| Plan: | Hoek Julianastraat-Middelweg, Moerkapelle |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1892.BpHkJlnastrMdwMkp-Va01 |
De gemeente Zuidplas wenst een nieuw bestemmingsplan op te stellen om de ontwikkeling van een hospice mogelijk te maken op de hoek van de Julianastraat en de Middelweg te Moerkapelle. Ook de verlegging van een deel van de Middelweg dient met het bestemmingsplan mogelijk te worden gemaakt.
De gewenste ontwikkelingen zijn binnen het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Een nieuw juridisch-planologisch kader dient te worden opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
Het primaire doel van het bestemmingsplan 'Hoek Julianastraat-Middelweg, Moerkapelle' is het bieden van een juridisch-planologisch kader waarbinnen de ontwikkeling van een hospice op de hoek van de Julianastraat en de Middelweg te Moerkapelle mogelijk kan worden gemaakt. Ook de verlegging van een deel van de Middelweg dient met het bestemmingsplan mogelijk te worden gemaakt.
Daarnaast sluit het voorliggende bestemmingsplan aan op de gemeentelijke doelstellingen in het kader van de actualisatie van bestemmingsplannen waarbij de belangrijkste doelen zijn:
Vigerende bestemmingsplannen
In het plangebied is momenteel het bestemmingsplan "Tweemanspolder en polder De Wilde Veenen (herziening)" van kracht. Dit bestemmingsplan is door de raad van de voormalige gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle op 30 oktober 2012 vastgesteld.
Tevens zijn de bestemmingsplannen "Parapluherziening Archeologie'' (vastgesteld: 6 maart 2018) en "Parapluherziening Parkeren" (vastgesteld: 24 april 2018) in het plangebied van kracht.
Ligging van het plangebied in de omgeving
Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan ligt, zoals de naam al zegt, op de hoek van de Julianastraat en de Middelweg, ten oosten van Moerkapelle. Het plangebied bestaat uit een onbebouwd grasveld. Ten noorden en ten oosten liggen agrarische gronden. Ten zuiden van het plangebied liggen voornamelijk kassen. Ook zijn ten zuidoosten en ten zuidwesten van het plangebied bedrijfsterreinen aanwezig. Aan de Sportweg, Oranjestraat en Julianastraat, ten westen van het plangebied, liggen vrijstaande woningen. Tussen het plangebied en de Julianastaat ligt een watergang.
Afbeelding 1.1. geeft de begrenzing van het plangebied weer.
Afbeelding 1.1.: globale ligging en begrenzing bestemmingsplangebied (bron: Google Maps)
Verkeer - ontsluiting
De ontsluiting van het plangebied vindt in de huidige situatie plaats via de Middelweg. Deze weg is verbonden aan de Julianastraat die naar de kern van Moerkapelle leidt. Het plangebied en de Julianastraat worden gescheiden door een watergang.
Zoals eerder beschreven maakt dit bestemmingsplan het realiseren van een hospice en de verlegging van een deel van de Middelweg mogelijk. Op afbeelding 1.2. zijn de bestemmingen weergegeven. Het hospice komt binnen het bouwvlak met de bestemming 'Maatschappelijk' te liggen. De bestaande wegen en het nieuwe weggedeelte hebben een verkeersbestemming gekregen. De bestaande watergang is bestemd als 'Water'.
De ontwikkeling van het hospice en de verlegging van de Middelweg zijn hieronder nader beschreven.
Afbeelding 1.2: verbeelding bestemmingsplan
De Middelweg wordt verplaatst naar de oostelijke rand van het plangebied. Dit wordt gedaan om een verkeersveiliger ontsluiting van fase 3 van de nieuwe woonwijk 'Jonge Veenen' te krijgen. Het hospice zal ontsloten worden via de Julianastraat.
In het hospice worden 4 cliëntkamers gerealiseerd met een gedeelde ruimte met een keuken, tv/leeshoek, woonkamer en eetkamer. Tevens wordt een stiltekamer gerealiseerd in het hospice. Op de eerste verdieping wordt onder andere een logeerkamer beschikbaar gemaakt. Het gebied rond het hospice wordt, deels ingericht als parkeerterrein met 9 parkeerplaatsen (7 voor het hospice en 2 voor omwonende) en voor het overige groen ingericht, zoals te zien is op afbeeldingen 1.3. en 1.4.
Afbeelding 1.3: toekomstige situatie
Afbeelding 1.4.: impressiebeeld hospice
Visie
Het doel van palliatieve terminale zorg is het bereiken van de best mogelijk kwaliteit van het leven van gasten en hun naasten in de laatste levensfase.
Met de laatste levensfase wordt in principe de laatste drie maanden bedoeld. De laatste fase wordt gekenmerkt door de overgang van curatieve zorg naar palliatieve terminale zorg.
Juist in deze fase, waarin het menselijk leven op zijn kwetsbaars is, wil Hospice- Elim tegemoetkomen aan de vraag naar christelijke hospicezorg. Niet om mensen beter te maken, maar om nog iets te doen waardoor mensen zich beter voelen in de laatste levensfase.
Missie
Het Hospice- Elim is een bijna-thuis-huis in oprichting. De missie van Hospice- Elim wordt als volgt geformuleerd:
“Mensen, vanuit christelijke naastenliefde, een mogelijkheid bieden in een bijna-thuissituatie om begeleid en verzorgd hun laatste levensfase door te brengen als dat thuis niet mogelijk of niet wenselijk is.”
