| Plan: | Moerkapelse Zijde tussen 19 en 21 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1892.BpMkpZijde19Mkp-Va01 |
Het primaire doel van bestemmingsplan 'Moerkapelse Zijde' is het bieden van een juridisch-planologisch kader, waarbinnen het bouwen van twee woningen kan worden gerealiseerd. Daarnaast sluit het bestemmingsplan aan op de gemeentelijke doelstellingen in het kader van de actualisatie van bestemmingsplannen waarbij de belangrijkste doelen zijn:
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Tweemanspolder en polder De Wilde Veenen', vastgesteld op 30 oktober 2012 en onherroepelijk geworden op 14 augustus 2013. De gronden hebben daarin de bestemmingen "Agrarisch", "Waarde Archeologie -1" en "Waterstaat - Waterkering", zie figuur 1.1.
Het bouwplan is in strijd met de regels van dit bestemmingsplan, omdat een nieuwe woning niet binnen de regels voor "Agrarisch" past en ook niet direct past binnen de dubbelbestemmingen "Waterstaat-Waterkering" en "Waarde-Archeologie-1".
Figuur 1.1: uitsnede vigerend bestemmingsplan
Beide percelen hebben dezelfde agrarische bestemming. Echter slechts voor een van de percelen is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. In deze wijzigingsbevoegdheid 'wro zone 4' is de mogelijkheid opgenomen om de bestemming te wijzigen ten behoeve van nieuwbouw van woningen. Omdat de wijzigingsbevoegdheid niet op beide percelen toegepast kan worden en beide initiatieven min op meer gelijktijdig zijn ingediend, zijn beide initiatieven samengevoegd. Voor beide percelen wordt nu gelijktijdig een herziening van het bestemmingsplan opgesteld en kan ook de onderzoeksplicht 'gedeeld' worden.
Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft de gronden tussen de woningen aan de Moerkapelse Zijde 19 en 21 te Moerkapelle. Het plangebied ligt aan de Moerkapelse Zijde en wordt aan de achterzijde begrensd door een grootschalig kassencomplex.
Onderstaande figuur 1.2 geeft de ligging van het plangebied aan.
Figuur 1.2: ligging plangebied
Tot aan de Middeleeuwen was het gebied rondom Zevenhuizen en Moerkapelle een overwegend onbewoonbaar drassig moeras, dat slechts via de natuurlijke waterwegen bereikbaar was. Het oorspronkelijke riviertje de Rotte vormde hierbij de belangrijkste toegangsweg. Op de oevervallen van de Rotte werden dan ook de eerste bewoningscentra opgericht, van waaruit het gebied ontgonnen werd. Het land werd verdeeld in 'weren', lange smalle stroken land die van elkaar gescheiden werden door sloten, en geschikt gemaakt voor landbouw en veeteelt. Doordat de ontgonnen gronden steeds verder van de Rotte kwamen te liggen, werden langs de wegen die door het gebied liepen nieuwe huizen gebouwd. Zo zijn de kernen Zevenhuizen en Moerkapelle ontstaan.
De Moerkapelse Zijde kan gezien worden als de entree van Moerkapelle. Het betreft de doorgaande weg naar het dorp. De weg kenmerkt zich door lintbebouwing enerzijds en anderzijds agrarische onbebouwde gronden met bedrijvigheid aan weerszijden. De percelen zijn momenteel in gebruik als weide, waar schapen op lopen.
De beoogde woningen zijn gepland tussen de woningen Moerkapelse Zijde 19 en 21 te Moerkapelle. Voorliggend plan voorziet in de inpassing van twee vrijstaande woningen in het lint. In combinatie met de reeds aanwezige lintbebouwing wordt de entree van het dorp verder versterkt. In het vigerend bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om dit gedeelte van het lint te kunnen verdichten met vier woningen. Van de twee geplande woningen valt er één binnen deze wijzigingsbevoegdheid. De tweede geplande woning past niet binnen de vigerende agrarische bestemming, waardoor het noodzakelijk is om een nieuw (postzegel)plan op te stellen om de twee woningen positief te bestemmen. Beide woningen worden gerealiseerd 'in de geest van' de wijzigingsbevoegdheid. Na realisatie van deze twee woningen, kunnen nog drie woningen binnen de wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt worden.
Conform de wijzigingsbevoegdheid moet(en) de woning(en) voldoen aan de regels van de bestemming 'Wonen'.
De wijzigingsbevoegdheid uit het geldende plan luidt als volgt:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming binnen de gebiedsaanduiding 'Wro-zone – wijzigingsgebied 4' te wijzigen ten behoeve van de nieuwbouw van woningen, onder voorwaarde dat:
Belangrijkste uitgangspunten voor de vorm en plek van de woning zijn:
De op te richten woningen voldoen aan de genoemde uitgangspunten.
