| Plan: | Swemmerloane 2a De Westereen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1891.BpWeSwemmerloane-VA01 |
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de herstructurering van een voormalige scheepswerf aan de Swemmerloane 2a in De Westereen. De scheepswerf heeft haar functie verloren omdat het terrein slecht is ontsloten en niet aan de Staande Mast Route is gelegen. De initiatiefnemer is voornemens het bedrijfsperceel aan te passen, om zodoende ruimte te maken voor twee nieuwe woningen. Daarnaast fungeerde de bestaande woning aan de Keapmanswei 23 als bedrijfswoning voor de scheepswerf. Omdat er geen sprake meer is van een scheepswerf met bijbehorende bedrijfswoning dient deze woning een reguliere woonbestemming te krijgen. Het gebruiken en bouwen van woningen is op grond van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om het planvoornemen te kunnen realiseren. Voorliggend plan voorziet hierin.
Het plangebied heeft betrekking op een bedrijfsperceel aan de Swemmerloane 2a en een bedrijfswoning aan de K. Onderstaand fragment geeft de ligging en omgrenzing van het plangebied weer.
Figuur 1: ligging en omgrenzing plangebied
Het plangebied is aan de noord en zuidzijde begrensd door woningen, aan de oostzijde door agrarische landerijen en aan de westzijde door de Nije Feart.
Het bestemmingsplan De Westereen-Kom (vastgesteld 2013-07-02) is van toepassing op het plangebied (zie figuur 2). Op grond van dit bestemmingsplan zijn de gronden van het plangebied bestemd als 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1'. De woning aan de Keapmanswei 23 heeft daarnaast de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Voor deze woning geldt eveneens een maatvoeringsaanduiding. Op grond van deze aanduiding mag de goothoogte maximaal 3,5 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 8,5 meter.
Figuur 2: uitsnede plankaart bestemmingsplan 'De Westereen-kom'
Voor de bedrijfsbebouwing geldt dat de dakhelling minimaal 20 graden moet bedragen. De maximum goothoogte bedraagt 5,5 meter. De maximum bouwhoogte bedraagt 8,5 meter. Het gebruik van de gronden ten behoeve van een woonfunctie is op basis van het huidige bestemmingsplan niet toegestaan.
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgedeeld in zes hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een planbeschrijving. Hoofdstuk drie geeft een beschrijving van het huidige beleid dat op het plangebied van toepassing is. In hoofdstuk vier wordt verslag gedaan van het onderzoek naar de randvoorwaarden en belemmeringen die vanuit verschillende planologische en milieukundige toetsingkaders gelden. Hoofdstuk vijf bestaat uit een juridische toelichting op het bestemmingsplan en hoofdstuk zes gaat in op zowel de maatschappelijke als de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Zoals eerder genoemd bestaat het plangebied uit een voormalige scheepswerf (figuur 3 en 5) en bijbehorende beheerderswoning (figuur 4). In de bestaande situatie wordt de bebouwing van de scheepswerf niet meer gebruikt. Grenzend aan het voormalige bedrijfsperceel zijn verschillende ligplaatsen voor boten aanwezig.
Figuur 3: overzicht plangebied vanaf de westelijke zijde van de Nije Feart
Figuur 4: vooraanzicht woning Keapmanswei 23
Figuur 5: toegang van het plangebied aan de Swemmerloane
Het bedrijfsperceel zal worden aangepast en opgeruimd voor een woonfunctie. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van twee vrijstaande woningen op het perceel Swemmerloane 2a. De woning aan de Keapmanswei 23 fungeerde als bedrijfswoning. De bedrijfsactiviteiten van de scheepswerf zijn tegenwoordig beëindigd. Aan deze woning wordt daarom een woonbestemming toegekend. Het perceel is in drieën opgesplitst. Een deel zal als erf fungeren bij de woning aan de Keapmanswei 23 en op de andere twee percelen wordt elk één woning met bijgebouwen gerealiseerd.
Deze paragraaf gaat in op de landschappelijk inpassing van de nieuw te bouwen woningen voor de initiatiefnemers. Als eerste wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de ruimere omgeving. Vervolgens wordt in het landschapstype beschreven en wordt ingegaan op de ontwikkelingsgeschiedenis van de plek. Op basis van deze analyse is een inrichtingsplan ontworpen.
Ontstaansgeschiedenis Noordelijke Wouden
Het plangebied ligt in de Noordelijke Wouden. Dit gebied maakt onderdeel uit van de noordwestelijke uitloper van het Drents Plateau. Dit plateau bestaat uit een basis van keileem, waarop tijdens de laatste ijstijd dekzand is afgezet. De zandgronden liggen vrijwel allemaal boven NAP. Het Drents Plateau watert of via een aantal beekdalen. De afwatering in de Noordelijke Wouden vindt voornamelijk in noordelijke richting plaats via De Swemmer en De Lauwers. Doordat de natuurlijke afwatering van het Drents Plateau stagneerde ten gevolge van de zeespiegelstijging na de ijstijden en verstopping van de waterlopen door dekzandverstuivingen, heeft op grote schaal veenvorming plaatsgevonden op de meer lage, natte plekken van het plateau en in de beekdalen. Op sommige plaatsen groeide dit door tot hoogveen. De beekdalen van Burgum, De Lauwers en de zijtak hiervan De Oude Ried en De Dokkumer Ie vormden de basis voor de vaak lange opstrekkende ontginningslijnen van het gebied (rond 1200 na Chr.).
Door het ontbreken van sloten op de hogere zandgronden vormden hier houtwallen de scheiding van de kavels. Voor lager gelegen gronden met watervoerende sloten, zoals in het plangebied, kwamen elzensingels langs de sloten tot ontwikkeling. Op deze wijze ontstond een zeer kleinschalig type houtwallen en elzensingellandschap met zeer hoge dichtheden aan kavelgrensbeplanting die nog steeds aanwezig zijn.
De lagere delen van de Noordelijke Wouden worden gekenmerkt door een grote mate van openheid, vrijwel zonder opgaande beplanting en vrij schaars bebouwt. Deze veenweidegebieden liggen beneden de 0 meter NAPlijn en zijn sterk contrasterend met het aangrenzende kleinschalige elzensingel- en houtwallenlandschap.