Hospice-Elim wil deze missie vervullen door in een aangepaste huisvesting een laagdrempelige bijna-thuissituatie aan te bieden. Praktisch zal dit vorm worden gegeven door een team van professionals zoals huisartsen, thuiszorgmedewerkers en geschoolde vrijwilligers, die, zo nodig, 24 uur per dag aanwezig zijn voor de gasten die er verblijven. Uitgangspunt van de zorg is dat de wensen van de gast centraal staan.
Om dit alles mogelijk te maken zal er betaald coördinatorswerk gedaan moeten worden. De benodigde professionele ondersteuning in de zorg en mogelijk op verschillende facilitaire deelgebieden kan betrokken worden vanuit zorg- en verpleeghuis Beth-San wat eveneens gesitueerd is in Moerkapelle. Daarnaast wordt onderzocht of andere zorgorganisaties, al dan niet gefinancierd vanuit zorgverzekering en/of WMO, zorg kunnen leveren in het hospice. De huisartsenzorg vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de huisartsenpraktijk Moerkapelle.
Doelstellingen
De eerste jaren zal het hospice, om een duidelijke eigen plek te krijgen in de regio, voldoende bekend moeten worden en blijven bij potentiële gasten en hun verwijzers en laten zien dat het hospice in een duidelijke behoefte voorziet om het bestaan van het hospice te kunnen rechtvaardigen. Daarbij zal nooit uit het oog worden verloren dat de kwaliteit van leven van de gasten in de palliatieve terminale fase met hun naasten, centraal staat.
Om dit te realiseren zal er ook actief aandacht besteed worden aan additionele financieringsbronnen. Een speciale vriendenstichting van het hospice is daarbij onontbeerlijk.
De stichting wil dit hospice vestigen in de plaats Moerkapelle, maar dan wel voor alle inwoners van de gemeenten Zuidplas, Zoetermeer, Waddinxveen, Gouda en deels uit Alphen a/d Rijn. Daarnaast mag verwacht worden dat de identiteit van Hospice-Elim te Moerkapelle ook gasten aantrekt van buiten deze regio.
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende Regels vergezeld van een Toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plan(gebied) opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven.
De toelichting bestaat uit 6 hoofdstukken. De voor het plan relevante beleidsuitspraken van Rijk, provincie en regio en het eigen gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 2 beschreven.
Hoofdstuk 3 behandelt de relevante omgevingsaspecten en wordt ingegaan op de verschillende milieu-aspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspecten plaats.
In hoofdstuk 4 worden de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 6 de te doorlopen procedures. Een toelichting op de juridische systematiek en een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 5.
Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het rijksbeleid (SVIR en Barro) worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.
Rijksladder
Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
De provincies kunnen nadere invulling geven aan de toepassing van de Ladder. Provincies hebben hun ruimtelijk beleid en hun instrumentarium afgelopen jaren aangepast aan de Ladder. Iedere provincie maakt daar keuzes in, afhankelijk van de provinciale visie en de specifieke provinciale belangen.
In paragraaf 2.2 wordt onder 'Visie Ruimte en Mobiliteit' een ladderonderbouwing gegeven.
Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van de Provincie Zuid-Holland de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Programma Ruimte, het Programma Mobiliteit en de Verordening Ruimte vastgesteld. Het beleid is op 1 augustus 2014 in werking getreden. In 2016, 2017 en 2018 zijn actualisaties vastgesteld.
Deze tijd vraag om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen, onder andere omdat ontwikkelingen minder voorspelbaar zijn en demografische ontwikkelingen in de diverse regio's verschillen. Maatwerk, flexibiliteit, aanpassingsvermogen en samenwerking zijn sleutelbegrippen in de Visie Ruimte en Mobiliteit.
De ruimte voor ontwikkeling van bovenregionaal belang in de Zuidplaspolder is indicatief aangeduid in het beleidsbeeld 'ruimtelijke hoofdstructuur' van de Visie Ruimte en Mobiliteit. Afspraken over aard en omvang van die ontwikkeling zijn opgenomen in het Programma Ruimte: het betreft 7.000 woningen tot 2030 in dorpse en landelijke woonmilieus. Het gaat om een indicatie, niet om een streefaantal of ambitie. De meeste woonmilieus kunnen naar verwachting in voldoende mate binnen het bestaande stads- en dorpsgebied worden opgevangen. Volgens de huidige inzichten is er onvoldoende ruimte elders in de Zuidvleugel om de vraag naar dorpse en landelijke woonmilieus te kunnen accomoderen. Nieuwe dorpse woonmilieus worden in eerste instantie ontwikkeld in aansluiting op de bestaande kernen van Moerkapelle en Zevenhuizen. De voorgenomen ontwikkeling sluit hierop aan door tegen de bestaande kern van Moerkappele te bouwen.
Visie Ruimte en Mobiliteit
De provincie Zuid-Holland heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de “Visie Ruimte en Mobiliteit”. Aan de voorgenoemde visie is een programma Ruimte en een programma Mobiliteit gekoppeld, waarin beschreven wordt welke instrumenten de provincie inzet om de doelen en ambities uit de Visie Ruimte en Mobiliteit te realiseren. De regels die voortkomen uit de visie en de beide programma's, zijn vastgelegd in de Verordening Ruimte. Deze regels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen.