2.3 Inpassing
In de Welstandsnota Zuidplas 2015 is het volgende opgenomen voor de polder De Wilde Veenen, Tweemanspolder en Eendragtspolder:
Het noordelijk en westelijk deel van het landelijk gebied is als waardevol aan te merken: het gaat hier specifiek om de Eendragtspolder, de Tweemanspolder en de Wilde Veenen. Deze drie polders dragen in belangrijke mate bij in het beeld van de Rottemeren en zijn dan ook ondersteunend aan de sterk structurerende werking van de Rottemeren. De samenhang van de drie polders (Wilde Veenen, Tweemanspolder en Eendragtspolder) zorgt voor rust in het landschap. Bij functiewijzigingen van agrarische bebouwing ruimtelijke kwaliteitswinst behalen in de vorm van het verminderen van de oppervlakte aan agrarische bijgebouwen.
Beide woningen zijn onder architectuur ontworpen en zijn individueel vormgegeven, zie afbeeldingen 1 en 2. Bij het ontwerpen van de woningen is rekening gehouden met de omgeving. De woningen zijn karakteristiek zowel in vorm, materiaal en uiterlijk, maar qua inpassing is aangesloten bij de ligging van de dijk en omliggende woningen. Met het ontwerp van de woningen wordt voldaan aan de uitgangspunten van de welstandsnota. Wat de voorkeur voor een schuin dak betreft, is voor woning 1 gekozen voor een plat plak. Voor beide woningen is een postief welstandsadvies afgegegeven.
Afbeelding 1: impressie woning 1
Afbeelding 2: impressie woning 2
In hoofdstuk 1 wordt de bestaande situatie en de visie op de gewenste ontwikkeling beschreven. Daarnaast wordt de huidige verkeersstructuur beschreven. In hoofdstuk 2 wordt het relevante beleidskader toegelicht. De relevante milieuonderzoeken komen aan de orde in hoofdstuk 3. Een toelichting op de juridische regeling van het plan wordt gegeven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 tenslotte gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
Doelen
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Nationale belangen
Voorgaande (hoofd)doelstellingen zijn in de structuurvisie vertaald naar nationale belangen. Deze zijn – direct of indirect – ook opgenomen in het Barro, waarmee zij juridisch doorwerken in bestemmingsplannen. De volgende rijksbeleidspunten zijn van toepassing op het plangebied:
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten standaard een aantal stappen zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Ruimtelijke besluiten moeten aandacht besteden aan de Ladder van duurzame verstedelijking, tenzij er conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro juncto artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2o Wabo). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in deze ruimtelijke motivering onderbouwd dat er sprake is van een ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte, zie paragraaf 2.2.
Conclusie rijksbeleid
Het plan is niet in strijd met het rijksbeleid. Het betreft een kleine ontwikkeling die weinig tot geen invloed heeft op nationale belangen. In hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan de milieukwaliteit, geluidsoverlast, externe veiligheid, waterveiligheid, cultuurhistorie (archeologie) en flora- en fauna. In hoofdstuk 5 is opgenomen hoe in dit plan wordt gezorgd voor een zorgvuldige afweging en een transparante besluitvorming.
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
De Actualisering 2016 van de VRM is op 14 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten en op 12 januari 2017 in werking getreden. Hiermee zijn wijzigingen doorgevoerd in de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma ruimte, de Verordening ruimte 2014 en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.
In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:
De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’).
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.
In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling:
Inpassing
Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten.
Aanpassing
Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat. Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
Transformatie
Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied.
Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
Toetsing aan richtpunten
De op te richten woningen zijn een versterking van het lint, waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. Er is sprake van een inpassing in de bestaande structuur en geen wijziging van de structuur. Op basis van deze indeling van type ontwikkeling is op basis van de VRM de inbreng van de provincie beperkt.
Het betreft een kleinschalige ontwikkeling van twee woningen tussen de rand van de dorpskern en een kassencomplex, zoveel mogelijk conform een wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingplan. Deze wijzigingsbevoegdheid maakt de bouw van vier woningen mogelijk. Een van de op te richten woningen is mogelijk via de in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Voor de andere woning wordt aangesloten bij 'de geest' van de wijzigingsbevoegdheid. Zodoende wordt aangesloten bij de filosofie van de visie.
Het plan is tevens uitvoerbaar binnen de richtpunten. De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of –vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land. Er wordt rekening gehouden met het behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders. Hieraan wordt voldaan, omdat met de inpassing aangesloten is bij de ligging van dijk.
Ontwikkelingen in droogmakerijen dienen een bijdrage te leveren aan een duurzame waterhuishouding. Tevens dienen ontwikkelingen rekening te houden met hun invloed op het watersysteem als geheel en bij te dragen aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem en het versterken van de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van Zuid-Holland. De beoogde inpassing draagt hier aan bij, zoals te lezen in paragraaf 3.13 Water.
Verder dienen de ontwikkelingen bij te dragen aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater. Het plangebied bestaat in de huidige situatie gedeeltelijk uit weide en deels uit bomen en opgaande beplanting en draagt in deze zin niet bij aan de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater. Door beoogde inpassing wordt de overgang dijk-oppervlaktewater-plangebied verduidelijkt, wat zowel de toegankelijkheid als zichtbaarheid van het oppervlaktewater verbeterd.