Figuur 6. Hoogtekaart (Bron: https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer). Het plangebied ligt op de overgang van lagere naar hoger gronden.
Op de wat hogere delen waar hoogveenvergraving heeft plaatsgevonden, zoals in de omgeving van het plangebied, heeft zich daarna een specifieke vorm van heideontginning ontwikkeld waar zeer kleinschalige perceeltjes en intensieve bebouwing een bijzonder landschapstype heeft gecreëerd. Door de ligging tussen Groningen en Leeuwarden en de goede ontsluiting via spoor en rijksweg is hier al vroeg sprake van een vorm van (plattelands)suburbanisatie wat een vrij hoge dichtheid van bewoning tot gevolg had.
Landschapstype - Heideontginning
Het plangebied behoort tot de Noordelijke Wouden en heeft als landschapstype 'Heideontginning Twijzelerheide-Zwaagwesteinde'. Heideontginningen kenmerken zich door blokvormige structuren en verkavelingen binnen een raamwerk van een opstrekkende verkaveling dat als gevolg van de eerdere vervening van het gebied is ontstaan. In de omgeving van het plangebied is het ooit sterk aanwezige opstrekkende verkavelingspatroon nog herkenbaar. De Nije Feart snijdt hier een beetje schuin doorheen. Als gevolg hiervan is langs het water een onregelmatige randverkaveling ontstaan.
Het grondgebruik bestaat naast erven en (paarden)weiden hoofdzakelijk uit grasland, veelal begrensd door elzensingels. Deze structuur is in het plangebied en het gebied oostelijk ervan nog goed ervaarbaar. De aanwezige elzensingels zijn kenmerkend voor het gebied.
Heidedorp
De Westereen is in de basis een heide(ontginnings)dorp. Heidedorpen zijn nederzettingen die ontstonden op de na de vervening overblijvende heide- en veenrestanten. Heidedorpen worden gekenmerkt door een verspreide bebouwing in blokvormige structuren. De Swemmerloane, De Lange Reed en de Dwarsread zijn voorbeelden van deze kenmerkende bebouwingsvorm. Door een toename van de bebouwing ontstond vooral op de hoger gelegen plekken aaneengesloten lintbebouwing zoals bijvoorbeeld aan de Keapmanswei en de Foarstrjitte het geval is.
Opvallend in de omgeving van het plangebied is dat er van oudsher een sterke relatie tussen de bebouwing en de verkavelingsstructuur was Oorspronkelijk lag de bebouwing vrijwel altijd evenwijdig aan, of haaks op de verkavelingsrichting. Dit is goed te zien aan de Keapmanswei waar de bebouwing niet de weg volgt, maar duidelijk in de verkavelingsrichting staat. De woningen aan een reed hebben hiermee ook vaak een sterke relatie. Veelal is de voorgevel van de woning op de reed gericht en ook hier volgt de bebouwing de richting van het landschap. Pas later werden woningen haaks op wegen of het water gericht. Aan de Nije Feart staat bijvoorbeeld een aantal nieuwere woning die zich onttrekken aan de structuur van het landschap en duidelijk op het water gericht zijn. Ook is de verkaveling in het plangebied deels haaks op het water (en daarmee onder een schuine hoek ten opzichte van de opstrekkende verkaveling. Het bebouwingsbeeld in De Westereen heeft hierdoor ene gelaagde opbouw en is zeer gedifferentieerd.
Ontwikkeling plangebied
Op de kaart van 1921 is de opstrekkende verkavelingsstructuur goed te zien. Ook is het contrast tussen de lintbebouwing en het onregelmatige patroon van erven in het landschap goed te zien. De Swemmerloane is nog niet aangelegd. De Nije Feart s nog een stuk smaller dan in de huidige situatie het geval is. Opvallend is dat de opstrekkende kavels doorlopen tot het water, waardoor op plekken smalle puntige kavels zijn ontstaan.
Figuur 7. Topografische kaart 1921 (Bron: Topotijdreis.nl)
Figuur 8. Topografische kaart 1971 (Bron: Topotijdreis.nl)
De kaart van 1971 laat de verbrede Nije Feart zien. Ook is te zien dat er planmatige uitbreidingen hebben plaatsgevonden. De structuur van het plangebied en de directe omgeving zijn in de basis nog gelijk aan het beeld van 1921. Wel is de Swemmerloane aangelegd en is hieraan vrijliggende bebouwing op blokvormige kavels ontstaan.
Figuur 9. Topografische kaart 2021 (Bron: Topotijdreis.nl)
De kaart van 2021 toont het huidige beeld. Opvallend is de forse toename van de woongebieden en de meer watergerichte verkaveling van een deel van de nieuwe woonuitbreidingen. Ook zijn er langs de Nije Feart woningen ontstaan die zich nadrukkelijk op het water oriënteren. Ten opzichte van 1971 is het plangebied en de directe omgeving ook meer verdicht geraakt. Het bebouwingspatroon wordt zoals eerder beschreven gekenmerkt door een kenmerkende gelaagdheid en differentiatie. De weiden ten oosten van het plangebied zijn echter nog mooi restanten van het oorspronkelijke landelijk gebied.
Landschappelijke inpassing
Op basis van voorgaande analyse is een inrichtingsplan ontworpen voor de inpassing van de twee woningen en de twee kavels (zie ook de separate bijlage). De Swemmerloane, de opstrekkende verkaveling en de Nije Feart (met randverkaveling) zijn de structuurbepalende elementen. De inpassing van de nieuwe woningen en de vorm van de kavels worden afgestemd op deze elementen. Voor beide woningen worden verschillende keuzen gemaakt voor de inpassing. Op deze manier ontstaat een gevarieerd bebouwingsbeeld dat past bij de gelaagde en gedifferentieerde opbouw van de omgeving. De omgeving is niet eenduidig en de invulling van het plangebied is dat ook niet.
De bouwrichting van de noordelijke woning is afgestemd op de ligging van de reed (en daarmee de richting van het landschap) door deze haaks op de reed te bouwen. De kavelvorm reageert zowel op de Nije Feart als de Swemmerloane. De zuidelijke woning wordt in lijn met de bestaande verkaveling gebouwd; de bestaande kavel wordt gehandhaafd.