De provincie benoemt vier rode draden (beter benutten wat er is, vergroten agglomeratiekracht, verbeteren ruimtelijke kwaliteit en bevorderen van de transitie naar water- en energie-efficiënte samenleving). Deze zijn uitgewerkt in regelgeving, onder meer door het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De ontwikkeling van het hospice is aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van art. 1.1.1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit is af te leiden uit de "Handreiking Ladder" van Infomil. Uit de daarin genoemde jurisprudentie volgt dat een zorgcomplex als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Bij nieuw ruimtebeslag door een gebouw is in beginsel de ondergrens 500 m2, zo volgt eveneens uit jurisprudentie. Indien het bouwvlak volledig wordt bebouwd, dan is het gebouw groter dan 500 m2.
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de bebouwde ruimte van Moerkapelle (zie afbeelding 2.1), maar ligt net buiten het bestaand stads- en dorpsgebied in de zin van de Verordening Ruimte. De vraag is of het hospice niet binnen dit gebied kan worden gerealiseerd. Hiervoor is het beleidsdocument "Wonen in de dorpen van de gemeente Zuidplas" (24 oktober 2011) van belang. Zoals uit paragraaf 1.3.2 volgt wil het hospice een laagdrempelige bijna-thuissituatie aanbieden. In het beleidsdocument staat dat volgens de Economische Visie van de gemeente het niveau van het aantal gezondheids- en welzijnszorginstellingen per 1.000 inwoners in de gemeente Zuidplas onder het gemiddelde van Oost-Zuid-Holland en Nederland ligt: 2,7 ten opzichte van respectievelijk 2,9 en 3. Ook volgt uit genoemd beleidsdocument dat zich in Moerkapelle nog geen hospice bevindt. Na onderzoek blijkt zich in de gemeente Zuidplas slechts één hospice te bevinden, in Nieuwerkerk aan de IJssel. Moerkapelle is zodoende geschikt voor de vestiging van het hospice, om in ieder geval de rest van de gemeente deze zorg aan te kunnen bieden (de wens is echter om gasten uit de regio en daarbuiten aan te trekken, zie paragraaf 1.3.2). Het plangebied betreft een kleine kavel in de oksel van twee bestaande wegen, die wordt toegevoegd aan het bebouwd gebied van Moerkapelle en er direct op aansluit. Het is daarom te verantwoorden dat het hospice buiten het bestaand stads- en dorpsgebied wordt gebouwd. Overigens treedt door het hospice slechts een kleine verkeersgeneratie op (zie paragraaf 3.12.2).
In aanvulling op het bovenstaande wordt het volgende opgemerkt. Door demografische veranderingen in de opbouw en samenstelling van gezinnen, vergrijzing, verder individualisering/eenzaamheid en als gevolg daarvan afnemende sociale contacten, bestaat er in de komende jaren een sterk toenemende behoefte aan het organiseren van laagdrempelige ondersteuning in de laatste levensfase om tot een respectvol en waardig levenseinde te komen. Dit wordt bereikt door het realiseren van een hospice met de visie, missie en doelstellingen zoals beschreven in paragraaf 1.1.
De conclusie is dat vanuit ruimtelijk en sociaal oogpunt gezien de ontwikkeling van het hospice te rechtvaardigen is. Zodoende wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Afbeelding 2.1: uitsnede bebouwd gebied
In 2006 is het Intergemeentelijke Structuurplan (ISP) voor de Zuidplaspolder vastgesteld. Het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (ISP) is een gemeenschappelijk plan van de vijf betrokken grondgebiedgemeenten (Zevenhuizen-Moerkapelle, Moordrecht, Waddinxveen, Nieuwerkerk aan den IJssel en Gouda), in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het plangebied ISP bestaat globaal uit de Zuidplaspolder, de bovenlanden langs de Hollandsche IJssel; de Eendragtspolder, de Tweemanspolder, Polder de Wilde Veenen en een zone ten westen van Waddinxveen. De grootschalige (her)ontwikkeling in het gebied, zoals omschreven in het ISP, wordt in dit bestemmingsplan niet gefaciliteerd. De geplande (her)ontwikelling van de Zuidplaspolder is door de crisis in 2008 en de vernietiging van de bestemmingsplannen "Zuidplas-West (Nieuwerkerk aan den IJssel)" en "Zuidplas-West (Zevenhuizen-Moerkapelle)" getemporiseerd. Grootschalige ontwikkelingen zijn thans niet aan orde. Er is nog wel ruimte voor kleinschalige ontwikkelingen aan de linten.
De voorliggende ontwikkeling staat los van het ISP en voorziet in de realisatie van een hospice. De voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard, waardoor deze eenvoudig kan worden ingepast bij een eventuele toekomstige (grootschalige) ontwikkeling van het gebied. Een dergelijke grootschalige transformatie is thans niet aan de orde. Gelet hierop vormt de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor de gewenste grootschalige ontwikkelingen in de Zuidplaspolder.
Afbeelding 2.2: ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van het Intergemeentelijk structuurplan.
De Structuurvisie Zuidplas 2030 is een kader voor de gebieds- en ruimtelijke opgaven die Zuidplas in de komende decennia wil realiseren. De gemeente Zuidplas wil een gemeente zijn van springlevende dorpen en buurtschappen, waar volop ruimte is voor bedrijvigheid en daarnaast met aantrekkelijke recreatiemogelijkheden in een groene omgeving. Dit alles met een goede bereikbaarheid en oog voor milieu en duurzaamheid.