Ten slotte dienen de ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand bij te dragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Voor beoogde ontwikkeling wordt ingespeeld op de contactkwaliteit. Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals de dijk, de verdere lintenbebouwing en de aanwezige waterloop. De toevoeging van de extra woningen zorgt voor afwisseling in de rand en draagt hierdoor bij aan het dorpse karakter van Moerkapelle.
In samenhang met de structuurvisie is de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.
Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Om aan te tonen dat voldaan wordt aan een actuele behoefte, onder criterium 1, wordt verwezen naar 2.3.1.
Criterium 2 van de ladder stelt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien moet worden. De locaties van de woningen vallen niet binnen de definitie van bestaand stads- en dorpsgebied. Onder voorwaarden, zoals opgesomd onder criterium 3, zijn ook buiten het stads- en dorpsgebied ontwikkelingen mogelijk.
Aan criterium 3 kan voldaan worden omdat de planlocatie gelegen is aan de Moerkapelse Zijde. Dit is een doorgaande weg waardoor de locatie voldoende ontsloten is. Tevens kan voldaan worden aan de doelstellingen en richtpunten van de Structuurvisie Mobiliteit en Ruimte. Voor de verantwoording hiervan wordt verwezen naar paragraaf 2.2.1. Tot slot is de planlocatie niet groter dan 3 hectare en vervalt criterium 3 onder 3.
Artikel 2.2.1 van de verordening stelt dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In dit artikel wordt aangegeven dat een plan binnen de aard en schaal van het gebied moet passen en aan de richtpunten van de kwaliteitskaart moet voldoen. Zoals verwoord in de voorgaande alinea’s wordt voldaan aan de kwaliteitskaart. Het plan past daarmee in de provinciale verordening. De overige voorwaarden van artikel 2.2.1 zijn daardoor niet van toepassing. Omdat het plan niet in een beschermingsgebied valt en er geen richtpunten in het geding zijn is er ook geen specifieke beeldkwaliteitsparagraaf noodzakelijk.
In het vigerende bestemmingsplan is voor één woning een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van deze onbebouwde gronden naar woningbouw. Uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan gesteld worden dat de woningen passen in de structuur van het lint. Het betreft een doortrekking van het lint, waarbij de lintbebouwing verder verstevigd wordt.
Provincie Zuid-Holland heeft in de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Provinciale Verordening Ruimte en in de Provinciale Milieuverordening vier provinciale milieubelangen benoemd. Onderstaand wordt de relevantie per provinciaal milieubelang beschreven:
De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied.
De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens conform de Provinciale Verordening Ruimte.
De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde.
De voorgenomen ontwikkeling is gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV-relevante
risicobron. Door de Veiligheidsrisico is een positief advies afgegeven, zie bijlage 4.
Conclusie provinciaal beleid
De ontwikkeling past binnen het provinciaal beleid en voldoet aan de ladder van duurzame verstedelijking (Verordening Ruimte).
In deze Structuurvisie presenteert de gemeente Zuidplas op een compacte wijze de ruimtelijke visie tot 2030 en daarna. Hierin wordt op hoofdlijnen beschreven welke ambities Zuidplas heeft en welke koers Zuidplas volgt om die ambities te verwezenlijken. De Structuurvisie biedt een kader voor alle gebieds- en ruimtelijke opgaven die Zuidplas in de komende decennia wil realiseren.
Zuidplas realiseert nieuwe woningen hoofdzakelijk binnen en aan de vier dorpen, om te voldoen aan de woonvraag van zijn eigen inwoners. Voor sommige dorpen is dit mede noodzakelijk voor het op peil houden van het voorzieningenniveau. De op te richten woningen in het lint sluiten aan bij het dorp, waardoor voldaan wordt aan de uitgangspunten van de structuurvisie.
Op 4 juni 2015 is de welstandsnota Zuidplas 2015 in werking getreden. De nieuwe welstandsnota gaat uit van het principe welstandsvrij tenzij, zonder dat daarbij tekort gedaan wordt aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuidplas. De regelgeving is verder vereenvoudigd. De Welstandsnota Zuidplas 2015 bevat nog maar twee welstandsniveaus. Structuurbepalende elementen, landschappelijke waardevolle gebieden, historische dorpskernen en centrumgebieden worden beschermd c.q. gestuurd met een zwaar welstandsregime.
Behoud van herkenbare structuren en cultuurhistorie
Structuurdragers zijn van groot belang geweest voor de ontwikkeling van Zuidplas en blijven van groot belang voor de verdere ontwikkeling. Door de jaren heen hebben ze een karakter gekregen dat zeer gewaardeerd wordt. Ze maken Zuidplas herkenbaar in al haar diversiteit. De vraag of ze bij verdere ontwikkeling van Zuidplas niet ten onder gaan en onherkenbaar worden. Extra zorg voor het behouden van karakteristieken lijkt op zijn plaats. Er moet hierbij gedacht worden aan de Ringvaart, de linten, de Rotte, de Hollandsche IJssel, de open polders en de oude dorpskernen. Structuurdragers hebben vaak ook een grote cultuurhistorische component. Dit maakt ze extra kwetsbaar voor veranderingen. Eventuele veranderingen moeten zorgvuldig gebeuren met behoud van de al eerder genoemde karakteristiek.