Figuur 10. Inrichtingsplan (Bron: BügelHajema)
De nieuwe woningen krijgen in ieder geval een duidelijk adres aan de Swemmerloane. De nieuwe woningen zijn daarnaast ook gericht op de tuin en de Nije Feart. Passend bij de huidige tijd worden de bijgebouwen niet aan de waterzijde ingepast. Er is voor gekozen om deze voor de voorgevel woningen te bouwen vanaf de Swemmerloane gezien). Om te voorkomen dat de schuren teveel het beeld bepalen is het belangrijk dat de schuren en de woningen een duidelijk geheel vormen en meeontworpen zijn met de woning. De woning moet in ieder geval zichtbaar zijn vanaf de reed om daarmee de binding met de plek vorm te geven. Passend bij het landelijk gebied wordt gebouwd in hout en wordt 'schuurarchitectuur' nagestreefd (zie referentiebeelden).
De bestaande elzensingels worden gehandhaafd en versterkt en ook langs de Swemmerlaone wordt het groene beeld gehandhaafd. Tussen de twee percelen wordt een nieuwe elzensingel aangeplant. Langs de waterrand worden de bestaande bomen behouden en ten behoeve van het landelijke beeld wordt ook nieuw aanplant langs de waterrand gepleegd. Het sortiment beplanting is inheems en op de ondergrond passend. Het inrichtingsplan met legenda is als Bijlage 1 bijgevoegd.
Figuur 11. Referentiebeelden bebouwing (Bron: Principeverzoek Dorenbos Architekten)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voorliggen. Allerlei trends en ontwikkelingen van Nederland hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed.
Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.
De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 in werking treedt. De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win-situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor het bepalen van de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan, nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een motiveringseis die in de SVIR is geïntroduceerd. In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat bij ruimtelijke projecten voorzien moet worden in duurzame verstedelijking. In geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en wanneer deze plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Er is in de wetgeving geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. In een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking uiteengezet (overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking, gepubliceerd op 28 juni 2017).
Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de Ladder voor duurzame verstedelijking alleen geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit de overzichtsuitspraak wordt duidelijk dat een bestemmingsplan dat voorziet in minder dan 11 woningen niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals deze op basis van het Bro is gedefinieerd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in 2 extra woningen. De grens van 11 woningen wordt niet overschreden als gevolg van het planvoornemen.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen niet binnen de kaders van de ladder van duurzame verstedelijking ten behoeve van een stedelijke ontwikkeling valt. Nu er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hoeft de Laddertoets niet te worden doorlopen. In het kader van de uitvoerbaarheid van het plan, moet er wel worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 4 gaat hier nader op in.
Op 21 oktober 2020 is de omgevingsvisie Fryslân vastgesteld. In deze visie wordt het beleid beschreven dat laat zien hoe de provincie dit voor ogen heeft als de Omgevingswet in 2023 in werking treedt. De provincie heeft vier doelstellingen die ze als speerpunt wil hanteren. Een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Dat zijn de ambities van de provincie voor de Friese leefomgeving. Met de leefomgeving wordt volgens de provincie bedoeld: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Fryslân is van alle mensen die er werken, wonen of te gast zijn.
Met oog op dit bestemmingsplan is met name de doelstelling 'vitaal' van belang. Vitaal wordt in de omgevingsvisie beschreven als 'het streven naar welvaart door slimme economische groei'. Dit is groei die op een positieve manier bijdraagt aan de ambities uit de omgevingsvisie. Dit zorgt ervoor dat de Friese steden, dorpen en het platteland leefbaar zijn en blijven. Tevens betekent het dat er voldoende voorzieningen, woningen en bedrijvigheid zijn en dat er een goede bereikbaarheid is. Dit bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van twee woningen. Dit sluit aan op het streven naar voldoende aanwezige woningen. Daarmee draagt dit plan bij aan de doelstelling 'vitaal' uit de omgevingsvisie Fryslân.
Conclusie
De Omgevingsvisie Fryslân staat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg.
De verordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De verordening voorziet niet in nieuw beleid. Uitsluitend geldend provinciaal ruimtelijk beleid is omgezet in algemeen geldende regels. Het uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in het Barro of in andere wet- en regelgeving) hoeft niet over te worden gedaan. Verder is rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Binnen randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk.
In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen het landelijk en stedelijk gebied. Op grond van de provinciale begrenzing ligt het plangebied zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied (zie ook figuur 7).
Figuur 12: begrenzing bestaand stedelijk gebied in relatie tot plangebied (bron: ruimtelijke plannen)
Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van één woning in het stedelijk gebied en één woning in het landelijk gebied. In navolgende alinea's vindt afzonderlijke toetsing plaats aan beide gebiedstypen.
Stedelijk gebied
Het grootste deel van het plangebied valt onder het bestaand stedelijk gebied. In bestaand stedelijk gebied geeft de provincie veel vrijheid aan gemeenten. De verordening stelt regels aan onder andere het aspect woningbouw. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden bevatten voor woningbouw, indien de aantallen en de kwaliteit van woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan. Dit woonplan dient een schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten te hebben.
De gemeenten in de regio Noordoost Fryslân en de provincie Fryslân hebben regionale woningbouwafspraken met elkaar gemaakt voor de periode 2020-2025. Op basis hiervan is een woningbouwprogrammering opgesteld. Deze is in april 2021 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en is later voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Woningbouwplannen die binnen de afspraken vallen, kunnen vooruitlopend op de woningbouwprogrammering doorgang vinden. Dit bestemmingsplan voorziet in een toevoeging van slechts één woning in het bestaand stedelijk gebied en past tevens binnen de afspraken. In paragraaf 3.3.1 is dit nader toegelicht. Het planvoornemen is niet strijdig met het beleid uit de Verordening Romte Fryslân.
Landelijk gebied
Een klein deel van het plangebied valt onder het landelijk gebied. Op grond van artikel 1.1.1, lid 1 van de Verordening Romte mogen in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. In afwijking van het eerste lid kan in een ruimtelijk plan een uitbreidingslocatie aansluitend op bestaand stedelijk gebied worden toegestaan. In dit geval is er sprake van een kleinschalige uitbreidingslocatie aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. Het deel van het plangebied dat onder landelijk gebied valt grenst aan de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied. Aansluitend op het bestaand stedelijk gebied wordt er 1 woning toegevoegd. Deze ontwikkeling is conform de Verordening Romte Fryslân.