Consequentie plangebied
In de structuurvisie is het plangebied aangeduid als 'Agrarisch landschap', langs het 'Ringvaartpark'. De gemeente Zuidplas staat tot 2030 en daarna voor grote en uitdagende ontwikkelopgaven. Er wordt gebouwd voor de eigen inwoners en nieuwe inwoners, die veelal in de omliggende steden zullen werken. Het bouwen gebeurt primair binnen en aan de bestaande dorpen, maar op termijn ook grootschalig in het middengebied van de Zuidplaspolder. Gezien de dorpse identiteit is een (sub)urbane benadering van deze verstedelijkingsopgave in het hart van de gemeente niet gepast. Daarom ontwikkelt Zuidplas op termijn een vijfde dorp in het middengebied van de Zuidplaspolder.
In de structuurvisie is direct naast het nu voorliggende plangebied de woonwijk 'Moerkapelle-Oost' gepland (zie afbeelding 2.3, aangeduid als '2'). Het bouwen van een hospice kan goed ingepast worden op deze woonlocatie aan de rand van een bestaand dorp, waardoor er geen strijd is met de structuurvisie.
Afbeelding 2.3.: uitsnede kaartbeeld structuurvisie Zuidplas 2030 (het plangebied is rood omcirkeld)
In de gemeentelijke Welstandsnota (4 juni 2015) zijn meer gebieden dan voorheen welstandsvrij gemaakt. Alleen kwetsbare gebieden zijn niet welstandsvrij. Het voorliggende plangebied is geheel aangeduid als 'welstandsniveau zwaar' (zie afbeelding 2.4.; paarse arcering). De ruimtelijke hoofdstructuur met belangrijke structuurdragers blijven opgenomen in het regime zware sturing. Het omvat onder andere de ringvaart met aangrenzende, kwetsbare gebieden van de open polders van het Groene Hart. Het plangebied valt hieronder.
Door de gemeenteraad is in het verlengde van het oorspronkelijke ‘Handboek Kwaliteit Zuidplaspolder’ een specifiek beeldkwaliteitplan voor de lanen en linten vastgesteld, ‘Beeldkwaliteitplan Linten en kwaliteitzone Ringvaart’, met daarbij een specifieke regeling voor daaruit voortvloeiende afdrachten.
In de welstandsnota zijn de lanen en linten welstandsvrij verklaard. Dit laat zich des te meer gelden nu in een aantal gevallen hoge ambities op het gebied van openbare ruimte niet meer planmatig kunnen worden ingevuld. Bovendien is er binnen de lanen en linten sprake van een zodanig palet aan ontwikkelmogelijkheden dat er geen noodzaak is om onevenredig hoge eisen te stellen.
In de 'Welstandsnota Zuidplas 2015' wordt voorgesteld om het vastgestelde beeldkwaliteitplan, ‘Beeldkwaliteitplan Linten en kwaliteitzone Ringvaart’, ook te beschouwen als een ambitiedocument op basis waarvan initiatiefnemers kunnen worden gefaciliteerd bij de vormgeving van hun ontwikkelplannen. De verordening waarin de afdrachten hiervoor zijn vastgelegd biedt voldoende flexibiliteit om hierbij op basis van maatwerk afdrachten te kunnen vaststellen.
Afbeelding 2.4.: uitsnede kaart welstandsnota (het plangebied is geel omcirkeld)
Bij het ontwikkelen van de voorgenomen plan zal rekening worden gehouden met het vastgestelde ‘Beeldkwaliteitplan Linten en kwaliteitzone Ringvaart’.
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Erfgoedwet (2016) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De wet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij een omgevingsvergunning rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving.
De gemeente Zuidplas heeft per 23 november 2010 vastgesteld beleid. Aan de hand van de hiervan onderdeel uitmakende archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Een onderzoekverplichting geldt voor gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Bij de evaluatie van de beleidsadvieskaart is op 23 juli 2013 besloten dat er geen onderzoekverplichting meer geldt voor gebieden met een lage archeologische verwachting.
Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter'
In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.
In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.
Het plangebied ligt in een gebied waar volgens de beleidsadvieskaart de archeologische verwachting laag is. Een nader archeologisch onderzoek is niet nodig. Een archeologische dubbelbestemming wordt niet in het plan opgenomen.
Op de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland zijn in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aangeduid. In het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig, dus er is geen sprake van een verstoring.
De historisch landschappelijke lijnen hebben een 'redelijk hoge waarde'. De historisch landschappelijke lijnen veranderen als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen in dit plangebied niet. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Omdat nader archeologisch onderzoek niet nodig is en er geen archeologische dubbelbestemming in het plan wordt opgenomen zijn er geen beperkingen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar.
Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.
De te beoordelen situaties zijn in te delen in drie groepen met bijbehorende aanpak, te weten:
• Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven.
• Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies.
• Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen.
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan is bepaald welke bedrijfscategorieën zich in (de omgeving van) het plangebied kunnen vestigen. Vervolgens is bepaald of de planologische mogelijkheden conflicteren met de beoogde ontwikkeling. Daar waar dit het geval is, is de specifieke en feitelijke situatie verder bekeken.
Daarnaast is met behulp van het inrichtingenbestand van de Omgevingsdienst geïnventariseerd of er bedrijven in en om het plangebied zijn gevestigd die mogelijk een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Voor deze bedrijven zijn de milieuzones bepaald op basis van Bedrijven en Milieuzonering.