De woningen zijn qua ligging en uiterlijk ingepast in het lint en voldoen aan redelijke eisen van welstand, waardoor het voornemen past binnen het welstandsbeleid van de gemeente Zuidplas.
Conclusie gemeentelijk beleid
Dit bestemmingsplan past binnen het gemeentelijk beleid.
In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan, van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.
Toetsingskader
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan (of een wijziging) wordt gekeken of archeologie een rol speelt. Via de erfgoedverordening wordt het archeologiebeleid van de gemeente verankerd in het bestemmingsplan. Aan de hand van de archeologische beleidskaart wordt bepaald of een dubbelbestemming archeologie moet worden opgenomen of niet.
De gemeente Zuidplas heeft op 23 november 2010 een eigen gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. De archeologische beleidskaart onderscheidt zones met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. In 2013 is de zone met een lage archeologische verwachting geevalueerd en de gemeente heeft op 23 juni 2013 vastgesteld dat de zone met een lage archeologische verwachting voortaan vrijgesteld is van een onderzoeksverplichting. In de eerste helft van 2017 is de beleidskaart geactualiseerd volgens de laatste inzichten en onderzoeken. Deze kaart is nog niet vastgesteld, maar wordt wel gebruikt bij het bepalen of een archeologisch onderzoek nodig is of niet. Inmiddels is er een ontwerp-paraplubestemmingsplan “Archeologie” ter inzage gelegd.
Onderzoek
Volgens de vigerende beleidskaart (2010) gelden voor het plangebied twee typen archeologische verwachting:
Op basis van de kadastrale minuut van Zevenhuizen blijkt dat het plangebied rond 1811-1832 onbebouwd is. Cartografisch onderzoek wijst verder uit dat ter hoogte van het plangebied geen resten van historische bebouwing te verwachten zijn. De zone met de zeer hoge archeologische verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van een gebouw ten westen van het plangebied op kaarten van voor de grote veenafgravingen binnen Zuidplas. Het vermoeden is dat bij het afgraven van het veen tot op het huidige maaiveld, eventueel aanwezige funderingsresten geheel verdwenen zijn.
Conclusie
De zone met een zeer hoge archeologische waarde kan naar beneden bijgesteld worden naar een lage verwachting. Archeologisch onderzoek wordt niet nodig geacht en om die reden is geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie in dit bestemmingsplan opgenomen, gericht op het behoud en de bescherming van archeologische waarden.
Ook als archeologisch onderzoek niet verplicht is, kunnen archeologische resten toch nog aanwezig zijn. Mocht blijken bij uitvoer dat deze aanwezig zijn, dient het bevoegd gezag (zijnde gemeente Zuidplas) meteen op de hoogte gesteld te worden en een beslissing te nemen over hoe om te gaan met de resten. Dit conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Met betrekking tot het milieuaspect 'licht' geldt het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Onderzoek
De ontwikkeling van twee burgerwoningen kan gezien worden als milieugevoelig, de woningen kunnen milieuhinder ondervinden van omliggende bedrijvigheid. Andersom kunnen de burgerwoningen bedrijven in de omgeving beperken in hun bedrijfsvoering. De omgeving van het plangebied kan vanwege de verscheidenheid aan functies - wonen, glastuinbouw en bedrijvigheid - worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. In de omgeving bevindt zich een aantal functies waarvoor een richtafstand wordt voorgeschreven tot omliggende woningen. Het gaat hierbij om bedrijvigheid en glastuinbouwkassen.
Aan de noordzijde van de Moerkapelse Zijde is kleinschalige bedrijvigheid, detailhandel en horeca, toegestaan die past in een centrumgebied, waardoor sprake is van gemengd gebied. Er is bedrijvigheid uit maximaal milieucategorie 2 gevestigd en planologisch toegestaan ter plaatse van Moerkapelse Zijde 32-28. Voor dergelijke bedrijvigheid geldt in gemengd gebied een afstand van 10 meter. Aangezien deze bedrijvigheid op een afstand van circa 100 meter tot het plangebied ligt, wordt ruimschoots aan de geldende richtafstand voldaan.
Ten zuiden van het plangebied bevinden zich glastuinbouwkassen. Glastuinbouwkassen, al dan niet met verwarming (SBI-code 011, 012, 013 onder 2 en 3) vallen in milieucategorie 2. In een gemengd gebied wordt een richtafstand van 10 meter tot omliggende woningen voorgeschreven.
Momenteel is geen richtafstand meer opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer betreft de situering van woningen ten opzichte van glastuinbouwkassen. De idee daarachter is dat het ruimtelijke spoor (bestemmingsplan) een betere manier is om dit te regelen. Welke afstanden in de ruimtelijke afweging geschikt zijn, heeft de wetgever aan de praktijk overgelaten.
Gemeente Zuidplas hanteert een richtafstand van 10 meter. Beoogde ontwikkeling bevindt zich op circa 30 meter van glastuinbouwkassen.