Conclusie
Het beleid uit de Verordening Romte Fryslân staat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg.
Met een woonvisie geeft de gemeente richting aan ontwikkelingen in de gemeente die met wonen of direct aangrenzende thema's te maken hebben. De woonvisie heeft betrekking op hoofdlijnen, principiële keuzes over wat voor woongemeente ze op termijn willen zijn en hoe ze hier naartoe willen werken. De visie is geldig tot 2025, maar geeft ook een doorkijk naar de langere termijn.
De gemeente geeft in haar visie aan dat nieuwbouw bij voorkeur iets moet bieden dat ontbreekt. Het kan hierbij gaan om woningtype of prijsklasse, maar tevens om ontbrekende kwaliteit. De gemeente vindt dat inbreiding voor uitbreiding moet gaan. Daarbij wordt de volgende volgorde gehanteerd:
Bij het planvoornemen is sprake van herstructurering van een bedrijfsperceel. Er vinden in de bestaande situatie geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. De bestaande bedrijfsbestemming is daardoor niet meer passend. Het bedrijfsperceel zal worden opgeruimd en aangepast voor een woonfunctie. Dit zal bijdragen aan de woonkwaliteit van het omliggende woongebied. Op deze manier wordt voldaan aan de ambities in de woonvisie om herstructurering van binnenstedelijke locaties te gebruiken om woningen te realiseren.
Woningbouwafspraken
De provincies hebben van het Rijk de wettelijke regierol gekregen om ruimtelijk invulling te geven aan volkshuisvestelijke behoefte. Provincies vullen dit met name kwalitatief in en maken hierover beleidsmatige afspraken met regio's/gemeenten. Door de druk op de woningmarkt vraagt het Rijk tijdelijke overprogrammering tot maximaal 130% (harde en zachte plancapaciteit). Aansluitend op deze vraag zet de Provincie Fryslân in op een experiment met de woonregio Noordoost-Fryslân. Dit experiment heeft een looptijd tot en met 2025.
In dit experiment wordt de bandbreedte (woningbehoefte) losgelaten. In halfjaarlijkse bestuurlijke overleggen wordt de balans van de woningmarkt in de regio Noordoost-Fryslân besproken. De provincie geeft daarbij vrijheid aan de woonregio Noordoost-Fryslân bij het programmeren van zowel binnen- als buitenstedelijke projecten. Het uitgangspunt hierbij is dat binnenstedelijke programmering voor buitenstedelijke programmering gaat. De afspraak die met de provincie is gemaakt is dat er 50/50 binnen- en buitenstedelijk ontwikkeld moet worden. De afspraken met de provincie zijn vanaf 29 november 2021 in een volgende fase gekomen, waarin de provincie zich verder terugtrekt. De gemeenten krijgen meer regie, waardoor in dit verband de gemeente Dantumadiel meer de eigen ontwikkeling van bouwplannen mag bepalen en daardoor sneller te werk kan gaan. De verantwoordelijkheid voor afweging en onderbouwing van welke plannen wel en niet doorgaan ligt steeds meer bij de gemeente.
Dit bestemmingsplan past binnen de woningbouwafspraken. Het planvoornemen is derhalve conform de regionale woningbouwafspraken.
Conclusie
Het planvoornemen is conform het beleid uit de woonvisie. Daarnaast past voorliggend bestemmingsplan binnen de regionale woningbouwafspraken.
Op basis van voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is en invulling geeft aan de relevante beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Toetsingskader
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het belangrijk om aandacht te besteden aan erfgoed. In welke mate er in een plangebied sprake is van erfgoed, dient aan de hand van onderzoek te worden bepaald. Vervolgens moet worden aangegeven op welke manier met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet (1988) vervallen. Delen van deze wet zijn op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat de besluitvorming in de fysieke leefomgeving betreft, gaat over naar de Omgevingswet wanneer deze naar verwachting in januari 2023 in werking treedt. Voordat de Omgevingswet in werking gaat, zijn artikelen met betrekking tot de wet in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet te vinden. Hierin blijven ze ongewijzigd van toepassing totdat de Omgevingswet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het gebied van cultureel erfgoed. Het belangrijkste onderdeel van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de aanwezige archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Indien dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet elk ruimtelijk plan een analyse bevatten van de overige cultuurhistorische waarden in relatie tot het plangebied.
Om uitspraken te kunnen doen over de archeologische verwachtingswaarde en de bodemgesteldheid van het plangebied, is de Friese Archeologische Monumentenkaart (FAMKE) geraadpleegd. Op de FAMKE zijn voor het gemeentelijk grondgebied bekende en te verwachten archeologische waarden aangegeven. Ook worden hierbij onderzoeksperiodes aangegeven: de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen.
Voor de onderzoeksperiode steentijd-bronstijd wordt ter plaatse van het plangebied een 'quickscan' geadviseerd. Van deze gebieden wordt vermoed dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn, maar dit is niet met zekerheid te zeggen. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een quickscan te verrichten.
Voor de onderzoeksperiode ijzertijd-middeleeuwen wordt ter plaatse van het plangebied 'karterend onderzoek 3' geadviseerd. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten.
In voorliggend geval is er sprake van ingrepen onder de 5.000 m2. Het plangebied tesamen heeft weliswaar een grotere oppervlakte dan 5.000 m2 maar op de kadastrale percelen 6266 en 6560 vinden geen bouwwerkzaamheden of bodemingrepen plaats. Deze percelen worden als erf bij de voormalige bedrijfswoning aan de Keapmanswei 23 betrokken en zijn thans ook al als zodanig in gebruik. Ter plaatse zullen mogelijk op sommige plekken planten en/of struiken worden geplant. Dit is echter niet aan te merken als een ingreep in de bodem. Enkel op de percelen 6561 en 6272 wordt op elk perceel één huis gebouwd. Het realiseren van deze twee woningen heeft betrekking op een ingreep van 472 m2 (woningen, bijgebouwen en terreinverharding). Dit aantal blijft ruimschoots onder de 5.000 m2. Archeologisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven.
