuw te realiseren woning is in de huidige situatie een gedeelte van een watergang gelegen. Voor het dempen van deze watergang is reeds een watervergunning verleend. Omdat bij demping van deze watergang mogelijk ook ecologische belangen in het geding zijn, is voor de watergangen een dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' opgenomen. Op grond van deze dubbelbestemming is een ecologisch advies/onderzoek vereist indien daadwerkelijk tot demping of vergraving wordt overgegaan.

Zorgplicht

Voor alle soorten (m.u.v. de huismuis, zwarte rat en bruine rat), dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet alle gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van eind augustus tot november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn.

Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die in winterslaap gaan.

Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze soorten zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

4.7.3 Conclusie en advies

Het voorgenomen plan is toelaatbaar in het kader van ecologie en flora en fauna. De omschreven werkwijze (protocol) ten aanzien van vogels dient wel in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen. De werkzaamheden in relatie tot het planvoornemen zullen voor de overige soortgroepen eveneens geen overtreding van de natuurwetgeving tot gevolg hebben.

4.8 Water

Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als zodanig beschouwd worden.

4.8.1 Wettelijk kader

Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld.

Nationaal Waterplan

In december 2009 heeft het kabinet het Nationale Waterplan vastgesteld. Het Nationale Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Op basis van artikel 2.3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de Minister de bevoegdheid om ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening structuurvisies vast te stellen. Op grond van de Wro kan het Nationale Waterplan voor zover het de ruimtelijke aspecten betreft tevens worden aangemerkt als structuurvisie.

De Vierde Nota waterhuishouding ging uit van integraal waterbeheer en een watersysteembenadering. Dit wordt met het nationaal waterplan voortgezet. Met het Waterplan wordt ingezoomd op verschillende vlakken. Voor een duurzaam waterbeleid is het belangrijk om water de ruimte te geven en waar mogelijk mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals nu al gebeurt bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en –maatregelen, andere opgaven en maatregelen zo veel mogelijk integraal in ogenschouw worden genomen. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn.

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland

Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010 – 2015. Dit waterplan is op 11 november 2009 door Provinciale Staten vastgesteld. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:

  • Waarborgen waterveiligheid.
  • Zorgen voor mooi en schoon water.
  • Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening.
  • Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem.

In het Waterplan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven.

Waterbeheerplan Schieland en Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2010-2015, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. Ruimtelijke ordening en waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert het HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamere wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen.

De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:

  • Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;
  • De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen;
  • Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd;
  • Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

Voor ontwikkelingen is het waterbeheerplan HHSK 2010-2015 van het HHSK van belang. Ontwikkelingen gaan vaak gepaard met een toename van het verharde oppervlak. In het waterbeheerplan HHSK 2010 - 2015 is beschreven hoe het HHSK omgaat met het bergen van oppervlaktewater bij een toenemende verharding van het oppervlak. In zijn algemeenheid geldt verder dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het HHSK vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van overstorten, van de hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater, het dempen en graven van water en het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur maakt het mogelijk dat het HHSK haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.

4.8.2 Het plangebied

Waterkwantiteit

In het bestemmingsplangebied is behoudens het waterbassin ten behoeve van de kwekerij geen oppervlaktewater aanwezig. De voorgenomen planontwikkeling voorziet, als gevolg van de reconstructie van bedrijf, in een zeer beperkte toename van verharding als gevolg van de andere inrichting van het perceel (sloop bestaande woning en schuren, nieuwbouw woning en uitbreiding kas). Per saldo wordt circa 500 m2 toegevoegd (indien de kas volledig wordt uitgebreid). Het HHSK stelt in het Waterbeheerplan 2010-2015 een drempel van 500 m2 verhardingstoename. Boven deze drempel dient er watercompensatie plaats te vinden. Gezien de beperkte toename binnen onderhavig plangebied behoeft er geen watercompensatie plaats te vinden en vormt het aspect water geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Waterkwaliteit

In het bestemmingsplan wordt niet voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit.

Riolering

Het algemeen beleid is dat schoon- en vuilwaterstromen worden gescheiden en gescheiden blijven tot aan het overnamepunt op de perceelsgrens. Schoon regenwater dient bij voorkeur te worden afgevoerd naar de bodem (infiltratie). Indien dit niet mogelijk of gewenst is, dient het water rechtstreeks afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater via een regenwaterriool.

Grondwater

Een eigenaar van een perceel mag geen hinder aan eigenaren van andere erven of percelen toebrengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over het perceel stromend water of van het grondwater en dergelijke. In geval van (bouw)activiteiten dient er rekening mee gehouden te worden dat het niet is toegestaan om grondwateroverlast te veroorzaken door het aanbrengen van ondergrondse constructies en dat het verboden is om grondwater te onttrekken met als gevolg dat er sprake is van een grondwaterstandverlaging in de omgeving. Ook het ophogen van percelen is, gezien de mogelijk negatieve effecten voor aangrenzende percelen, niet zonder meer toegestaan. Binnen onderhavig plangebied zal hiervan geen sprake zijn.

Belangrijk is dat ruimtelijke ontwikkelingen geen verslechtering van de oorspronkelijke grondwaterstand en -stroming mogen veroorzaken (bodemdaling, grondwateroverlast en - onderlast, paalrot, zettingen). Daarom is versnelde afvoer van grondwater naar de oppervlakte (in de vorm van permanente drainage) in principe niet toelaatbaar. De sponswerking van de bodem dient zoveel als mogelijk te worden benut. Binnen onderhavig plangebied is geen ondergrondse bebouwing voorzien.