Conclusie
In dit bestemmingsplan zijn de bouwmogelijkheden ten behoeve van woningen gesitueerd op een afstand van minimaal 10 meter tot de nabijgelegen glastuinbouwkassen. Gezien de in dit bestemmingsplan geborgde afstand is er vanuit het oogpunt van milieuzonering en functiescheiding sprake van een goede ruimtelijke ordening. De omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering.
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
Onderzoek
Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd.
Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Op het aangrenzende perceel zijn in het verleden vergelijkbare concentraties zware metalen in het grondwater aangetroffen. Deze metaalverontreiniging is dan ook hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op het regionale karakter van de lichte metaalverontreiniging in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd.
De rapportage is opgenomen in bijlage 2.
Conclusie
Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de ontwikkeling van de onderzoekslocatie.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.
Het aspect bodem staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
De woningen zullen zo energieneutraal mogelijk worden uitgevoerd. Beide woningen worden voorzien van zonnepanelen of zelfs pvt-panelen. Tevens worden de woningen niet meer aangesloten op het aardgasnetwerk. Het betreffen passieve woningen (3-dubbel glas, hoge isolatiewaarde, gebalanceerde ventilatie, etc.).
Overige maatregelen betreffen:
Toetsingskader
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland
In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Natura-2000 gebieden
Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Vanwege de geringe ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied De Wilck, genereert de beoogde ontwikkeling qua stikstofdepositie eveneens geen problemen. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en typen uit Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden die onderdeel uitmaken van Natuurnetwerk Nederland. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten.
Flora
Ten tijde van onderhavig onderzoek op dinsdag 15 augustus 2017 was het plangebied plaatselijk begroeid met een kruidachtige vegetatie, tuinplanten of onbegroeid. Het plangebied is het pioniersstadium niet ontgroeid. Sinds de Wet Natuurbescherming van kracht is zijn alleen planten beschermd die gebonden zijn aan zeer specifieke en natuurlijke ecotopen. Dergelijke ecotopen komen niet voor in het plangebied. Gedurende het verkennend onderzoek zijn ook geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. Zie bijlage 3.
Soortenbescherming
Op dinsdag 15 augustus 2017 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Zie bijlage verder 3.
Vleermuizen
De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, overwinterings- en paarplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In en direct rond het plangebied ontbreekt het aan potentiele verblijfplaatsen van vleermuizen zoals bomen met gaten en gebouwen met gaten. Effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten.
In en rond het plangebied ontbreekt het aan opgaande lijnvormige landschapselementen. In het plangebied komt bebouwing waarop vleermuizen zich kunnen oriënteren. Vleermuizen kunnen zich beter gaan oriënteren. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kan derhalve worden uitgesloten.
Het voorkomen van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of grenzen aan het plangebied. Effecten op migratieroutes kunnen derhalve worden uitgesloten.
Met de realisatie van de plannen zullen het plangebied niet van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Door de openheid van het gebied is het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. De pioniervegetatie komt te vervallen. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve foerageerplaatsen. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten.
Overige zoogdieren
Vermoedelijk komen in het plangebied bosmuis, veldmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze soorten bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de provincie Zuid-Holland. De oevers zijn ongeschikt als leefgebied doordat de oeverbreedte onvoldoende is en een voldoende dekkende vegetatie ontbreekt.
Broedvogels
Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 15 augustus 2017 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zijn ook niet vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek. Op grond hiervan wordt het voorkomen van broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten.
In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals roodborst, fitis en fazant. Gedurende het veldonderzoek op dinsdag 15 augustus 2017 zijn roodborst en fitis vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de uitbreidingslocatie buiten het broedseizoen te ontdoen van de vegetatie of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
Amfibieën
Het plangebied va de Moerkapelse Zijde te Moerkapelle is in het verspreidingsgebied van de rugstreeppad gelegen. In de omgeving is de rugstreeppad daadwerkelijk aangetroffen. Met de realisatie van de plannen kunnen negatieve effecten op de rugstreeppad optreden als geen maatregelen worden getroffen. Door binnen het plangebied geen waterplassen te laten ontstaan op het land in de aanlegfase, kan vestiging van de rugstreeppad in de aanlegfase volledig worden uitgesloten. Op grond hiervan kunnen negatieve effecten op de rugstreeppad worden uitgesloten.
Mogelijk komen aan de randen van het plangebied daarnaast gewone pad en bruine kikker voor. Voor deze soorten is het plangebied geen essentieel leefgebied omdat in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Het ontbreekt daarnaast aan een dekkende vegetatie die amfibieën beschutting geven. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling.
Vissen
Met de realisatie van de plannen worden de sloten aan de noordzijde beïnvloed. Met de realisatie van het plan is oppervlaktewater voorzien. De aanwezige vissen worden derhalve niet wezenlijk beïnvloed door de plannen. Met het van kracht worden van de Wet Natuurbescherming zijn zijvoorbeeld kleine modderkruiper en bittervoorn niet meer beschermd. Voor de nog wel beschermde grote modderkruiper het gebied geen leefgebied doordat geschikte ecotopen ontbreken en in de omgeving komt de grote modderkruiper niet voor.