De planlocatie ligt aan de Julianaweg, die de grens markeert tussen enerzijds woongebied en open weidelandschap (ten noorden) en anderzijds glastuinbouwgebied (ten zuiden). Een glastuinbouwbedrijf ligt op korte afstand van het plangebied. Het betreft Double Check Lily, dat zijn hoofdingang heeft aan de Van Hasseltweg 9. Aan zijde van de Julianaweg heeft het bedrijf een in- en uitgang die zal worden gebruikt voor de afvoer van gewassen. Omdat er aan de Julianaweg al bestaande woningen zijn (Julianaweg 96 en 98), die tussen het bedrijf en het plangebied liggen, zal er ter plaatse van het plangebied geen sprake zijn van (geluids-) hinder door het glastuinbouwbedrijf. Het betreffende bedrijf zal ook niet belemmerd worden in zijn bedrijfsvoering vanwege de realisatie van het hospice.
Voor het overige zijn er geen bedrijven in de omgeving gelegen die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling.
Het plan kan voor wat betreft het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' worden vastgesteld.
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):
• Niet saneren
Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden.
• Saneren
Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet. Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas in werking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo).
Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.
Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Zuidplas beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldgrond.nl).
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (Antea, kenmerk 417516, d.d. 14 juni 2017), opgenomen in bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen uit de NEN 5725.
Uit het historisch onderzoek is gebleken dat er op de locatie geen bronnen aanwezig zijn (geweest) die verontreiniging van de bodem hebben kunnen veroorzaken. Bij de Omgevingsdienst Midden-Holland zijn niet meer gegevens bekend dan dat er in de rapportage vermeld staan. De locatie wordt terecht als onverdacht aangemerkt.
De locatie wordt als voldoende onderzocht beschouwd en geschikt geacht voor de toekomstige bestemmingswijziging en nieuwbouwplannen.
Uit het onderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied geschikt is voor de beoogde bestemming. Voor wat betreft het aspect 'Bodem' kan het plan worden vastgesteld.
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.
Plaatsgebonden risico (PR)
Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron).
Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
Groepsrisico (GR)
Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedgebied. Binnen dit invloedgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.
De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord.
Als binnen het invloedgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
Bij dit onderzoek is de 'Visie Externe Veiligheid' van de gemeente Zuidplas betrokken, welke in de raadsvergadering van 19 april 2011 is vastgesteld.
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van (invloedsgebieden van) risicobronnen. Het plan kan voor wat betreft het aspect 'Externe Veiligheid' worden vastgesteld.
Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Het Bouwbesluit vormt het minimaal te realiseren kwaliteitsniveau in Nederland. In dit besluit is voor nieuwbouw van woningen de Energie Prestatie Normering (EPN) opgenomen. De EPN houdt in dat eisen worden gesteld aan het maximale energieverbruik van het gebouw. Dit is vastgelegd in een getal: de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Sinds 1995 is het verplicht een EPC - berekening in te dienen in het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Voor alle nieuw te realiseren bouwwerken zullen zodoende EPC - berekeningen moeten worden uitgevoerd, op welke wijze de aspecten 'energie' en 'duurzaamheid' bij het bouwen betrokken worden. De EPC voor woningen is per 1 januari 2011 aangescherpt naar 0,6. Per 1 januari 2015 is dit aangescherpt naar 0,4 en in 2020 moeten woningen energieneutraal zijn (EPC 0).
Ter bescherming van natuur en daaraan gekoppelde waarden, gelden landelijke wetten en beleidsplannen: de Wet natuurbescherming (Wnb), de Wro en de Ecologische Hoofdstructuur (nu hernoemd als Natuurnetwerk Nederland). Daarnaast geldt provinciaal beleid, te weten: Provinciale visie Ruimte en Mobiliteit Zuid-Holland (VRM) en Provinciaal Compensatiebeginsel 2013.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en één veldbezoek) te worden vastgesteld of:
Indien deze typen effecten niet optreden wordt de ruimtelijke ontwikkeling conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht. Indien deze effecten wel optreden gelden verschillende werkwijzen om deze effecten te voorkomen of te beheersen.
Er is een quickscan ecologie uitgevoerd op 27 juni 2017, met kenmerk 2017276374. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies van dit onderzoek. De volledige quickscan is in bijlage 2 opgenomen.
Maatregelen
Voor de toekomstige nieuwbouwactiviteiten op de locatie van de huidige paardenwei en de openbare ruimte in de omgeving zijn met de juiste maatregelen een aantal overtredingen te voorkomen. Bij de werkzaamheden dient op de volgende manier rekening gehouden te worden met in de Wet natuurbescherming (en per 2021 de Omgevingswet) beschermde soorten:
Gebiedsbescherming
Maatregelen betreffende beschermde natuurgebieden zijn niet nodig. Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden en veroorzaakt geen externe effecten op beschermde natuurgebieden.
Soortenbescherming
De platte schijfhoren kan voor de aanwezige sloot niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soort is nog nodig om vast te kunnen stellen of de ontheffingsplicht voor het deels dempen van de sloot nodig is. Er wordt nader onderzoek verricht naar de Platte Schijfhoren. Zodra dit onderzoek is afgerond, wordt het verwerkt in het het vast te stellen plan en als bijlage toegevoegd.
De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat er akoestisch onderzoek verricht dient te worden gedurende de bestemmingsplan-procedure, indien het bestemmingsplan het volgende mogelijk maakt:
De Wgh geeft aan dat wegen, met een rijsnelheid van 50 km/uur of hoger, wettelijke onderzoekszones heeft. Indien er binnen deze zones een nieuwe geluidgevoelige functie juridisch-planologisch wordt mogelijk gemaakt, dient er een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Als uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevel van een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt overschreden, zal er een hogere grenswaarde vastgesteld moeten gaan worden (uitgaande dat er geen maatregelen te treffen zijn, waardoor de gevelbelasting wel aan de voorkeursgrenswaarde voldoet). Dit is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Het ontwerpbesluit van de hogere grenswaarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden.
Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling is door de ODMH een Akoestisch onderzoek opgesteld (kenmerk: 2018180455, d.d. 13 juli 2018), opgenomen in bijlage 3. Uit dit onderzoek volgt dat de Julianastraat en de Middelweg akoestisch relevant zijn. Als gevolg van de Julianastraat en de Middelweg wordt ter plaatse van het zorgcomplex de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Maatregelen ter reductie van de geluidsniveaus stuiten op bezwaren van financiële aard. Ten behoeve van het zorgcomplex dienen hogere waarden vastgesteld te worden van 56 dB, 52 dB en 51 dB.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt verder dat er geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh en dat het woon- en leefklimaat binnen het plangebied varieert van tamelijk slecht tot redelijk.
Spoorweglawaai en Industrielawaai zijn voor dit plan niet relevant.
Het plan kan voor wat betreft het aspect 'Geluid' worden vastgesteld. Het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden – opgenomen als Bijlage 4 bij deze toelichting – wordt gelijktijdig met het ontwerpwijzigingsplan ter inzage gelegd.
Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.
Consequentie voor het plangebied
Aan de oostzijde van het plangebied is een CO2-leiding gesitueerd. Deze is aangeduid op de verbeelding. In het plangebied zijn verder geen planologisch relevante leidingen of andere belemmeringen aanwezig die bescherming behoeven, of die de planuitvoering in de weg staan.
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2I van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) bevatten grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel.
| stof | jaargemiddelde | uurgemiddelde | 24-uursgemiddelde | Opmerkingen |
| NO2 | 40 µg/m3 | 200 µg/m3 | n.v.t. | Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden |
| PM10 | 40 µg/m3 | n.v.t. | 50 µg/m3 | 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden |
Tabel 3.1: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien het project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarde, de luchtkwaliteit verbetert of gelijk blijft, een project Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdraagt of het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).
Regeling NIBM
De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere woningbouw van = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is.
Tevens is in het Besluit NIBM, art.5 een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan.
Op basis van de monitoringstool van de NSL kunnen ter plaatse de berekende concentraties voor fijn stof en NO2 worden weergegeven (zie afbeeldingen 3.1. en 3.2.). Hieruit blijkt dat de concentraties niet boven de 35 µg/m3 uitkomen.
Afbeelding 3.1.: berekende concentraties NO2
Afbeelding 3.2.: berekende concentraties PM10
Dit plan maakt slechts een kleinschalige maatschappelijke functie mogelijk, en draagt daarom “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de concentraties relevante stoffen in de lucht.
Het aspect 'Luchtkwaliteit' staat vaststelling van dit plan niet in de weg.
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn de procedurele verplichtingen en de m.e.r.-plicht voor plannen met effecten op Natura 2000-gebieden opgenomen. In Besluit m.e.r. (onderdelen C en D van de bijlage) zijn activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Dit plan maakt geen activiteiten mogelijk die zijn opgenomen in onderdeel C en D van de Bijlage van het Besluit m.e.r.. Een verdere toetsing in dit kader in niet nodig.
Het Besluit m.e.r. staat vaststelling van dit plan niet in de weg.
Mobiliteitsvisie Zuidplas
In 2012 heeft de raad van Zuidplas de gemeentelijke structuurvisie vastgesteld. Hierin staan de ruimtelijke ambities tot 2030 van Zuidplas beschreven. De ambities op het gebied van verkeer en infrastructuur zijn hierin vrij algemeen opgenomen. Daarom heeft het college van B&W besloten een mobiliteitsvisie te maken. Hierin krijgen alle wensen van de gemeente op het terrein van verkeer en vervoer een plaats.
Verkeerscirculatieplan voor Moerkapelle, Zuidplas
Met een zeer uitgebreid burgerparticipatietraject is een Verkeerscirculatieplan (VCP) opgesteld voor Moerkapelle. Het college van B&W heeft begin mei 2015 ingestemd met het plan en een aantal concrete maatregelen.
Parapluherziening parkeren
Het doel van de parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect 'parkeren' in Zuidplas. De paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde parkeerbeleid. Het doel van deze nota is dan ook om ervoor te zorgen dat voldoende parkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, et cetera) worden gerealiseerd. Centraal staat dat de veroorzaker van de parkeervraag verantwoordelijk is voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Bij het bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen voor het parkeren of stallen van auto's, dient met de in deze beleidsregel opgenomen normen rekening te worden gehouden. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de op 29 september 2013 vastgestelde 'Beleidsnota Parkeernormen'.
Beleidsnota Parkeernormen
De gemeente Zuidplas wil de toenemende vraag naar parkeergelegenheid op zodanige wijze faciliteren dat de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft en de bereikbaarheid van de dorpen kan worden gewaarborgd. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het van groot belang dat er een oplossing wordt gecreëerd voor het parkeervraagstuk. Parkeernormen zijn instrumenteel in het behouden van evenwicht tussen vraag en aanbod van parkeerplaatsen.
De Nota parkeernormen bevat een procedure voor de toetsing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling en de vaststelling van een parkeereis. Belangrijk bij de vaststelling van de parkeereis is dat rekening wordt gehouden met de omstandigheden in de omgeving.