Bescherming archeologische waarden
Op grond van artikel 2.2.1, lid 1 uit de Verordening Romte moet in een ruimtelijk plan worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de FAMKE. In voorliggend geval is geen sprake van onderzoek. Lid 1 uit de verordening is daarom niet van toepassing. Op grond van lid 2 kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 1, mits onderbouwd is op welke wijze in een vergelijkbare bescherming van archeologische waarden is voorzien.
Ter bescherming van archeologische waarden is op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de (verwachte) archeologische waarden. Aangenomen mag worden dat hiermee is voorzien in een passende bescherming van archeologische waarden.
Voor het aspect cultuurhistorie is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geraadpleegd om de aanwezigheid van belangwekkende cultuurhistorische elementen en objecten aan te kunnen tonen. Op grond van de CHK2 zijn er in het plangebied zijn cultuurhistorische objecten aanwezig. Nabij het plangebied zijn enkele paden aanwezig die in het kader van een inventarisatie van de planologische dienst zijn weergegeven op de cultuurhistorische kaart. Het planvoornemen heeft geen invloed op deze paden en doet er daarom geen afbreuk aan. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er dan ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect erfgoed betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. In deze wet is zowel de bescherming van de flora- en faunasoorten vastgelegd, alsook de bescherming van specifieke natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Naast de Wnb zijn ook de provinciale omgevingsvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig.
Natuurtoets
Om inzicht te verkrijgen op wat voor invloed het planvoornemen heeft op de natuurwaarden, is een beknopte natuurtoets uitgevoerd (P001367/ BügelHajema Adviseurs/ d.d. 8 september 2022). De beknopte natuurtoets is als bijlage bij de toelichting te raadplegen (Bijlage 2). Onderstaand worden de uitkomsten van de natuurtoets toegelicht.
Voor dit plan is op 22 augustus 2022 een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd. Het veldbezoek en de verspreidingsgegevens geven een nog onvoldoende beeld op de natuurwaarden in het gebied om de toetsing aan de Wnb op te baseren. Uit deze toetsing komt naar voren dat de oever langs de Nieuwe Vaart geschikt is als leefgebied voor waterspitmuis. Wanneer werkzaamheden aan de oever worden uitgevoerd, is nader onderzoek naar waterspitsmuis nodig. Verder zijn op het terrein geschikte plekken voor verblijfplaatsen van ringslang aanwezig. Daarom is nader onderzoek naar ringslang nodig, voordat de werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Op basis van de resultaten wordt bepaald of een ontheffing van de Wnb nodig is.
Negatieve effecten op een eventuele vliegroute van vleermuizen en foerageergebied van otter door lichtuitstraling moeten voorkomen worden door tijdens de bouw- en gebruiksfase directe lichtuitstraling op de watergangen te vermijden.
Verder moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat er bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het plangebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.
Op basis van de uitgevoerde stikstofberekening is bepaald dat een stikstofvergunning niet benodigd is voor dit plan (zie hierna). Een nadere analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet nodig. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân. Het plan leidt tot slot niet tot de kap van in het kader van de Wnb beschermde houtopstanden.
Stikstof
In het kader van voorliggend bestemmingsplan is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van twee woningen berekend. De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat. Het volledige rapport is als Bijlage 3 aan het plan toegevoegd. In de berekening is geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Vanuit het aspect stikstof zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
Conclusie
Voorafgaand aan de werkzaamheden is nader onderzoek naar de ringslang vereist. Omdat er geen handelingen/werkzaamheden in de oever plaats zullen vinden is nader onderzoek naar de Waterspitsmuis op dit moment niet nodig. Op het moment dat er wel plannen zijn voor werkzaamheden zal dit onderzoek alsnog worden uitgevoerd. Negatieve effecten op een eventuele vliegroute van vleermuizen en foerageergebied van otter door lichtuitstraling moeten voorkomen worden door tijdens de bouw- en gebruiksfase directe lichtuitstraling op de watergangen te vermijden. In de bouwregels is daarom een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin dit is opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting zal uiteindelijk geborgd worden in de omgevingsvergunning. Bij de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Bij voorkeur moeten de werkzaamheden buiten de periode half maart tot half juli plaatsvinden. De AERIUS-berekening heeft geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Op basis van de uitgevoerde stikstofberekening is bepaald dat een stikstofvergunning niet is benodigd voor dit plan. Het planvoornemen kan wat het aspect ecologie betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
De overheid heeft in voorgaande jaren veiligheidsnormen vastgesteld die moeten worden genomen en waarmee op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat afwegingen ten aanzien van risico's op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moet worden gemaakt en niet impliciet blijven plaatsvinden.
In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogeheten risicokaart ontwikkeld. Daarop zijn alle objecten met een externveiligheidsrisico opgenomen, zoals gastransportleidingen en wegen waarover gevaarlijk stoffen worden getransporteerd, maar ook bedrijven en instellingen met productie of opslag van gevaarlijke stoffen.
Toetsing
Op grond van de risicokaart komen in en nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen voor. Het planvoornemen voorziet daarnaast niet in de totstandkoming van een nieuwe risicobron of transportroute voor gevaarlijke stoffen. Voorliggend bestemmingsplan leidt dan ook niet tot een verhoging van het extern risico voor andere kwetsbare- en beperkt kwetsbare objecten. Risico's ten behoeve van externe veiligheid als gevolg van het planvoornemen kunnen worden uitgesloten.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
Toetsingskader
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat een bestemmingsplan uitvoerbaar is. Als gevolg van bodemsanering kan de financiële uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan belemmerd worden. Daarom is het van belang om na te gaan of de bodem schoon is. In het kader van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid wordt daarom onderzocht of de bodem voldoende schoon is.
Toetsing
Om aan te kunnen tonen dat het planvoornemen geen afbreuk aan de milieuhygiënische bodemkwaliteit doet, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (220680/ WMR/ d.d. 27 oktober 2022). De rapportage van het bodemonderzoek is als bijlage bij de toelichting raadpleegbaar (Bijlage 4). Onderstaand wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek.