Reptielen
Gezien de huidige aanwezige ecotopen van het plangebied ten opzichte van de verspreiding van reptielen en de ligging, kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. Ringslang heeft populaties rond Gouda, en verder zijn waarnemingen bekend uit het Lage Bergse Bos bij Rotterdam. Deze gebieden liggen te ver van Moerkappelle,waardoor het voorkomen van ringslang kan worden uitgesloten.
Conclusie
In verband met het de aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). De aanwezigheid van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. In het gebied foerageren en vliegen mogelijk vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren en vliegen. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Er kunnen algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig zijn. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid-Holland. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen.
Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het project niet in de weg.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
Volgens de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) zijn in en nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Op circa 1.400 meter van het plangebied is de rijksweg A12 gelegen. De weg heeft een groepsrisicocontour van 48 meter en geen PR10-6 risicocontour. Het maatgevende invloedsgebied bedraagt 880 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de rijksweg A12.
Buisleidingen
In de directe omgeving, namelijk op circa 250 meter ten westen van het plangebied, ligt een buisleidingenstrook. Het betreft een drietal hogedrukaardgasleidingen van de Gasunie en een leiding van defensie voor brandstoffen. De afstand tot de buisleidingenstrook bedraagt ongeveer 230 meter, waardoor de plaatsgebonden risicocontour geen belemmering vormt. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de buisleidingen A-553, A-803 en A-518, dat respectievelijk 430, 580 en 380 meter bedraagt. Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen maximaal twee woningen worden opgericht. Dit leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal personen waardoor de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar is. Een berekening van het groepsrisico is hierdoor niet noodzakelijk. Wel is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van het groepsrisico een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
De brandstofleiding van defensie is tevens gelegen in de buisleidingen strook. Het gaat hierbij om het transport van brandbare vloeistoffen. Gezien het mogelijke scenario van uitstroom en plasbrand bedraagt het invloedsgebied van deze leiding 30 meter. Gezien de afstand van circa 285 meter tot het plangebied, vormt deze leiding geen belemmering.
Op circa 170 meter ten noordwesten van het plangebied ligt de hogedrukaardgasleiding A-518-01. De buisleiding heeft geen PR10-6 risicocontour. Het invloedsgebied van de buisleiding bedraagt 45 meter. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de buisleiding.
Beknopte verantwoording van het groepsrisico
In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.
Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het gedegen wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden.
Zelfredzaamheid
De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. Er worden woningen gerealiseerd waar zelfredzame personen wonen. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.
Conclusie
Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de hogedrukaardgasleidingen A-553, A-803 en A-518. Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen maximaal twee woningen worden opgericht. Dit leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal personen waardoor de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar is. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. Woningen zijn geluidgevoelige functies waarvoor aannememlijk dient te , indien gelegen binnen de geluidzone van gezoneerd wegen, de akoestisch aannemelijk dient.
Het bestemmingsplan voorziet in twee nieuwe woningen tussen de percelen Moerkapelse Zijde 19 en 21 in Zuidplas. De woningen zijn geluidgevoelige functies en gelegen in de geluidzone van de tevens ontsluitende weg Moerkapelse Zijde. Akoestisch onderzoek is volgens de Wgh noodzakelijk. De Hollevoeterlaan is een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/u en hoeft daarom niet te worden getoetst aan de Wgh. De weg is dicht gelegen bij het plangebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie wordt het akoestisch klimaat ten gevolge van het verkeer op deze weg ook getoetst.
Onderzoek
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van het verkeer op de Moerkapelse Zijde. De maximale geluidbelasting bedraagt 55 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde te doen dalen zijn niet mogelijk of doelmatig vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële aard. De richtwaarde van 48 dB wordt ten gevolge van de niet gezoneerde Hollevoeterlaan niet overschreden.
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 1.
Conclusie
De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden ten gevolge van het verkeer op de Moerkapelse Zijde. Voor de nieuwe woningen dient het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas een hogere waarde te verlenen volgens tabel 1.
Tabel 1: Verlening hogere grenswaarde
| Aantal woningen | Ontheffingswaarde | Bron | |
| 2 | 55 dB | Moerkapelse Zijde | |
De hogere waarde wordt in het kadaster vastgelegd.
Toetsingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Onderzoek
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een planologisch relevante rioolleiding en een straalpad. De rioolleiding ligt op circa 125 meter ten westen van het plangebied. Het straalpad bevindt zich op circa 135 meter ten oosten van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee op aanzienlijke afstand tot de dubbelbestemming en vrijwaringszone op grond waarvan respectievelijk de rioolleiding en het straalpad worden beschermd.
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 2 weergegeven.
Tabel 2: Grenswaarden van maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³ | ||
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ | |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Ter plaatse van het plangebied worden twee woningen gebouwd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Moerkapelse Zijde. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2016; 21,8 µg/m³ voor NO2, 18,21 µg/m³ voor PM10 en 10,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7 dagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Op het gebied van luchtkwaliteit is er geen belemmering het plan te realiseren.