Verkeer
Ten aanzien van het verkeer wordt alleen de hoek van de Middelweg iets veranderd om de veiligheid van fietsers te verbeteren. De structuur wordt met de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast. Uit de CROW verkeersgeneratiecijfers blijkt een verkeersgeneratie van maximaal 0,7 (verkeersbewegingen per etmaal) per wooneenheid (categorie matig stedelijk/rest bebouwde kom) per wooneenheid inclusief bezoek. Hierdoor treedt een kleine verkeersgeneratie op die geen effect heeft op de nabijgelegen wegen.
Parkeren
De Beleidsnota Parkeren hanteert voor een verpleeg- en verzorgingshuis minimaal 0,5 en maximaal 0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid. Er worden 4 zorgwoningen in het plangebied gerealiseerd. Dit betekent dat er 3 parkeerplaatsen nodig zijn. Wel dient er rekening gehouden te worden met bezoekers. Met de realisatie van het hospice worden er circa 9 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 7 voor het hospice en 2 voor omwonenden. Dit biedt ruim voldoende parkeergelegenheid.
Tabel 3.2: parkeernorm verpleeg- en verzorgingstehuis
Het aspect 'Verkeer en parkeren' levert geen belemmering op voor het onderhavige plan.
Het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen hebben in februari 2001 de startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw ondertekend. Deze startovereenkomst is in 2003 omgezet in het Nationaal Bestuursakkoord Water dat in juni 2008 is geactualiseerd. Hiermee hebben deze partijen elkaar gecommitteerd om een watertoets toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorts bepaald dat waterbeheerders dienen te worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen. De watertoets is een instrument om bij alle ruimtelijke plannen en besluiten waarin waterhuishoudkundige aspecten voorkomen te toetsen of in voldoende mate rekening wordt gehouden met die aspecten. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor de waterkwantiteit (ruimte voor water, berging, infiltratie, aan- en afvoer), aandacht voor effecten op de waterkwaliteit en aandacht voor de veiligheid (overstroming).
Ontwikkeling
In het plangebied wordt de realisatie van een hospice mogelijk gemaakt. Het te ontwikkelen gedeelte van het plangebied is in de huidige situatie vrijwel geheel onverhard. Alleen de Middelweg is verhard. In het zuidelijk deel van het plangebied ligt een watergang.
Watersysteem
Het plangebied is gelegen in het noorden van de Zuidplaspolder welke is onderverdeeld in circa 25 peilgebieden. Zoals blijkt uit afbeelding 3.3. is het voorliggende plangebied gelegen binnen peilgebied GPG-823 met een vaste peil van -5,02 m NAP.
Afbeelding 3.3: overzicht peilgebieden
De peilgebieden wateren via natuurlijk verval of door kleine gemalen af op de hoofdwatergangen. Het polderwater wordt door het gemaal Zuidplas én het gemaal Abraham Kroes in de ringvaart gepompt.
Veiligheid
De waterkering Honderdmorgensedijk bevindt zich aan de rand van het plangebied. Dit is echter een secundaire waterkering en heeft geen beschermingszone. Deze dijk scheidt de Zuidplaspolder en De Wilde Veenen.
Afbeelding 3.4.: uitsnede legger HHSK
Wateroverlast oppervlaktewater
Door het bouwen van het hospice en het aanleggen van de weg met parkeerplaatsen zal het verhard oppervlak toenemen met 741 m2. De netto verharding bedraagt 741 m2 – 500 m2 = 241 m2. Door de toename van verhard oppervlak, zal neerslag geheel en versneld worden geloosd op het oppervlaktewater. Ten gevolge van deze lozing wordt de bergingscapaciteit van de polder eerder bereikt. Dit nadelige effect kan worden opgeheven door het creëren van aanvullende waterberging. Hiervoor moet 24 m2 aanvullende oppervlaktewater worden gegraven, overeenkomende met 10% van de toename verhard oppervlak.
Bij het waterschap is een watervergunning aangevraagd en verleend voor het aanbrengen van het verhard oppervlak, het verbreden van een hoofdwatergang en het aanbrengen en hebben van een dam met duiker in de hoofdwatergang. Hierbij mag maximaal 52 m2 aan oppervlaktewater worden gedempt en mag het verhard oppervlakte binnen het plangebied niet meer bedragen dan 741 m2. De hoofdwatergang wordt met 80 m2 verbreed.
Grondwater en kwel
Door de relatief lage ligging ten opzichte van omringende polders, alsmede het goed doorlatende Pleistocene zandpakket en de relatief goed doorlatende venige deklaag, is in de gehele Zuidplaspolder sprake van kwel. In grote delen van de Zuidplaspolder is de opwaartse kwelstroom meer dan 0,5 mm per dag. In de gehele polder is sprake van verhoogde chloride-concentraties, een aanwijzing voor brakke kwel. Als gevolg van het verschil in stijghoogten (verschil tussen diepe en ondiepe grondwaterstanden) kunnen waterbodems omhoog worden gedrukt. Het opbarsten van veenbodems, als gevolg van deze opwaartse kweldruk, vormt met name in het zuidelijk deel van de Zuidplaspolder een risico voor de stabiliteit van de bodem.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Exploitatieplan
Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop aangewezen bouwplannen zijn voorgenomen. In afwijking van het eerste lid kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien:
a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is;
b. het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en
c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is.