Vooronderzoek
Op basis van vooronderzoek naar de actuele en historische situatie van het plangebied, de bodemopbouw en voorgaande bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat er aanwijzigingen voor een vermoeden van bodemverontreinigign zijn. De locatie wordt als verdacht voor bodemverontreiniging beschouwd.
Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek
Het verkennend bodemonderzoek heeft geleid tot verschillende resultaten per deellocatie. In het hiernavolgende wordt hierop ingegaan.
Voormalige tanks
Consequenties voor het planvoornemen
Op basis van de licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater is de gestelde onderzoekshypothese, een verdachte locatie, formeel gezien juist. De gemeten gehalten zijn echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
Voormalige werkplaats
Consequenties voor het planvoornemen
De gemeten concentratie is dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
Overige terreindeel
Consequenties voor het planvoornemen
De gemeten gehalten zijn dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
Asbest druppelzones werkplaats
Consequenties voor het planvoornemen
De gestelde onderzoekshypothese, een verdachte locatie, kan verworpen worden.
Halfverharding
De halfverharding voldoet aan de samenstellings- en emissiewaarden voor een niet-vormgegeven bouwstof.
Afvoer van grond
Bij afvoer van grond vanaf het perceel dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit.
Conclusie
Het verkennend bodemonderzoek heeft voldoende inzicht gegeven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit van het plangebied. Het planvoornemen kan wat het aspect bodem betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
Op grond van de Bro (artikel 3.1.6) moet aandacht worden besteed aan de waterhuishouding en een waterparagraaf worden opgenomen in de toelichting van ruimtelijke plannen. Hierin wordt beschreven op welke manier rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op zowel het grondwater als het oppervlaktewater. Het is een schriftelijke weergave van de zogenoemde watertoets. De watertoets heeft als doel om waterhuishoudkundige doelstellingen te betrekken bij relevante besluiten en ruimtelijke plannen. Het voorliggend plangebied valt binnen het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.
Toetsing
Op 15 november 2022 is middels de digitale watertoets advies opgevraagd bij Wetterskip Fryslân. Uit het advies blijkt dat de normale procedure van toepassing is op het planvoornemen. Dit betekent dat Wetterskip Fryslân mogelijk aanvullend advies uitbrengt. Het advies is als bijlage bij de toelichting te raadplegen (Bijlage 5). Onderstaand wordt ingegaan op de aspecten uit het advies die van belang zijn voor het planvoornemen.
Toename verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. De locatie ligt volgens de kaart begrenzing bestaand bebouwd gebied van de provincie zowel in het stedelijk als landelijk gebied.
In de bestaande feitelijke situatie is circa 300 m2 aan oppervlakteverharding aanwezig. Het planvoornemen voorziet in twee woningen met een oppervlakte van 112 m2 per woning. Bij de woningen wordt een schuur gerealiseerd met een oppervlakte van respectievelijk 98 m2 en 50 m2. De totale oppervlakte bedraagt daarmee 372 m2. Als er daarnaast nog wordt uitgegaan van 50 m2 terreinverharding per woning komt het totaal uit op 472 m2 aan verharding. Met aftrek van de reeds aanwezige bebouwing is er per saldo een toevoeging aan verhard oppervlak van 172 m2. Gelet op de ligging van het plangebied op de grens van stedelijk en landelijk gebied zijn compenserende maatregelen niet vereist. Daarnaast zijn initiatiefnemers voornemens om waterpartijen aan te leggen en een sloot te graven. De benodigde vergunningen zullen hiervoor te zijner tijd worden aangevraagd.
Aanlegplaatsen
Aan de westzijde van het plangebied is een vijftal aanlegplaatsen voor boten aanwezig. Deze aanlegplekken blijven bestaan, maar zullen niet meer voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt.
Europese Kaderrichtlijn Water (krw)
Wetterskip Fryslân is volgens de krw en de Waterwet verplicht om maatregelen te nemen om de ecologische doelen te bereiken die per waterlichaam zijn vastgelegd en om deze te beschermen. In het wateradvies constateert Wetterskip Fryslân dat het planvoornemen een ecologische opgave die is aangewezen vanuit krw. Het is van belang dat de huidige ecologische situatie niet verslechtert als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Het planvoornemen heeft geen betrekking op werkzaamheden aan of direct nabij de Nije Feart. De twee nieuwe woningen zullen aan de Swemmerloane gesitueerd worden. Afbreuk aan de huidige ecologische situatie van de Nije Feart ligt daarom niet in de lijn der verwachtingen. Verwacht mag worden dat de ecologische situatie niet verslechtert.
Vrij voor boezem
Het wetterskip heeft geconstateerd dat het plangebied vrij voor boezem ligt (streefpeil: -0,52 m NAP). Dit betekent dat het plangebied niet door een boezemkade is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Er moet daarom rekening worden gehouden met hoogwater in kader van regionale wateroverlast. Het is van belang om rekening te houden met de droogleggingsnorm of het maatgevend boezempeil (MBP). Het MBP, behorend bij een situatie met een kans van voorkomen van 1/100 per jaar, mag tot 1 meter voor de gevel voorkomen. Het wetterskip adviseert om de nieuwe bebouwing/infrastructuur voldoende hoog aan te leggen. Naar aanleiding hiervan adviseert Wetterskip Fryslân om de hoogte van het plangebied in te laten meten. In de nadere planuitwerking wordt hier rekening mee gehouden.
Regionale en lokale kering
In het wateradvies heeft Wetterskip Fryslân gesteld dat het plan een regionale en/of lokale kering raakt. Op grond van de leggerkaart van Wetterskip Fryslân betreft het een regionale kering die langs de oostelijke grens van het plangebied loopt. Onderstaand fragment geeft een uitsnede uit de leggerkaart weer.