Ontsluiting
De woningen zijn gelegen aan de Moerkapelse Zijde, binnen de bebouwde kom, waar een maximum snelheid geldt van 50 km/u. De Moerkapelse Zijde behoort tot de ontsluitingstructuur van de kern Moerkapelle. In oostelijke richting wordt allereerst het centrum van Moerkapelle bereikt, verder in oostelijke richting wordt onder andere de N453, A12 en de stad Gouda bereikt. In westelijke richting wordt de N209 bereikt en de stad Zoetermeer. Fietsers maken op de Moerkapelse Zijde gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerd verkeer. Voetgangers kunnen gebruik maken van het voetpad ten noorden aan de Moerkapelse Zijde.
De toename van twee woningen aan de Moerkapelse Zijde leidt tot een verkeerstoename van circa 16 motorvoertuigen per etmaal. Dit aantal is gebaseerd op kencijfers van het CROW (publicatie 317, kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De toename als gevolg van de ontwikkeling van twee woningen zal opgaan in het dagelijkse verkeersbeeld van de Moerkapelse Zijde.
Parkeren
De parkeerbehoefte van de woningen is gebaseerd op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsnota Parkeernormen 2013). Voor de juiste parkeernorm wordt als uitgangspunt matig stedelijk, uitgaande van de maximale norm, aangehouden. De parkeerbehoefte bedraagt 2,7 = 3 parkeerplaatsen per woning, welke op eigen terrein worden voorzien. Deze parkeerbehoefte is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van twee woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal
Hoogheemraadschapsbeleid
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied is gelegen aan de Moerkapelse Zijde te Moerkapelle en bestaat in de huidige situatie gedeeltelijk uit een moestuin en deels uit bomen en opgaande beplanting.
Het plangebied ligt in de Tweemanspolder, een 470 hectare grote polder die in zijn geheel binnen de gemeente Zuidplas ligt. Het plangebied ligt in het noordelijke peilgebied (GP-456) en heeft een streef peil van 6,0 m-NAP. De maaiveldhoogte varieert in de Tweemanspolder van circa 4,0 m-NAP tot circa 5,0 m-NAP. De bodem in de Tweemanspolder is door de sterk samendrukbare klei- en veenlagen zettingsgevoelig.
Waterkwantiteit
Rondom en binnen het plangebied zijn verschillende watergangen gelegen. De noordgrens van het plangebied wordt door een watergang gevormd. Daarnaast ligt ten zuidoosten van het plangebied een watergang. De watergangen zorgen voor de afwatering van het gebied.
Waterkwaliteit en ecologie
Op 500 meter ten westen van het plangebied bevindt zich de Rotte, een waterlichaam dat is aangewezen als één van de 25 KRW-waterlichamen van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich geen natte natuur.
Waterveiligheid en waterkeringen
Aan de voorzijde van beide percelen is een primaire waterkering gelegen. Delen van het plangebied liggen dan ook binnen de kern- en beschermingszone van deze kering.
Afbeelding 3: uitsnede legger Waterkeringen HHSK
Er geldt restrictief bouwbeleid voor waterkeringen en binnen het bebouwingsvrije profiel wordt geen nieuwe bebouwing toegestaan. Buiten dit profiel kan bebouwing onder voorwaarden worden toegestaan en dient hiervoor een vergunning te worden verleend. Voor de primaire waterkering geldt een gesloten seizoen voor alle werkzaamheden van 1 oktober tot 15 april.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat hemelwater en afvalwater beiden via dezelfde leiding worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid worden aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud worden gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
(Dubbel)bestemming 'Water' en 'Waterstaat' in het bestemmingsplan
In het vigerende bestemmingsplan is het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming. De waterkering in het plangebied heeft dan ook de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen.
Toekomstige situatie
Algemeen
Het bestemmingsplan maakt een functiewijziging van agrarisch naar wonen mogelijk en de bouw van een tweetal woningen.
Waterkwantiteit
Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Volgens de eis van het HHSK dient 5% van de toename in verharding te worden gecompenseerd mits deze toename meer dan 500 m² bedraagt.
Met de bouw en aanleg van een tweetal woningen met grote tuinen, zal de verharding in het plangebied naar verwachting niet met meer dan 500 m² toenemen. Beide bouwvlakken omvatten samen 360 m². Compensatie van oppervlaktewater is dan ook niet noodzakelijk.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.
Waterveiligheid en waterkeringen
De bebouwing wordt gerealiseerd buiten het bebouwingsvrije profiel. Dit is geborgd in de planregels en de verbeelding door het bouwvlak in overeenstemming te brengen met dit bebouwingsvrije profiel. Daarnaast is de beschermingszone van de waterkering geborgd door het opnemen van een dubbelbestemming.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen.
Met het hoogheemraadschap is reeds contact geweest over de in te dienen vergunningsaanvraag. Ambtelijk is akkoord gegeven om een gelijke bouwafstand aan te houden als bij huisnummer 21, mits het perceel wordt opgehoogd zoals het naastgelegen perceel en op die hoogte wordt onderhouden.