4.8.3 Conclusie

Bij de voorgenomen planontwikkeling binnen onderhavig plangebied wordt rekening gehouden met alle relevante wateraspecten. Er zijn vanuit dat oogpunt geen beperkingen voor de functiewijziging.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Regels

De beschrijving en uitwerking van de regels is afgestemd op de Wro. Dit betekent dat enkele regels anders geformuleerd zijn dan tot op heden gebruikelijk was dan wel achterwege blijven omdat hierin op andere wijze wordt voorzien. Zo wordt bijvoorbeeld niet meer gesproken over vrijstellingen of ontheffingen, maar over afwijkingen bij omgevingsvergunning.

De opbouw van het bestemmingsplan is conform de SVBP2012 (standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen). Gesproken wordt in de Wro en het Bro over bestemmingen en regels. De regels in het bestemmingsplan staan in vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgang- en slotregels aan de orde komen.

Veelal is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ´Zuidplas Noord´, teneinde een eenduidige regeling ten opzichte van de directe omgeving te handhaven en teneinde bestaande rechten te respecteren.

5.1.1 Inleidende regels

In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2 Bestemmingsregels

Agrarisch - Glastuinbouw

Het plangebied is bestemd tot 'Agrarisch - Glastuinbouw´. Binnen deze bestemming is conform vigerende rechten de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf mogelijk gemaakt, met alle daarbij behorende voorzieningen.

Bouwen

Op of in de gronden mogen bedrijfsgebouwen en kassen ten behoeve van de bedrijfsvoering worden gebouwd. De locatie van de bedrijfswoning is specifiek aangeduid. In de regels zijn voor alle gebouwen en bouwwerken diverse maatvoeringen opgenomen. De inhoud van de bedrijfswoning mag bijvoorbeeld niet meer bedragen dan 750 m3 en de goot- en bouwhoogte zijn gemaximeerd tot respectievelijk 7 meter en 10 meter.

Waarde - Ecologie

Ter bescherming van de mogelijke ecologische waarden in de watergangen langs het Oogstpad, is de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' opgenomen. Op grond van deze dubbelbestemming is een ecologisch onderzoek vereist bij het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen en het aanleggen van drainage.

5.1.3 Algemene regels

Antidubbeltelregel

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meegeteld mag worden bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels

Er kunnen zich situaties voordoen, waarbij bestaande bebouwing in strijd is met de regels. Zo kan de specifieke bouwhoogte van een gebouw hoger zijn dan de toegestane hoogte van bebouwing (een algemene maat). Deze strijdigheid is niet gewenst. Het is immers niet de bedoeling, dat dit gebouw moet worden aangepast aan de nieuwe maatvoering. Daarom is de algemene bepaling opgenomen, dat bij afwijkingen de maatvoering mag worden aangehouden, zoals die bestond op het moment van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan.

Daarnaast zijn algemene bepalingen opgenomen voor ondergrondse (bouw)werken, voor ondergeschikte bouwdelen, voor vloerpeilen, voor afdekkingen en voor dakterrassen.

Algemene aanduidingsregels

In dit artikel is opgenomen dat binnen de geluidszone van de A12 in beginsel geen nieuwe geluidgevoelige functies mogen worden gerealiseerd. Voor de realisatie van de beoogde nieuwe bedrijfswoning die binnen onderhavig plangebied mogelijk wordt gemaakt is in dat kader reeds onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.1).

Daarnaast is opgenomen dat binnen de veiligheidszone van de gasleiding slechts kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd na het verantwoorden van het groepsrisico.

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten behoeve van ondergeschikte afwijkingen. De criteria voor toepassing van deze afwijking zijn hierin tevens opgenomen.

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor beperkte overschrijdingen van bestemmingsgrenzen ten behoeve van (technisch) betere realisatie van projecten of correctie van afwijkingen.

Ook is conform het vigerende recht onder meer een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van de Ruimte-voor-ruimte regeling.

Overige regels

Tot slot zijn twee artikelen opgenomen ten behoeve van algemene regels voor het stellen van nadere eisen en ten behoeve van een algemeen toetsingskader voor het stellen van nadere eisen, het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken en het wijzigen van het plan.

5.1.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels

In dit artikel wordt inhoud gegeven aan het overgangsrecht betreffende bouwwerken en het gebruik, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Slotregel

Als laatste is de slotregel opgenomen, welke de titel van het plan bevat.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1 Wro moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Bro beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro);
  • er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro).

De 'Grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden.

Voorliggend bestemmingsplan behelst een particuliere ontwikkeling. In de anterieure overeenkomst welke gesloten is met de initiatiefnemer zijn afspraken gemaakt over verhaal van plankosten. Een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Inspraak en vooroverleg

Per 1 juli 2005 is de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) in werking getreden. Artikel 6a Wro is daarmee vervallen en daarmee ook de inspraakverplichting. Dat betekent dat ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) worden voorbereid met toepassing van de UOV (Awb). Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.

De inspraakverordening van de gemeente Zuidplas geeft aan dat het college besluit of er inspraak verleend wordt bij bestemmingsplannen. Het college van de gemeente Zuidplas heeft besloten om het voorontwerp bestemmingsplan niet ter inzage te leggen voor inspraak. Hier is voor gekozen omdat sprake is van een ontwikkelplan met beperkte impact en ruimtelijke uitstraling.

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt het ontwerp bestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners. De resultaten van de reacties van de overlegpartners worden in het vast te stellen bestemmingsplan verwoord.

6.2.2 Ontwerp terinzagelegging

Het ontwerpbestemmingsplan 'Oogstpad 15, Moerkapelle' heeft overeenkomstig artikel 3.8 Wro met ingang van 6 augustus t/m 16 september 2015 ter inzage gelegen. In deze periode was een ieder in de gelegenheid om mondeling of schriftelijk te reageren op de inhoud van het ontwerpbestemmingsplan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.