Met betrekking tot de realisatie van de hopice is tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
Omwonende hebben de wens het 'hoekje' op de Middelweg en Julianastraat veiliger voor fietsers te maken1 . Met de voorgenomen ontwikkeling zal dit dan ook gerealiseerd gaan worden. Tevens heeft overleg met omwonenden - die niet onverdeeld blij zijn met de komst van het hospice - er toe geleid dat het pand wat is gedraaid ten opzichte van het eerdere plan.
In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen. Daarmee wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Om te voorkomen dat onduidelijkheden ontstaan bij het interpreteren van de regels uit dit bestemmingsplan (wat eventueel tot handhavingssituaties zou kunnen leiden), zijn de gronden bij het opstellen van dit bestemmingsplan vrij gedetailleerd bestemd. Binnen de bestemmingen is weinig flexibiliteit, veel rechtszekerheid en daarmee weinig kans op interpretatieverschillen. Ook zijn de verbeelding, de regels en de toelichting zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat de verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast.
Verbeelding
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is deze uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan.
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting
De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
Het plan is opgesteld op basis van de digitaliserings- en standaardiseringsvereisten, versie 2012 (IMRO en SVBP 2012, inclusief de wijzigingen van december 2013). De regels zijn inhoudelijk overgenomen uit de omliggende plannen. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In dit hoofdstuk komen de volgende artikelen voor:
Maatschappelijk
Op de locatie van het nieuwe hospice is de bestemming 'Maatschappelijk' opgenomen. Tevens is hier een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwd mag worden, evenals een gevellijn en een aanduiding ten behoeve van de parkeergelegenheid. Binnen deze bestemming is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, teneinde een woonfunctie onder voorwaarden mogelijk te maken.
Verkeer
Het te verleggen deel van de Middelweg is binnen het bestemmingsplan opgenomen met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer 3', conform het bovenliggende vigerende bestemmingsplan "Zuidplas Noord" (10 augustus 2011 onherroepelijk). De overige delen van het plangebied met een verkeersfunctie zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied', conform het vigerende bestemmingsplan "Moerkapelle Dorp" (3 november 2011 vastgesteld). De Middelweg, in het verlengde van de Oranjestraat, heeft in laatstgenoemd bestemmingsplan de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'.
Water
Aan de zuidelijke rand van het plangebied is een watergang aanwezig. Deze is voorzien van de bestemming 'Water'.
Leiding - CO2
Aan de oostzijde van het plangebied is een CO2-leiding gesitueerd. Deze bestemming is opgenomen om onderhoudswerkzaamheden aan deze leiding mogelijk te maken. Vanuit externe veiligheid is er geen noodzaak om deze bestemming op te nemen.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Het gaat om de volgende artikelen.
Anti-dubbeltelregel
In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.
Algemene bouwregels
In dit artikel is de regeling van de het eerder genoemde bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren" (vastgesteld: 24 april 2018) opgenomen. Verder zijn aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Er is een regeling opgenomen over toegestane overschrijding van aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen door onderschikte bouwdelen. Ook is een regeling opgenomen over het toelaten van bouwwerken met afwijkende maten.
Algemene afwijkingsregels
In de algemene afwijkingsregels staan enkele algemene afwijkingsmogelijkheden, zoals het afwijken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages met ten hoogste 10%.
Algemene wijzigingsregels
In de algemene wijzigingsregels zijn twee algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen. De plaats, richting en/of afmetingen van de bestemmingsgrenzen kunnen met maximaal 3 meter worden gewijzigd. Ook is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen, toevoegen en/of schrappen van aanduidingen.
Overige regels
Dit artikel legt vast dat met de wettelijke regelingen waarnaar in het plan wordt verwezen, wordt bedoeld: de wettelijke regelingen zoals deze gelden op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Tevens is een algemene regeling opgenomen voor ondergrondse werken.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een ondergrond gebruikt uit de Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN). Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een procedure van een bestemmingsplan, waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Deze vooraankondiging is op (1 augustus 2018) gepubliceerd in Hart van Holland.
Conform artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de wettelijke overlegpartners. In dat kader is hen het (voor)ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden. De ontvangen overlegreacties zijn betrokken bij de verdere procedure (zie paragraaf 6.2).
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening is inspraak mogelijk, dit is echter niet verplicht. De gemeente kan op basis van haar gemeentelijke inspraakverordening beslissen het bestemmingsplan voor inspraak vrij te geven. Besloten is om in dit geval geen inspraakprocedure te voeren, eventuele reacties kunnen ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend in de vorm van zienswijzen.
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst alsmede in een huis-aan-huis-blad (i.c. Hart van Holland). Tevens dient de kennisgeving langs elektronische weg te geschieden.
Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd en tevens langs elektronische weg beschikbaar gesteld. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn 5 overlegreacties en 1 zienswijze ontvangen. Deze zijn beantwoord in Bijlage 5 Nota van beantwoording zienswijzen. De overlegreacties en de zienswijze geven geen aanleiding tot het aanpassing van het bestemmingsplan. Wel zijn er ambtshalve wijzigingen doorgevoerd.
Het bestemmingsplan zal binnen 12 weken na terinzagelegging door de gemeenteraad worden vastgesteld. Het vaststellingsbesluit en het bestemmingsplan worden vervolgens voor zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de ter inzagelegging kan beroep tegen het plan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit kan uitsluitend wanneer ook een zienswijze tegen het ontwerp is ingediend of tegen die onderdelen die de gemeenteraad gewijzigd heeft vastgesteld.