Figuur 13: uitsnede leggerkaart Wetterskip Fryslân (bron: Wetterskip Fryslân)
Uit figuur 3 blijkt dat het plangebied deels in de kern- en beschermingszone van de regionale kering is gelegen. Werkzaamheden binnen de zonering van de regionale waterkering betreffen een vergunningsplichtige activiteit. In het inrichtingsplan zijn de bijgebouwen deels binnen de kern- en/of beschermingszones gesitueerd. De woningen vallen buiten de zones. De positie van de bijgebouwen is indicatief en het is dan ook niet zeker dat een te realiseren bijgebouw binnen de kern- en/of beschermingszones wordt gesitueerd. De positie van de woningen (hoofdgebouw) is vastgelegd door middel van een bouwvlak. Op het moment dat een bijgebouw binnen de kernzone of beschermingszone wordt gesitueerd zal de benodigde vergunning daarvoor worden aangevraagd bij het Wetterskip. Op meerdere percelen nabij het plangebied zijn in de bestaande situatie (recent) al gebouwen (hoofd- en bijgebouwen) binnen dezelfde kernzone gesitueerd. Dit betekent dat er in het verleden al vergunningen zijn verleend voor het bouwen van gebouwen binnen de kernzone en dat aanvragen daarmee vergunbaar zijn. Hierdoor mag het aannemelijk worden geacht dat eventuele benodigde vergunningen voor het plangebied verleenbaar zijn.
Hoofdwater
Het plangebied ligt aan de Nije Feart. Uit het wateradvies als ook figuur 3 blijkt dat dit een Hoofdwater is. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone van 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen betreffen een vergunningsplichtige activiteit. De te realiseren woningen worden buiten de beschermingszone van de hoofdwatergang gesitueerd (zie ter beeldvorming ook 2.3). Bovendien worden deze gronden bestemd als 'Tuin'. Deze bestemming zorgt ervoor dat ter plaatse geen bebouwing kan worden gerealiseerd. Het voorgaande is geborgd in de regels en vergbeelding van dit bestemmingsplan. Een vergunningaanvraag is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het aspect water staat uitvoering van het plan niet in de weg. Waar nodig zullen de benodigde vergunningen worden aangevraagd.
Toetsingskader
De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder gaat in op zowel wegverkeerslawaai, spoorweglawaai als industrielawaai. Voor het planvoornemen is alleen wegverkeerslawaai relevant. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Bij wegverkeerslawaai geldt een uitzondering voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en/of wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Wel dient er sprake te zijn van een 'goede ruimtelijke ordening' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.
Toetsing
Het plangebied is gelegen aan de Swemmerloane. Dit is een smalle, onverharde erftoegangsweg waar drie woningen aan zijn gelegen. Ter plaatse geldt een snelheidsregime van 30 km/uur. Deze weg wordt enkel gebruikt voor bestemmingsverkeer. Bovendien heeft de Swemmerloane niet het karakter van een straat. Akoestisch onderzoek naar deze weg kan achterwege blijven.
Het plangebied is wel gelegen binnen het invloegdsgebied van de nabijgelegen Kaepmanswei. De Kaepmanswei kent formeel een maximum snelheid van 50 km/uur maar gelet op het profiel van de weg met een breedte van 2,9 meter zal deze snelheid hier nagenoeg nooit gereden worden. Aan dit stuk zijn circa 8 woningen gesitueerd. De toegang tot het plangebied (Swemmerloane) is gelegen aan het eind van deze weg met een doodlopend einde en wordt vooral gebruikt worden door bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteiten op de Keapmanswei zijn daardoor veel lager dan die van een reguliere doorgaande 50 km/uur weg, waardoor de geluidsbelasting op omliggende geluidsgevoelige gebouwen ook lager zal zijn dan de geluidsbelasting van een reguliere 50 km/uur weg. Gezien de te verwachten verkeersintensiteiten op deze weg is het aannemelijk dat kan worden voldaan aan het vereiste van een 'goede ruimtelijke ordening'. Het op basis van het Bouwbesluit vereiste binnenniveau van 33 dB moet haalbaar worden geacht. Ook gelet op het feit dat de woningen niet direct gelegen zijn aan deze weg maar binnen het invloedsgebied vallen. Tussen de Kaepmanswei en het plangebied zijn woningen gesitueerd die een buffer vormen naar het plangebied.
Op grond van het voorgaande mag worden verwacht dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan achterwege blijven.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect geluidhinder betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
Om hinder tussen bedrijven en gevoelige functies zoals woningen te voorkomen, is het wenselijk dat tussen beide functies voldoende ruimte is. Om te bepalen welke afstand noodzakelijk is, kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden die zijn opgenomen in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Als aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan, is er veelal geen sprake van bedrijfshinder.
Toetsing
Het plangebied bevindt zich in een woongebied aan de zuidwestelijke zijde van De Westereen. In de omliggende omgeving zijn veelal woon-, agrarische-, groen-, water,- en verkeersbestemmingen aanwezig. Dit zijn functies die qua aard en schaal passend zijn in een rustige woonwijk. Het plangebied kan daarom aangemerkt worden als rustige woonwijk.
Externe werking
Bij externe werking gaat het voornamelijk om de vraag of het plan leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of als de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een milieubelastende functie en zal daarom niet leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat of hinder voor bedrijven uit de omgeving.
Interne werking
Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in twee nieuwe milieugevoelige functies.
Jachthaven
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een jachthaven. Voor een jachthaven geldt de milieucategorie 3.1 met bijbehorende richtafstand van 50 meter. Hierbij is geluid de bepalende afstand. Gemeten moet worden vanaf de bestemmingsgrens van het bedrijf tot aan de uiterste situering van de dichtstbijzijnde woning. De afstand tussen de jachthaven en de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 158 meter. Aan de richtafstand kan ruim worden voldaan.
Begraafplaats
Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een begraafplaats. Voor een dergelijke functie geldt de milieucategorie 1 met bijbehorende richtafstand van 10 meter. Hierbij is geluid de bepalende afstand. Gelet op de ruime afstand van 290 meter tussen de maatschappelijke bestemming van de begraafplaats en de dichtstbijzijnde woning kan ruim aan de richtafstand worden voldaan.
Onderbouwd is dat de te realiseren woningen geen hinder zullen ondervinden van bestaande functies in de omgeving.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect hinder van bedrijven betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
De Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit zijn door Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit te worden getoetst. De criteria die beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn in de AMvB-nibm vastgelegd.
Toetsing
Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van 2 woningen. De gevolgen van woningbouw voor de luchtkwaliteit zijn in veel gevallen klein. Voor de categorie woningbouwlocaties geldt een getalsmatige grens van:
Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de hiervoor genoemde grenzen. Het planvoornemen kan als 'nibm' worden beschouwd.