(Dubbel)bestemming 'Water' en 'Waterstaat' in het bestemmingsplan
In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming. De waterkering in het plangebied heeft dan ook de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor het realiseren van de bebouwing is een vergunning noodzakelijk.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn ook afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.
Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van twee nieuwe woningen. Het bestemmingsplan voldoet aan de "Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen" en de "Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen". In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen conform de geldende standaarden voor de volgende bestemmingen:
Water
De bestemming 'Water' is van toepassing op de in het plangebied aanwezige hoofdwaterlopen. Deze gronden zijn dan ook onder andere bestemd voor water(lopen), de aan- en afvoer van oppervlaktewater met bijbehorende voorzieningen, oeververbindingen en groenvoorzieningen. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn heel beperkt. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Hierbij kan gedacht worden aan keerwanden, beschoeiingen, duikers, bruggen en gemalen.
Wonen
De bestemming 'Wonen' is van toepassing op de in het plangebied aanwezige woningen. In de woningen is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen toegestaan tot maximaal 30% van het grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m². Ook bij de woning behorende functies zoals opritten en paden, parkeervoorzieningen, erven, terreinen en tuinen zijn in de bestemmingsregeling opgenomen. In de bouwregels wordt uitgegaan van het principe dat hoofdgebouwen binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak mogen worden gebouwd.
Per bouwvlak is één woning toegestaan, tot een maximale inhoud van 1.000 m³. De maximale goot- en/of bouwhoogte zijn in de regels aangegeven (6 respectievelijk 10 meter) en dienen in acht te worden genomen. Voor bijbehorende bouwwerken, welke zijn toegestaan buiten het bouwvlak (in het erfdeel), is voor zowel vrijstaande bijbehorende bouwwerken als ook voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken een eigen bouwhoogte opgenomen. Voor de aangebouwde bijbehorende bouwwerken is aansluiting gezocht bij de regeling van het vergunningsvrij bouwen, terwijl vrijstaande bijbehorende bouwwerken gebonden zijn aan een maximum goothoogte van 4 meter. Het oppervlak van de bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 50 m² bedragen, al is in de regels bepaald dat meer oppervlak mag worden bebouwd indien het bouwperceel meer dan 500 m² bedraagt. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn eveneens aan een maximale bouwhoogte gekoppeld, afhankelijk van het soort bouwwerk evenals de situering (voor of achter de voorgevellijn).
Waterstaat - Waterkering
De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is bedoeld ter bescherming van de primaire waterkering die binnen het plangebied is gelegen. De bestemming maakt dat alvorens omgevingsvergunningen kunnen worden verleend, afwijking verleend moet worden door burgemeester en wethouders onder voorwaarden dat de waterstaatsbelangen niet worden geschaad en schriftelijk advies moet zijn ingewonnen bij de beheerder van de waterloop en waterkering.
Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het project zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Het bouwproject wordt gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer.
Op grond van artikel 6:12 van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1. van het Bro zijn plannen aangewezen waarvoor een dergelijk exploitatieplan moet worden opgesteld. Voor dit plan dient een exploitatieplan te worden vastgesteld. Artikel 6:12, lid 2 Wro geeft aan dat de gemeenteraad kan besluiten géén exploitatieplan vast te stellen indien:
In onderhavige situatie wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden, omdat het kostenverhaal van het project geregeld zal worden in een anterieure overeenkomst.
Op grond van artikel 1.3.1. Bro dient voorafgaand aan een procedure van een bestemmingsplan waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden.
Overleg
Conform artikel 3.1.1 Bro hebben burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gevoerd met de wettelijke overlegpartners. Er zijn in het kader van dit overleg geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt over het voorontwerpbestemmingsplan.
Inspraak
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening is inspraak mogelijk, dit is echter niet verplicht. De gemeente kan op basis van haar gemeentelijke inspraakverordening beslissen het bestemmingsplan voor inspraak vrij te geven. Besloten is om in dit geval geen inspraakprocedure te voeren, eventuele reacties kunnen ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend in de vorm van zienswijzen.
In het kader van de vaststellingsprocedure heeft het ontwerpbestemmingsplan “Moerkapelse Zijde tussen 19 en 21” vanaf donderdag 5 juli 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis, via www.ruimtelijkeplannen.nl en via de website van de gemeente Zuidplas.
Gedurende deze inzageperiode kon een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen indienen. Eén zienswijze is tijdig ingediend wanneer zij voor het einde van de termijn van terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan is verzonden/ontvangen.
De zienswijze en de ambtshalve aanpassingen zijn samengevat in een Nota van beantwoording zienswijzen (en wijziging). Deze nota is toegevoegd als bijlage 5 bij de toelichting
Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad zal het vaststellingsbesluit en het bestemmingsplan vervolgens voor zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende de ter inzagelegging kan beroep tegen het plan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit kan uitsluitend wanneer ook een zienswijze tegen het ontwerp is ingediend of tegen die onderdelen die de gemeenteraad gewijzigd heeft vastgesteld.