Conclusie
Het plan kan voor het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar worden beschouwd.
In deze paragraaf wordt getoetst of er geen onevenredige belasting plaatsvindt op de omliggende infrastructuur van het plangebied. Daarnaast wordt getoetst of er voldoende parkeerruimte aanwezig is in verband met de nieuw te realiseren functies. Ter ondersteuning van het voorgaande wordt de handreiking parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie van het CROW gehanteerd.
Verkeer
Op grond van de geldende bedrijfsbestemming zijn bedrijven tot en met 3.1 toegestaan. Hieronder vallen ook bedrijven met een relatief hoge verkeersaantrekkende werking, zoals het voormalig aanwezige scheepswerf of een bouwbedrijf. Zwaar vrachtverkeer kan hier ook onder vallen. In de toekomstige situatie is slechts nog sprake van twee woningen. Gesteld kan worden dat er planologisch gezien in de nieuwe situatie sprake is van minder verkeersbewegingen dan in de bestaande situatie. Bovendien zullen de twee woningen geen (zwaar) vrachtverkeer aantrekken. In de nieuwe situatie zal de Swemmerloane goed in staat zijn om het geringe aantal verkeersbewegingen van de twee woningen op te vangen.
Parkeren
Op het eigen erf van de woningen zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat de aspecten verkeer en parkeren betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, moet er alsnog een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de mogelijke (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Toetsing
Op voorliggend bestemmingsplan is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkeling, D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. van toepassing.
D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen een rol. Gelet op het feit dat het hier gaat om sloop en nieuwbouw waarbij er niet of in beperkte omvang sprake is van een toename aan bebouwing (ruimtebeslag) kan de wijziging niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en is een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet aan de orde. Daarnaast zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling in voorgaande paragrafen reeds onderzocht. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben. Naar alle Europese criteria voor de afweging hieromtrent is gekeken. Het planvoornemen geeft dan ook geen aanleiding voor onderzoek in het kader van het Besluit m.e.r.
Conclusie
Een plan-m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Daarnaast zijn relevante omgevingsaspecten in voorgaande paragrafen voldoende aan de orde geweest om op grond daarvan de uitvoerbaarheid van het plan te kunnen beoordelen.
Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.
SVBP2012
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.
Analoog vs. digitaal bestemmingsplan
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit:
De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.
In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
Dit hoofdstuk bevat de volgende bestemmingen: 'Tuin', 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor de bestemmingsregels is aansluiting gezocht bij de meer recente bestemmingsplannen in De Westereen.
Tuin
De nabij de weg gelegen gronden zijn bestemd als 'Tuin'. Daarnaast is een onderhoudsstrook langs de waterkant bestemd als 'Tuin'. Het belangrijkste onderscheid met de woonbestemming is dat het hier geen achtererfgebied betreft en er daarom geen bijgebouwen en dergelijke gebouwd mogen worden. Alleen erkers zijn onder voorwaarden mogelijk. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend worden gebouwd voor zover deze vergunningsvrij zijn. Verder zijn waterlopen en waterpartijen opgenomen in de bestemmingsomschrijving, aangezien een deel van het water onder de bestemming 'Tuin' valt.
Water
De bestaande ligplaatsen zijn voorzien van de bestemming 'Water'. Dit water hoort bij de vaart De Zwemmer. Er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde mogen met een maximale hoogte van 3 meter worden gebouwd. Voor het dempen van het water geldt een vergunningplicht.
Wonen
De bestemming 'Wonen' geldt voor de bestaande bedrijfswoning en voor twee nieuw te realiseren vrijstaande woningen. Hier zijn ook aan huis verbonden beroepen en bedrijven mogelijk. Voor de woningen en de ondergeschikte bebouwing zijn regels met betrekking tot bouw- en goothoogte opgenomen. Ondergeschikte bebouwing moet achter de naar de weg gekeerde gevels van de woning worden gebouwd. Als op de verbeelding een gevellijn is opgenomen, moet de ondergeschikte bebouwing achter de gevels van de woning ter plaatse van die gevellijn, worden gebouwd. O.a. het stallen van vlieg-, vaar- en voertuigen is niet toegestaan.
Waarde - Archeologie
Ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden in het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Deze bestemming geldt primair ten opzichte van de andere bestemmingen. Er mag ter plaatse van deze bestemming alleen bouwwerken worden gebouwd met een oppervlakte van niet meer dan 5.000 m², tenzij er op voorhand een archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de archeologische waarden voldoende zijn vastgesteld. Daarnaast geldt er een vergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en met een diepte van meer dan 0,5 m.
In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde ten behoeve van verlichting, waarmee het voorkomen van lichtuitstraling gelet op de bescherming van de otter en vleermuizen voor zover mogelijk is geborgd. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen waaronder Burgemeester en wethouders op een aantal onderdelen onder bepaalde randvoorwaarden het plan kan wijzigen. In de overige regels is tot slot geregeld dat er voorwaarden kunnen worden gesteld op basis van de in artikel 12a van de Woningwet aangegeven welstandscriteria wanneer de regels in het plan ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen.
Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.
De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:
Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure
Na aankondiging in de Staatscourant en in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.
Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure
Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft ook de mogelijkheid om beroep in te stellen. Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen:
Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen.
De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Dit geldt eveneens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding.
Door het opstellen van dit bestemmingsplan voor de betreffende gronden is de kans aanwezig dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade ondervinden aan de hand van de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt.
Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, wordt gedragen door de initiatiefnemer. Op basis van deze overweging dient het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch als uitvoerbaar te worden geacht. De exploitatiekosten zijn anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen. Het was tot 21 juni 2023 mogelijk om een zienswijze in te dienen over het ontwerpbestemmingsplan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
In het ontwerpbestemmingsplan dat ter inzage heeft gelegen is op de verbeelding (plankaart) abusievelijk een te smal bouwvlak opgenomen voor de beoogde zuidelijke woning. Dit gebrek wordt via een ambtshalve wijziging ‘hersteld’.
Het bestemmingsplan is op 26 september 2023 gewijzigd vastgesteld. Het raadsbesluit is als Bijlage 6 bijgevoegd.